Van pool tot pool

Part 21

Chapter 213,841 wordsPublic domain

Honderdvijftig K.M. westelijk van Hongkong ligt Kanton, de op een na grootste stad van China, kort bij de monding van twee rivieren, die open wegen naar het binnenland vormen. Vandaar is Kanton na Shanghai de voornaamste Chineesche handelsstad. Van Kanton worden de grootste hoeveelheden der beroemde Chineesche zijden stoffen uitgevoerd, en de zijdeweverij, de porcelein-industrie en de papierfabrikatie staan hier op aanzienlijke hoogte. Kanton is een der ongeveer veertig verdraghavens van China, dat wil zeggen der havens, die ook voor buitenlanders open staan. Het heeft 900.000 inwoners, is de hoofdstad van de zuidelijkste der 18 provinciën van China en de zetel van een onderkoning. Zijn straten zijn zoo nauw, dat er geen rijtuigen door kunnen rijden, en een groot deel der bevolking leeft in woonbooten, die vastliggen aan in de rivier geslagen palen. Een 2000 K.M. lange spoorweg verbindt Kanton met Peking, de hoofdstad van het Chineesche rijk.

Langs de kust van China voert ons de stoomboot nu, en den laatsten dag van October zijn wij in de baan van den moesson. De zee gaat hoog, maar daar wij de golfrichting juist tegen hebben, stampt het schip slechts weinig. De wind is echter zoo sterk, dat men niet op het dek kan blijven en deze regelmatige wind waait nu hier een half jaar! Hij loeit en blaast om het schip heen, alle tentdaken worden weggenomen, opdat zij niet aan flarden worden geslagen en hoe verder het Noordwaarts gaat, des te holler wordt het; wil men een poosje in den fijnen motregen staan, om de groene witschuimende golven te bekijken, dan moet men een overjas aantrekken. En toch wagen zich bij deze hooge zee Chineesche visschersbooten tot hier toe en haar bemanning manoeuvreert met deze kleine schuiten en met haar netten ongeloofelijk handig en zeker.

In ’t Oosten hebben wij nu het groote eiland Formosa, dat voor zestien jaar door Japan veroverd werd. Het ligt op de grens tusschen de Zuid-Chineesche en de Oost-Chineesche zee, die verder noordelijk in de Gele zee overgaat. En nu beschouwen wij op de kaart de eilandengroepen, die in den vorm van een boog voor het vaste land liggen. Ze hangen daar als in den zomer de bladguirlanden voor de deur van een boerenhofstede! De Soendaeilanden, de Philippijnen, de Lioe-kioe-eilanden, de Japansche eilanden, de Koerilen en de Aluten. Elk zulk een boogvormige eilandengroep is een golfbreker tegen den Grooten Oceaan en elke groep omringt een binnenzee. De beide zuidelijkste binnenzeeën hebben wij reeds leeren kennen, de Noordelijke zijn de Japansche zee, de zee van Ochotsch en de Beringzee.

De Noord-Oostmoesson waait nu zoo sterk, dat het een halve storm is. Hij trekt en zuigt het water met zich mee en drijft het dag en nacht in dezelfde richting naar het Zuid-Westen voor zich uit. Daardoor ontstaat een sterke strooming aan de oppervlakte en door de kracht daarvan verliest ons schip drie tot vier knoopen van zijn snelheid; komt dan nog de eb er bij en gaat deze met de zeestrooming in één richting, dan is de beweging van het water aan de oppervlakte naar het Zuid-Westen zoo snel als die van een beek op het vasteland. De kust met haar gebergten en eilanden schijnt nu eens dicht bij, dan weer ver af; dikwijls kan men met den verrekijker slechts de vuurtorens herkennen, die op kleine eilandjes voor de kust geplaatst zijn. Want de Chineesche kust is een zeer gevaarlijk vaarwater vol rotseilanden, blinde klippen en ondiepten.

Van midden Juli tot midden September wordt Hongkong benevens omgeving door verwoestende wervelwinden bezocht, die taifoens heeten. Zulk een wervelwind draait met duizelingwekkende snelheid en zuigt alles, wat hij ontmoet, binnen zijn kring; hij ontstaat gewoonlijk buiten op den grooten Oceaan, komt echter maar langzaam, met 13 K.M. snelheid per uur naar het vasteland. De stormwaarschuwingssignalen op de Philippijnen en andere eilanden, die in de banen van de taifoens liggen, kunnen dus de Chineesche kust tijdig van hun nadering door telegrammen kennis geven. Dan hijscht men b.v. in de havens van Hongkong zwarte, driehoekige vlaggen aan hooge masten, die van verre zichtbaar zijn, en ieder weet, wat dit beteekent. De Chineesche jonken sturen dadelijk naar land, om onder de hooge kusten bescherming te zoeken en de andere schepen, versterken vertuiging. Men kan echter den taifoen ook tamelijk gemakkelijk uit den weg gaan, want hij heeft een vastbegrensden omvang en wanneer het snel genoeg vaart, kan een schip hem ontkomen; maar dan heeft het open water noodig, opdat het niet in de tochten der Chineesche kust verdwaald raakt. Ook kondigen de spiraalvormige bewegingen der wolken en het sterke op en neer gaan van den barometer het naderen van de wervelstormen aan. In September 1906, vertelde mij de kapitein, was zijn schip van een zoo plotseling opkomenden taifoen overvallen, dat men niet eens de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen had kunnen nemen. Het schip was toen met een deklading hout bevracht en de zware balken woeien als spanen en papier over boord. De aan het bovendek hangende reddingsbooten draaiden in een kring rond en vernielden van boven af het geheele zonnedek. De ligstoelen der passagiers vlogen als veeren de zee in. Een groot gevaar zijn ook de golven; de wind wisselt snel, de golven worden van verschillende kanten opgezweept en vormen reusachtige, hooge golfbergen, die over de schepen heen kunnen strijken. Twee maanden voor mijn aankomst in Hongkong was het eiland door een verwoestenden taifoen bezocht, die dikke boomen in den tuin van den gouverneur afknapte en zelfs een van steen gebouwde kazerne omverwierp. Wanneer echter, zooals nu in October, de Noordoostmoesson geregeld waait, houden de taifoens op.

De tijd valt aan boord dikwijls lang en men vermaakt zich zoo goed als ’t gaat met lezen, praten, op- en neerloopen of door „kettingspel”; twee partijen vormen zich, elk van twee heeren, en gaan 12 M. van elkaar afstaan. Voor iedere partij is met krijt een grooten kring op de planken van het dek getrokken, en de kunst is nu, een ringvormig hard stuk touw zoo te werpen, dat het binnen den kring blijft liggen. De moeilijkheid bestaat er in, het verder rollen van den ring over het dek te verhinderen; het voornaamste van het spel is echter dat men daardoor aan boord gelegenheid heeft zich te bewegen.

Wij hebben nu den 2den November. Des nachts regent het met stroomen, en de nieuwe dag is somber, winderig en vochtig. Land zien wij niet, maar wij varen door geelbruin, zoet water. De Blauwe rivier [2] mondt hier uit en zijn zoet water drijft boven het zwaardere, zoute water van de zee. Een loods komt aan boord, om ons in het gevaarlijke water stroomopwaarts te brengen; vele van deze loodsen zijn Zweden en Noren, die gewoon weg een ministersjaarwedde hebben. Een uur later hebben wij aan beide zijden vlak land: de slibeilanden in de monding van de Blauwe rivier.

52. SHANGHAI.

Groote Oceaanstoomers kunnen niet tot Shanghai opvaren, want deze stad ligt aan een kleine zijrivier van de Blauwe rivier. Wij zeggen daarom de stoomboot, die hier voor ’t laatst de ankers uitwerpt, vaarwel en varen met kleinere lichters stroomopwaarts. Spoedig wordt het langs de vlakke oevers levendiger, de huizen liggen steeds dichter bij elkaar, fabrieken staan er tusschen en rechts en links liggen Chineesche schepen, waaronder twee zonderlinge oorlogsschepen van hout, overblijfsels van een lang verdwenen tijd; zij zijn voor en achter hoog gebouwd en van de masten wappert de blauwe draak op geel veld.

Nu verschijnt voor onze oogen de groote havenkade van Shanghai met zijn prachtige, hooge huizen. Maar dat is geen China, het is een stuk Europa, de stad der Blanken in het land der Gelen, het rijke machtige Shanghai met zijn 12000 Europeanen naast de Chineesche stad, die 650000 telt.

Toen ik in ’t begin van November 1908 in Shanghai aan land ging, bracht mij een automobiel naar de woning van den consul-generaal, waar ’s avonds uitsluitend Zweden aan een gastmaal vereenigd waren. Op den volgenden dag, den 3den November vielen twee gewichtige verjaardagen, die van de keizerin-weduwe van China en van den keizer van Japan, van twee heerschers, die zich door kracht en beleid, onderscheiden hebben en hun namen in het verre Oosten onsterfelijk hebben gemaakt.

De Japansche consul-generaal hield grooten ontvangdag, en de gouverneur van Shanghai gaf een schitterend diner. Allerlei indrukken volgden elkaar snel op en vulden de uren van den korten tijd die ik in China’s grootste haven- en handelsstad doorbracht. Uit Europeesche straten met electrisch licht en trams, kerken, handelshuizen, sociëteiten en publieke gebouwen, moderne werven en dokken komt men in weinige minuten in de Chineezenstad, in het onvervalscht Azië. Hier krioelt het van gele mannen in blauwe rokken en zwarte vesten met kleine koperen knoopen, met witte kousen en zwarte schoenen met onbuigbare dikke zolen, een kleine zwarte muts met rooden knoop op het hoofd en een langen staart in den nek.

Kooplieden rooken in hun open winkels lange, dunne pijpen, terwijl zij op hun klanten wachten, en in de theehuizen is een gedrang en een leven zonder voorbeeld. Een voortdurend haasten, een eeuwig komen en gaan, een onafgebroken omzet van geld en koopwaren.

Gedurende mijn aanwezigheid in Shanghai werd mij verzocht, een bezoek in een Chineesche hoogeschool te brengen en zag ik mij plotseling in een groote zaal tegenover twee honderd Chineesche studenten.

„Wat moet dat?” vroeg ik heel bescheiden den Amerikaanschen dokter, die er mij heen gebracht had. „Toe, vertel de jonge lui eens iets van uw reizen!” En eer ik het zelf wist, stond ik al op een katheder en vertelde aan de gele toehoorders, die in diepste stilte luisterden, in de Engelsche taal van mijn ongelukkige reis door de woestijn Takla-makan. Toen ik uitgesproken had, omringden de studenten mij van alle kanten, en ik moest allen de hand schudden. Een zonderlinge samenloop was het echter, dat er in deze zaal iemand was, die mijn bediende Kasim kende, denzelfden, dien ik in die woestijn in mijn laarzen water bracht. De Boeddhistische priester Hori was uit Japan naar Shanghai gekomen met de opdracht mij naar de beroemde eilanden in het Oosten te geleiden. Hij was twee jaar te voren in Oost-Turkestan geweest en had een reis door de bedding van de Chotan-Darja gemaakt. En op deze reis was mijn oude Kasim zijn begeleider geweest en hij had Hori de plaats gewezen, waar ik het zegenrijke water gevonden had. Zoo bereikten mij zijn groeten juist op ’t oogenblik, dat ik de Chineesche studenten van onze gemeenschappelijke avonturen vertelde.

53. GODSDIENSTEN EN ZENDING IN CHINA.

Tien kilometer westelijk van Shanghai liggen de groote, groene gebouwen van het in de 17de eeuw gestichte Jezuïtenklooster Sikavai. Een van mijn reisgenooten van de „Dehli”, pater Robert, een katholiek priester, tot wiens ambtsgebied Hongkong en Shanghai behoorden, een zeer beschaafd man en groot kenner van oud Chineesch porcelein, haalde mij over dit zendingsstation te bezoeken. Kathedralen, kapellen, jongens- en meisjesscholen, het groote Meteorologische observatorium, waarin iederen dag weerkaarten bewerkt worden, en het Zoölogisch Museum, dit alles te bezichtigen, eischte verscheiden uren. Aan het hoofd van elke afdeeling staat een Eerwaarde Pater; maar de meisjesklassen worden door nonnen en leekezusters geleid. De kinderen leeren Fransch en bezoeken de Mis. Er zijn Chineezen, die reeds sedert vele geslachten Katholiek zijn en hun Ave Maria en Onze Vader met innige vroomheid bidden. 1.115.000 Chineezen zijn Katholieken, 150.000 zijn Protestanten. De zendelingen volgen den drang van hun hart en het gebod van den Heiland: „Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren”. Zij werken met geduld en plichtsbesef aan hun taak en stellen zich aan de grootste gevaren bloot. Jammer dat hun rijk verdeeld is. Katholieken en Protestanten helpen elkaar niet. Voor den Chinees is „Tien”, de Hemel, het hoogste wezen; aan hem is „de Tempel des Hemels” in Peking gewijd. In ’t Chineesch noemen de Jezuïten God den „Heer des Hemels”, de Engelsche zendelingen noemen hem den „Hoogsten Bestuurder” en de Amerikaansche Baptisten den „Waren Geest”. De oneenigheden tusschen de Christelijke godsdiensten brengen de Chineezen in de war en zij weten niet goed, wat zij moeten gelooven.

De eigen godsdienst van de Chineezen is een mengsel van verschillende lessen of liever wijsheidsregels. China heeft meer wijzen gehad dan eenig ander land. De voornaamste is Confucius, een tijdgenoot van Sokrates en Boeddha; hij schreef een uit driehonderd oden bestaand boek en noemde het „gedachtenreinheid”. Om hem verzamelden zich twaalf jongeren en een grootere kring van 3000 leerlingen. „Handel jegens iedereen zoo als gij wilt, dat hij jegens u handelt,” was een van zijn geboden en zijn wetten hebben de Chineezen tot het beleefdste volk der wereld gemaakt. Zij zijn taktvol en vriendelijk onder elkaar en evenzoo in ’t verkeer met vreemden.

Toen men Confucius eens vroeg, hoe hij in zoo vele dingen zulk een groote kennis had kunnen verwerven, antwoordde hij: „Omdat ik arm geboren ben en leeren moest.” Hij zag in rijkdom een ongeluk en in weten een macht. Zijn aandenken staat bij de Chineezen in het hoogste aanzien, maar zij beschouwen hem niet als een God, doch slechts als den grootsten wijze van alle tijden.

Naast het Confucianisme bestaat in China het Taoisme, welke verheven leer echter veelal tot goochelarij en bijgeloof is afgedaald. In ’t begin van onze tijdrekening drong het Boeddhisme in China door en beheerscht nu bijna het geheele land. Toch is in de godsdienstige voorstellingen der Chineezen geen bepaalde klaarheid. Een Taoist kan zijn morgengebed in een Boeddha-tempel verrichten en ’s avonds zich in de geschriften van Confucius verdiepen. Velen hebben alzoo even groote achting voor al de drie leeren.

Het godsdienstig bewustzijn van alle Chineezen dezer drie godsdiensten heeft echter een gemeenschappelijken grondtoon: dat is de eerbied voor de geesten der voorouders, de vereering ervan. Ook het eenvoudigste huis bevat een altaar der overledenen, voor wien men nooit anders dan den grootsten eerbied koestert, en de vrede der graven mag onder geen omstandigheden gestoord worden. In de 17de eeuw regeerde in China Khang-hi, een van de grootste heerschers der wereld, een en zestig jaar lang. Zijn kleinzoon Khien-Lung erfde al zijn groote eigenschappen, en toen ook hij een en zestig jaar over China geheerscht had, deed hij afstand, enkel en alleen uit achting voor den geest van zijn grootvader, dien hij niet in het getal van zijn regeeringsjaren wilde overtreffen!

Een gevolg van de vooroudersvereering is, dat reusachtige streken van China door graven worden ingenomen. De Mongolenkeizer Kublai Ghan, die tegen het einde der 13e eeuw regeerde, wekte groot misnoegen, toen hij beval de oude kerkhoven om te ploegen en in akkers te veranderen, en deze heiligheid der kerkhoven is ook nog heden de grootste hindernis bij het aanleggen van spoorwegen. De lijn moet om het geheiligde kerkhof heen of op een brug er over heen gelegd worden. De keizer van China reist alleen daarom naar Moekden om aan de graven van zijn voorouders te offeren; want hier in Moekden liggen Khang-Hi en Khien-Lung begraven en hun dynastie, die der 136 Mandschoe-keizers, regeert nog in China.

De Katholieke missionarissen bestrijden, verstandig genoeg, de vooroudersvereering der Chineezen niet; de Protestantsche echter vinden dit met het Christendom onvereenigbaar, Maar deze piëteit is den Chinees aangeboren en gaat van geslacht op geslacht over. Zooals de bijen van een zwerm aan elkaar hangen, zoo zijn de Chineezen een met hun voorouders; ja, zij gevoelen zich met het verleden in nauwer samenhang dan met het tegenwoordige. De vooroudersvereering neemt bij hen de plaats in van vaderlandsliefde. Wel heeft de Chinees zijn vaderland in engeren zin lief, maar wat in andere deelen van zijn eigen land gebeurt, laat hem koud. De bewoner van Kanton maakt er zich niet druk over, wanneer de Russen Mandschoerije en de Japanners Korea wegnemen, wanneer zij Kanton maar met rust laten. Tegenover beleiders van een anderen godsdienst is de Chinees zeer verdraagzaam, en hij neemt het volstrekt niet kwalijk, wanneer men tegenover hem zijn bezwaren tegen zijn geloof uitspreekt.

De eeredienst der voorouders is dus de eigenlijke godsdienst der Chineezen. Daarbij hebben zij een bijgeloovige vrees voor geesten, en zoeken toevlucht bij de goden van wie zij hulp hopen. Eens bezocht ik in Noord-China een tempel waarin een gansche zaal met vrijstaande beschilderde leemen beelden was gevuld, welke voorstelden welke smarten de zondaars in het doodenrijk wachten. Hier werd de echtbreekster doormidden gezaagd, de dief beide handen afgehouwen, de lasteraar de tong uit den mond gerukt en een andere zondaar gloeiend ijzer in de oogen geboord, terwijl zijn buurman met verwrongen trekken zijn eigen ingewanden bekeek, welke de handlangers van het doodenrijk hem uit de opengesneden buikholte hadden gerukt. De beelden waren in natuurlijke grootte en meer dan afschuwelijk. In een hoek der zaal stonden verscheiden groote lijkkisten; de deksel van een was er niet stevig opgelegd en men zag hoe de doode de tanden knarste. Op mijn vraag waarom de lijkkisten hier stonden antwoordde men mij: de tijd van de smart in het vagevuur wordt voor den gestorvene des te korter naarmate hij langer in deze tempelzaal van het doodenrijk mag blijven staan!

Ja, het bijgeloof der Chineezen is groot. Als iemand koorts heeft en ijlt, dan gelooven zijn bloedverwanten dat zijn ziel verdwaald is, en op de plaats waar hij het bewustzijn verloor, draagt men zijn lichaam rond—om de verdwaalde ziel weer op het juiste spoor te brengen! En ’s nachts klimt men op het dak en zwaait met een brandende lantaarn opdat de arme ziel de weg naar huis weer terug vindt!

54. HET RIJK VAN HET MIDDEN.

Het eerste, wat een Chineesche schooljongen leert, is, dat de hemel rond en de aarde vierkant is en dat China in het midden der aarde ligt, en daarom het „Rijk van het Midden” wordt genoemd. Alle andere landen liggen rondom China en zijn vazalstaten!

De keizer heet de „Zoon des Hemels,” en vereenigt in zich de hoogste geestelijke en wereldrijke macht. Bij den aanvang zijner regeering geeft hij aan zijn regeeringsperiode een bepaalden naam; die dan tevens zijn eigen naam wordt. Zijn opvolger zoekt hij zelf onder zijn zonen uit. Als hij kinderloos is, dan kiest hij een zijner naaste bloedverwanten, maar neemt dan zijn opvolger als kind aan, opdat deze later zijn geest en den geest zijner voorouders de noodige offeranden brengen zal. Gele kleeding en de vijfteenige draak zijn de zinnebeelden van het keizerlijke huis. De keizer staat hemelhoog boven het volk en de stervelingen, die met hem mogen spreken, zijn gemakkelijk te tellen. Eenige jaren geleden eischten de Europeesche gezanten in Peking het recht den keizer met elken nieuwjaardag te bezoeken; het werd hun toegestaan, maar de keizer had niets tegen hen te zeggen. Daarentegen had de groote Kang-Hi (1662–1721) verscheiden Jezuïten aan zijn hof, die op zijn bevel een uitnemende kaart van het Rijk van het Midden maakten.

China is het oudste, volkrijkste en minst veranderde rijk der aarde. Toen Ninevé en Babylon bloeiden, 2700 jaren geleden, bezat China reeds een hooge beschaving, en gedurende vierduizend jaren is die hetzelfde gebleven. Van Ninevé en Babylon zijn nog slechts puinhoopen over, maar China toont nog geen levensmatheid. Werkelijk, Azië gelijkt op een groot veld met graven, en ontelbare grafsteenen, uit lang vervlogen tijden; verwoesting aanbrengende volksverhuizingen zijn er over heengegaan, rassen en rijken hebben elkaar hier bestreden en afgelost. Maar China is door de afgesloten ligging van land en de afschuw van het volk voor elke aanraking met vreemdelingen, nog altijd hetzelfde als vroeger en de afgodische vereering der voorouders en van alles wat lang in gebruik is doet de nieuwe geslachten gelijken op de voorbijgegane.

Gedurende de twee en twintig eeuwen, die in de geschiedenis van China aan de geboorte van Christus voorafgingen, heerschten na elkaar drie Keizergeslachten. Twee en een halve eeuw voor onze tijdrekening bouwde een machtig, vooruitziend Keizer den grooten muur, het geweldigste bouwwerk, dat menschenhanden ooit hebben gewrocht. Hij is 2450 kilometer lang, 16 meter hoog en aan den basis 8 meter, van boven echter maar 5 meter dik. Op bepaalde afstanden draagt hij torens en hier en daar is een poort. Hij is van steenen, tegels en vlechtwerk vervaardigd. Vooral in het Westen van het rijk is hij nu gedeeltelijk zeer vervallen. Ja, op enkele plaatsen zijn er nog slechts puinhoopen van over. Maar overigens staat hij nog en ik ben groote einden er langs en dikwijls door zijn fraaie poorten gegaan.

Waarom werd nu deze ontzaglijke muur gebouwd? De Chineezen zijn een vredelievend volk. Om met vrede te worden gelaten, en verschoond te blijven van alle indringers, omheinden zij zich met muren. De 1553 steden van China hebben geweldige steenen muren. En de groote Keizer in de derde eeuw vóór Christus meende, dat het ’t eenvoudigste was, liever dadelijk rondom het geheele rijk zulk een muur te bouwen. Vooral dreigde het rijk van het Noorden gevaar. Daar woonden Oost-Turksche, Tartaarsche en Mongoolsche nomaden; wilde, dappere en oorlogzuchtige ruitervolken. Voor hen was de Chineesche muur een onoverkomelijke hinderpaal, en hij is daarom ook voor Europa noodlottig geworden. Toen die ruiterbenden, de Hunnen, den zuidelijken weg naar China versperd zagen, wendden zij zich westwaarts, en overstroomden in de vierde eeuw, in vereeniging met de Alemanen, een ontzaglijk gebied van Europa.

Voor alle toekomende tijden kon de groote muur China toch niet beschermen. In het jaar 1280 veroverde de vriend en weldoener van Marco Polo, Kublai Chan, de kleinzoon van Dschingis Chan, het land. Hij was eveneens een groot bouwkundige. Hij legde het Keizerkanaal aan, tusschen Peking en Hangtschoe, ten Zuid-Westen van Shanghai, opdat de rijstoogsten van zuidelijke provincies ook de noordelijke deelen des rijks ten goede zouden komen. Vroeger had men de rijst langs de kusten in jonken vervoerd, en men had toen zeer veel van de Japansche zeeroovers te lijden gehad; nu konden de jonken langs het nieuwe kanaal zonder gevaar door het binnenland gaan. Het Keizerkanaal is 1350 kilometer lang, snijdt de Gele en de Blauwe rivier, en wordt tegenwoordig nog gebruikt; het is een gedenkteeken van de honderdjarige heerschappij der Mongolen.

In het jaar 1644 werd China door de nu nog regeerende Mandschoedynastie, een geheel anderen volksstam, veroverd. Zij voerden als haardracht den vlecht in. Precies honderd jaar te voren hadden de Portugeezen Macao, in de nabijheid van Hongkong, veroverd. Sedert dien tijd en vooral gedurende de laatste tientallen jaren zijn de Europeanen steeds meer het Chineesche gebied binnengedrongen. De Fransche bezittingen op het Achter-Indische schiereiland stonden vroeger ook onder Chineesche bescherming. De groote mogendheden hebben zich meester gemaakt van de beste havens van China. Tweemaal, den laatsten keer bij gelegenheid van den bokseropstand, in het jaar 1900, werd Peking veroverd en zijn keizerlijk slot door de vereenigde Europeesche troepen verwoest. Men kan dus begrijpen, dat de Chineezen de Europeërs uit het diepst van hun hart haten en den tijd slechts afwachten, waarop het uur der wrake zal slaan.

Het „Rijk van het Midden” is het eigenlijke China, maar de „Zoon des Hemels” heerscht nog over de vier vazalstaten, Oost-Turkestan, Mongolië, Mantschoerije en Tibet. In oppervlakte is het gezamenlijk Chineesche rijk twintigmaal, in bevolking vijf en een half maal zoo groot als Duitschland. Want in China wonen 330 millioen menschen, elke vijfde mensch op aarde is dus een Chinees!