Van pool tot pool

Part 8

Chapter 83,974 wordsPublic domain

Dag aan dag ging het hooger op en eens bemerkte ik op de duizelingwekkende hoogte van een pas, op bijna 5000 meter hoogte, de onaangename voorteekens der bergziekte; razende hoofdpijn, misselijkheid en suizingen in de ooren. Onder loeienden sneeuwstorm daalden wij neer in het breede, met sneeuwgevulde Alaidal. Twee Kirgiezen moesten met staven vooruitgaan om den weg te peilen, opdat de paarden niet zouden wegzinken in de sneeuw. Nu moest ik vier kameelen huren, die voor de karavaan werden uitgezonden, om een smalle gleuf voor de paarden vast te trappen. Hemel en aarde smolten samen in een eenig wit; het eenige zwart dat men zag, waren paarden, kameelen en menschen. Maar bij elk nachtkwartier vonden wij goede wollen tenten voor ons gereed gemaakt. Eens hadden wij nog slechts een klein eind tot zulk een tent af te leggen, toen een gleuf met drie meter hooge sneeuw onzen weg kruiste. Het eerste paard zonk weg als in een valluik; om het er uit te trekken, moest het eerst van zijn last worden bevrijd. De verstandige Kirgiezen namen nu de wollen dekens der tent, spreidden ze over de sneeuwvlakte uit en leidden de paarden een voor een over deze brug, waarvan de zachte stof op de sneeuw trogvormig omlaag ging.

Ja, deze reis was het tegendeel van onzen tocht door de Perzische woestijn, een voortdurend stappen en waden door sneeuw en over ijshellingen. Toen ik op zekeren dag een ruiter vooruit zond om den weg te verkennen, staken nog slechts de kop van het paard en de ruiter boven de sneeuw. Op een anderen keer ontbrak de gewone Kirgiezentent en kampeerden wij binnen een muur van sneeuw rondom het vuur, bij 34 graden vorst! De Kirgiezen, die onze tent hadden moeten opslaan, waren door een lawine, die veertig schapen had begraven, teruggehouden. Zes hunner waren echter verder gewaad, ons tegemoet; maar twee bleven in de sneeuw steken, en de overige vier bereikten ons in hoogst erbarmelijken toestand; van een was de voet bevroren, twee waren sneeuwblind geworden. De Kirgiezen zijn gewoon hun oogen te beschermen door lang neerhangende paardenharen van voren onder hun muts te bevestigen of met kool een zwarten ring om de oogen te trekken en den neus zwart te maken.

In dit gebergte wemelt het van wolven en ook wij ontmoetten verscheiden sporen van deze bloeddorstige roovers. De honger maakt hen uitermate brutaal en aan de kudden schapen der Kirgiezen berokkenen zij vooral veel schade. Eén wolf had kort te voren 180 schapen doodgebeten van een Kirgies, alleen uit lust tot moorden! Een rondtrekkend Kirgies was in deze streek door een troep wolven overvallen geworden en na twee dagen vond men niets meer van hem dan den schedel en het geraamte. Twee mijner gidsen hadden in het voorjaar twaalf wolven ontmoet; maar daar zij gewapend waren, hadden zij twee ondieren gedood, die onmiddellijk door hun makkers werden opgegeten. Men denke zich den ontzettenden toestand van een Kirgies, die ongewapend door een troep wolven wordt verrast! Zij hebben zijn spoor geroken en volgen hem. Hun oogen gloeien van haat en bloeddorst; zij trekken de gerimpelde bovenlip op, om de snijtanden vrij te maken en de tong hangt druipend uit hun bek. De reiziger hoort hun sluipende schreden achter zich en ziet hun grauwe vacht in de schemering op de witte sneeuw. Een koude rilling van ontzetting doorvoert hem, en, Allah aanroepende, snelt hij voorwaarts door de opgewaaide sneeuw, in de hoop het naaste tentdorp nog te bereiken.

Van tijd tot tijd staan de wolven stil en slaken een langgerekt, akelig gehuil. Maar reeds na eenige minuten hebben zij hem weer ingehaald en worden steeds brutaler. Hij loopt voor zijn leven. Zij weten, dat hij de inspanning niet lang kan uithouden. Nu hapt er een naar de punt van zijn pels; doch laat hem weer los, omdat de vluchteling hem zijn muts toewerpt. Daar werpen alle zich op en scheuren haar aan stukken. Dit voorgerecht verhoogt hun honger slechts. De arme wankelt vooruit, hij kan niet meer, met moeite zet hij den eenen voet voor den anderen en stikt bijna door gebrek aan adem. Nu is het oogenblik gekomen en van alle kanten storten zij zich op hem. Hij schreeuwt en brult en slaat met de armen om zich heen, trekt een dolk en stoot op goed geluk er op los. Maar een groote wolf springt op zijn rug en trekt hem op den grond. Nu is zijn rug tenminste gedekt, maar in het duister glinsteren de oogen en tanden van de wolven boven hem, hij steekt met zijn dolk naar hen. Zij weten, dat hij ook daartoe spoedig te zwak zal zijn. Twee scheuren zijn schoenen af om bij zijn voeten te komen. Zoover kan hij met den dolk niet komen, hij richt zich een weinig op, maar op hetzelfde oogenblik bijt een wolf hem zoo in den nek, dat het bloed over de witte sneeuw spat. Heeft de wolf eenmaal bloed gezien, dan is hij ontzettend. In zijn wanhoop keert de Kirgies zich met getrokken dolk om—daar overvallen zij hem weer van achteren en hij valt weer op zijn rug. Nu stoot hij langzamer om zich. De wolven knorren schor, huilen en hijgen, het schuim staat op hun bek. Het wordt den ongelukkige zwart voor de oogen, hij verliest het bewustzijn, de dolk ontzinkt aan zijn hand—en dadelijk zal de grootste der wolven zijn tanden in den strot van zijn offer zetten! Maar juist als hij zal toehappen, houdt hij eensklaps stil en stoot een kort gehuil uit, dat in de taal der wolven gelijk is aan een vloek. Want aan den voet van den naasten heuvel zijn twee Kirgiezen ruiters verschenen, die hun kameraden tegemoet gereden zijn. In een oogenblik zijn de wolven verdwenen, en de bewustelooze wordt nu in zijn verscheurde pels naar de naaste tent gebracht. Hij ademt en zijn hart slaat nog en bij de vlam van het avondvuur keert hij spoedig weer tot het bewustzijn terug.

Wee den wolf, die aangeschoten en gevangen wordt! Men kan zich den haat tegen deze roofdieren voorstellen, die zoo zelden geschoten kunnen worden. De gevangene wordt niet kort en goed doodgeslagen, maar men denkt de afzichtelijkste folteringen uit om hem te martelen!

Als in het Alaidal de geweldige winter neervalt, dan sluipen de wolven op de hooge vlakten van den Pamir rond, waar de sneeuw niet zoo diep ligt en vervolgen hier het wilde schaap, dat groote ronde, fraai gedraaide horens heeft en naar den ontdekker Marco Polo, den beroemden reiziger der Middeleeuwen, Ovis Poli wordt genoemd. De wolven richten een geregelde drijfjacht aan op de kudden dezer schapen. De enkele wilde schapen, die zich onvoorzichtig van de kudde verwijderen of achter blijven, worden door te voren opgestelde wachtposten der wolven naar een uitspringende rotspunt gedreven, welke de roovers nu onmiddellijk omsingelen. Indien zij het van boven kunnen bereiken dan hebben zij gemakkelijk werk; anders wachtten zij geduldig, totdat zijn pooten van vermoeidheid verslappen en het van de rots naar omlaag in hun muil valt.

Op mijn verschillende reizen door Azië heb ik vele wolven ontmoet, die schapen, muilezels en paarden van mij hebben verscheurd! Hoe vaak hebben zij voor mijn tent hun gehuil aangeheven en om vleesch en bloed geschreeuwd! Maar als de gelegenheid zich aanbood, was er bij ons ook geen medelijden en verscheidene werden getroffen door den kogel van mij of van mijn geleiders. Zij sluipen als booze geesten der hel in geheel Centraal-Azië rond en het moet ze vergolden worden dat zij de schapen der Nomaden, de veulens der wilde ezels doodjagen en de vlugge, sierlijke antilopen vervolgen.

21. DE VADER DER IJSBERGEN.

Waar men ook op den Oostelijken Pamir vertoeft, overal ziet men den Mus-tag-ata, den vader der ijsbergen, met zijn vlakke, gebogen toppen, die ver boven alle andere bergen uitsteken. Hij is 7880 meter hoog, dus een der hoogste bergen der aarde. Op zijn gewelfden schedel hoopt zich de sneeuw op en de onderste lagen veranderen, door den voortdurenden druk van boven, in ijs. Daarom draagt de berg altijd een met sneeuw gepoederde ijsmuts. Maar rondom den berg zijn ook ondiepe insnijdingen, waarin de sneeuw zich verzamelt als in schalen, langzaam zinkt en ook hier door den druk in ijs verandert. Zoo ontstaan geweldige ijstongen, die buitengewoon langzaam jaarlijks zich slechts eenige meters naar omlaag bewegen. Zij worden door geweldige steile berghellingen omgeven, van welke puin en steenblokken neervallen op het ijs en dat wordt mee omlaag genomen in de dieper gelegen streken. Hoe warmer, verder omlaag, de lucht wordt, des te meer dooit het ijs; maar de druk van boven vereffent het weer, zoodat de onderste rand van den ijsstroom zich steeds op dezelfde plaats schijnt te bevinden. Hier verzamelen zich nu gaandeweg de meegevoerde losse steenen, schuiven over elkaar en vormen geweldige hoopen en steenen muren, die men gletschersteenen noemt. De ijsstroom zelf heet gletscher. De Mus-tag-ata zendt naar alle kanten verscheiden van zulke gletschers uit; zij zijn vele kilometers lang en tot twee kilometer breed. Hun oppervlakte is zeer ongelijk en telt verscheiden knobbels en pyramiden van helder ijs.

Op deze gletschers van den Mus-tag-ata heb ik vele zwerftochten te voet en op yaks ondernomen. Men moet op zulke tochten goed geschoeid zijn, anders loopt men gevaar uit te glijden en in een der spleten van het ijs te vallen, die overal zijn. Als men zich over den rand van zoo’n spleet buigt, kijkt men als in een donkerblauwe grot met heldere glazen wanden en lange ijskegels hangen van den rand af. Over de gletschervlakten stroomen beekjes van gesmolten ijs, nu eens geruischloos en zacht, alsof olie door de groen-blauwe ijsgleuven gleed, dan klaterend in vroolijke sprongen. Op den bodem der ijsspleten siepelt en klokt het; vaak storten zulke gletscherbeken in statige watervallen omlaag in de afgronden. Op warme dagen, als de zon aan den hemel staat, dooit het overal, en siepelt, borrelt en stroomt het in het rond. Is het weder echter natkoud en onvriendelijk, dan is de gletscher ook stiller, en als de winter met zijn scherpe koude komt, dan wordt hij strak en zwijgend en al de beken bevriezen tot ijs.

De yaks der Kirgiezen staan buitengewoon vast op hun pooten. Men kan er mee over gladde, gewelfde ijsvlakten rijden, waarover geen mensch zou kunnen gaan. De yak zet zijn hoeven zoo vast neer, dat het witte sneeuwstof in het rond stuift, en als het zoo steil omlaag gaat, dat hij niet meer kan blijven staan dan spreidt hij de vier pooten uit; houdt ze zoo stijf als houten blokken en glijdt de helling af zonder te vallen. Dikwijls reed ik over steenhoopen in de gletschers, die uit geweldige op elkaar gestapelde granietblokken bestonden. Dan was het geraden stevig vast te zitten, want de yak deed sprongen als een krankzinnige. Eens waren de steenblokken toch te groot voor het dier en moest ik verder te voet gaan. Om tenslotte weer beneden te komen, bleef mij niets anders te doen, dan mij langs de steenblokken naar omlaag te doen glijden en toen ik gelukkig beneden kwam, landde ik in een beek. Maar ik krabbelde er weer uit op open terrein. Maar Jolldasch, mijn hond, stond nog op een der hoogste blokken en huilde erbarmelijk. Ik floot en riep zijn naam; hij maakte rechts omkeert en verdween tusschen de blokken. Daarna hoorde ik hem zacht blaffen en huilen, tot ook hij eindelijk in het water plompte, en toen hij mij daarna vond, was hij wat ontevreden, dat ik hem op zulk een avontuur had meegenomen!

Viermaal heb ik beproefd, vergezeld van eenige flinke Kirgiezen, den top van den „Vader der IJsbergen” te bereiken, maar steeds zonder gevolg. Hoog boven, tusschen de gletschersteenen, was ons kamp opgeslagen.

Islam Bai, zes Kirgiezen en tien yaks stonden voor zonsopgang gereed en wij hadden, levensmiddelen, pelzen, spaden en speren, brandstoffen en een tent bij ons. Tegen de steile hellingen op ging het eerst door losse steenen, daarna over sneeuw, die steeds dieper werd. De lucht, die dunner werd, maakte het ademhalen moeilijk en steeds vaker bleven de yaks staan om op adem te komen. De Kirgiezen zelf gingen te voet en dreven de dieren de duizelingwekkende hoogten op. Den avond van den eersten dag hadden wij een punt bereikt, dat 6300 meter boven den spiegel der zee ligt. Toen hadden wij voor heden genoeg en bleven daar den nacht om den volgenden morgen het klimmen te vervolgen.

Maar twee Kirgiezen waren zoo uitgeput door vermoeidheid en hoofdpijn, dat zij mij toestemming vroegen weer te mogen dalen. De overigen schoffelden de sneeuw weg en omringden onze kleine tent nog met een muur van sneeuw. Het vuur werd aangemaakt en de ketel thee aan het koken, maar als de bergziekte in aantocht is dan staat het slecht met den eetlust. De tien yaks stonden buiten in de sneeuw vastgebonden, en de Kirgiezen rolden zich als egels in hun pelzen. De volle maan zweefde, als een zilverwitte ballon recht boven den kruin van den berg, ik ging mijn tent uit om te genieten van dit onvergetelijk schouwspel. De gletscher onder mij lag in de schaduw, maar de sneeuwvelden glinsterden verblindend wit in het maanlicht. De yaks lagen raven zwart op de witte vlakte, onder hen knarste de sneeuw en damp steeg uit hun neusgaten. Witte lichte wolkjes zweefden van den berg onder de maan verder.

Ik ging mijn tent weer binnen. Het vuur was uitgedoofd en de zoo pas gedooide sneeuw weer tot ijs bevroren. Binnen was het vochtig en rookerig. De mannen steunden en klaagden van hoofdpijn en duizelingen in de ooren. Ik kroop in mijn pels, maar kon niet slapen. Geluidloos was de nacht, slechts zelden hoorde men een dof geknal—dan had zich een nieuwe spleet in het ijs gevormd of een steenblok was van de berghelling omlaag gestort.

Hoe wonderlijk was toch zulk een nacht op de grens der oneindige wereldruimte, welker donkerblauw gewelf alle bergen der aarde omspant! Wij, in onze rookerige tent, lagen op een hoogte, waar de geweldigste bergtoppen van Europa, Noord-Amerika, Afrika en Australië niet reiken. Alleen in Azië zijn er nog verscheidene en in Zuid-Amerika eenige toppen die nog hooger zijn. Men zou een en twintig Eifeltorens op elkaar moeten Plaatsen om te komen waar wij den nacht doorbrachten!

Toen ik ’s morgens onder mijn pels uitkroop, en naar buiten keek, gierde een woedende sneeuwstorm over de hellingen van den berg. De dichte wolken jachtsneeuw waren geheel ondoorzichtig en verder omhoog gaan, zou een gewisse dood zijn geweest. Ik mocht nog blij zijn in zulk weer levend beneden te komen. Het dalen ging midden door de opgewaaide sneeuw en bijna hals over kop omlaag. Mijn yak verlangde naar de weide en sprong als een dolfijn door de sneeuw. Zit men niet vast dan schiet men voorover en dan valt ook de yak op zijn ruiter. Deze nacht, op een hoogte van 6300 meter, heeft mij nog langen tijd in de leden gezeten.

Op een anderen keer zakte mijn eerste yak, die twee groote bundels hout droeg, eensklaps in de sneeuw, maar bleef gelukkig nog met zijn horens en een achterpoot op de sneeuwkorst hangen, het overige gedeelte van zijn lijf zweefde echter nog in de lucht, boven een donkeren gapenden afgrond! De sneeuw had hier een looze brug over een groote spleet in het ijs gemaakt en was onder het gewicht van den yak bezweken. Het kostte ontzaglijk veel moeite, voordat het dier weer aan een koord omhoog getrokken was.

22. EEN KIRGISISCH RUITERSPEL.

De oostelijke Pamir staat onder heerschappij van den Keizer van China. Een open dal wordt in het Oosten door een bergketen begrensd, die in ontzaglijke vertakkingen en armen naar het trogvormig bekken van Oost-Turkestan afdaalt. De bergketen strekt zich van het Noorden naar het Zuiden uit en de hoogste top is mijn oude vriend, de Mus-tag-ata.

Aan den voet van den „Vader der ijsbergen” is het dal vlak en breed en weelderig gras groeit er. Op de vlakte liggen de zwarte tenten der Kirgiezen verstrooid, als de vlekken op een pantervel. Een dezer tenten had ik voor de zomermaanden van 1894 gehuurd en met veel genoegen bestudeerde ik de levenswijze der Kirgiezen.

De Kirgiezen zijn een prachtig, ridderlijk herders- en ruitervolk. Zij leven van hun groote kudden schapen, maar hebben ook een groot aantal paarden, kameelen en runderen. Zij zijn afhankelijk van het gras der steppen, en trekken, evenals andere nomaden, van de eene plaats naar de andere om te weiden. Hun zwarte wollen tenten hangen over een stellage van houten latten aan de oevers der beken en rivieren. Wanneer de kudden het gras afgegraasd hebben, rollen de herders hun tenten weer op, pakken ze met hun overige have op de kameelen, en zoeken een andere weide. Het is een vrij geboren, mannelijk volk, en het heeft de eindelooze steppen lief. Het leven in de vrije lucht en op de ruime vlakte heeft hun zintuigen ongelooflijk gescherpt. Een plaats, welke zij eens hebben gezien, vergeten zij nooit. Of de groei der steppe dichter of dunner wordt, of de bodem de geringste oneffenheid toont, of zwart of grijs, grof of fijn puin daar ligt, alles dient hen als herkenningsteeken. Dikwijls, toen ik op mijn reis van Orenburg door de Kirgiezen steppe, op weg mij enkele oogenblikken ophield, om de paarden te laten rusten, gebeurde het, dat mijn Kirgisische koetsier zich omdraaide en mij toeriep: „Ginds rijdt een Kirgies op een gevlekte merrie.” Ik richtte er mijn verrekijker heen en ontdekt op zijn best een kleine stip, doch zonder te kunnen onderscheiden wat het was.

Ik leefde maanden onder de Kirgiezen. Wanneer het weer mooi was dan maakte ik uitgestrekte tochten te paard of op den yak en nam een kaart van de omgeving mede. Als de regen in stroomen neerviel bleef ik in de tent, of bezocht mijn buren en praatte met hen. Ik had hun taal vlug leeren spreken en dagelijksche oefening geeft vaardigheid.

Rondom de groote zwarte tent van den Kirgies houden venijnige honden de wacht, en daartusschen spelen vroolijk kleine, naakte, bruine kinderen. Zij zijn allerliefst en men kan ternauwernood gelooven, dat zij eens groote, krachtig gebouwde, half wilde nomaden zullen worden. Maar alle kinderen zijn lief en aardig, voordat het leven en de menschen hen hebben bedorven. In de tent zitten de jonge vrouwen te spinnen en te weven, de anderen houden zich in een naastgelegen deel der tent bezig met het afroomen der zure melk en het bereiden van boter, of zij zitten bij den pot, waarin het vleesch kookt.

Het vuur brandt midden in de tent en de rook ontsnapt door een ronde opening, in het dak. De jongere mannen hoeden de schapen, buiten op de weide of de yaks in het gebergte. Nu en dan gaan zij ook op de jacht en maken wilde schapen en geiten buit. Met zonsondergang worden de kudden binnen de omheiningen bij de tenten gedreven en de vrouwen melken ooien en yakkoeien. ’s Nachts moet er bij de dieren wacht worden gehouden met het oog op de wolven.

De Kirgiezen zijn Mohammedanen en dikwijls hoort men hen voor de tenten Arabische gebeden zingen.

Na korten tijd was ik reeds met al mijn buren goede vrienden. Zij zagen, dat ik het goed met hen meende, en mij niet beter beschouwde dan zij en dat ik er mij in verheugde onder hen te leven. Van heinde en ver kwamen zij om mij geschenken te brengen, schapen en melk, buitgemaakte wilde schapen en bergpatrijzen. Al mijn manschappen, Islam Bai uitgezonderd waren Kirgiezen en volgden mij gaarne, waarheen ik wilde.

Op zekeren dag hadden de hoofdmannen besloten een feest te mijner eere te geven. Het zou een „Bajga” een ruiterspel zijn, en reeds vroeg in den morgen verzamelde zich een troep beredenen op de groote vlakte, waar de wilde jacht zou plaats vinden.

Toen de zon haar hoogtepunt had bereikt begaf ik er mij ook heen. Twee en veertig Kirgiezen reden naast en achter mij. In hun feestgewaad, bonte mantels en gekleurde gordels met de geborduurde mutsen, met dolken en messen en koppels waaraan vuurslag, boor, pijp en tabaksbuidel bevestigd waren, boden ze een even statig als feestelijk aanzien. De hoofdman der Kirgiezen, die op de oostzijde van den Mus-tag-ata wonen, was er bij. Zijn lange mantel was donkerblauw, zijn gordel lichtblauw, op het hoofd droeg hij een violette muts met gouden rand en aan zijn zijde bengelde in zwarte schede een kromme sabel. Hij was lang van gestalte, had een dunnen, zwarten baard, borstigen knevel, smalle schuinliggende oogen, en evenals de meeste Kirgiezen vooruitstekende kaakbeenderen.

De geheele vlakte voor ons was zwart van ruiters en paarden. Het wemelde bont door elkaar, hinnikte en stampte in het rond. Stram en zeker zat de opperste hoofdman Choat Bek, ondanks zijn honderd elf jaren in den zadel, al had de last der jaren zijn gestalte al eenigszins gebogen; zijn groote adelaarsneus kromde zich boven den korten, witten baard. Op het hoofd droeg hij een bruinen tulband. Vijf zonen die ook reeds grijsaards waren, omringden hem, elk op een groot paard.

Nu begon het schouwspel. De toeschouwers rijden terzijde om de plaats voor ons vrij te laten. Een ruiter springt met een bok onder de armen nader, stijgt af en sleept het arme beest tot vlak bij ons. Een tweede Kirgies pakt den bok met de linkerhand bij den horen en snijdt hem met één haal van zijn scherp mes den kop af, laat het beest uitbloeden, grijpt hem bij de achterpooten en rijdt spoorslags in bogen over de vlakte. In de verte wordt een ruiterbende zichtbaar, die met akelige snelheid nadert. Tachtig paardenhoeven klinken op den grond onder oorverdoovend geraas, hetgeen door het woest geschreeuw en het klapperen der stijgbeugels nog wordt vermeerderd. In een stofwolk suizen zij dicht langs ons voorbij; men voelt den luchtdruk als een stormwind. De eerste ruiter werpt den dooden bok, die nog warm is, voor mijn voeten en dan jagen zij als een storm weer voorbij.

„Rijdt op zij, mijnheer,” roepen eenige hoofdmannen mij toe, „nu zal het razend toe gaan!”

Nauwelijks heb ik tijd te wijken, of de verhitte schaar, op met schuim bedekte paarden, komt reeds als een lawine aansuizen. Rondom den bok ontstaat een onontwarbare kluw van menschen en paarden, die ternauwernood meer te onderscheiden zijn in het opdwarrelend stof. Zij strijden om den bok; wie hem grijpt is de overwinnaar. Zij dringen, stooten en duwen elkaar; de paarden steigeren, schrikken en vallen over elkaar, en andere paarden gaan over ze heen. De ruiters, die vast in den zadel zitten, bukken zich en grijpen naar de vacht. Eenigen buitelen daarbij op den grond en loopen gevaar vertreden te worden, anderen hangen half onder hun paarden.

Het ergst wordt echter het gewirwar, als twee mannen op yaks zich nog tusschen de menigte dringen. De yaks kittelen met hun horens de paarden tegen de flanken, deze worden geprikkeld en slaan, de yaks verdedigen zich. Nu is het stierengevecht in vollen gang.

Een forschen Kirgies is het eindelijk gelukt den bok naar zich toe te trekken. Zijn paard verstaat het meesterlijk zich en zijn ruiter achterwaarts uit het gedrang terug te trekken en nu springt hij snel als de wind in wijde kringen over de vlakte, de anderen hem na, en als zij terugkomen, schijnen zij het plan te hebben, zich met onweerstaanbaar geweld op mij te werpen! Maar het laatste oogenblik staan de paarden als vastgemetseld, en nu begint de strijd opnieuw. Velen hebben bebloed gelaat en verscheurde kleeren; mutsen en karwatsen liggen verstrooid op de kampplaats en menig paard hinkt.

„Het is voor ons ouderen toch een geluk, dat wij ook niet tusschen de strijders behoeven te zijn,” zeide ik tot Choat Bek.

„O, mijnheer,” antwoordde de oude lachend, „het is wel honderd jaar geleden, dat ik zoo oud was als u nu!”

23. IN HET RIJK VAN DEN ZWARTEN DOOD.