Van pool tot pool

Part 23

Chapter 233,920 wordsPublic domain

De verdienste, welke een eigenaar van een boot krijgt, schijnt ook niet groot te zijn. Hij mag blij zijn, als hij na heen- en terugreis zonder averij in Hankou met zijn jonk aankomt, om daar dadelijk weer lading te nemen en op reis te gaan. Met vriendelijke oogen zal hij de groote, Russische schepen, die in Hankou met thee worden geladen, zeer zeker niet aanzien. Hankou is de grootste theehaven van China en de geboorteplaats van den theestruik. Pas 250 jaren geleden werd de thee in Europa bekend, nu drinkt men ze hier algemeen, evenals in veel andere deelen der aarde. In Engeland en in Rusland is ze zelfs de nationale drank geworden. De Russen waren vroeger gewoon hun thee langs de karavaanwegen door Mongolië en Siberië te vervoeren; nu neemt de uitvoer van thee uit China af, en Indië en Ceylon hebben het rijk van het Midden daarin overvleugeld.

57. MONGOLIË.

Tusschen China, in het Zuiden en Oost-Siberië in het Noorden, strekt zich het ontzaglijk gebied van Binnen-Azië uit, dat den naam Mongolië draagt. De Chineezen noemen het ’t „grasland.” Doch zeer groote uitgestrektheden van dit land zijn ook waterlooze woestijnen, waar het stuifzand zich tot hooge duinen ophoopt, en waar de karavaanwegen en de bronnen ver uit elkaar liggen. Die woestijn gordel, een der grootste van de aarde, noemen de Mongolen, Gobi, hetwelk in hun taal woestijn beteekent. De Chineezen noemen dezen gordel Schamo, hetwelk in Hollandsch zandwoestijn wil zeggen.

Ik zeide reeds, dat Mongolië onder Chineesche heerschappij staat en dat het geestelijk opperhoofd der Mongolen, hun paus, de Dalai-Lama in Tibet is. Zij hebben ook een menigte Lamo-kloosters en gaan jaarlijks in groot getal ter bedevaart naar Lhasa. Een verbazingwekkend groot deel der mannelijke bevolking wijdt zich aan het kloosterleven, en gaat in een monniksorde. De Chineezen verheugen zich hierover, want het vreedzame kloosterleven, doet de, in oude tijden zoo oorlogzuchtig, wilde Mongolenbende hun eigen kracht vergeten; de godsdienstoefening voor het Boeddhabeeld in de tempelzalen leidt hun gedachten op andere banen. Zij denken er niet meer aan, dat hun volk eens bijna geheel Azië en half Europa onder zijn scepter had en dat hun voorvaderen „de gouden horde” 700 jaren geleden den Kaukasus overgetrokken zijn, geheel Rusland schatplichtig aan hen maakten, en het overige Westen in ontsteltenis brachten. En zij hebben vergeten, dat hun voorouders eens het geheele Rijk van het Midden veroverd hebben, en in de gele aarde het Keizerkanaal groeven, waarop de jonken der Chineezen tegenwoordig nog varen. Van het woedend wapengekletter, waarnaar de wereld eens sidderend luisterde, is nu zelfs geen echo overgebleven. De zwaarden zijn in hun schede vastgeroest, en de vorsten der Mongolen die China zijn vazallen of schatplichtigen vorsten noemt, wonen vreedzaam op de steppen, in hun tenten, met hun acht banieren.

De Mongolen zijn nomaden. Zij bezitten groote kudden schapen en geiten en leven van schapenvleesch, melk, boter en kaas, Tot hun huisdieren behooren ook de kameel met de twee bulten, en een klein, taai, sterk gebouwd paard. Hun leven is een voortdurend zwerven. Met hun kudden trekken zij van de eene steppe naar de andere. Als in een streek de droogte den groei van het gras verhindert of het gras is afgeweid, breken zij op, beladen de kameelen, met hun tenten en overige have, en zoeken een betere weideplaats. De tent der Mongolen gelijkt in vorm op een kaasstolp, het geraamte is traliewerk van taaie latten, en wordt met zwarte baaien dekens overtrokken, precies als bij de Chineezen. Dezelfde omstandigheden van natuur en levensvoorwaarden, noodzaken verschillende volken in verschillende deelen der aarde tot dezelfde levenswijze en dezelfde gewoonten.

De Mongolen zijn een goedhartig, beminnelijk volk; ik heb hen op de grenzen van het groot gebied leeren kennen en ben ook eens geheel Mongolië dwars doorgereisd. Het uitgangspunt was Peking en de reis ging regelrecht naar het Noord-Westen; eerst door het Oostelijk grensgebergte; de Mongoolsche hoogvlakte, daarna door geheel Mongolië en ten slotte door het deel van Oost-Siberië, waar het Baikalmeer tusschen hooge bergen ligt. Het was einde Maart en begin April 1897. Toen was de Siberische spoorweg tot Kansk, een kleine stad ten Oosten van de Ienessei, gereed. Het was de langste, die ik van mijn leven in een voertuig heb gemaakt, want van Peking tot Kansk is 3000 kilometer en onderweg rustte ik slechts een enkelen dag, namelijk te Irkoetsk, de hoofdstad van Oost-Siberië.

3000 kilometer door steppen en woestijnen, over besneeuwde, met woud bedekte bergen, en door bevroren dalen! Wat kletterden daar de hoeven der paarden op den hard bevroren grond, en hoeveel keeren wentelden de wielen mijner wagens!

In Peking had ik mij van alles voorzien, wat ik voor de rit naar de Russische grens noodig had. In de eerste plaats een Chineesche pas, die mij het recht gaf de Mongolen en hun paarden in dienst te nemen, en als het mij goed dacht, in hun tenten te overnachten. Verder proviand, ingemaakte vruchten, brood, thee, suiker en andere noodzakelijke dingen. Het Russisch gezantschap gaf mij twee kozakken tot escorte; arme kerels, die dezen ganschen langen weg in gestrekten galop moesten afleggen.

Maar zij waren er mee tevreden en verheugden zich zeer na geëindigden diensttijd te Peking weer in hun Siberisch geboorteland te zullen terugkeeren.

Men rijdt in Mongolië niet op gewone manier. Men heeft geen koetsier op den bok, zit niet gemakkelijk geleund in een van veeren voorzien vierwielig rijtuig, terwijl men de oogen half droomend langs den horizon laat gaan. Niets van dit alles! Hier zijn noch gebaande wegen, noch poststations. Toch moet men onophoudelijk van paarden verwisselen. De nieuwe paarden krijgt men in de tentdorpen der Mongolen.

Maar de Mongolen zijn nomaden, en hun dorpen zijn ook voortdurend op reis. Men moet dus in de eerste plaats weten, waar de dorpen toevallig liggen, en ten tweede de menschen vooruit doen weten, dat zij een bepaald aantal paarden moeten gereed houden. Daarom worden koeriers te paard vooruitgezonden en het vervangen van frissche paarden gebeurt dan zoo nauwgezet mogelijk. Maar alleen de Mongolen zelf weten, waar de dorpen der buren precies liggen en daarom neemt men uit elk dorp een paar Mongolen mede, als geleiders. En juist om dat de dorpen hier ook zwerven, rijdt men altijd in rechte lijn van het eene naar het andere. Daarom kan men hier ook nooit op een heirweg blijven, maar rijdt dwars door de woestijnen, en over de steppen, en men ziet gewoonlijk nergens zelfs een glimp van oude wagensporen.

De wagen is een zeer eenvoudig voertuig. Veel te eenvoudig! Dat bemerkt de reiziger reeds, als hij het eerste poststation nog niet eens achter zich heeft. Het is een houten kar op twee middelmatig groote raderen, geheel overdekt, naar boven, tunnelvormig loopend, en met blauw doek overtrokken. Een klein venster aan de voorzijde en twee zijvensters geven den reizigers vrij uitzicht op de steppen. Het vensterglas is in het over het dak gespannen doek bevestigd en kan dus door het schokken niet springen. Maar de kar heeft geen veeren! De vloer er van rust onmiddellijk op de assen der wielen. Een zitplaats is er ook niet. Men legt daarom zooveel kussens, pelzen, en wollen dekens er in als men maar machtig kan worden, en zit daarop, om niet geheel bont en blauw te worden geschokt. Men heeft er ook slechts zooveel plaats in, dat men de beenen juist even kan uitstrekken. En de plaats is slechts voor een persoon berekend.

Het is dus een kar van de gewone Chineesche soort, met een lemoen waarin een paard of muilezel wordt gespannen. In China zit de koetsier op een der boomen of loopt naast den wagen. Ik had mijn reistasch aan den onderkant van den boom vastgebonden. Mijn groote bagage had ik met kameelen vooruitgezonden, maar ze kwam een half jaar na mij te Stockholm aan.

Het inspannen is het allervreemdste. Aan het uiterste einde van elken boom is een flink oog van touw bevestigd. Door de beide oogen wordt een lange, ronde dwarsboom geschoven. Twee Mongolen te paard nemen de beide einden van den dwarsboom op hun knie. Tusschen de boomen van het lemoen loopt hier geen trekdier. Aan de einden van den dwarsboom zijn bovendien lange lussen bevestigd. Twee andere ruiters winden de einden van deze lussen tweemaal om het lijf. Karwatsen hebben allen, en wanneer alles tot vertrek gereed is, suizen de ruiters spoorslags over de steppe, de kar achter zich meêtrekkend.

Aan beide zijden rijden twintig Mongolen, die voor de helft in de opgedwarrelde stofwolken verdwijnen. Plotseling ziet men twee van hen, van achteren komende, naast de mannen rijden, die de dwarsboom op de knieën laten rusten. De twee nieuwe paarden buigen den kop en steken dien onder den boom, die op de knieën van hun ruiters blijft rusten, terwijl zij, die hem tot nu toe hebben gedragen, hun paarden inhouden, en den wagen verder laten rollen. Dan voegen zij zich bij de overige troep. Onder het verwisselen van paarden, hetgeen maar een paar seconden in beslag neemt, houdt de wagen niet stil. Hij rijdt met dezelfde razende snelheid door. Men moet er zich slechts over verwonderen, hoe gemakkelijk en handig dit alles toegaat, en als men niet juist door het voorraampje van den wagen kijkt, bemerkt men zelfs niets van dit telkens terugkeerend verwisselen van paarden.

Op dezelfde manier worden ook de beide voorrijders en hun paarden onder de grootste vaart onophoudelijk verwisseld. Als een hunner vermoeid wordt, komt een nieuwe ruiter aansuizen en windt de treklus om zijn lijf.

Na twee of drie uur rijden ziet men voor zich op de steppe een uit verscheiden tenten bestaand dorp. Hier staan een dertigtal paarden met hun eigenaars, die den vorigen dag door de koeriers zijn opgeroepen, gereed. Als men het dorp heeft bereikt, staat de kar met een ruk stil en de einden der boomen gaan omlaag. Een der kozakken vraagt of men wil uitstappen, in een tent uitrusten, eten of thee drinken, of dat men liever dadelijk wil verder rijden. Ik placht ’s nachts bij de Mongolen te blijven, om door dit razend snelle rijden mij niet geheel rampzalig te gaan gevoelen. Aan elk station krijgen de tot daarheen meegenomen Mongolen te zamen eenige roebels. Men betaalt hier altijd met blanke, zilveren roebels, want de Mongolen willen noch papieren, noch klein geld hebben. De zilveren roebels worden door hun vrouwen als sieraden gebruikt.

Nog voor dat de zon is opgegaan, gaat het verder over de eindelooze steppe. Voor kleine kloven en watergeulen zijn de ruiters in het minst niet bang, alleen als zeer diepe groeven den weg dwars doorsnijden, matigen zij hun snelheid. Maar dikwijls komen zij er in het geheel niet toe voor een steenblok of een groeve uit te wijken—en als de wielen er dan over heen suizen en de wagen een sprong maakt, wordt men tot het dak van den wagen geslingerd en rolt men tusschen zijn pelzen en dekens heen en weer!

In Noordelijk Mongolië lag de sneeuw hoog en hier werd mijn wagen door kameelrijders getrokken. Ik was reeds zoo geradbraakt en ellendig, dat het mij een aangename rusttijd toescheen, toen wij nu in matigen pas door de zachte sneeuw gingen.

58. DSCHINGIS CHAN.

In het jaar 1162 werd in Mongolië een hoofdman van wilde ruiterbenden geboren, die Dschingis Chan heette. Hij onderwierp alle naburige stammen en wat Mongolië heette, verzamelde zich om zijn vaandel. Hoe grooter zijn macht werd, des te grooter gebied wilde hij veroveren en hij was niet eerder tevreden, dan toen hij bijna geheel Azië onder zijn scepter had! Zijn leus was: „Eén God in den hemel en één grooten chan op aarde”. Hij stelde zich niet tevreden met een rijk, dat zoo groot was als dat van Alexander den Grooten of van Caesar, maar hij wilde over de gansche bekende wereld heerschen en met dit doel voor oogen reden hij en zijn ruiterhorden in het groote werelddeel van het eene land naar het andere. Overal liet hij jammeren en geweeklaag, verwoeste of in asch gelegde steden achter zich. Hij was de grootste en tegelijkertijd de meest woeste veroveraar, dien de wereldgeschiedenis ooit heeft gekend. Toen hij op het toppunt zijner macht stond, waren hem ontelbare volken schatplichtig: van het Achter-Indische schiereiland tot aan Nowgorod, van Japan tot aan Silezië. Zijn hof werd bezocht door gezanten van Fransche koningen, van den Turkschen sultan, van Russische grootvorsten, van kaliefen en pausen van dien tijd. Noch vroeger, noch later heeft ooit een man de menschen zoo in beroering gebracht en zooveel volken tegen hun wil tot verkeer met elkaar gedwongen. Dschingis Chan heerschte en gebood over meer dan de helft van het menschelijk geslacht, en tegenwoordig leeft de schrik voor hem nog in veel van de landen, die hij verwoest heeft! Hij was 65 jaar, toen hij stierf, en Dschingis Chan liet zijn onmetelijk rijk aan vier zonen als erfdeel na. Een dezer vier was de vader van Kublai Chan, die in het jaar 1280 China veroverde en in het Rijk van het Midden de grondvester der Mongoolsche Keizerdynastie werd. Zijn hof was nog schitterender dan dat van zijn grootvader en wij bezitten nog een juiste beschrijving van den grooten Chan en zijn rijk, welke vervaardigd is door den man, van wien ik nu wil spreken.

59. MARCO POLO.

In het jaar 1260 vertoefden in Konstantinopel twee kooplieden uit Venetië. Zij heetten Niccolò en Maffeo Polo. Hun vurige wensch, om nieuwe handelsverbindingen met Azië aan te knoopen, lokte hen naar de Krim en vandaar over de Wolga naar Buchara en vervolgens naar het hof van den grooten Chan, Kublai Chan. Destijds had men door de reizen van katholieke zendelingen een vage kennis van een groot, beschaafd rijk in het verre Oosten.

De groote Chan, die nog nooit Europeanen had gezien, verheugde zich over de komst der Venetiërs, ontving hen vriendelijk en liet zich door hen al het wonderbare vertellen, dat in hun geboorteland te zien was. Hij besloot hun een brief aan den paus mede te geven, waarin hij verzocht honderd geleerde, kundige zendelingen naar het Oosten te zenden. Hij wilde hen gebruiken om de wilde stammen der steppen goede zeden te leeren en te verlichten.

Na een afwezigheid van negen jaar keerden de beide kooplieden naar Venetië terug. De paus was gestorven en twee jaren lang wachtten zij vergeefs op de keus van zijn opvolger. Maar daar zij niet wilden, dat de groote Chan hen als woordbreukigen zou beschouwen, besloten zij weer op reis te gaan naar het verre Oosten en op deze reis namen zij den vijftienjarigen zoon van Niccolò, Marco Polo, mede.

Onze drie reizigers begaven zich nu over Syrië naar Massoel, in de onmiddellijke nabijheid van de ruïnen van Ninevé, van daar naar Bagdad en Hormoes, een stad aan de smalle, de Perzische golf met de Arabische zee verbindende, zeeëngte. Daarna reisden zij noordelijk door geheel Perzië en noordelijk Afghanistan, den Amoe-darja op naar den Pamir en gebruikten wegen, die na hen, gedurende zeshonderd jaar op nieuwe reizigers uit Europa zouden wachten! Over Jarkent Chotan en het Lopmeer, alle plaatsen en streken, die wij reeds kennen en door de woestijn Gobi ging nu hun weg naar China.

In het jaar 1275 bereikten zij na een reis van vele jaren eindelijk het hof van den grooten Chan in Oostelijk Mongolië. Marco Polo viel zeer in de gunst van den vorst, en hij hoorde met genoegen, dat de jongeling verscheiden Oostersche talen had leeren lezen, schrijven en spreken. Hij meende, dat zulk een flink, kundig mensch hem van nut kon zijn en nam hem in zijn dienst. De eerste opdracht, welke den jongen Polo werd toevertrouwd, was een dienstreis naar noordelijk en westelijk China. Polo had opgemerkt, dat Kublai Chan van merkwaardige, wonderlijke verhalen uit vreemde landen hield en daarom onthield hij alles, wat hij zag en beleefde, zorgvuldig, om het later aan den Keizer te vertellen. Zoo kwam hij steeds meer in de gunst van den grooten Chan, werd op nieuwe dienstreizen uitgezonden, die hem zelfs naar Indië en tot de grenzen van Tibet voerden. Hij was drie jaar lang in een groote stad gouverneur en kreeg ook in de hoofdstad Peking een betrekking.

Marco Polo vertelt onder anderen, hoe de keizer ter jacht gaat. Hij zit in een draagstoel, die gelijkt op een kleine kamer met een dak en die door vier olifanten wordt gedragen. De buitenzijde van den draagstoel is met geslagen goudplaten bedekt, het binnenste met tijgervellen belegd. Naast hem zitten twaalf van zijn beste jachtvalken, en naast den draagstoel rijden verscheiden heeren van zijn gevolg. Nu en dan roept een hunner: „Majesteit, ziet u de kraanvogels!” Dan doet de Keizer onmiddellijk het dak van zijn draagstoel open, en laat een der valken op het gevogelte los; in dezen sport schept hij veel behagen. Daarna begeeft hij zich naar zijn legerplaats, welke uit tienduizend tenten bestaat. Zijn eigen ontvangtent is zoo groot, dat duizend personen zonder moeite er plaats in vinden; in een tweede hebben de geheime beraadslagingen plaats en een derde wordt gebruikt om te slapen. Zij rusten op drie palen en zijn van buiten met tijgervellen, van binnen met hermelijn en sabelbont bekleed. Marco Polo verzekert, dat deze tenten zoo schoon en kostbaar versierd zijn, dat niet iedere koning zulk een tent zou kunnen betalen!

Alleen de voornaamste edellieden mogen den Keizer aan tafel bedienen. Daarbij zijn hun mond en neus in zijden, met goud doorwerkte doeken gehuld, opdat hun adem de schotels en bekers, welke zij hun heer aanbieden, niet bezoedelt! Telkens als de Keizer drinkt, speelt een groote muziekkapel en alle aanwezigen vallen op de knieën.

Alle kooplieden, die naar de hoofdstad komen en vooral zij, die in goud en zilver, edelsteenen en parelen handelen, mogen hun kostbaarheden slechts aan den Keizer verkoopen. En Marco Polo vindt het zeer natuurlijk, dat Kublai Chan grootere schatten bezit dan alle koningen der aarde, daar hij alleen met papiergeld betaalt, hetwelk hij naar goeddunken laat vervaardigen! Destijds was dus reeds papiergeld in omloop.

Zoo leefden Marco Polo zijn vader en zijn oom jaren lang in het Rijk van het Midden en verwierven zich daar, door verstand en ijver, een groot vermogen. Maar de Keizer, hun beschermheer, was oud en zij vreesden, dat hun positie na zijn dood veranderen zou. Zij verlangden bovendien naar Venetië terug. Maar telkens, als zij over hun vertrek spraken, verzocht Kublai Chan hen daarmede nog een poosje te wachten.

Intusschen gebeurde er iets, waardoor hen het vertrek mogelijk gemaakt werd. Ook Perzië stond toen onder Mongoolsche heerschappij en zijn vorst of Chan, was een der naaste bloedverwanten van Kublai Chan. De Perzische Chan had zijn lievelingsgemalin verloren en wilde een, op haar sterfbed uitgesproken wensch, dat hij een vorstin uit haar eigen stam zou trouwen, vervullen. Hij zond daarom hiertoe gezanten naar Kublai Chan. Zij werden vriendelijk ontvangen en men zocht voor den Chan van Perzië een schoone, jonge prinses. Daar men vreesde, dat de reis over land van Peking naar Tebris, die ongeveer 7000 kilometer bedroeg, voor zulk een jong meisje te moeilijk zou zijn, besloot men te water naar Perzië terug te keeren!

De gezanten hadden de drie Venetiërs oprecht leeren achten en waren op zeer vriendschappelijken voet met hen gekomen. Zij verzochten daarom Kublai Chan vergunning, hen te mogen medenemen, want alle drie waren bekwame zeelieden en Marco Polo, die kort geleden in Indië was geweest, kon hen heel wat nuttige wenken voor de zeereis geven. Na veel vragen stemde Kublai Chan toe en rustte het geheele gezelschap met groote vrijgevigheid uit. In het jaar 1292 zeilden zij van de Chineesche kust, naar het Zuiden, uit.

Gedurende de reis hadden zij met veel wederwaardigheden, stormen, schipbreuken en koortsen te kampen. Op de kusten van Sumatra en Indië werden zij lang opgehouden; een groot deel der bemanning werd ziek en twee der gezanten stierven ook, maar de jonge prinses en haar Venetiaansche ridders bereikten ongedeerd Perzië. De Chan was, helaas, intusschen gestorven en de prinses moest zich met zijn neef tevreden stellen! Zij was zeer bedroefd, toen de drie heeren Polo afscheid van haar namen, om over Tebris, Trebisonde, den Bosporus en Konstantinopel naar hun vaderland terug te keeren. Toen zij daar in 1295 aankwamen, waren zij vier en twintig jaar weg geweest!

Hun bloedverwanten en vrienden in Venetië hadden hen reeds lang doodgewaand. Zij hadden hun moedertaal bijna vergeten en verschenen in hun vaderstad in eenvoudige, zeer versleten. Oostersche kleeding. Het eerste, wat zij deden, was hun oud vaderlijk huis opzoeken en aan de deur er van te kloppen. Maar hun bloedverwanten herkenden hen niet meer, wilden hun avontuurlijke verhalen niet gelooven en bevalen hen heen te gaan!

De drie heeren Polo namen nu hun intrek in een ander huis en noodigden hun familie op een grootsch gastmaal. Toen de gasten aan tafel hadden plaats genomen en de maaltijd zou beginnen, traden de drie gastheeren binnen, gekleed in lange gewaden, van kostbare, donker roode zijde. En toen het water voor het wasschen der handen werd rondgereikt, verwisselden zij hun kleeren en hulden zich in Aziatische mantels van het fijnste weefsel. De zijden gewaden sneden zij in stukken, die onder de bedienden verdeeld werden. Daarna verschenen zij in kostbare fluweelen kleeren, terwijl de geweven mantels eveneens onder de bedienden werden verdeeld. En ten slotte gingen ook de fluweelen kleeren denzelfden weg!

Alle gasten waren ten hoogste verbaasd over hetgeen zij zagen. Toen de gerechten afgenomen waren en de bedienden zich hadden verwijderd, stond Marco Polo op en haalde de havelooze, afgedragen kaftans, die de reizigers gedragen hadden, toen hun verwanten hen niet hadden willen kennen. Nu begonnen zij de naden dezer kleedingstukken met scherpe messen open te tornen en daarbij vielen geheele stapels edelsteenen op de tafel, robijnen, safieren, karbonkels, diamanten en smaragden! Want toen Kublai hen op reis had laten gaan, hadden zij al hun bezittingen tegen edelsteenen geruild, omdat zij op zulk een verre reis geen zware lasten goud konden meenemen. De edelsteenen hadden zij in hunne kleeren genaaid, opdat niemand er iets van zou kunnen merken.

Toen de gasten deze schatten op tafel zagen liggen, kende hun verwondering geen grenzen. En nu moesten zij toestemmen, dat deze drie heeren werkelijk de verloren leden van het huis Polo waren. Nu werden zij ook het onderwerp van den grootsten eerbied en hoogachting. Toen het gerucht hiervan in Venetië werd verbreid, trokken de burgers in scharen naar het huis Polo; allen wilden de van verre gekomen reizigers omarmen, hen in het geboorteland welkom heeten en hen hulde bewijzen. „Dagelijks kwamen jonge mannen om den altijd beleefden, vriendelijken heer Marco te bezoeken en hem naar China en den groot-Chan te vragen en hij antwoordde steeds met zulk een beminnelijke vriendelijkheid, dat ieder zich zijn schuldenaar voelde.” Als hij echter sprak over de onmetelijke rijkdommen van den groot-Chan, en vertelde van andere in de landen van het Oosten opgehoopte schatten, dan wierp hij onophoudelijk met millioenen om zich heen, en daarom noemden zijn landslieden hem: heer Marco millioni!

Tusschen de drie groote republieken Venetië, Genua en Pisa, die elkander den handel betwistten, heerschten toen en nog lang daarna voortdurend nijd en concurrentie. In het jaar 1298 rustten de Genueezen een geweldige vloot uit, die de Venetiaansche bezittingen op de Dalmatische kusten aan de Adriatische zee verwoestte. Hier stietten zij op de vloot van Venetië; over een der galeien voerde Marco Polo het bevel. Na een hevig gevecht overwonnen de Genueezen en maakten zevenduizend Venetiërs gevangen, zeilden toen terug naar Genua en trokken onder het gejubel der bevolking zegevierend de stad binnen. De gevangenen werden geketend en in de kerkers geworpen. Een dezer gevangenen was Marco Polo!