Part 22
Tengevolge van de ligging is het land zeer vruchtbaar en het klimaat heerlijk. Het verschil in temperatuur tusschen zomer en winter is groot; in het Zuiden heerscht bijna tropische warmte, in het Noorden rondom Peking in den winter, snijdende koude. De grond is buitengewoon vruchtbaar; er wordt thee, rijst, gierst, mais, haver, gerst, boonen, erwten, groenten en nog veel meer verbouwd. In de zuidelijke provincies staan de akkers vol suikerriet en katoenstruiken en overal wordt het land door waterrijke rivieren doorstroomd, die tot bevloeiïng der akkers en voor het vervoer der waren dienen. Het grootste gedeelte van China is bergachtig. De hooge gebergten in het Westen zijn een voortzetting der Tibetaansche bergketen. Naar het Oosten worden zij steeds lager. Langs de kusten strekken de laaglanden zich uit. Zes van de achttien provincies liggen aan de kusten, die rijk zijn aan uitnemende havens.
Het Rijk van het Midden is daarom een gelukkig en in elk opzicht een door de natuur gezegend land. In de bergen sluimeren onuitputtelijke rijkdommen aan steenkolen en China bezit grootere steenkolenlagen dan eenig ander land onzer aarde. Daardoor is zijn toekomst ook verzekerd en China kan eenmaal Amerika in ontwikkeling inhalen.
Het is bekend, dat een land met sterk ingesneden kusten zich steeds over een vroege, hooge ontwikkeling verheugt. Zoo was Griekenland in de oudheid de geboorteplaats van wetenschap en kunst; en zoo beheerscht Europa nu het overig deel der aarde. Want een volk, binnen zulke kusten, komt vroeger en gemakkelijker dan andere in aanraking met z’n buren en kan door zijn handelsverkeer zich hunne voortbrengselen en uitvindingen ten nutte maken. Maar evenals in zoovele dingen, is China ook hierin een uitzondering. De Chineezen hebben hun kusten nooit op zulk een wijze benut, integendeel, zij hebben elk verkeer met vreemde volkeren zorgvuldig vermeden. Daardoor is hun ontwikkeling, binnen eigen grenzen, hoogst eigenaardig en eenvormig geworden; zij is ongelijk aan elk andere en toch buitengewoon voornaam en ontwikkeld.
Reeds twee duizend jaar voor de geboorte van Christus kenden de Chineezen het schrift. Later vonden zij het fijne penseel uit, hetwelk tegenwoordig nog door hen bij het schrijven wordt gebruikt en de vervaardiging van den Oost-Indischen inkt is hun geheim. De Oost-Indische inkt wordt fijn gewreven, het penseel ingedoopt en bij het schrijven loodrecht gehouden. Honderd jaar na Christus vervaardigde men in China papier. In een verouderde stad aan het Lopnor, waar nu wilde kameelen rondzwerven, vond ik een verzameling Chineesche brieven en geschriften op papier, die sedert het jaar 205 in de woestijn begraven lagen! Want al die brieven waren gedateerd. Reeds 600 jaar na de geboorte van Christus vonden de Chineezen de boekdrukkunst uit; in Europa vond Gutenburg ze pas 850 jaren later. 1000 jaren voor Christus kende China reeds den magneetnaald en vervaardigde men kompassen en het kruit kenden de Chineezen reeds lang voor de Europeanen. 3000 jaren geleden waren zij reeds meester in het gieten van brons; in het binnenland van China vindt men nog de schoonste voorwerpen van zwaar, donker brons, ronde schalen, op pooten rustend en versierd met leeuwen en draken, vazen, schotels, koppen en kannen, alles tot in de kleinste bijzonderheden op het fijnst en kunstigst bewerkt. De porceleinfabrikatie bereikte haar hoogtepunt onder de heerschappij van de keizers Khang-Li en Khien-Lung. Destijds vervaardigde men vazen, schalen en schotels van zulk een volkomenheid, van zulk een wonderlijke kleurensamenstelling en glazuur, dat tegenwoordig niet eens de Chineezen zelf zoo iets dergelijks kunnen vervaardigen. Porcelein uit dien tijd is nu zeer zeldzaam en wordt buitengewoon duur betaald. In Japan zag ik een kleine, groene, Chineesche schaal, die op drie voeten rustte en voorzien was van een deksel; zij kostte bijna veertien duizend gulden. Vergelijkt men het fraaiste porcelein, dat wij tegenwoordig kunnen vervaardigen, met vazen uit den tijd van Khang-Li, dan moet men toestemmen, dat het onze van minder waarde is.
Over Chineesche kunst, hetzij schilderwerk, bronsgietsel, weverij of wat anders, ligt altijd een waas van smaak en volmaaktheid. Sedert overoude tijden was naar de zijden stoffen uit China in Europa buitengewoon groote vraag. Alles, wat de Chineezen vervaardigen is degelijk, duurzaam en smaakvol. Hun bouwkunst is even voornaam en karakteristiek, als al het andere. Hoe treurig lomp en vervelend zijn onze huizen, als wij ze vergelijken met de villa’s der Chineezen en vooral met hun paleizen en tempels, welker gebogen daken met groote en kleine draken zijn getooid, die den muil open sperren en de klauwen uitsteken. China is het geboorteland van de Oost-Aziatische kunst, van daar ging ze naar Korea en Japan.
De Chineesche taal is even vreemd als al het andere in het groote rijk; zij behoort, even als de Tibetaansche taal, tot den Indo-Chineeschen taalstam. In het Chineesch zijn alle woorden één lettergrepig en onveranderlijk. Als wij „gaan, ging, gegaan, zal gaan of gaande” zeggen, zegt de Chinees altijd „gaan”. De werkelijke beteekenis blijkt òf uit de woordvoeging, òf uit bepaalde hulpwoorden; zoo zegt men bijvoorbeeld: „ik morgen gaan”, of „zij gisteren gaan”, waarbij de toekomende en de verleden tijd, door de woorden „morgen” en „gisteren” worden aangeduid. Een enkel woord bijv., „li” kan een menigte verschillende beteekenissen hebben al naar den toon en de uitspraak, naar zijn plaats in den zin, en de voorafgaande of volgende woorden. De taal wordt in verschillende dialekten verdeeld, het voornaamste is het dialekt der Mandarijnen of van de ontwikkelde klassen. Elk woord heeft zijn bijzonder letterteeken en de Chineesche taal bezit daarom 24000 verschillende letters; slechts één man op de twintig, en één vrouw op de honderd, kunnen lezen en schrijven.
De Chineesche litteratuur is buitengewoon rijk, ja bijna onuitputtelijk. Toen de Noorsche Vikingen hun rooftochten nog op zee hielden en hun runensteenen oprichtten, werd in China reeds een geografisch handboek uitgegeven, dat „de Beschrijving van alle provincies” heette, en vele kaarten bevatte. Door de kronieken der Chineezen kan men hun geschiedenis vierduizend jaar terug volgen en het merkwaardigste van deze jaarboeken is, dat zij zich door de grootste nauwkeurigheid en betrouwbaarheid onderscheiden, al het mogelijke wordt daarin verteld, zelfs de meest onbeteekenende voorvallen. De Chineesche boeken zijn zeer goedkoop en ieder, die lezen kan is in staat zich een tamelijk groote bibliotheek aan te schaffen. Van het aantal Chineesche boeken geeft de bibliotheek van Keizer Khien-lung een begrip; de katalogus er van omvat reeds 122 deelen!
55. HET NIEUWE CHINA.
In het Rijk van het Midden heerschen nog gebruiken en zonden, welke door den nieuwen tijd moeten worden uitgeroeid. Het ergste is het opium schuiven, hetgeen ongeveer 150 millioen van de bevolking vergiftigt. Sedert duizend jaren en nog meer heerscht de afschuwelijke gewoonte, aan de voeten der kleine meisjes door stevige banden de natuurlijke groei te benemen en ze in kleine stompjes te veranderen. De schoenen van Chineesche vrouwen zien er daardoor uit alsof ze voor poppen bestemd waren. Dit inpersen veroorzaakt gedurende den groei voortdurend pijn, maar desondanks wil geen meisje het insnoeren nalaten, want als het geen kleine voeten heeft krijgt het geen man!
Een barbaarsche gewoonte, die nu ook al verdwijnt is het te vondeling leggen van pas geboren kinderen door de armen, wie de middelen om ze op te voeden, ontbreken. Eens zag ik in de gracht buiten een stadsmuur het lijk van zulk een arm schepsel liggen. En toch behandelen de Chineezen hun kinderen met de grootste liefde. In Pautu, in Noord-China, woonde ik bij een Zweedschen zendeling, die eens een klein te vondeling gelegd kind had gered. Zijn vrouw verpleegde het met de grootste teederheid en het kind was, toen het een paar jaar bij hen had doorgebracht—een aardig, allerliefst schepseltje geworden. Toen kwamen de ouders met de smeekbede, het kind terug te mogen hebben, een verzoek, dat hun natuurlijk gaarne werd toegestaan.
De straffen, die misdadigers worden opgelegd, zijn naar onze begrippen onmenschelijk. In Oost-Turkestan laten de Chineesche beambten platte zilveren spijkers onder de nagels der aangeklaagden persen om hen tot bekentenis te dwingen! Een gewone straf is het groote vierkante halsblok, dat met een slot geopend en gesloten wordt. Het ronde gat omsluit den hals van den schuldige, en het zware hout torscht hij op de schouders. Men laat hem dan met dit blok, dat hem bij elke bezigheid hindert, rondloopen.
Het huwelijk is bij de Chineezen een trouw gehouden en eerbare instelling; de echtgenoote heeft bijna dezelfde rechten als haar man, en staat evenals hij, onder bescherming der wet. De Chinees bewijst den grootsten eerbied aan de overheid en toch wordt hij door de Mandarijnen gekweld en rondgejaagd, hetgeen in Europa de bloedigste revoluties te weeg zou brengen. Dat dit in China nog niet gebeurt, is het gevolg van de veel duizendjarige gewoonten. De Chineezen morren niet, zij zijn geduldig, vlijtig en tevreden met hetgeen tot het levensonderhoud voldoende is; zij verlangen niet meer. In 1897 hoorde ik in Noordelijk China vertellen van gehuwde mannen, die slechts twaalf gulden loon per jaar ontvingen! In elk geval leefden zij slechts van de rijst, die zij van den werkgever ontvingen; maar ook dan begrijpt men nog niet, hoe zij er zich door kunnen slaan. En toch klagen zulke arbeiders nooit. Zij zijn vroolijk, vriendelijk en beleefd, en toch werken zij misschien bij een theehandelaar, die verscheiden millioenen bezit. De arbeid op zich zelf en de menschelijke kracht worden dus zeer laag geschat. De waren verzendt men honderden mijlen ver op den rug van menschen. In het Noorden van China gebruikt men daartoe ook muilezels, kameelen en tweewielige karren, maar over het geheel zijn straten en wegen zoo smal en slecht, dat alleen voetgangers ze gebruiken kunnen. Bij de rivieren en aan de kusten gebruikt men daarvoor de waterwegen.
Alle vrienden van China verheugen zich over de lichtstraal, welke gedurende de laatste jaren over dit bewonderenswaardige land en zijn nijver, voortreffelijk volk is opgegaan. Zeker kon geweld alleen den tegenstand der Chineezen breken. Spoorwegen, telefoon, draadlooze telegraphie, maken geen bijzonderen indruk op een Chinees; de spoorweg vindt hij overbodig omdat men beenen om te gaan, en rivieren om te varen heeft, telefoon en telegraaf zijn even onnoodig, men kan immers ijlboden zenden! Dat dit onvergelijkelijk veel langer duurt, doet er in China niet toe. Hier heeft men nooit haast; als alles slechts rustig gaat, komen er geen stoornissen. In een streek, waar juist een nieuwe telegraaflijn in gebruik werd genomen verzekerden mijn Chineesche bedienden mij, dat het papier, waarop het telegram was geschreven, met wanhopige snelheid langs de telegraafdraden liep, naar de plaats van bestemming, en dat de isolatoren aan de palen kleine huisjes zijn, waar het telegram bij regen een onderdak vindt!
Ongeveer dertig jaren geleden legden de Engelschen, bij wijze van proef, een kleine spoorbaan van ongeveer 20 kilometer aan, die van Shanghai uitging. Toen ze gereed was, werd ze door de Chineesche regeering aangekocht, maar niet om in gebruik genomen te worden, doch om ze weer te kunnen vernietigen! Dwarsleggers en rails werden opgebroken en met de wagens en locomotieven in zee geworpen. Maar nu hebben de Chineezen zich moeten voegen in het lot, dat de Europeanen en Japanneezen hen hebben opgedrongen. Verschillende spoorlijnen doorsnijden het land en andere zijn reeds in aanbouw of ontworpen. De Chineezen bouwen nu zelfs eenige spoorlijnen. De lijn tusschen Peking en Kanton gaat over de twee groote rivieren en de spoorbrug, die over de Gele rivier ligt, is acht en een halve kilometer lang, dus de langste spoorbrug, die ergens ter wereld is gelegd!
Dit „ontwaken van China” wordt door vooruitstrevende mannen geleid, die Europeesche verbeteringen willen invoeren om het land van nut te zijn. Want de ervaring heeft hun geleerd, dat zij tegen Europa weerloos zijn, en zij weten, dat de groote mogendheden er reeds over beraadslagen, China onder elkaar te verdeelen. Zij weten, dat zij de blanken niet kunnen verhinderen, juist de havens te vermeesteren, welke zij willen bezitten. In het jaar 1894 kwam het tusschen China en Japan tot een oorlog en China werd geheel overwonnen, omdat de verdediging zoo slecht was georganiseerd. Toen namen de Japanners het eiland Formosa en Port-Arthur. Daarna breidde Rusland zich naar het verre Oosten uit, en legde in Mantschoerije spoorlijnen aan; in 1898 verpachte China aan Duitschland voor 99 jaren Kiautschau.
De Chineezen hebben nu geleerd, dat een land zonder leger, vloot en vestingen tot verwoesting en verbrokkeling is veroordeeld, en zijn nu eindelijk van hun oude dwalingen bekeerd. Tegenwoordig bezit China een steeds grooter wordende vloot en een leger van meer dan honderdduizend man, dat met de nieuwste geweren is gewapend, en door Japansche officieren wordt gedrild.
Nu reizen jonge Chineezen naar Europa en Amerika en studeeren bij tienduizenden aan de hoogescholen van Japan. China heeft zelf veel universiteiten gesticht naar Europeesch model, en het heeft dagbladen, waarin de vragen van den dag worden besproken. In het diepst hunner ziel denken de meeste Chineezen: „laat ons de krijgskunst der Europeanen grondig bestudeeren, want wij kunnen ons slechts tegen hen verdedigen met hun eigen wapenen!”
In het jaar 1916 zal het opiumverbod ook van kracht worden. De Chineezen, zulk een krachtig, taai, goed gebouwd menschenras, zullen dan nog meer in kracht en gezondheid toenemen.
Zij zullen hun land weten te verdedigen tegen vreemde indringers en veroveraars. De Europeanen zaaien nu dus de drakentanden in het Rijk van het Midden! Maar eens zal de draak zich verheffen, en zijn opvoeders de klauwen in de borst drukken!
Men spreekt nu reeds in Europa van het „gele gevaar”; men vreest een nieuwe volksverhuizing uit het Oosten; onafzienbare scharen Japanners en Chineezen, die Europa zullen overstroomen en aan de blanken de heerschappij over de aarde zullen ontrukken. Maar zoo erg zal het wel niet worden.
Laat ons slechts hopen, dat de Chineezen zullen weten te verdedigen, wat hun erfdeel en eigendom is. Een vierduizendjarig erfdeel!
56. DE BLAUWE RIVIER.
De Blauwe Rivier of Iang-tse-Kiang, de Meking en de Saluën ontspringen in het oostelijk deel van Tibet en doorstroomen daar parallel naast elkaar gelegen, diep ingesneden dalen, die zich in zuidelijke richting uitstrekken. Maar terwijl de Meking en de Saluën hun loop naar het zuiden tot aan de zee voortzetten, maakt de Blauwe Rivier in West-China, een scherpe richting naar het Oosten en verdeelt het Rijk van het Midden in twee deelen.
Alleen de Europeanen noemen de grootste rivier van China „de Blauwe Rivier.” De Chineezen zelf noemen haar de groote of de lange rivier, hoog in het westen, de Goudzandrivier. Slechts drie rivieren der aarde zijn langer dan zij: de Nijl, de Mississippi en de Amazone rivier. De Ob en de Jenisseï zijn even lang als de „Blauwe”, namelijk 5200 kilometer. En de Blauwe Rivier verplaatst gemiddeld 224 maal zooveel water als de Theems waaraan Londen ligt!
In één opzicht munt de Blauwe Rivier boven al de rivieren der aarde uit. Want in haar stroomgebied wonen niet minder dan 180 millioen menschen, ja, een achtste van de gezamenlijke bevolking der aarde woont in het gebied van deze rivier.
De onder-Koning over twee der rivier-provincies, Hupe en Hunan, heeft meer onderdanen dan eenig land in Europa, uitgezonderd Rusland, China’s westelijke provincie Sz-tsjwan, die eveneens door de Blauwe Rivier wordt doorsneden, heeft een oppervlakte en een bevolkingscijfer, zoo groot als Frankrijk. Bij zulke vergelijkingen schrompelt Europa geweldig ineen!
Aan de Blauwe Rivier ligt een reeks oude, beroemde steden. Tschungking is de hoofdstad van de provincie Sz-tsjwan, en tot hier komen Europeesche stoombooten.
Hankou is de grootste handelsstad van Binnen-China.
Nanking, in de nabijheid der monding was vroeger de hoofdstad van het Chineesche rijk. In het Zuidwesten der stad Hankou ligt aan den zuidelijken oever der Blauwe rivier een groot meer. Meer heet op zijn Chineesch „hu”, „king” beteekent Keizerstad, „pe” Noorden, „nan” Zuiden. Peking beteekent dus „de noordelijke Keizerstad” en Nanking „de Zuidelijke Keizerstad.” Hupe beteekent „ten noorden van het meer,” en Hunan, „ten zuiden van het meer.”
De ten zuiden van het meer liggende provincie Hunan is een der merkwaardigste van geheel China. Haar bewoners zijn krachtige, onafhankelijke menschen, en de beste soldaten; maar zij zijn veel heftiger vijanden der vreemdelingen dan andere Chineezen. De hoofdstad van Hunan Tschangscha was van oudsher een zetel van den haat tegen buitenlanders en der revolutionaire bewegingen tegen de vreemdelingen.
Tot aan Hankou gaan zelfs de grootste oceaanbooten, tot de hoofdstad van Sz-tsjwan kleine stoomschepen. Het zijn kwade concurrenten der jonken, welke bij tienduizenden het vervoer der waren en het verkeer van personen op de groote rivier, sedert onheugelijke tijden hebben onderhouden. Er zijn veel soorten van jonken; eenige zijn groot, andere klein, sommige zijn in hun bouw aangepast aan de kalme deelen van de rivier, andere weer aan de stroomversnellingen in Hupe en Sz-tsjwan. Maar aardig en doelmatig zijn zij steeds en zij vormen altijd een sieraad van het grootste, schoone, voortdurend veranderende landschap, waardoor de rivier zich een bedding heeft gegraven. Hier zou een schilder zijn geheele leven kunnen doorbrengen, zonder maar een dag gebrek aan onderwerpen te hebben.
In sommige streken neemt men voor den bouw der jonken het hout van cypressen, in andere dunne eiken planken. Dit gebeurt om de boot elastisch en buigzaam te maken en de kans dat in de stroomversnellingen lekken zouden kunnen ontstaan, te verminderen. Bij gevaarlijke plaatsen worden loodsen aan boord genomen. En toch heeft men uitgerekend, dat op elke tien jonken er één vast vaart en elke twintigste geheel ontredderd wordt. De reis van Hankou naar Tongking duurt 35 dagen, terug echter slechts 9 dagen, daar men dan met den stroom meedrijft. De stroom afwaarts gaan is het gevaarlijkst, daarbij vinden de meeste schipbreuken plaats.
Elke groote jonk heeft een kleine sloep, die steeds bij de hand is om waren en passagiers aan land te zetten. Een groote jonk is 12 meter lang; de achtersteven is hoog gebouwd en heeft een soort kajuit, die met gevlochten stroo en matten van dun gras is bedekt. Een jonk, die den stroom opgaat, neemt twee en een halve ton last mede, een afgaande zes. Het vaartuig wordt met riemen voortbewogen, van welke enkele zoo groot zijn, dat acht mannen ze moeten bedienen. Zij worden meestal gebruikt als men met den stroom meêdrijft, opdat de groote als stuurdienende roeiriem de boot kan regeeren. De jonk heeft ook een mast en een zeil, dat echter alleen wordt gebruikt, als men stroomopwaarts gaat en er een gunstige wind waait. Zoodra het stroom af gaat wordt het ingehaald. Verder is de boot verdeeld in vakken, dat wil zeggen—ze heeft een soort waterdicht schot, om niet dadelijk te zinken als ze lek wordt. Daardoor kan men de boot nog dikwijls op den oever laten loopen, voordat ze met water wordt gevuld en ondergaat.
Hoe is het toch mogelijk met zulk een groote, zwaar beladen boot tegen de sterke, zuigende strooming der rivier op te varen? Want het is duidelijk, dat het schip zelfs bij den gunstigsten wind, als een notendop in de stroomversnellingen naar beneden zou dansen. Om dit te verhinderen wordt een, van bamboevezelen gevlochten, 100 meter langen tros aan den voorsteven der jonk bevestigd en aan dezen tros wordt de boot door ongeveer zestig mannen, die op een rij langs den oever loopen, omhoog getrokken. De oever is echter gewoonlijk sterk hellend, de rotsen stijgen bijna loodrecht uit de rivier op. Met aapachtige vlugheid sluipen de mannen langs de smalle rotspaden de levensgevaarlijke uitsteeksels om. Ondertusschen zingen zij om den arbeid te verlichten. De opzichters volgen en drijven hen met kreten en slagen aan; maar zij slaan niet hard en steeds slechts met een bos bamboe, dat meer leven dan pijn veroorzaakt.
Op deze manier wordt de jonk langs den oever de rivier opgetrokken. Dikwijls ziet men van het rotspad noch de boot, noch de rivier. Door verschillende trommels aan boord stelt de bestuurder der boot zich met de trekkende mannen in verbinding. Bovendien staan nog zes mannen steeds gereed den tros los te maken, als ze aan een vooruitstekenden rotspunt is blijven hangen. Anderen, die geheel naakt zijn, verrichten denzelfden dienst in het water.
Aan de rotsen langs de rivier ziet men groeven en groefjes, die door deze trossen werden geschuurd. Maar dit soort van vervoer is hier sedert vele duizenden jaren in gebruik. Aan boord blijven altijd ongeveer twintig man om te sturen en de boot met lange staken van den oever te houden, of bij het optrekken van de boot tegen den stroom te helpen.
Deze menschen werken als galeislaven. Hun werk is levensgevaarlijk. Zij hebben de steile rotswanden en de draaikolken der rivier onder zich. De eene week na de andere hijgen zij, gebogen onder den tros, verder. Hun geheele lichaam is met opengescheurde plekken bedekt, die ternauwernood genezen zijn of zij worden weer opengescheurd. Vooral aan de schouders ziet men de sporen van het trekken. Zij hebben een zwaar leven, maar zijn toch vergenoegd. Zij worden als honden behandeld en zingen toch. En welk een loon ontvangen zij voor een vijf en dertig dagen durende reis, de rivier op? Bijna twee gulden, dagelijks drie maal rijst en driemaal gedurende den ganschen tijd spek! Voor de reis naar beneden, waarbij het werk veel lichter is en die slechts een vierde van den tijd duurt, krijgen zij zestig cent. Deze arbeiders krijgen dus voor een tienurigen arbeidsdag achttien cent loon! En toch maken zij grapjes en lachen.
In Februari is de waterstand der rivier het laagste, dan is het water helder. Steden en dorpen liggen 50 meter hoog boven den waterspiegel. Zij verheffen zich met hun muren, trappen, poorten en pagoden gewoonlijk in de vlakke driehoeken der dalmondingen. Elke duimbreed grond der heuvels en dalen is met bosch bedekt of dient als akker. In den loop van het voorjaar begint de rivier te zwellen en in den zomer is zij een chocoladebruine of grijsmorsige, hooggezwollen watermassa. Op eenige plaatsen, waar het dal nauwer wordt, kan het water soms meer dan 30 meter hooger staan dan in Februari. Dan is het gevaarlijk de rivier te bevaren, omdat het water alle banken, rotsblokken en klippen bedekt en draaikolken en kokende maalstroomen ontstaan. De in den stroom meegesleepte jonk suist met een snelheid van 10 kilometer in het uur stroomaf. Bij de dorpen en steden liggen aantallen van zulke jonken, die op werk wachten. Elke rots, elke bocht, heeft haar eigen naam: de „gele kat”, het „slapende zwijn”, de „dubbele draak” of zoo iets dergelijks. Het ontbreekt hier ook niet aan roovers. Hun roofnesten liggen in de bergen en van daar overvallen zij, op daarvoor geschikte plaatsen, de jonken. Daarom ziet men soms tegen vooruitstekende rotswanden groote letters; deze beteekenen: „De waterweg is niet veilig”, of „kleine jonken moeten bijtijds voor anker gaan liggen.” Op deze manier worden de eigenaars der booten gewaarschuwd.