Van pool tot pool

Part 3

Chapter 33,848 wordsPublic domain

Het leven van den keizer was rijk aan wederwaardigheden en leed. Hij heeft oorlog, oproer en omwentelingen beleefd en met het meest wijze beleid al deze elkaar bestrijdende menschenmassa’s bijeengehouden, die beproefden zijn rijk uiteen te doen spatten en het nog steeds trachten te doen. Zonder hem is de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie nauwelijks denkbaar, daarom is in onzen tijd geen menschenleven van meer gewicht dan het zijne. Het was aan aanslagen blootgesteld, zijn gemalin werd vermoord en zijn zoon stierf een gewelddadigen dood. Nu is hij een en tachtig jaar en heeft drie en zestig jaar de keizerskroon gedragen; sedert 1867 is hij koning van Hongarije. Onder zijn regeering zijn handel, landbouw en industrie en de algemeene welstand van het land zeer vooruit gegaan. Het merkwaardigst echter is, dat hij zijn hoofd nog steeds rechtop houdt, slank en recht is en even ijverig werkt als de daglooner in het Donaudal. Van de populariteit, die keizer Frans Jozef onder zijn volk geniet, getuigt een verhaal dat een praatlustige reisgenoot mij vertelde, toen ik van Weenen met den sneltrein door het Donaudal reed, denzelfden weg, dien wij op onze gemeenschappelijke reis nu inslaan. Ik was juist gaan zitten om te eten, en terwijl ik mijn soep gebruikte, vertelde hij mij van Weenen.

„Hebt u reeds van den loodgieter gehoord, die op den Stephanstoren is geklommen?” vroeg hij mij.

„Neen, wat is dat voor een verhaal?”

„Die wilde het jubileum van den keizer op zijn manier vieren. Hij bond een Oostenrijksche vlag op zijn rug en klom de trappen op, en toen de trappen ophielden, klauterde hij aan de buitenzijde van den toren verder. Zooals u weet is hij bijna loodrecht, maar hij volbracht het kunststuk om op de kleinste uitsteeksels en de naden der koperen platen vasten voet te zetten en aan den voet van het kruis te komen.”

„Toen stortte hij natuurlijk omlaag?”

„God beware, hij haalde maar even adem en klauterde toen langs den bliksemafleider naar het bovenste gedeelte van het kruis. Daar ging hij op zijn buik liggen en maakte met armen en beenen in de lucht bewegingen van een zwemmer.”

„De man maakt mij griezelig,” dacht ik bij mijzelf. „Daarna nam de loodgieter zijn vlag en liet ze een een poos wapperen. Diep onder hem lag Weenen, en hij zag de geheele stad als op een kaart: het Donaukanaal en de Donau met haar bruggen, de vierkante stadswijken, de daken der huizen met hun schoorsteenen, de straten, pleinen en stegen, de voorsteden en dorpen, spoorbanen en landwegen, die aan den horizon verdwenen. De telegraaf- en telephoondraden had hij diep onder zich, hij was beslist de hoogste in geheel Weenen. Toevallig zag iemand op het plein voor den Dom hem en zijn vlag en bleef natuurlijk staan om naar boven te kijken. Reeds na enkele oogenblikken stond daar een menigte menschen, en ten slotte was er zulk een gedrang, dat alle verkeer moest ophouden. Zoo was het ook op alle andere plaatsen en pleinen, waar men den Stephanstoren kon zien. De helft der inwoners stond dicht opeengedrongen op het plaveisel, zoodat men niet meer kon loopen of rijden en naar den toren gaapte. De loodgieter stond nog steeds daarboven, zwaaide zijn vlag en amuseerde zich, dat het daar beneden in de straten zoo aardig zwart van de menschen werd.”

„Hij kwam natuurlijk verpletterd beneden,” bracht ik in het midden, ik kon er niet toe komen aan den juist opgedienden visch te beginnen, voordat de loodgieter weer beneden, althans bij de bovenste trap was aangekomen.

„In het geheel niet! Toen het hem boven te vervelend werd, klauterde hij voorzichtig langs denzelfden weg dien hij was gekomen weer naar beneden. Zonder een enkelen keer mis te stappen, uit te glijden of zijn houvast te verliezen, daalde hij langs de buitenzijde van den toren omlaag. Men mag natuurlijk bij zulke uitstapjes niet aan duizelingen lijden.”

„Daar hebt u gelijk aan!” antwoordde ik. „Maar hoe dacht de politie over den loodgieter?”

„Nu, hij kreeg een maand gevangenisstraf, omdat hij een oploop veroorzaakte en het straatverkeer belemmerd had.”

„Dat was gemeen,” ontsnapte aan mijn lippen.

„Ja, maar hij kreeg ook van den keizer een gouden medaille, omdat hij zulk een grooten moed had getoond.”

„Dat is meer naar mijn zin! Maar nu zullen wij met de visch beginnen.”

Juist rolde de trein over een der Donaubruggen naar de Hongaarsche vlakte en het Balkanschiereiland.

7. DOOR DE HONGAARSCHE VLAKTE NAAR HET BALKANSCHIEREILAND.

In het Noorden van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie stroomen de Elbe en de Dnjester en in het zuiden verschillende kleinere rivieren, die in de Adriatische zee uitmonden. Voor het overige behooren alle rivieren van de monarchie tot de Donau en stroomen van alle kanten naar haar, de hoofdrivier, toe. De grootste rivier van Europa is de Wolga, en zij heeft haar eigen zee, de Kaspische. De Donau is de daarop volgende in grootte ook met haar eigen zee, de Zwarte. En zwart heet ook haar bron, want de Donau ontspringt op het Zwarte Woud in Baden. Van de bron tot haar monding is zij bijna 3000 kilometer lang. Zij stroomt door Beieren, Oostenrijk en Hongarije, vormt de grens tusschen Rumenië en Bulgarije en gaat tenslotte over een klein gedeelte van het Russische grondgebied. Zij heeft zestig groote zijrivieren, van welke meer dan de helft bevaarbaar zijn en die voortdurend de watermassa van de hoofdrivier vergrooten. Bij Budapest waar, onder prachtige bruggen de Donau doorstroomt, meent men eerder een meer, dan een rivier voor zich te hebben. De Elisabethbrug in de hoofdstad van Hongarije heeft 290 meter spanning. Verder naar beneden op de grens van Walachije is de rivier een kilometer breed, en waar de Rumeensche spoorbaan tusschen Bukarest en de Zwarte Zee, de Donau snijdt, vinden wij bij het „Zwarte Water” een brug die bijna vier kilometer lang en de grootste van de geheele aarde is!

Niet ver van dit punt verdeelt de Donau haar watermassa in drie armen en vormt bij haar monding een groote Delta. Hier groeit dicht riet, dat de hoogte heeft van tweemaal een manslengte, hier weiden groote kudden buffels, gaan wolven op rooftochten uit en broeden millioenen watervogels.

Van Budapest voert ons de trein door de Hongaarsche Vlakte een eigenaardig komvormig land, in een ring van gebergten. Er valt zeer veel regen, de winter is hier koud en de zomer heet, als in alle landen, die ver van de zee liggen. Stof- en zandstormen zijn hier niets buitengewoons en op enkele gedeelten hoopt zich het stuifzand tot duinen op. Eens was het Hongaarsche laagland een welige steppe, waarop het nomadenvolk der Magyaren te paard rondtrok om de kudden vee en onafzienbare troepen schapen te laten grazen. Tegenwoordig breidt de landbouw zich steeds meer uit. Er wordt tarwe, rogge, gerst, haver, mais, rijst, aardappelen en wijn in zulk een hoeveelheid verbouwd, dat de opbrengst van den grond voldoende is om het land zelf de benoodigdheden te leveren en er voldoende overblijft voor een aanzienlijken uitvoer.

Op de uitgestrekte steppen met hun vele moerassen, hebben de bewoners geen ander brandmateriaal dan riet en gedroogden mest. De veeteelt stond in Hongarije altijd zeer hoog. Nog steeds worden raskoeien, stieren en buffels door nauwgezette fokkerij veredeld en schapen, geiten en varkens van de meest verschillende soorten geteeld; vetmesting van gevogelte, bijen- en zijdeteelt, en de visscherij staan op aanzienlijke hoogte. Voor den nomade, die van de eene streek naar de andere trekt, is het paard onontbeerlijk, en daarom is het zeer natuurlijk, dat Hongarije steeds rijk aan paarden was, en wel aan voortreffelijke paarden van Tartaarsch en Arabisch bloed.

Als men het land, waar al deze rijkdommen groeien, en waar de goede en gelijkmatig bevloeide bodem zooveel bijdraagt tot den welstand van den mensch, uit den trein beziet, schijnt het vlak en eentonig. Men ziet wel kudden met rijdende herders, dorpen, landwegen en hutten. Maar als men er een duidelijk begrip van wil krijgen, moet men de groote landbouwtentoonstelling in Budapest bezoeken. Zij geeft een volkomen beeld van het Hongaarsche landleven, van de weiden en veestallen tot de bereide boter en de versche kaas, van het leven der zijderups in de pop tot aan de kostbare zijden stof. Zij toont het leven van den boer op het landgoed, in de eenvoudige rieten hut, of in de tent, de verschillende graansoorten, waarmede hij de akkers bebouwt, de gele honingraten, welke hij in het najaar uit de bijenkorven oogst, tot het gelooide leder, waarvan hij riemen, zadels en koffers vervaardigt. Zij laat wapenen, gereedschappen en buit zien van den Hongaarschen jager en visscher. En pas als men de laatste zaal der tentoonstelling heeft verlaten, begrijpt men, hoe verstandig en met hoeveel liefde dit land door zijn volk bebouwd wordt. Welstand en rijkdom beloonen daarom ook de bewoners.

Met ontzaglijke snelheid suist de trein door de vlakte en de Servische grens over. In Belgrado, de hoofdstad van Servië, zien douanebeambten onze bagage na. Zij doen hun plicht, maar men houdt niet van de Serviërs, en wat mijzelf betreft, ik heb geen vertrouwen in een volk, dat zijn koningen en koninginnen het venster uitwerpt, als het hun maar in den zin komt!

Hier nemen wij afscheid van de Donau en volgen het dal der Morawa. De Servische dorpen, uit lage witte huizen bestaande, met pyramidale pannen- of stroodaken zijn aardig en schilderachtig. Overal groenende heuvels en boschrijke hellingen, kudden, herders en landlieden, die in bonte kleederdracht achter den ploeg loopen, kleine, klaterende beken huppelen met vroolijke sprongen omlaag naar de Morawa; en deze stroomt weer naar de Donau. Wij zijn dus nog steeds in het stroomgebied der Donau, ja zelfs dan nog, als wij geheel Servië reeds hebben doorsneden, een vlakken bergrug zijn overgegaan en Sofia, de hoofdstad van Bulgarije, achter ons hebben. Ook hier stroomt nog een rivier, die een onderdaan der Donau is, welke stroom dus voor een gansche reeks volkeren en staten een levensader is. Tentijde der volksverhuizing verspreidden de scharen indringers van het Oosten zich gewoonlijk naar Europa door het Donaudal, en tegenwoordig is de rivier een der belangrijkste verbindingsmiddelen tusschen West- en Oost-Europa.

De nacht verbergt het koninkrijk Bulgarije, door welks zuidelijk deel wij langs de Maritza stoomen, welker, naar het Zuiden gebogen dal, wij pas voorbij de Turksche grens en Adrianopel verlaten. Hier zijn wij op het breedste gedeelte van het Balkanschiereiland en gedurende het eentonig schokken bij den nachtelijken tocht denk ik, terwijl ik op de bekleede bank lig, aan de beroemde Balkanlanden, welke zich in het Zuiden uitstrekken, Albanië met zijn oorlogzuchtig volk, Macedonië, het geboorteland van Alexander den Groote, en Griekenland, de voormalige bakermat van wetenschap en kunst.

Als de dag begint te grauwen zijn wij in Turkije en de zon staat reeds hoog aan den hemel, als de trein Konstantinopel binnenstoomt.

8. KONSTANTINOPEL.

Wanneer het lot u ooit naar deze parel onder de steden der aarde voert, begeef u dan niet eerst in haar nauwe, vuile stegen, maar beklim gezwind het bovenste platform van den hoogen toren, die zich midden op de punt van het schiereiland, waarop Stamboel, het Turksche stadsgedeelte ligt, verheft. Een landschap vol onvergelijkelijke schoonheid breidt zich voor uw oogen uit.

Gij ziet neer op een zee van dicht op elkaar gedrongen houten huizen in de bontste kleuren. Uit het gewirwar van daken van het oude Stamboel verheffen zich de slanke torens en minaretten en de ronde koepels der moskeeën. Vlak aan uw voeten ligt de groote bazaar der kooplieden en verder naar achteren de Aya Sofia, de voornaamste moskee. Evenals Rome is Stamboel op zeven heuvels gebouwd, de dalen er tusschen zijn gevuld met groene boomgroepen en schaduwrijke tuinen. In het Westen zijn de torens van den ouden stadsmuur nog te herkennen; aan gene zijde daarvan wenken de toppen van de sombere cypressen der kerkhoven.

Aan de Noordelijke zijde strekt zich een schiereiland met stompen hoek uit. Daarop bevinden zich de stadsgedeelten: Galata en Pera, waar de Europeanen, Grieken en Italianen, Joden en Armeniërs en leden van naburige volksstammen wonen. Tusschen dit schiereiland en Stamboel ziet men een diep ingesneden zeeboezem naar het Noordwesten; hij heet de Gouden Hoorn daar op zijn golven sedert onheugelijke tijden onmetelijke schatten worden vervoerd.

Noord-Oostelijk ziet gij een zeeëngte van bijna gelijke breedte. Haar waterspiegel is safierblauw en de oever wordt omzoomd door een krans van dorpen, en witte villa’s tusschen weelderig bosschage. Het is de Bosporus, de weg naar de Zwarte Zee. Op de rechterzijde van de Bosporus ligt het derde voornaamste gedeelte van Konstantinopel: Skoetari van de kust der zee tot de hellingen van lage heuvels.

Richt uw oogen naar het Zuiden. Gij moet ze met de hand beschutten, want de groote waterspiegels weerkaatsen het zonlicht met onverminderden glans. Voor u ligt de 200 kilometer lange zee van Marmara, een vreemd water, noch meer, noch zee, noch golf, noch zeeëngte, een verbinding tusschen de Zwarte en de Aegeische Zee, met gene door de Bosporus, met deze door de Dardanellen en de Hellespont verbonden. De drijvende tuinen ginds, twee mijlen Zuid-Oostwaarts, zijn de Prinseneilanden, en daarachter in het blauwnevelig verschiet, verheffen zich de gebergten van Klein-Azië. Hier en daar glinstert het witte zeil van een schip of zweeft een rookwolkje in de lucht. En rondom lost zich dit verrukkelijk landschap aan den horizon in steeds zwakker wordende kleuren op, totdat land en zee en hemel ineensmelten.

Onvergetelijk wordt voor u het beeld van deze geweldige, door breede kanalen doorsneden stad. Uw blik omvat twee werelddeelen, twee zeeën, en den belangrijken zeeweg welke de hoofdstad van het Osmaansche rijk doorsnijdt. Dagelijks gaan ontelbare schepen door de Bosporus de Zwarte Zee op, naar de kusten van Bulgarije, Rumenië, Rusland en Klein-Azië, en evenveel door de Dardanellen en de zeeën van Griekenland, den Archipel, naar de kusten van de Middellandsche Zee.

Slechts noode gaat gij terug van de balustraden, die het platform omgeven. Is het een droom of werkelijkheid? Gij staat in Europa, maar op den drempel van Azië. Skoetari, ginds in haar krans van donkergroene cypressenbosschen ligt reeds aan den Aziatischen kant! Maar als gij recht omlaag ziet in de van Turken wemelende straten, op de smalle, witte booten, die over de zeearmen voortijlen, dan voelt gij u meer in Azië dan in Europa. Een onophoudelijk geruisch omgeeft u, het is de wind niet, noch het lied der golven; het gelijkt op het gonzen van een zwerm bijen. Nu en dan hoort gij duidelijk het geroep van een drager, het blaffen van een hond, het gefluit van een stoomboot, de bel van een tramwagen. Overigens smelt de stem der natuur, met die van den menschelijken arbeid tot één toon samen en het zoemende zwijgen omhult u, die onrustige rust, welke steeds boven de schoorsteenen van groote steden heerscht.

9. DE KERK DER HEILIGE WIJSHEID.

Wij schrijven het jaar 548 na Christus’ geboorte. Een der prachtigste kerken der christenheid is zoo juist door de grootste bouwmeesters van dien tijd, de Klein-Aziaten, voltooid. Zestien jaren heeft het werk geduurd en tienduizend arbeiders zijn er onophoudelijk aan bezig geweest. Nu is het reuzenwerk echter gereed en heden zal de kerk van de Heilige Wijsheid worden ingewijd.

De groote keizer van het Byzantijnsche rijk, Justinianus, komt met een snel vierspan aangereden en treedt, vergezeld door de patriarchen van Konstantinopel, de kerk binnen. Het inwendige is zoo ruim als een marktplein, en 56 Meter hoog welft zich, een hemel gelijk, de koepel. Justinianus kijkt rond en verheugt zich over zijn werk. Hij bewondert het bonte marmer langs de muren, het kunstig mozaiekwerk op den gouden grond van den koepel, de honderd zuilen uit rood porfier en groen marmer, welke koepel en galerijen dragen. Onmetelijk is de rijkdom van den keizer! Zeven gouden kruizen heeft hij aan de nieuw gebouwde kerk geschonken, elke een centenaar zwaar! Veertig duizend hostiedoeken, alle met parelen en edelgesteenten geborduurd bergt de sacristie en vier en twintig bijbels, die in hun met goud beslagen banden ieder twee centenaar wegen. De deurbekleedingen der drie portalen zijn uit hout van de ark van Noach vervaardigd en de deuren van den hoofdingang zijn van gedreven zilver; de andere zijn van cederhout, versierd met prachtig ingelegd werk van ivoor en barnsteen. Tusschen twaalf zilveren zuilen prijkt, eveneens van gedreven zilver, maar verguld, het allerheiligste van dezen tempel, een beeld van den gekruisigde, een getrouw afbeeldsel van dat kruis, hetwelk Romeinsche barbaren, meer dan vijfhonderd jaar te voren, in Jeruzalem hebben opgericht.

Het gewelf baadt in een zee van licht. Zilveren kroonluchters boven het hoofd van den keizer vormen een geweldig kruis, een zinnebeeld van den zegevierenden glans van het hemelsch licht over de duisternis der aarde. Tusschen het mozaiek van den koepel stralen de zachte gelaatstrekken der heiligen, die in zwijgende, vrome aandacht, voor God neerknielen; onder het gewelf zweven de vier cherubijnen. En de keizer denkt aan het tweede boek van Mozes, „De cherubijnen breidden hun vleugels uit van boven, en bedekten daarmede den stoel der genade, en hun gelaat stond tegenover elkaar en zij zagen op den stoel der genade.” Was het in dezen nieuwen tempel niet eveneens? Overmand door ootmoed voor den Allerhoogste, maar ook door menschelijken trots, valt Justinianus op de knieën en roept: „Geprezen zij God, die mij waardig heeft gekeurd dit werk te voltooien! Ik heb u overtroffen, Salomo!”

Daar hoort men fluiten en trommelen en de jubelkreten van het volk weerklinken tusschen de huizen, uit welker vensters lange reepen kostbaar brocaat neerhangen. Veertien dagen duurt het feest; tonnen vol zilveren munten worden onder het volk verdeeld, en de geheele stad is de gast van den keizer.

En nieuwe geslachten, nieuwe eeuwen volgen in het spoor der oude. In de kerk der Heilige Wijsheid worden nog altijd de christelijke feesten prachtig gevierd en patriarchen en kerkeraden vereenigen zich hier voor de wetgevende conciliën. Bijna zijn duizend jaren over dit geweldig godshuis heengegaan. Daar breekt de 29ste Mei van het jaar 1453 aan.

De sultan van Turkije heeft met zijn ontelbare legerscharen de muren van Konstantinopel bestormd. Waanzinnig van ontzetting en schrik vluchten honderdduizend mannen, vrouwen en kinderen in de Aya Sofia, het overig deel der stad aan verwoesting prijsgevend. De veroveraar zal het niet wagen deze heilige plaats te schenden! In het uur van nood, zoo luidt de voorspelling, zal een engel uit den hemel neerdalen om kerk en stad te redden.

Daar dreunt het woest trompetgeschal der Mohammedanen reeds van de nabijzijnde heuvels. Hartverscheurende angstkreten weergalmen onder de gewelven, moeders drukken haar kinderen aan het hart, echtgenooten omhelzen elkaar, galeislaven, de polsen nog in ketenen geklonken, vluchten in het duister achter de zuilen. Donderend slaan de bijlen der Mohammedanen op de poorten; splinters kostbaar hout vliegen onder de slagen rond. De eene deur kraakt nog in de voegen als de andere reeds is opengebroken. Het bevel van den profeet is, te vuur en te zwaard zijn leer te verbreiden, het schandelijkste gebod, dat ooit voor een godsdienst gegeven is. Reeds bedwelmd door de bloedige slachting voor de muren, stormen de Janitsaren binnen, en met druipende kromme sabels, maaien zij hun oogst neer, volgens het bevel van den profeet. Een menigte weerloozen wordt met ketenen geboeid en als vee weggedreven. Daarna begint de plundering. Onder houwen van zwaarden en stooten van lanzen versplintert het mozaiek, de kostbare altaarkleeden worden weggerukt, en onmetelijke schatten aan goud en zilver op den rug der muilezels en kameelen geladen. Onder woest gehuil wordt het beeld van den Gekruisigde door de kerk gedragen, een zwartgebaarde moslem heeft Hem vol waanzinnigen godsdiensthaat zijn Janitsarenmuts op de doornenkroon gedrukt en de overmoedige overwinningsjubel overschreeuwt de hoonende woorden: „Dat is de God der Christenen.”

Daar boven, bij het Hoogaltaar, staat echter een Grieksch bisschop in hoogepriesterlijk ornaat. Onbevreesd leest hij met luide, kalme stem de mis voor de christenen en geeft troost in den ontzettenden nood. Maar eindelijk staat hij geheel alleen. Daar grijpt hij den gouden kelk en beklimt de trappen naar de bovenste galerijen. Nu bemerken de Turken hem en met getrokken sabels en gevelde speren, stormt een schaar Janitsaren hem na. Het volgend oogenblik zal hij dood over zijn kelk neervallen, want ontkomen is onmogelijk, rondom zijn steenen muren. Maar op dit oogenblik opent zich eensklaps, de grijze steenen muur vóór hem, de bisschop gaat er door en reeds is de opening weer verdwenen. Stom van verbazing springen de Turken terug, maar daarna gaat het met spiesen en bijlen op den muur los. Maar hij geeft niet mee en de steenen bespotten de vergeefsche inspanning. Vol radelooze verbazing trekken de soldaten zich terug.

Beneden in het schip der kerk hebben plundering en rumoer hun hoogtepunt bereikt, daar draagt een snuivend strijdros een ruiter naar het hoofdportaal; Mohammedaansche legeraanvoerders en pascha’s vergezellen hem. De veroveraar zelf, Mohammed II, de sultan der Turken, nadert. Hij is jong en trotsch en van onbuigzamen wil; maar ook van ernstig gemoed. Te voet gaat hij over de marmeren vloertegels, die duizend jaren geleden werden aangeraakt door de voeten van den christenkeizer Justinianus. Het eerste, wat hij ziet, is de Janitsaar, die moedwillig met zijn bijl den marmeren vloer stuk hakt. Mohammed gaat naar hem toe en vraagt: „Waarom?”—„Terwille van het geloof!” is het antwoord. Daarop slaat de sultan met zijn sabel den soldaat neer. „Gij honden! Hebt gij niet genoeg aan den buit? De gebouwen dezer stad behooren mij!” De verslagene met den voet terzijde stootend, beklimt hij den christelijken kansel en draagt met klinkende stem de kerk der Heilige Wijsheid den Islam als eigendom over.

Vier en een halve eeuw is het nu geleden, dat op den domkoepel van de Aya Sofia het kruis werd vervangen door een geweldige halve maan, en elken avond weerklinkt nog steeds van het platform der minaretten, waarvan de Turken er vier aan de kerk hebben gebouwd, de stem van hem, die tot het gebed oproept. Hij draagt een witten tulband en een langen sleependen mantel. Naar de vier hemelstreken laat hij zijn welluidende stem over Stamboel weerklinken. „God is groot,” luiden zijn woorden. „Buiten God is geen God, en Mohammed is zijn profeet! Komt tot het heil! Komt tot de Verlossing! God is groot. Buiten God is geen God!”

Nu daalt de zon onder den horizon. Daar klinkt een kanonschot. Want het is de maand van de Vasten, gedurende welken tijd de Mohammedanen over dag niet mogen eten, noch drinken, noch rooken. Zoo beveelt de profeet het in den koran, het heilig boek. Dat teeken kondigt voor heden het einde van het vasten en als de geloovigen zich nu hebben gelaafd aan dampende vleeschknoedels en rijstpuddingen, aan vruchten, mokka en hun pijp, dan richten zij hun schreden naar de oude kerk der Heilige Wijsheid, zooals zij nog steeds heet. Rondom de minaretten schitteren duizenden lampen, en tusschen de torens schrijven flikkerende lichten, heilige namen in het duister van den nacht. In het inwendige der moskee hangen de vijftig meter lange kettingen, kroonlichters met ontelbaar veel olielampen en op strak gespannen koorden zijn lichten zoo dicht op elkaar bevestigd, als de kralen van een rozenkrans. Een zee van licht overstroomt den vloer der moskee. Geweldig groote schilden tegen de zuilen dragen, in gouden letters, de namen Allah, Mohammed en de heiligen; de letters alleen zijn elk negen meter hoog.