Part 1
SVEN HEDIN
VAN POOL TOT POOL.
Mijn 75000 Kilometer lange reis verteld aan alle Jongens en Meisjes.
Met 8 groote platen naar fotografiën, 36 illustraties tusschen den tekst en 7 kaartjes.
W. DE HAAN—UTRECHT.
VOORWOORD.
Er was eens een reiziger; hij was vijf en veertig jaar, en vijf en twintig jaar was het geleden, dat hij voor het eerst de wereld introk. Toen kwam hij pas van de hoogeschool en wist absoluut niets meer dan hetgeen hij had geleerd. Op zekeren dag had de rector hem gevraagd:
„Hebt gij lust een van uw jongere medeleerlingen naar Bakoe aan de Kaspische zee te vergezellen?”
„Ja,” had hij geantwoord.
„Maar gij moet daar zeven maanden blijven, totdat de jongen het werk voor een geheel jaar heeft gemaakt.”
„Ja, heel graag,” luidde het antwoord en kort daarna waren de twee, de nieuwe huisonderwijzer en de leerling, naar Bakoe vertrokken.
Sedert dien tijd had de reiziger veertien jaren lang in het uitgestrekt Azië rondgezworven, maar daar tusschenin had hij elf jaar thuis doorgebracht, want hij had zijn Zweedsch vaderland lief en had er nooit toe kunnen besluiten, voor goed in den vreemde te blijven. Nu en dan moest hij weer naar huis gaan, moest hij zien of de dennen op den vaderlandschen bodem nog welig groeiden, moest hij hooren of de golven van de Oostzee nog altijd zoo ruischten als in zijn jeugd!
Maar nu was een kwart eeuw voorbij gegaan, sedert hij voor het eerst zijn geluk in den vreemde had beproefd en op zekeren dag zat hij voor zijn rood huisje op een eiland in de Stockholmsche scheren en peinsde er over, hoe hij den vijf en twintigsten verjaardag van die eerste reis het best zou vieren!
„Wanneer echtgenooten hun zilveren bruiloft met een feestmaal en muziek vieren”, dacht hij, „dan kunt gij, die geen vrouw hebt, toch evengoed het jubileum vieren van de vijf en twintig eenzame jaren, die gij op Aziatischen bodem hebt doorgebracht!”
Doch er wilde hem maar niets goeds in de gedachten komen om ter eere van dezen gewichtigen dag te doen. Ouders en broers en zusters waren er bij tegenwoordig geweest, toen hij voor het eerst ver weg trok. Zij hadden hem naar de stoomboot vergezeld, die hem naar Finland en Rusland zou brengen, hadden hem van den oever met hun zakdoeken toegewuifd en het heel erg gevonden, zulk een groenen jongen een zoo avontuurlijke reis te zien ondernemen. Allen leven nog en herinneren zich precies die eerste, bittere scheiding. Zou het dus niet goed zijn een groot feest te geven en daarbij vrienden en bekenden uit te noodigen?
„Neen,” dacht de reiziger dadelijk. „God beware mij voor zulke feesten! In den kring van vroolijke vrienden verspilt men den tijd maar en bij gevulde glazen praat men slechts onzin!”
Wat had hij ook aan schuimenden wijn, om vervlogen reisjaren te gedenken? Hij had op zijn reizen nooit bedwelmende dranken bij zich gehad. En luidruchtige gasten kan hij, die jaren lang alleen geweest is, ontberen.—
Hoe schoon was toch het Zweedsche vaderland! Een jonge lente had de boomen met frisch groen bekleed, de koekoek riep in de wouden op het Ljustereiland, een zeilschip gleed voor den wind over de golven. In de Siareiland-Sund, was de zee kalm en glinsterde in kleurige tinten, zoo helder als berkenloof in de eerste dagen van het voorjaar en dan weer even donker als de bladeren van den vlierboom. En de reiziger luisterde en keek. Had hij gedurende al de jaren in Azië wel iets schooners gezien?
Immers neen! Was deze liefde tot zijn geboorteland eigenlijk niet onrechtvaardig en ondankbaar jegens het land, waar hij de rijkste jaren zijns levens had doorgebracht en kon er nu voor hem een ander feest wezen, dan om in gedachten naar Azië terug te keeren en alles, wat hij daar gezien en beleefd had, wat hij aan blijheid en bitterheid had ondervonden, in afwisselende beelden opnieuw voorbij zich heen te laten trekken?
Een tjilpende zwaluw schoot pijlsnel door de lucht.
„Ja,” zeide de reiziger, „een herinneringsfeest wil ik vieren, maar toch niet eenzaam en alleen!
„Zijn er niet duizenden jongens en meisjes, die daar graag bij zouden zijn? Zij in de allereerste plaats zullen mij vergezellen op een, nagenoeg 75000 kilometer lange reis, een karavaan, die zoo lang is, dat de achterhoede nog in de diepte der dalen is als de voorhoede reeds over de hooge, koude bergvlakten trekt, waar de wind en het wilde schaap wonen! Zij kunnen echter daarbij rustig thuisblijven, het zou ook te wreed zijn, lange ritten op schommelende kameelen en op lompe paarden in sneeuwjachten of in de heete woestijn van hen te vergen.
„In gedachten zullen zij mij echter volgen op een herinneringsreis van de eene helft van den wereldbol, naar de andere, van Europa door geheel Azië, door Australië en weer terug naar huis.
„Ik zal hun gids zijn. Ik wil met hen naar het Oosten trekken, naar Perzië en Indië, de bakermat der oude sprookjes, naar Pamir, het dak der wereld, het land van de eeuwige sneeuw, en het eeuwige ijs, naar de groote zandwoestijnen in het hartje van Azië, naar Thibet, met zijn vreemde priesters, naar de binnenlanden van Australië, naar het heerlijk Japan met zijn degelijk, dapper volk, en door het onmetelijke China tenslotte naar Siberië en terug naar huis. Ik wil hen geleiden door het geweldig werelddeel, dat vijf en twintig jaar van mijn leven vulde, en gedurende dezen langen tijd mijn bruid en mijn echtgenoot is geweest. En dan reizen wij verder door de overige werelddeelen, over de gansche bewoonde wereld, en als wij na jaar en dag weer thuiskomen en onze geliefden ons met vragen bestormen, waar wij dan wel overal geweest zijn, dan antwoorden wij:
„VAN POOL TOT POOL.”
1. DE OOSTZEE OVER.
Als men ’s avonds te Stockholm den slaapwagen bestegen heeft, snelt men in twaalf uur het geheele Zuidelijke deel van Zweden door en bereikt den volgenden ochtend de zuidelijke punt van mijn vaderland, de stad Trelleborg, waar de door de zon bestraalde golven over de Oostzee trekken. Men denkt, dat hier te Trelleborg de spoorrit ten einde is, en verbaast er zich over, waarom de conducteur de coupédeuren niet komt openen om de reizigers uit te laten. De trein zal toch niet over de Oostzee rijden? Ja, waarlijk, dat zal hij. Dezelfde wagens, die ons gisteravond uit Stockholm wegvoerden, dragen ons veilig over de Oostzee, en wij behoeven pas in Berlijn uit te stappen. Want dat deel van den trein, dat voor Duitschland bestemd is, wordt op een geweldige veerpont geschoven, die met ijzeren krammen en haken aan de kade van Trelleborg voor anker ligt. De rails van den Zweedschen bodem, sluiten aan bij die van de veerpont en als de wagens aan boord zijn, worden zij met kettingen en haken vastgezet.
Als de reiziger nu nog halfsluimerend op de bekleede bank van zijn coupé ligt, dan vallen hem ongetwijfeld de vele signalen, het rammelen en stooten van zware ijzeren gereedschappen op; het wordt eensklaps donker in zijn coupé. Maar als dan het eentonig suizen en schudden der rollende raderen is overgegaan in zacht, geruischloos schommelen, bemerkt hij, dat hij reeds buiten, op de Oostzee is.
De veerpont is een flink schip van 113 meter lengte, overal fonkelnieuw en verblindend wit met een prachtige promenade op het bovendek. Het heeft weelderige vertrekken, even als een hotel in een groote stad, in de eetzaal staan tafels gedekt en Zweden en Duitschers nemen bij groepjes plaats om te ontbijten. Er zijn koffie- en rooksalons, lees- en schrijfkamers, zelfs een kleine boekwinkel, waarin een aankomende jongen reisboeken, romans en Zweedsche en Duitsche couranten verkoopt.
De pont glijdt de haven uit en verwijdert zich met elke minuut verder van den vaderlandschen, Zweedschen bodem. Steeds kleiner worden de huizen, steeds smaller wordt de streep land aan den horizon; en weldra is niets meer te zien dan de glinsterende oppervlakte van de Oostzee, die zoo rijk is aan vaderlandsche herinneringen en getuige was van zooveel wonderlijke daden en avonturen. Hier, op den bodem der zee, tusschen wrakken en puin, sluimeren Vikingen en andere helden, die voor hun vaderland streden. Tegenwoordig heerscht er vrede op de Oostzee; Zweden en Denen, Russen en Duitschers worden het in der minne eens over hun strijdvragen. Maar nog altijd jagen dezelfde herfststormen als in vroegeren tijd de blauw-grijze branding tegen de kusten en op heldere zomerdagen lichten de blauwe golven nog steeds, alsof de zon ze verzilverd had.
De vier uren van den overtocht gaan maar al te snel voorbij, en voordat men zich nog goed heeft gewend aan den aanblik van de open zee, wordt reeds aan stuurboordzijde (rechts) een streep land zichtbaar. Het is Rügen, het grootste eiland van Duitschland welks witte krijtrotsen steil uit de zee opsteken, als een schuimende branding, die in steen veranderd is.
Met sierlijken boog draait de pont naar het land en in de haven van Sasznitz sluiten haar rails aan die van het Duitsche spoorwegnet. De reizigers nemen weer plaats in hun coupé en na enkele minuten trekt de Duitsche locomotief den trein over Rügen’s grond.
Het eentonig gonzen van ijzer op ijzer begint opnieuw en achter ons verdwijnt kust en pont. Plat, als een eierkoek, ligt Rügen boven de Oostzee. Het landschap herinnert aan dat van Zweden; naast uitgestrekte beukenbosschen groeien dennen en sparren, en reeën en hazen loopen hier rond zonder de minste vrees voor het geraas van den trein.
Een tweede pont brengt ons over de smalle zeeëngte, die Rügen van het vasteland scheidt. Door de ramen worden de torens en de dicht op elkaar gebouwde huizen van Straalsund zichtbaar. Elke duimbreed gronds hier heeft vroeger aan Zweden behoord! Hier landde Gustaaf Adolf met zijn leger en hier bracht Karel XII een jaar van zijn heldentijd door.
Bij het zien der onvoltooide torens van de Nikolaaskerk boven Straalsund, herleeft de herinnering aan dien donkeren Novembernacht, waarin twee ruiters, die van verre kwamen voor de stadspoort verschenen. Hun kleeren waren gehavend, door zon en regen verkleurd, zij zelf met het stof der landwegen bedekt en hun vermoeide, trillende paarden dampten. Een der ruiters was Karel XII, de ander was Düring, de laatste van de groote schare, die den Zweedschen Koning op zijn rit uit Turkije had vergezeld, de laatste, die nog kracht genoeg bezat, om hem op zijn wilde jacht door Europa te volgen. Na lange jaren van dolle avonturen keerde Karel XII in zijn rijk terug, en zou bijna de poort van Straalsund niet zijn binnengelaten, want niemand herkende hem. Door de zon verbrand, gespierd en kaarsrecht, „in geluk en ongeluk dezelfde” zoo meent men hem nu nog door de straten van Straalsund te zien voortstappen.
In de schemering snelt de trein door Pommeren, en voordat hij de provincie Brandenburg nog heeft bereikt, hult de herfstavond de Noord-Duitsche laagvlakte reeds in het duister. Vlak en eentonig is het land, geen berg, ternauwernood een heuvel, verheft zich. En toch bezit deze streek voor den Zweed bijzondere bekoring; hij denkt terug aan den tijd, toen de wielen der Zweedsche kanonnen hier op de wegen de modder deden opspatten; hij denkt aan moedige daden en dappere mannen, aan hinnekende strijdrossen, aan overwinning en eervollen vrede, en aan de buitgemaakte vaandels thuis.
Maar nog veel oudere herinneringen zal de opmerkzame toeschouwer vinden in het Noord-Duitsche laagland. Zoogenaamde zwerfblokken van Zweedsch graniet liggen verspreid over de vlakte. Als mijlsteenen leggen zij getuigenis af van de vroegere uitgestrektheid van het Skandinavisch ijs. In een kouder tijdperk van de geschiedenis der aarde, bedekte een ijsmantel geheel noordelijk Europa, en dit tijdperk noemen wij het ijstijdperk. Niemand weet, waarom het ijs Skandinavië en de omliggende landen en eilanden omsloot, en zich als een breede stroom over de Oostzee uitstortte. En niemand weet, waarom het klimaat later warmer werd en het ijs kon dwingen te smelten en den overstroomden bodem weer vrij te laten. Maar dat het eenmaal gebeurde, weet men zeker, en eveneens, dat de zwerfblokken van Noord-Duitschland slechts op den rug van een ontzaglijken ijsstroom daar aangespoeld kunnen zijn. Het zijn steensoorten, die alleen in Skandinavië voorkomen; het ijs heeft ze uit de vaste steenmassa losgerukt en langzaam naar het Zuiden meegevoerd. Nu liggen ze daar als getuigen van een groot verleden, zoowel van de geschiedenis der aarde, als van mijn Zweedsch vaderland.
Maar spoedig doet niets mij meer aan mijn vaderland denken dan de kleine geëmailleerde plaatjes met de korte opschriften „Rökning förbjuden! (Rooken verboden!) en Nödbroms.” (Noodrem) die vastgeschroefd zijn tegen de wanden der Zweedsche coupé.
Nu begint het buiten te fonkelen en te schitteren. Als verschietende sterren vliegen ze voorbij in rijen en stralenbundels: electrische lampen, lantarens en verlichte vensters. Wij zijn op de grens van een geweldig groote stad, een der grootste der aarde, en de derde in grootte van Europa.
2. DE HOOFDSTAD VAN DUITSCHLAND.
Wanneer wij een spoorwegkaart van Europa voor ons uitleggen, dan zien wij een net van zwarte lijnen, met onregelmatige mazen, waarvan de draden uit glanzend staal bestaan. Bij de knooppunten liggen steden. In het Noorden van Duitschland wordt dit net steeds dichter, en in het midden zit een groote spin. Deze spin heet Berlijn. Want even als een spin haar buit in het kunstig gesponnen net vangt, zoo trekt Berlijn door de spoorlijnen niet alleen uit Duitschland, maar uit geheel Europa, ja uit de geheele wereld, leven en verkeer tot zich.
Indien wij ons eenige mijlen hoog in de lucht konden verheffen en zulke goede oogen hadden, dat wij alle kust- en grenslijnen der landen van Europa zagen, en de fijne spoorlijnen met de kleine daarop heen en weer snellende zwarte diertjes, dan zou dit beeld op een wriemelenden mierenhoop gelijken en achter elke mier zou een kleine rookwolk staan. In Skandinavië en Rusland zou de beweging minder levendig zijn, doch midden in Europa zouden de mieren maar door elkaar blijven wriemelen. Of het winter of zomer, dag of nacht was, de haast zou niet minder worden, en ’s nachts zouden wij van onzen hoogen observatiepost, ontelbaar veel glimwormpjes heen en weer zien snellen.
Stonden wij buiten het wereldruim en zagen wij dit schouw spel voor het eerst, dan zouden wij verbaasd vragen, waarom deze kleine, zwarte dingetjes zich in het geheel geen rust gunnen. Zelfs niet op een enkelen Zondag in het jaar, niet op kerstavond of op eersten Pinksterdag!
Neen, daartoe hebben zij geen tijd. Rusteloos snorren zij tusschen staten en steden, tusschen de kusten der zee en het binnenste van het vasteland heen en weer, naar het hart van Europa. Sedert de laatste twintig jaar is Berlijn het hart van Europa geworden. Londen ligt immers op een eiland en Parijs te veel aan één kant. Reist men van Parijs naar St. Petersburg, van Stockholm naar Rome, of van Hamburg naar Weenen, steeds voert de weg over de hoofdstad van Duitschland.
Met aandacht en verbazing loopt de vreemdeling in Berlijn rond. Hij laat zich, wel is waar, niet overbluffen, maar krijgt de overtuiging, dat hij in een geweldig groote stad is gekomen. Wil hij de straten oversteken, die als slagaderen alle deelen van Berlijn doorkruisen, dan moet hij op zijn hoede zijn; anders zou hij gemakkelijk door een voortsnorrende automobiel of een electrische tram overreden kunnen worden. Het wemelt van voertuigen van de meest onderscheiden soort. Maar de automobielen beginnen reeds alle andere te overvleugelen en de huurrijtuigen leiden nog maar een kommervol bestaan. Tusschen de snelle door electriciteit en benzine gedreven wagens, draven logge omnibuspaarden langzaam voort en kruisen tusschen de andere besturende menschen door, die allen zoo’n vreeselijke haast hebben. Het schijnt, alsof het wel en wee der wereld afhangt van het tijdig aankomen van iederen enkeling!
Daartusschen handhaaft de politie streng de orde. Hij, die het voorschrift „rechts houden” niet opvolgt, wordt gestraft—want niets mag het verkeer hinderen. Op het trottoir verdringen elkaar voetgangers uit de geheele wereld. Maar ondanks den onafgebroken stroom van menschen en voertuigen, gaat het in de Berlijnsche straten tamelijk zonder geraas toe, want ze zijn met asphalt belegd, en vele voertuigen hebben gummibanden om de wielen. Het is hier lang niet zoo luidruchtig als in de straten van Stockholm, maar de hoofdstad van Zweden is oneindig veel mooier dan Berlijn, ja, op onze gansche reis van Pool tot Pool, zullen wij slechts twee steden aantreffen, die, wat schoonheid betreft, vergeleken kunnen worden met de koningin van het Mäalarmeer. Het zijn Constantinopel en Bombay.
Maar dit duizelingwekkend straatverkeer is nog niet genoeg; ook spoortreinen rollen dwars door Berlijn en een ceintuurbaan verbindt de buitenwijken met elkaar. En als de treinen nog op den beganen grond bleven! Maar nu eens gaan zij naar boven over hooge ijzeren bruggen, dan weer verdwijnen zij onder den grond in electrisch verlichte gangen en op deze onderaardsche banen kan men voor twee groschen [1] van het eene einde van Berlijn naar het andere rijden.
Een station ligt in het midden van Berlijn: het station Friedrichstrasse, een ontzaglijke groote hal van ijzer en glas, met een reeks parallelloopende rails, waartusschen zich perrons bevinden. Wie tijd heeft, ga er eens heen, het doet er niet toe op welk uur. Onophoudelijk stroomen menschen in en uit, de trappen op en af, maken queue aan het loket en witkielen verdringen zich, met koffers en reistasschen op den rug. Onafgebroken vervult oorverdoovend geraas de geweldige hal, waarin sneltreinen heen en weer rijden. Nauwelijks zijn de reizigers in en uitgestapt of de conducteurs slaan de coupédeuren weer dicht, en de zware reeks wagens snelt de hal uit, om zoo gauw mogelijk voor den volgenden trein plaats te maken. Indien gij geen haast hebt, blijf dan eens een half uur op een perron staan en overtuig u er van, of niet elke twee minuten een trein u voorbijsnelt. En niet alleen over dag, maar ook gedurende het grootste gedeelte van den nacht. Kan er iets zenuwschokkenders bestaan, dan aan dit station verantwoordelijk chef te zijn? Elke trein, die deze hal inrolt, komt als een orkaan uit zee binnen.
Dan ga ik liever naar het nabijgelegen plein, waar de overwinningszuil zich boven Berlijn verheft met drie rijen vergulde, op Frankrijk veroverde kanonnen. Of ik ontvlucht de drukte en ga naar de belommerde paden van den Tiergarten, waar geheel Berlijn Zondags met vrouw en kind gewoon is te gaan wandelen. En als ik mij dan naar het Oosten wend, kom ik door een geweldige poort, de Brandenburger poort welker zuilen het vierspan van de godin der Overwinning in gedreven koper dragen. Door deze poort trok het Duitsche leger Berlijn binnen, toen Frankrijk overwonnen en het Duitsche rijk gegrondvest was.
Aan gene zijde der poort strekt zich een der beroemdste straten van Europa uit. Want is Duitschland tot de machtigste groote mogendheid van onzen tijd gegroeid en Berlijn het hart er van, dan is de straat „Unter den Linden” weer het hart van Berlijn. Er zijn wel langere straten dan deze, die slechts een kilometer lengte heeft, maar ternauwernood breedere, want haar breedte bedraagt zestig meter. Tusschen de rijwegen en trottoirs, die elkaar afwisselen, brengen vier dubbele rijen linden en kastanjeboomen een weldadigen groet der vrije natuur, midden in deze groote steenmassa met haar regelmatige straten en haar zware, grijze op dobbelsteenen gelijkende huizen.
Hier „Unter den Linden” zijn de vreemde gezantschapsgebouwen en de Duitsche ministeries gelegen, verderop het slot van den ouden Keizer Wilhelm, waarvan de kamers tot nu toe onbewoond en onveranderd zijn gebleven; aan het hoekraam der benedenverdieping placht hij met zijn wit haar en ternauwernood gebogen, te staan om op zijn trouw volk neer te zien. Is het juist het middaguur, dan is het gedrang der voetgangers, de elegante equipages en automobielen het grootst. Daar nadert onder de vroolijke tonen der muziek de wachtparade, en een menigte nieuwsgierigen volgt haar op de maat, zoodat de politieagent de grootste moeite heeft, de orde te bewaren. Met de muziek marcheeren wij de nieuwe koninklijke bibliotheek voorbij en Frederik de Groote (Friedrich der Grosze) kijkt van zijn bronzen paard op de kinderen van den nieuwen tijd neer. Hier ligt de opera, ginds de Universiteit, met haar tienduizend studenten en haar leger van professoren, en wat verder het tuighuis met zijn groote verzamelingen uit de oorlogsgeschiedenis. Wij gaan de slotbrug over, die haar bogen spant over de Spree en volgen de wachtparade naar den „Lustgarten”. Aan den voet van het standbeeld van Friedrich Wilhelm III houdt de stoet halt en de volksmenigte staat luisterend in het rond, want nu volgt tot vreugde der toehoorders het eene muziekstuk op het andere. Dit schouwspel wordt elken dag herhaald.
Rondom den „Lustgarten” ligt een geheel stadskwartier van kunstmusea en schilderijgalerijen, bovendien de Dom en het Koninklijk slot. Dit slot ziet er zeer voornaam uit, maar de straten sluiten het geweldig in en het verlangt vergeefs naar vrijheid en lucht, zooals ze rondom het koninklijke slot in Stockholm heerschen.
3. KEIZER WILHELM.
Een bal aan het Duitsche Keizerlijk hof—dit schouwspel is geen slechte reiservaring, en men zal wel gaarne hooren, hoe het daar toe gaat.
Juist op tijd ben ik met mijn costuum gereed gekomen en te negen uur rijdt het rijtuig de gewelfde slotpoort binnen. Op de met loopers belegde treden van de stoep staan soldaten van de lijfwacht in ouderwetsche uniform, onbeweeglijk, alsof het wassenpoppen waren, zij bewegen niet eens de oogen, om de voorbij stroomende gasten na te zien, laat staan het hoofd. Boven aangekomen in de feestzalen, loop ik langzaam over spiegelgladde parketvloeren door een reeks schitterend gemeubelde vertrekken, waar een zee van electrisch licht straalt. Portretten van de koningen van Pruisen hangen tegen de verguld lederen behangsels. Ten slotte bevind ik mij in de groote zaal, die haar naam ontleent aan de zwarte adelaars tegen het plafond.
Welk een bonte menigte wacht iemand hier! Aanzienlijke dames, in kostbare met edelsteenen bezaaide toiletten, en waarheen men de oogen laat gaan, fonkelen en schitteren de facetten der diamanten. Generaals en admiraals in parade-uniform, hooge ambtenaren, gezanten van vreemde landen, waaronder ook de Chineesche en Japansche, staan daar te wachten en buigen voor een hooge gestalte, die nu voorbijgaat. Het is de Rijkskanselier.
Kamerheeren verzoeken nu de gasten zich langs de wanden der zaal te willen scharen. Een heraut komt binnen, stoot met zijn zilveren staf op den grond en roept luid: „Zijne Majesteit de Keizer.” Dadelijk houdt elk gedruisch op. Vergezeld van zijn gemalin, de prinsen en prinsessen, gaat Willem II door de zaal en groet zijn gasten met mannelijken handdruk. Hij begint met de dames, gaat daarna naar de heeren, en spreekt met ieder. De Zweedsche gezant stelde mij voor; onmiddellijk begint de Keizer een gesprek over Azië. Hij spreekt over den veldtocht van Alexander den Groote door West-Azië en vindt het wonderlijk, dat de naam van een mensch gedurende eeuwen in onverminderden glans kan voortleven. Hij vraagt mij terwijl hij naar de adelaars aan het plafond wijst, of mij hunne gelijkenis met de Chineesche draken niet is opgevallen. Daarna springt hij over op Tibet en den Dalai-Lama, op de woestijnen van Azië met met hun verbazend groote eenzaamheid. Spoedig daarop klinkt muziek en de aanzienlijke wereld, met goud en juweelen getooid, geeft zich over aan den dans. Jonge, schoone meisjes zweven als elfen voorbij, officieren met kortgeknipt haar en nauwen kraag leiden haar op de tonen van den wals. Alles is vroolijk, voornaam en gewichtig.