Part 24
In de gevangenschap had Marco Polo een deelgenoot in het ongeluk; den geleerden schrijver Rusticiano uit Pisa. Hij was het, die volgens het dictaat van Marco Polo, de merkwaardige lotgevallen der drie Venetiërs in Azië, in de Fransche taal opteekende. Wij hebben dus reden verheugd te zijn over dezen slag en zijne gevolgen. Want anders zou misschien het verslag van Marco Polo en zelfs zijn naam voor het nageslacht onbekend zijn gebleven.
Een jaar later werden de gevangenen uitgewisseld. Marco Polo keerde terug naar Venetië, huwde daar en kreeg drie dochters. In het jaar 1321 stierf hij en werd in de Lorenzokerk te Venetië begraven.
Op zijn sterfbed werd hem bevolen, zijn avontuurlijk verhaal te herroepen. Men geloofde niet aan de waarheid zijner woorden en nog zeshonderd jaren later—in het begin van de negentiende eeuw, waren er geleerden, die beweerden, dat alles slechts een handig saamgesteld verdichtsel was. Maar toch verbreidde zich het, in de gevangenis opgeteekende, verhaal allerwege! De groote Christoffel Columbus, die in 1492 Amerika heeft ontdekt, vond er steun in voor zijn overtuiging, dat men, voortdurend naar het Westen zeilend, ten slotte in Indië moest komen.
Ongetwijfeld treffen wij in het boek van Marco Polo sommige zeer vreemde dingen aan. Hij spreekt van het land der duisternis in het Noorden en van eilanden in de Noordelijke zee, die zoo ver Noordelijk liggen, dat men de Poolster achter zich zou laten, als men zich daarheen begaf. Men mist ook veel, wat er eigenlijk in had moeten staan. Zoo zegt hij bijv. niets over den grooten Chineeschen muur, door welks poorten hij toch dikwijls uit en in is moeten gaan.
Maar toch bevat zijn boek een schat van geografische kennis en de meeste zijner ontdekkingen en mededeelingen zijn ongeveer vijfhonderd jaar later bevestigd. Zijn leven geleek een sprookje, maar hij neemt onder de ontdekkers van alle tijden een der voornaamste plaatsen in. Daarom komt hem ook een plaats in dit boek toe.
60. NIPPON, HET LAND DER OPGAANDE ZON.
Marco Polo was de eerste Europeaan die Japan in het Westen bekend maakte. Hij noemt het Tschipangoe en vertelt, dat het een groot, rijk eiland is in de Oostelijk van China liggende zee. Daarom noemden de Chineezen het ook het „land van de opgaande zon”, en Nippon, zooals de Japanneezen zelf hun eilanden noemen, heeft dezelfde poëtische beteekenis, die aan het opgaan der zon uit de golven van de Stille Zee herinnert. De vlag van Japan vertoont een roode zon op een wit veld; maar als ze aan de masten der oorlogschepen wappert, dan heeft de zonnebal zestien roode stralen.
De Japanners hadden mij in 1908 uitgenoodigd hun eilanden te bezoeken, en ik zou zoowel te land als te water hun gast zijn. Den 6den November 1908 begaf ik mij dus van Shanghai aan boord van de groote stoomboot, die naar Japan ging. De „Tenjo Maroe” heeft zes dekken en men verbeeldt zich in een huis van verscheiden verdiepingen te zijn, als men van het onderste platform naar de kajuiten klimt. Een geheele woning van prachtig gemeubileerde kajuiten was te mijner beschikking gesteld en ik reisde zoo weelderig, als anders slechts Amerikaansche millionairs doen. Mijn salon was voorzien van schrijftafel, sofa, ligstoelen en kasten. In de slaapkajuit stond een heerlijk, gemakkelijk bed van glimmend metaal, met dikke zijden gordijnen, in de badkamer een porceleinen badkuip. Aan de wanden en het plafond waren electrische lampen bevestigd, op den vloer lagen dikke tapijten en alle monteering was van zilver. Ik behoefde slechts op een knop te drukken en een lange Chinees trad binnen, gekleed in zwart en wit, zijn staart op den rug, die beleefd mijn bevelen vroeg.
Mijn kajuiten lagen aan stuurboordzijde op twee na op het bovenste dek, en door vijf ronde vensters kon ik de, in de zon schitterende, zee zien. Hier was men voor den wind beschut; de noord-oostmoesson blies tegen bakboordzijde, en het was nu, in November, zeer koel. De zee had een sterke deining, maar onze stoomboot was zulk een kolos, dat men het ternauwernood bemerkte.
De „Tenjo Maroe” maakt regelmatig reizen dwars over den Stillen Oceaan naar San Francisco. Onderweg worden de Sandwicheilanden aangedaan, die in het midden van de Noordelijke helft van den Oceaan liggen en aan gene zijde van Japan stoomt het schip dwars door den geweldigen zeestroom, die Kurosiwo, „het zwarte zout”, heet. Hij komt uit de streken ten Noorden van den aequator en loopt noordelijk, waarbij hij met zijn 22 graden warm en 400 meter diep water de kusten van Japan even liefkoozend aanraakt, als de golfstroom de kusten van Engeland en Noorwegen. Aan gene zijde van Japan is de zee zeer diep; daar daalt het peillood zelfs tot 8500 meter en nog dieper.—
Van Shanghai over de Chineesche Oostzee naar Nagasaki, een aanzienlijke stad op Kioesjioe, het zuidelijkste der vier groote Japansche eilanden, is 830 kilometer. Midden in zee kreeg ik reeds een draadloos telegram uit Kioto en gedurende de gansche vaart naar Jokohama stond het schip in onafgebroken verbinding met het land. In Nagasaki staat de vreemdeling verbaasd over de grootsche scheepwerven en dokken; de grootste in geheel Azië; ook de „Tenjo Maroe” en eenige andere even groote schepen zijn voor het grootste deel in Nagasaki gebouwd. Het is werkelijk moeilijk om te gelooven, dat pas vijftig jaren zijn verloopen, sedert de Japanners begonnen zijn zich de beschaving van Europa en de uitvindingen van het Westen eigen te maken. In veel opzichten heeft het zijn leermeesters reeds overtroffen!
Na een dag oponthoud in Nagasaki ging het noordwaarts om Kioesjioe heen naar de schoone, smalle zeeëngte bij Sjimonoseki, welke naar een binnenzee voert. Helaas was het reeds stikdonker, toen ik de vloot van Admiraal Togo voorbijvoer. Met 85 van de 200 moderne oorlogschepen van Japan hield hij juist een eskader-oefening. De manoeuvres van het landleger stonden er mee in verbinding. Japan is de vijfde zeemacht der wereld en wordt slechts overtroffen door Engeland, Duitschland, Amerika en Frankrijk. Het bezit dertien slagschepen en laat er nog twee bouwen. Een geheele reeks zijner oorlogschepen heeft het den Russen ontnomen, hersteld en een anderen naam gegeven.
Het landleger bestaat in vredestijd uit 250.000 man met 11.000 officieren. In oorlogstijd, als alle reservetroepen opgeroepen worden—en ook de landweer onder de wapenen komt—bedraagt de legermacht misschien anderhalf millioen. Jaarlijks worden 120.000 recruten in actieven dienst gesteld. De Japanners schrikken voor geen offers terug, wanneer het de verdediging van hun vaderland betreft. Bij hun is de liefde voor hun geboorteland een godsdienst.
Wat de oppervlakte betreft, is Japan een vijfde kleiner dan Duitschland; zijn bevolkingscijfer echter slechts een achtste minder. Telt men evenwel de kort geleden veroverde deelen op het vasteland mede, Korea en Kwantung, dan moet men nog 200.000 vierkante meter er aan toevoegen en de bevolking van Japan op 63 millioen brengen! Dit nieuwe Japan is dus een vijfde grooter dan Duitschland en heeft slechts 800.000 inwoners minder dan dit land.
61. KOBE.
Wanneer men, zooals ik, op 9 November 1908, de zeeëngte van Sjimonoseki achter zich heeft en de binnenzee ingevaren is, die tusschen Hondo, Kioesjioe en Sjikokoe ligt, dan laat men zich niet meer in zijn kajuit zien, maar blijft op het dek. In de eene hand de kaart, in de andere den verrekijker om met volle teugen het grootsche, voortdurend wisselend landschap in het rond te genieten. Tusschen de donkere eilanden en op de open vlakten het heldere, groene, zoutachtige zeewater, waarover de witte schuimkoppen der golven als een kudde ganzen gaan en dat door kleine visschersbootjes met gezwollen zeilen wordt doorploegd en als omlijsting daarvan de ontelbare eilanden, nu een groot, dan een klein, nu met bosschen bedekt, dan weer kaal, maar gewoonlijk steil naar het strand afdalend, waar de branding eentonig en dof haar eeuwig lied zingt. De wind fluit door het bovenste dek van de „Tenjo Maroe”, de lucht is frisch en rein, de dag helder en vroolijk en van de kusten komt een geur van dennennaalden.
In de schemering ankert de „Tenjo Maroe” op de reede van Kobe, waar ze vier en twintig uur moest blijven liggen om goederen af te halen en een barkas bracht mij naar de levendige, bedrijvige handelsstad. Een dozijn beleefde, beminnelijke Japanners namen mij reeds aan de landingsbrug in ontvangst om mij de bezienswaardigheden der stad te toonen. Maar het was onderwijl reeds avond geworden en mijn Japansche vrienden brachten mij daarom naar een hotel, onder welks dak ik mijn eersten nacht op Nippon’s grond zou doorbrengen. Aan den ingang ontving ons de waard, in een kleederdracht, die op een vrouwenrok en een dunnen mantel met korte, wijde armen geleek. Twee kleine dienstmeisjes trokken mijn schoenen uit en schoven mijn voeten in pantoffels. Daarna ging het een smalle, houten trap op en door een gang, waarvan de vloer glimmend gepolitoerd was. Voor een schuifdeur liet ik de pantoffels staan en trad op kousen binnen. Reinheid is het eerste gebod in een Japansch huis, en het zou daar iets ongehoords zijn, indien men met dezelfde schoenen, die zoo even nog met het stof en het vuil der straten in aanraking waren geweest, zijn kamer betrad.
Een geheele reeks kleine kamers stonden ter mijner beschikking, echte poppenkamers, zoo klein en fijn en aardig was alles. De afzonderlijke vertrekken waren door wanden van papier of van zeer dun hout, gescheiden en lieten zich gedeeltelijk uit elkaar schuiven, zoodat een verbinding tusschen de kamers kon worden gemaakt. Aan den wand hingen schilden met spreuken en beteekenisvolle gezegden, die met dezelfde vreemde letters waren geschreven als de Chineezen hebben. Tegen een wand hing een „kakemono”, een langwerpige papieren strook, waarop met waterverf bloemen waren geschilderd en op een kleinen, gesneden houten bank onder dit schilderstuk stond een dwergboom, die ternauwernood twee voet hoog was.
Het was een kersenboom, die kunstmatig in den groei was belemmerd, maar een werkelijke, levende boom, die daar misschien reeds twintig jaar stond en volkomen op een gewonen kersenboom geleek. Hij was alleen maar zoo klein, alsof hij in het land der Lilliputten behoorde.
Op de vloeren lagen matten van rijststroo, elk slechts drie meter lang en een meter breed en met zwarte randen afgezet.
Wanneer in Japan een huis wordt gebouwd, berekent men de oppervlakte der kamers steeds naar een bepaald aantal matten; men spreekt daarom van een zesmatten kamer of een achtmatten kamer. Dikwijls zijn de kamers zoo klein, dat drie, zelfs soms twee matten voldoende zijn om den vloer te bedekken.
Met over elkaar gekruiste beenen, of hurkend op de hielen, zetten ik en mijn geleider ons op kleine, vierkante kussens neer, de eenige meubelen, die voorhanden waren; een jong meisje kwam op de kousen binnen om een bak met kolen voor ons te plaatsen. Een andere wijze om de kamer te verwarmen, kent men hier niet. De kolenbak ziet er uit als een bloempot van dik metaal, ze wordt voor het grootste deel met fijne, witte asch gevuld. Het dienstmeisje maakte van de asch een kegel die op den top van den Foejijama geleek, waarvan de zijden werden omgeven door gloeiende houtskolen. Inplaats van een tang gebruikte zij bij het werk twee smalle ijzeren staafjes.
Nadat wij Engelsch hadden gesproken en thee gedronken hadden, was het tijd te gaan slapen. Ledikanten heeft men in Japan niet, het bed wordt eenvoudig op de matten van den vloer gelegd. Men heeft hier de gewoonte een gast met opmerkzaamheid en beminnelijkheid te behandelen, hem elke moeite te besparen, en elk zijner wenschen is reeds vervuld, voor ze uitgesproken is. Maar toch stond ik niet weinig verbluft, toen twee jeugdige Japanschen mij zonder omslag begonnen uit te kleeden en mij daarna een wijden, gestikten slaaprok van knetterende zijde aantrokken en, nadat het werk voltooid was, stil door een zijdeur verdwenen. En even stil kwamen zij den volgenden morgen terug, om mij met warm water te wasschen, aan te kleeden, en nadat zij mij toonbaar hadden gemaakt, mij in het naaste vertrek te brengen, waar mijn vrienden mij wachtten.
Alle bediening en verzorging is hier het werk van vrouwen. Zij dragen de goed kleedende, smaakvolle, en bonte nauwsluitende gewaden van het geboorteland, de kimonos; de hals blijft vrij, om de schouders ligt een sjaal met over elkaar geslagen einden, een breede ceintuur omslaat de taille, en van achteren zit een groote, op een kussen gelijkende strik. Het haar is zwart, glanzend, glad gekamd en in rollen opgestoken, die uit ebbenhout gesneden schijnen.
Steeds zijn de Japansche vrouwen netjes, fijn en bevallig, men zou vergeefs naar een stofje zoeken op hun zijden garneering. Wanneer zij nu en dan niet glimlachten zou men denken dat zij wassen of porceleinen poppen waren. Met trippelende pasjes bewegen zij zich over de matten, zijn beleefd en lieftallig. Men behandelt haar trouwens ook als prinsessen met den grootsten takt en de hoogste achting, dat eischt de gewoonte van het land; zij, van haar kant, doen haar werk nauwgezet, en zijn daarbij altijd vroolijk, tevreden en vriendelijk.
Nu gingen wij weer op onze kussens zitten, om te ontbijten. De dienstmeisjes brachten kleine, rood gelakte tafels binnen, die niet grooter en niet hooger waren dan bankjes. Elke gast krijgt zijn eigen tafeltje, waarop vijf koppen, schotels en schaaltjes van porcelein en gelakt hout stonden, alles toegedekt met een deksel, die op een schotel geleek. Er was rauwe en gekookte visch, verschillend toebereid, eierkoeken, macaroni, kreeftensoep met asperges en nog allerhande lekkernijen. Toen ik de vijf eerste gerechten had genuttigd, werd een nieuwe tafel gebracht met andere gerechten. Wordt er een groot gastmaal gegeven, dan kan zulk een „Tafeltje dekje” vier à vijfmaal worden verwisseld, voordat het diner ten einde is.
Men eet in Japan met twee staafjes van hout of ivoor, die niet langer zijn dan een penhouder, drinkt lichte, slappe thee zonder suiker en room en maakt dat het eten gemakkelijker te verteren is door een soort zwakke rijstbrandewijn, die sake heet. Zoodra een schaal dampende, eenvoudig in water gekookte, rijstenbrij is opgedragen, is de maaltijd ten einde. Voordat men vertrekt, worden nog nappen rondgereikt om de handen te wasschen.
De straten van de stad Kobe zijn niet geplaveid en slechts smal, ongeschikt voor groote, plompe wagens. Zulke wagens ziet men ook zelden; zij worden slechts voor transport gebruikt. Men rijdt in „Jinrikschas”, fijne, sierlijke, tweewielige wagentjes, die een man op bloote voeten met een hoed op het hoofd, die op een champignon gelijkt, tusschen den disselboom voorttrekt. Een der weinige kalessen der stad Kobe wachtte den volgenden morgen voor mijn hotel, en toen wij wegreden, vergezelden ons de waard en de dienstmeisjes tot op de straat en bogen zich in rechthoekige nijgingen.
De landweg langs de kust naar het Westen gaat door een reeks levendige, bedrijvige dorpen, langs open theehuizen en kleine, landelijke winkels, gezellige heldere houten huizen, tempels, akkers en tuinen. Alles was klein en sierlijk en met buitengewone zorg verpleegd. Iedere boer bebouwt zijn akker met liefde en zorg en uit den oogst van alle kleine landbouwers ontstaat de rijkdom van Japan. Hard kan men op den smallen straatweg niet rijden, want steeds komt men tweewielige karren en transportwagens, dragers en wandelaars tegen. Dikwijls verkeerde ik in doodsangst over de kleine, teere, allerliefste kinderen, die onbezorgd aan den weg speelden. De Japanners hebben hun kinderen lief en behandelen hen met aandoenlijke teederheid. Nooit wordt een kind onvriendelijk of met toornige woorden toegesproken, en de kinderen zijn daarom allen van klein af welgemanierd en oplettend. Het ligt hen reeds duizenden jaren in het bloed, dat zij anderen dezelfde oplettendheden moeten bewijzen als zichzelf, en van den eersten dag, dat zij op hun kleine, dikke, kromme beentjes beginnen te gaan, weten zij, dat alleen fatsoenlijk, beleefd gedrag hen de liefde van anderen kan doen deelachtig worden. Dikwijls ziet men op straat twee kleine dreumessen voor elkaar een beleefde buiging maken, voordat zij met elkaar spreken, en als zij van elkaar gaan, maken zij eveneens een buiging tot afscheid. In Japan kent men geen gepeupel en geen jonge vlegels. Het Japansche volk bestaat alleen uit „gentlemen”!
Aan het „Strand der danseressen” hielden wij een poos stil onder oude naaldboomen. Hier baadt men des zomers, terwijl de kinderen onder de boomen spelen. Nu echter, in November, was het eerder koud dan warm, en daarom keerden wij weer naar Kobe terug. Onderweg bezocht ik nog een Schintotempel, welke ter herinnering aan een held was gebouwd, die 600 jaar geleden hier in een slag was gevallen. Op het plein voor den tempel stond een groot Russisch kanon, te Port Arthur veroverd, en een gedeelte van de afgeschoten mast van het slagschip „Mikasa”. Mijn Japansche vrienden verzekerden mij, dat men Admiraal Togo na zijn dood ongetwijfeld ook zulk een tempel ter nagedachtenis zou bouwen.
In de zevende eeuw na de geboorte van Christus, werd het Boeddhisme in Japan ingevoerd, en het grootste deel der bevolking belijdt nog heden het Boeddhisme. Maar bij zijn geboorte wordt de Japanner in de bescherming van een Schintogodheid aanbevolen, terwijl de plechtigheden bij zijn dood volgens de gebruiken van de Boeddhistische leer worden voltrokken. Het Schintogeloof is een voorouders- en heldencultus, gelijkende op den eersten godsdienst van alle cultuurvolken. De voornaamste godheid is de zon. Van de zonnegod stamt het keizerlijk huis, en daarom ziet men tot den keizer eveneens met godsdienstigen eerbied op. Men vereert ook gestorven helden, alsof zij na hun dood in goden waren veranderd, en de geesten der voorvaderen worden op dezelfde wijze gediend als in China. Gedurende de laatste jaren heeft zich, evenals reeds eens in de 16de eeuw, het christendom tamelijk in Japan verbreid, en men vindt er thans veel christelijke kerken.
62. DE FOEJIJAMA.
Vergezeld van een Zweedsch landgenoot, die reeds twee en vijftig jaar in Kobe woonde en van zijn vriendelijke familie voer ik den avond van dien dag met de barkas weer terug naar de „Tenjo Maroe.” Den 11den November! De dagen gingen te snel voorbij en in het land van de opgaande zon schenen zij nog korter dan ergens anders. Gedurende de nachtelijke uren stoomde het schip den Stillen Oceaan in en stevende ver van de kust van Hondo, naar het Noord-Oosten. De hemel was donker, en de oneindige waterwoestijn strekte zich uit in gelijkmatige, staalgrijze tinten. Aan alle kanten was de horizon der zee donker en grijs, ginds in het zuiden, waar men, steeds vooruit varend aan Nieuw-Genua en Australië zou komen, en hier in het Oosten, waar men, steeds verder varend eindelijk de kusten van Californië zou bereiken. De landen aan den Middellandsche zee van Europa liggen op dezelfde breedte als Japan. Maar in Japan heeft men de passaatwinden, de periodieke winden van bepaalde jaargetijden; zij komen in den zomer van de zee, en brengen regen, terwijl de winter tamelijk droog is, daar dan de wind uit tegenovergestelde richting waait. In het algemeen is Japan echter kouder dan de landen aan de Middellandsche zee en ook is er een groot onderscheid van klimaat tusschen zijn Zuidelijke en Noordelijke deelen. Op het noordelijk eiland Jesso duurt de winter volle zeven maanden.
In den middag verzocht een mijner Japansche vrienden mij uit te kijken, want nu zou de Foejijama in het Noord-Oosten opduiken. Van de kust was nog niets te zien; maar de sneeuwtop van den berg zweefde reeds flauw wit over de zee. Onze koers bracht ons regelrecht naar de Foejijama en met elk kwartier kwam de statige berg duidelijker te voorschijn. Nu vertoonde de kust zich ook als een donkere lijn, van den berg echter alleen de top met een merkwaardig regelmatigen vlakken kegel, die van boven afgesneden schijnt. Hier is de rand van den krater; want de Foeji is een vulkaan, die echter gedurende de twee laatste eeuwen rustte.
Steeds scherper vertoonden zich zijn sneeuwvelden in de kloven, maar nog steeds was alleen de top zichtbaar, hij zweefde als een droombeeld tusschen de wolken en toen wij aan de kust voor anker gingen, verhief zijn kruin zich hoog boven ons. Wij waren nu vlak bij den berg, en ik kon de oogen er niet van afwenden; vooral niet, toen de avondzon de sneeuwvelden purper deed glanzen.
De Foejijama (foeji beteekent: zonder weerga; yama: berg) is de hoogste berg van Japan. De kraterring van den sluimerenden vulkaan ligt 3778 meter boven den spiegel van de Stille Zee.
De Foejijama is ook een heilige berg. De weg naar boven is met tempels en heiligdommen bezet, en in den zomer, als de sneeuw is gedooid, gaan ontelbare geloovigen ter bedevaart naar zijn top. Hij is de trots van Japan en het heerlijkste, wat het aan natuurschoon bezit. Sedert het grijs verleden door de liederen der dichters bezongen, is hij ook door allerlei kunstenaars tallooze malen nagebootst.
Op welke voorwerpen is de kegel van den Foejijama niet te vinden! In zilver en goudkleur op de beroemde verlakte kasten, en de buitengewoon mooie, van zilver en brons vervaardigde doozen, op de kostbare vazen en schalen, presenteerbladen en schotels, op schermen en waaiers, ja op alles—altijd dezelfde berg met den afgesneden top! En voor den schilder is het een zaligheid bij den witten kegel, zich steeds een nieuwen voorgrond te denken. Ik zag eens een boek met honderd platen van den Foejijama en elke plaat gaf een anderen blik op den heiligen berg. Nu eens zag men hem tusschen de takken van den Japanschen ceder, dan weer tusschen de hooge stammen der boomen, dan weer onder hun kronen. Hier, boven een schuimenden waterval of een stil meer, welks spiegel zijn kruin weerkaatst, daar, boven een zwevende brug of een nijver dorp, boven een groep spelende kinderen, of tusschen de masten der visschersbooten. Ik zag hem door het open portaal van een tempel en aan het einde van een der straten van Tokio; ja, tusschen de rijpende aren van een rijstveld en de geopende waaiers eener danseres!
De Foejijama is het zinnebeeld van alles, wat Nippon heet. Zijn top is het eerste punt op de Japansche eilanden, dat bij het aanbreken van den dag de stralen der opgaande zon opvangt. Als de jonge Japanner, jarenlang de wetenschap in Europa heeft bestudeerd, en in zijn geboorteland terugkeert, om zijn volk daarin te onderwijzen, tuurt hij den laatsten dag zijner reis verlangend naar den Foeji. Klein, het gezicht bleek, geelbruin, met kort geknipt zwart haar en donkere, gespleten oogen, in Europeesche kleederdracht en de handen in de broekzakken, kijkt hij urenlang naar het Noord-Oosten. Eindelijk ziet hij zijn heiligen berg, en steeds hooger en duidelijker komt de top naar voren. De Japanner vertrekt geen spier; hij glimlacht niet, en zijn oogen vullen zich niet met tranen. Maar zijn ziel jubelt van geluk en trots, dat hij behoort tot den Foejijama en het land van de opgaande zon, waar zijn voorouders in de graven sluimeren!
63. JOKOHAMA EN TOKIO.