Van pool tot pool

Part 2

Chapter 23,745 wordsPublic domain

De eenige, die gelijkmoedig blijft is de keizer zelf. Een trek van diepen ernst ligt op zijn krachtig gelaat; is hij niet keizer van het Duitsche rijk met zijn vier koninkrijken Pruisen, Beieren, Saksen, en Wurtemberg, zes groot-hertogdommen, veel hertog- en vorstendommen, het Rijksland Elzas-Lotharingen, en de drie vrije steden Hamburg, Lubeck en Bremen? Hij is vorst over vijf-en-zestig millioen menschen, en zijn rijk omvat twee honderd zeven steden, die elk meer dan vijf-en-twintig duizend inwoners hebben en zeven steden met meer dan een half millioen zielen. Berlijn, Hamburg, Munchen, Leipzig, Dresden, Keulen en Breslau! Door de kracht van zijn ijzeren wil heeft hij een geweldige vloot gevormd, die in Engeland, hetwelk vroeger alleen de zee beheerschte, bezorgdheid wekt. Hij is de opperbevelhebber van een leger, dat in oorlogstijd zoo groot is, als de gansche bevolking van Zweden! Dat alles moet hem al zoo ernstig stemmen, dat de tonen der muziek slechts zelden een glimlach aan zijn lippen ontlokken.

Toen ik in het jaar 1889 voor het eerst Berlijn bezocht, had Keizer Wilhelm juist den troon beklommen en kon men hem vaak aan het hoofd zijner troepen zien rijden. Nu gaat hij meestal in een automobiel door de straten en een bijzonder hoornsignaal kondigt van verre zijn nadering aan. Hij rijdt met de snelheid van een sneltrein en boven de automobiel wappert de Keizerlijke vlag.

4. HET MARINEMUSEUM.

Een menschenleven is ternauwernood voldoende, om Berlijn geheel te leeren kennen. Alleen de ontelbare musea en verzamelingen met hun onuitputtelijke schatten uit het rijk der kunst en der natuur hebben dagen en weken noodig om in bijzonderheden te worden bestudeerd. Elk museum is een wereld op zich zelf.

Nu begrijp ik zeer goed de vreugde van den kunstkenner, als hij de schilderijen galerijen doorgaat, en de werken der beroemde meesters bewondert. Maar wij, die op avonturen uitgaan, over de zeeën en over de aarde in onstuimige vaart, wij richten onze schreden liever naar een ander museum, dat gewijd is aan de kennis der zee, het marinemuseum. Door kunstige modellen verkrijgen wij hier een inzicht in de geschiedkundige ontwikkeling der Duitsche oorlogschepen van de vroegste tijden tot op den huidigen dag. Onder glas zien wij een gansche divisie van moderne oorlogschepen in de haven. Elke afzonderlijke soldaat en matroos is zoo fijn mogelijk uitgesneden en men krijgt een begrip van de veelvoudige werkzaamheden der manschappen. Onder andere, kubusvormige glazen bakken liggen linieschepen, kruisers en torpedobooten; de hoofdmacht van een oorlogsvloot, de eigenlijke slagschepen zijn bestemd, in gesloten linie te strijden en worden daarom linieschepen genoemd. Artillerie en torpedo bewapening, pantsering en snelheid bepalen de strijdvaardigheid van een schip. De kruisers vervullen de rol van de cavalerie bij het leger; zij moeten de naburige wateren verkennen om de linieschepen voor verrassingen te kunnen waarschuwen.

Een gang in het museum verplaatst ons geheel aan boord een linieschip, omdat het geheel gebouwd is, als op het schip zelf; hier is de keuken, ginds zijn de kooien der manschappen en aan de overzijde heeft de timmerman zijn werkplaats. Dan trekken echter ook vreedzame voorwerpen onze aandacht, de personen- en vrachtbooten van de Hamburg-Amerikalijn, de grootste scheepvaart maatschappijen der wereld, eveneens in fraaie modellen, die de oogen van elken jongen blij moeten doen stralen. Deze reuzenstoombooten zijn zelfs grooter dan de geweldigste slagschepen. Maar het grappigst is toch de groote wereldkaart, waarop alle Duitsche postbooten in kleine beweegbare modellen zijn aangebracht en wel steeds precies daar, waar zij zich den vorigen dag werkelijk bevonden. Want de reederijen der vijf-en-zeventig lijnen ontvangen telegrafische berichten van de stoombooten en zoodra het museum van alle bericht heeft ontvangen, worden de schepen op de kaart dienovereenkomstig verder geschoven. Deze kaart geeft het duidelijkst de toenemende macht van Duitschland ter zee weer. Wanneer ook nog andere stoombooten, vooral die van Engeland, Amerika, Frankrijk en Japan op deze kaart waren aangebracht, dan zouden wij den geweldigen waterkolk der aarde overspannen zien met een dicht net van stoomvaartlijnen. En op elke lijn varen talrijke stoombooten in beide richtingen, verwijderde kusten met elkaar verbindend. Naar groote en kleine havens brengen zij waren, die dan door spoorwegen over het gansche werelddeel worden verspreid. Langs de torpedo’s en de andere voorwerpen die de ontwikkeling op het gebied van de zeemijnen aantoonen, komen wij bij de sierlijke kleine modellen, die het inwendige en de machines der groote schepen voorstellen, en vertoeven eenigen tijd in de zaal van den scheepsbouw, waar, op verkleinde schaal, voor onze oogen een volslagen schip gebouwd wordt. Daar zijn sport- en scheepsbooten, masten en roeren, roeispanen, zeilen en takelage, touwen, ankers en kettingen, en wat er al meer bijbehoort. De herstelling van een beschadigd schip is hier ook te zien; duikers zijn in het water met de reparatie bezig, en door caoutchouc slangen wordt hun versche lucht toegevoerd. Veel gemakkelijker is het natuurlijk het gansche schip op te heffen door middel van de drijvende dokken, die hier ook te zien zijn.

Een andere afdeeling bevat de modellen van alle mogelijke zeilschepen, van den grooten Bremer vijfmaster, die met tallooze zeilen, met masten en boegspriet, touwen, want en raas dicht is bezet, tot de bark, de brik, den schoener en den kleinen kotter, die voldoende is voor de kustvaart.

Alles is zoo sierlijk en juist gesneden, gedraaid en in elkander gezet, dat men er niet genoeg naar kan kijken.

Met bijzonder genoegen vertoef ik bij de reddingstoestellen. Er zijn allerhande reddingsbooten, waartoe passagiers en manschappen—vrouwen en kinderen het eerst—hun toevlucht nemen als een schip zinkt en in spiraalvormige kringen in de groote, donkere diepte verdwijnt. Gordels van kurk helpen de zwemmenden zich boven water te houden, oliereservoirs aan boord worden over de golven uitgestort om ze effen te maken en hun gewicht te breken. Een plaat toont, hoe schijnbaar verdronkenen door kunstmatige ademhaling weer tot het leven worden teruggeroepen. Een eigenaardig geweer dient om telegrammen aan boord van een schip te schieten, dat in nood verkeert, ja men kan daarmede zelfs bericht zenden aan een torpedoboot, ook al is zij op de snelste vaart. Dat, daar ginds in den hoek, is een rakettoestel met toebehooren. Als een schip door storm aan land wordt gedreven, dan kan door een raket tusschen de kust en het wrak eene verbinding worden gemaakt, door een dunne sterke lijn, die aan het eind van de raket bevestigd is. Zij, die in nood verkeeren, vangen ze op en trekken met haar een tweede, dikkere lijn, die aan de eerste is bevestigd, op het schip; als zij ten slotte op deze wijze het sterkste touw hebben vastgegrepen, wordt het aan boord bevestigd en het andere einde aan land, sterk gespannen. Langs het touw loopt een rol waaraan een mand bevestigd is en in dezen mand worden de schipbreukelingen de een na den ander aan land gebracht. Hoe boosaardig en wreed de menschen ook tegenover elkaar kunnen zijn, hebben zij toch allerhande zaken uitgevonden om elkaar in gevaar en lijden bij te staan. Met verhalen over den heldenmoed van veel loodsen en kapiteins, die hun leven voor hun medemenschen waagden, zouden gansche boeken zijn te vullen!

Een groot, fraai model stelt een deel voor van de haven van Hamburg met haar schepen, kranen, magazijnen, voorraadschuren en rails op de kaden, precies als in de werkelijkheid. Een tweede model laat ons den gevaarlijken ingang zien in de monding van de Oder bij Stettin, waar men slechts het vaarwater kan vinden door middel van vuurtorens en lichtbakens. Ziet men den stralenbundel der vuurtorens in een bepaalde lijn, dan is alles in orde, zoo niet, dan is men niet in de goede richting. Door sterke lenzen en spiegels wordt het licht der lampen versterkt. Bakens en boeien en andere teekenen dienen om overdag den weg aan te geven,—klokboeien waarschuwen bij nevel. In het marinemuseum zijn alle vuurtorens van kleine electrische lampen voorzien en lichten en glanzen met dezelfde onderbrekingen en gedurende denzelfden tijd als in werkelijkheid.

Ginds, tegen den muur, hangt het vlaggen alphabet van het internationaal signaalboek. Elke vlag geeft een letter aan, en twee schepen, die elkaar in open zee ontmoeten, kunnen daardoor over de golven elkaar een groet toezenden, bijvoorbeeld „Aan boord alles wel” of „Passeerden gisteren een wrak, hebben de bemanning gered” of wat anders. Alles kan in de vlaggentaal worden gezegd.

Dagelijks leest men in de dagbladen van de telegraafkabels, die op den bodem der zee Europa met Amerika verbinden en de belangrijkste gebeurtenissen berichten, die zoo pas aan gene zijde van den Atlantischen Oceaan hebben plaats gegrepen. Meer dan een dozijn van zulke kabels gaan dwars door de zee. De meesten gaan uit van de Zuid-Westelijke punt van Ierland en eindigen op New-Foundland en Nieuw-Schotland. Hoe deze lange, zware kabels honderden mijlen ver worden gelegd, daaromtrent onderrichten ons in het marine-museum de kabelstoomschepen met hun geweldige tanks, waarin de kabels opgerold liggen en waar zij weer uitgelaten worden om in vier of vijfduizend meter diepte in rechte lijn op den bodem der zee te worden uitgestrekt!

Er is hier ook een petroleumstoomboot te zien, die tot twee-derde van het ruim met petroleum gevuld kan worden en een sterk gebouwde ijsbreker, die met zijn scherpe punt dikke ijsvelden doet springen. Hoe vuurschepen, die tot kunstlicht dienen, gebouwd en ingericht zijn, hoe zij ver van de kust voor anker liggen en storm en orkaan vergeefs aan hun kettingen rukken, dit alles kan in schoone afbeeldingen worden bezichtigd. Onwillekeurig boeit ons een groot beeld. Het stelt een gansche vloot van kleine schepen voor, die de Noordzee instoomen en een reusachtigen ijzeren trommel op sleeptouw nemen. Zij komen uit Bremerhaven aan den mond van de Weser en liggen stil op vijftig meter afstand daarvan, waar de diepte slechts zeven meter bedraagt. Eenige kleppen worden geopend, zoodat de trommel met water wordt gevuld en zinkt. Duikers omgeven hem met beton en zoo vormt men midden in de zee, een klip, een eilandje, waarop men dan een vuurtoren opricht, die aan de schepen den weg naar Bremerhaven wijst. Een andere zaal bevat de instrumenten waarvan de zeelieden zich bedienen om op de ongebaande wegen der zee te bepalen waar zij zijn. Zoolang er land, zeebakens en vuurtorens in zicht zijn, is dat geen groote kunst. Maar als de kusten verdwijnen en er in het rond niets dan water te zien is, dan is het al moeilijker. Dan ligt de meetlijn en de log voortdurend in het water, draait als een scheepsschroef en geeft de lengte aan van den afgelegden weg en de snelheid van de vaart. De stuurman aan het stuurrad kijkt voortdurend naar het kompas, dat in ringen zoo gehangen is, dat het ook bij de sterkste deining horizontaal blijft. Op de tafel in de kajuit van den kapitein ligt de zeekaart en met winkelhaak en passer wordt de koers telkens berekend. Alles wordt in het zoogenaamde logboek opgeteekend. Nu en dan slaat men met de sextant de sterren of de zon gade, om zich er van te overtuigen, dat de gebruikelijke berekeningen juist zijn. Hoe laat het is, geeft de zeer nauwkeurig loopende chronometer aan.

Uitstekende kaarten onderrichten ons aangaande de geografie der drie groote wereldzeeën: den Stillen, den Atlantischen en den Indischen Oceaan. De ruimte, welke de zee op de aard-oppervlakte inneemt, is twee en een half maal zoo groot als het vasteland, en de grootste diepte, die ooit in zee werd gepeild, bedraagt 9640 meter in den Stillen Oceaan, een weinig noordelijk van de Carolina-eilanden, en oostelijk van de Filippijnen. De loodlijn is gemaakt van piano-snaren en loopt over een rol aan den achtersteven van het schip; als het peillood den grond bereikt heeft, wordt de mijlenlange snaar slap. Voordat men een kabel legt moet natuurlijk altijd eerst de diepte der zee worden gepeild.

Dat het water der zee zout en ongenietbaar is en schipbreukelingen daardoor in hun booten van dorst kunnen omkomen, is ieder bekend; maar minder bekend is het feit, dat, wanneer de gansche zee uitdroogde, het achtergebleven zout een onafgebroken laag van een en zeventig meter dikte zou vormen!

Nu nog een vluchtigen blik in de zalen, waar de levende schatten der zee in verschillende gedaante voor ons zijn uitgestald. Overal aan de kusten der zee, vooral aan die van Noord-Europa, benutten de menschen de onuitputtelijke rijkdommen der diepte en voor velen is de zee een goudbron. Men denke slechts aan visschen, kreeften en oesterbanken, aan zeeschildpadden, walvisschen en robben, aan sponzen, koralen en paarlmoer. De zeeman in Oost-Pruisen gaat, in leer gekleed, bij stormweer in zee, tot hem het water aan de borst reikt, en trekt het door de golven opgewoelde zeegras en het ronddrijvende zeewier aan land, want daarin zit het versteende hars der naaldboomen, het barnsteen, een handelsartikel van groote waarde. Bij de haringvangst in de Noordzee, worden, tot 4500 meter, lange netten door de stoombooten uitgelegd en met behulp van machines worden de netten weer ingehaald en op het dek uitgeschud. De haring is met de kieuwen in de netten blijven hangen. Nu glijdt hij er echter uit en ligt in zilverglanzende hoopen uitgespreid. Dadelijk wordt hij gekaakt en heinde en ver verscheept.

In de zalen van het marine-museum te Berlijn, gaan de uren maar al te snel voorbij! Het lijkt, alsof frissche zeewind en vrije zeelucht hier om ons waait, en het is een bijna verbijsterend contrast als men daarna weer moet onderdompelen in het menschengewoel der straten.

5. DE BERLIJNSCHE CHIMPANSÉ.

Ik kan Berlijn nooit verlaten zonder de zich daar bevindende Chimpansé een bezoek te hebben gebracht.

Ik heb verscheiden uren in den Dierentuin van Berlijn doorgebracht en ben gegaan van de Afrikaansche leeuwen naar de Indische tijgers, van de ijs- en landberen naar de dromedarissen en lama’s. Maar ik vertoefde steeds het liefst bij het huis der apen en het langst bleef ik bij de Chimpansé. Haar kooi staat binnen een hoogen glazen wand, en alleen daardoor kunnen de kijklustigen de apen gadeslaan. Maar ik ken den oppasser en mag in de verhitte kamer komen waar de groote kooi staat. De arme Chimpansé, die uit haar geboorteland, het oerwoud van West-Afrika, werd weggevoerd, is nu moederziel alleen in de stevige kooi, in het trieste, regenachtige Berlijn! Mooi is zij nu juist niet. Het voorhoofd is laag en de schedel ingedrukt. De kaakbeenderen zijn plomp en zwaar en de hoektanden heel groot. De neus is plat, de armen lang, de handen ruw en vol eelt, het geheele lichaam zwart behaard.—En toch gelijkt zij, terwijl zij zoo in de groote kooi heen en weer loopt, volkomen op een mensch, want zij heeft helderbruine, sprekende oogen en als ik dichter bij de tralies ga staan, komt zij op mij toe en kijkt mij onafgebroken aan. Zij kijkt mij ernstig en treurig aan, zoodat ik den oppasser vraag, wat haar scheelt. En wat gaf hij mij ten antwoord? Zij breekt er zich het hoofd over, of u lang of kort haar hebt en zou graag zien, dat u uw hoed afnaamt.

Met genoegen voldoe ik aan dezen eenvoudigen wensch, ontbloot het hoofd en buig het naar het traliewerk. De Chimpansé strijkt met de harde, koude, eeltige hand over mijn haar en stoot, zichtbaar tevreden gesteld, een vreugdekreet uit; daarna gaat zij met de o-beenen weer lomp in de kooi terug, steunt op den grond met de handknokels, grijpt naar een zweefrek en begint daaraan te draaien, om daarna aan een koord, dat van de zoldering afhangt, in een halven cirkel rond te slingeren.

Spoedig komt zij echter terug en schudt mij steeds weer de hand; zij maakt zelfs aanstalten mijn lorgnet te probeeren. Maar de oppasser waarschuwt mij dat niet te leenen. Zij stelt er zich nu mede tevreden, mijn zakken te doorzoeken om te zien of ik een noot of vruchten heb meegebracht. Eindelijk loopt zij opnieuw heen en weer in de gevangenis. De schemering begint intusschen te vallen. Als het schemeruur op het Afrikaansche oerwoud neerdaalt, dan is de chimpansé gewoon zich op een boom te slingeren en het zich gemakkelijk te maken tusschen de takken. Maar hier in Berlijn, in de kooi van den Dierentuin, opent de oppasser, beladen met twee wollen dekens, de getraliede deur. De chimpansé neemt ze van hem over om haar eigen bed te spreiden; de eene deken spreidt zij in een hoek op den grond en in de andere wikkelt zij zichzelf. Met zorg stopt zij aan alle kanten de deken in en trekt ze over de ooren. Nu zeg ik haar goeden nacht en vervolg mijn weg weer op de drukke straten.

Van de schranderheid dezer apen, hun wel overlegd handelen, hun verdraagzaamheid, vertellen alle reizigers, die ooit chimpansé’s hebben bezeten. Een dezer, op menschen gelijkende apen—om mij ook menschelijkerwijze uit te drukken—verstomde bijna van verbazing, toen hij zich voor het eerst in een spiegel zag. Hij werd buitengewoon nieuwsgierig, keek zijn eigenaar vragend aan, ging achter den spiegel, bekeek de keerzijde, en trachtte zijn evenbeeld aan te raken om te zien of het een levend wezen was. Hij gedroeg zich precies als de wilden, wanneer deze zich voor het eerst in den spiegel zien.

De groote dierenvriend Brehm vertelt aandoenlijke verhalen van zijn jongen chimpansé. Zulk een aap, zegt hij, kan men niet als een dier, maar moet men als een mensch behandelen. Zijn chimpansé onderzocht alles, wat hem omringde. Hij haalde de laden van latafels uit en zocht daarin naar dingen om mee te kunnen spelen; hij deed de deur der kachel open, ging er voor zitten en keek in het vuur; hij zat aan de eettafel en nam deel aan de maaltijden, schonk zijn eigen kop vol en dronk als een mensch. Als hij klaar was met eten, veegde hij zijn mond met het servet af. Als iemand vriendelijk tegen hem was, dan legde hij zijn arm om diens hals en gaf hem een kus. Hij hield meer van de kinderen dan van de volwassenen en van kleine meisjes nog meer dan van jongens, omdat de laatsten hem gaarne plaagden. Toen hem eens een kind van vier weken werd getoond, bekeek hij het met verbazing, en peinsde er blijkbaar over, of dit kleine wezen werkelijk een mensch kon zijn; daarna raakte hij het gezicht van het kind zoo zacht en teer met een vinger aan, alsof hij vreesde het eenig letsel te zullen doen, en toen de zaak hem duidelijk scheen geworden, gaf hij het kind ten teeken van vrede de hand.

Hij wist zeer nauwkeurig den tijd van den dag. Als het avondeten op zich liet wachten, klopte hij luid tegen de deur, en als de spijzen werden opgedragen, riep hij verrukt: „O, o!”

Daarna trok hij de pantoffels van zijn heer aan, en veegde de kamer met een handdoek. Hij haatte slangen en andere kruipende dieren en waagde slechts ze te bekijken, als zij onder glas waren. Anders liep hij voor ze weg en riep: „O, o!” Maar voor den papegaai was hij niet bang. Dikwijls sloop hij naar de kooi en hief de hand op om hem aan het schrikken te maken. Maar de papegaai was humoristisch aangelegd en schreeuwde: „Stil, stil!”

Men kan begrijpen, dat de bezitter en vriend van dezen aap hem als een menschelijk wezen betreurde, toen de chimpansé eindelijk aan een halskliergezwel en daarop gevolgde long-ontsteking stierf. De zieke aap werd niet door een veearts behandeld, maar door de bekwaamste artsen, die er waren. Toen het gezwel gevaar voor stikken veroorzaakte, moest hij geopereerd worden. Vier menschen moesten den aap vasthouden, maar hij verweerde zich en rukte zich los. Toen beproefde men het door hem vriendelijk toe te spreken en zonder de geringste klacht of de minste beweging, waardoor de steek van het mes gevaarlijk zou kunnen worden, liet hij de operatie volvoeren. Toen ze voorbij was, betuigde hij zijn vreugde en dankbaarheid door de beide chirurgen de hand te reiken en zijn oppasser te omarmen. En even moedig als hij onder het mes was geweest, even geduldig nam hij de geneesmiddelen en even waardig legde hij zich tot sterven neer. Een der artsen, die hem had behandeld, verklaarde, dat hij volkomen als een mensch, niet als een dier, was gestorven.

6. KEIZER FRANS JOZEF EN DE LOODGIETER VAN WEENEN.

Maar nu is het tijd om afscheid te nemen van de oevers van de Spree. Wanneer wij in alle beroemde steden, die wij aandoen, zoo lang bleven als in Berlijn, dan kwamen wij in het geheel niet meer thuis. Alleen naar Konstantinopel hebben wij nog tweeduizend kilometer af te leggen en dertien volle uren heeft de sneltrein noodig om ons allereerst naar Weenen, de hoofdstad van Oostenrijk te brengen.

In het Westen hebben wij de Elbe, die bij Hamburg in de Noordzee stroomt en in het Oosten de Oder, die bij Stettin in de Oostzee uitmondt. Alleen met de Elbe maken wij nader kennis, eerst te Dresden, de hoofdstad van het koninkrijk Saksen, die wij doorrijden en dan aan gene zijde van de Oostenrijksche grens in Bohemen, waar de spoorlijn in een heerlijk, dicht bevolkt, boschrijk dal, de kronkelingen van den stroom volgt. Ook in Praag, een der oudste en schoonste steden van Europa, kunnen wij ons niet ophouden; in vliegende vaart gaat de trein verder en pas in Weenen verlaten wij hem weer.

Weenen is een rijke, prachtige stad, de vierde in grootte van Europa; de Stephanskerk verheft haar hemelhoogen toren boven twee millioen menschen, die hier wonen. Naast gedenkteekenen uit oude tijden staan prachtige moderne, reusachtige huizen, en de „Ring” is een der schoonste straten der wereld. Weenen is meer dan Berlijn een stad der blijmoedigheid en van het vroolijk leven, een voorname, oude residentie van den adel, een stad van theaters, concerten, bals en koffiehuizen. Dwars door Weenen loopt het Donaukanaal met zijn twaalf bruggen en langs den Oostelijken kant der stad rollen, langs een kunstmatige bedding, de golven van „de schoone, blauwe Donau”, welker melodieus geplas den grondtoon vormt van den beroemden Weener wals.

Evenals Berlijn is Weenen een der brandpunten van beschaving, wetenschap en kunst en bergt binnen haar muren ontelbare wonderlijke dingen. Maar onder alles is niets zoo wonderbaar als de oude keizer Frans Jozef. Niet, omdat hij zoo oud is en de laatste van een uitstervend geslacht, maar omdat zijn eerwaardige persoon een rijk bijeenhoudt, dat uit de meest verschillende landen en naties en de meest onderscheiden geloofsovertuigingen bestaat. Vijftig millioen menschen worden door zijn scepter geregeerd, de Duitschers in Oostenrijk, de Tschechen in Bohemen, de Magyaren in Hongarije en de Polen in Galicië. En nog een reeks andere volken, zelfs Mohammedanen, leven onder de bescherming van het katholieke keizerrijk.