Part 20
Toen Gray, de bediende, van hun weggekwijnden voorraad melk stal, kreeg hij slaag. Een kameel moest geslacht worden, om vleesch te geven. Een rampzalig paard ging denzelfden weg. Water was er in overvloed. Gray werd ziek en stierf.
Den 21sten April waren de drie mannen op gezichtsafstand van het vaste kamp, waar hun kameraden, zooals bevolen was, hun terugkomst zouden afwachten. Burke meende het reeds uit de verte te zien. Hoe verlangden zij er naar! Daar was alles, wat zij ontbeerden, en daar waren zij van den hongersnood gered, waaraan een der vier reeds ten offer was gevallen.
Maar de plaats was verlaten! Geen mensch was te zien. In den stam van een boom stonden slechts de woorden ingesneden: Graaft, 21 April. Zij groeven onder den boom en vonden een brief, die hun meldde, dat hun kameraden dienzelfden dag, slechts enkele uren geleden, de plaats hadden verlaten! Gelukkig vonden zij een voorraad meel, rijst, suiker en gedroogd vleesch, voldoende voor de reis naar het Engelsche station. Maar waar waren de kleeren om de slechte lompen, die ternauwernood nog op het lijf bleven hangen, te vervangen? Na een onafgebroken marsch van vier maanden en voortdurende ontbering waren allen zoo uitgeput, dat elke schrede hen inspanning kostte, en zoo kwamen zij in het eerste kampement, om daar te ervaren, dat hun kameraden nog dienzelfden dag vertrokken en ontrouw aan hun plicht waren geworden! Wreeder kon het noodlot hen niet behandelen.
Burke vroeg aan Wills en King, of zij zich in staat achtten, hun kameraden nog in te halen, maar beiden ontkenden. Hun twee laatste kameelen waren reeds lang krachteloos, terwijl die der anderen, zooals in den brief stond, nog krachtig waren. Een verstandig mensch zou in elk geval beproefd hebben, hen in te halen, of was tenminste hun spoor gevolgd! Dat wilden Wills en King ook doen. Maar Burke sloeg een westelijken weg voor, die hem zekerder en beter toescheen, en die hen naar de stad Adelaïde in Zuid-Australië zou brengen. Deze weg voert langs de „hopelooze bergen”: een onheilspellende naam.
Eerst ging alles goed, zij hadden nog meel en rijst en kregen van de inboorlingen, visch en „nardo”, een soort gemalen klaverzaad, zelfs ratten, die met huid en haar op gloeiende kolen werden gebraden en tamelijk goed smaakten. Een kameel viel neer, de ander weigerde spoedig verder te gaan. Een voorraad van het vleesch werd meegenomen. Maar de levensmiddelen liepen ten eind en wat nog erger was, op den weg naar de „hopelooze bergen” hield het water geheel op.
Nu besloten zij terug te keeren naar het verlaten vaste kamp! Op den weg hielden zij zich in het leven met de visch, die zij nu en dan van de inboorlingen kregen. Verder hadden zij niets dan nardozaad hetwelk zij op de klavervelden verzamelden. Half dood van honger en uitputting bereikten zij het kamp.
Het midden van den winter, einde Juni, was genaderd, en de nachten waren koud. Er werd besloten, dat Burke en King op zoek zouden gaan naar inboorlingen. Wills was niet meer in staat hen te vergezellen, maar hield een kleinen voorraad water en zaad.
Nadat zij twee dagen met sleepende schreden rondgetrokken waren, kon Burke niet verder, King schoot een kraai, die zij opaten. Maar de krachten van Burke waren geheel uitgeput. Op zekeren avond zeide hij tot zijn bediende: „Ik hoop, dat gij bij mij zult blijven, totdat ik werkelijk dood ben......... Laat mij dan maar liggen, zonder mij te begraven.” Den volgenden morgen was hij dood.
Nu snelde King naar Wills terug en vond ook hem dood. De laatste woorden, welke hij vier dagen te voren in zijn dagboek had geschreven luidden: „Ik kan hoogstens nog vier tot vijf dagen leven, als het warm wordt. Pols 48 slagen, zeer zwak.”
Toen de reizigers niets van zich lieten hooren, vreesde men het ergste; uit Melbourne, Adelaïde en Brisbane werden hulpexpedities gezonden; ook in Sidney en andere steden verontrustte men zich zeer om het lot van Burke. Eindelijk trof men King aan, die het vertrouwen der inboorlingen had gewonnen, sedert twee maanden onder hen woonde, en hun levenswijze had aangenomen. Hij was niet meer te herkennen en half krankzinnig. Doch hij herstelde spoedig door de zorgvuldige verpleging die hij kreeg. De beide dooden werden begraven; Burke gehuld in de Engelsche vlag. Later werd hun asch naar Melbourne gebracht, waar op hun graf een statig gedenkteeken werd opgericht. Dit gedenkteeken is zoo goed als alles wat van een expeditie is overgebleven, welke met zulke groote verwachtingen begon, en schipbreuk leed aan den voet van de „hopelooze bergen.”
48. DE SOENDA-EILANDEN.
Den morgen van den 21sten October richtten zich alle verrekijkers naar het Oosten. Twee kleine, steile eilanden duiken in een witten krans der branding uit zee op en daar achter worden nog andere eilanden zichtbaar, welker bosschen in den eeuwigen zomer van de heete zône groenen. Weldra stoomen wij tusschen echte scheren.
Azië is het grootste vaste land der aarde. Met zijn leden Europa, Afrika en Australië hangt het samen en vormt de vaste landmassa, die tot het Oostelijk half rond behoort. Europa is met Azië zoo nauw verbonden, dat men het een schiereiland van Azië zou kunnen noemen.
Afrika hangt met Azië samen door de 110 kilometer breede landengte, die sedert 1869 door het Suezkanaal wordt doorsneden. Australië ligt daarentegen, als geweldig eiland in het Zuid-Oosten op zichzelf, de eenige band, die het met Azië verbindt, zijn de beide reeksen groote en ontelbaar veel kleine eilanden, die zich tusschen de beide werelddeelen uit zee verheffen. De westelijke eilandenketen zijn de Soenda-eilanden, de oostelijke de Philippijnen en Nieuw-Guinea. Sumatra is in zekeren zin de eerste ponton van de geweldige brug die zich van den Zuidelijken punt van achter-Indië, het schiereiland Malakka naar het Zuid-Oosten uitstrekt.
De volgende ponton is Java en daarop volgt naar het Oosten een reeks middelmatig groote eilanden. Noordelijk van deze brug liggen nog de twee andere groote Soenda-eilanden, Borneo en Celebes.
Het dieren- en plantenrijk dezer eilanden is ontzaglijk rijk. In de bosschen leven olifanten, neushorens en tapirs; in het struikgewas loeren tijgers en panters, en in de diepte der oerwouden huizen apen van de meest verscheiden soorten. De grootste daaronder is de oerang oetang; hij wordt tot anderhalven meter groot, is zeer sterk, wild en gevaarlijk en leeft bijna altijd op boomen. Op de Soenda-eilanden wordt suikerriet, koffie, thee, rijst en tabak verbouwd; hier groeien specerijen en kokospalmen, en de boom, welks bast de koortsstillende chinine geeft. En dit middel heeft men op de Soenda-eilanden het meest noodig, want in de laaggelegen kuststreken heerscht overal koorts.
Maar als men naar het hoogland gaat, 12–1500 meter boven de zee, tusschen de bergen, die het binnenland der eilanden bedekken, dan vindt men een goed gezond klimaat.
Midden door Sumatra en Borneo loopt de aequator, en daarom heerscht op deze eilanden voortdurend zomer met groote, vochtige warmte. De eenige jaargetijden, waarvan men hier kan spreken, zijn de tijden van regen en droogte, en de Soenda-eilanden behooren tot de regenrijkste streken der aarde. De bevolking bestaat uit Maleiers. Het zijn heidenen, maar langs de kusten heeft het Mohammedanisme grooten invloed gekregen. De wilde stammen in het binnenland gelooven blindelings aan geesten; alle levenlooze voorwerpen zijn naar hun meening door geesten bewoond, en de zielen der afgestorvenen nemen aan de vreugden en het lijden der levenden deel. Er zijn hier nog stammen, die met menschenoffers de geesten verzoenen.
Sumatra, welks kusten nu aan de rechterzijde achter ons blijven, is zoo groot als Zweden, maar een derde minder bevolkt. Borneo, na Nieuw-Guinea het grootste eiland der aarde, komt in grootte overeen met het geheele Scandinavische schiereiland. Java, een der schoonste en rijkste landen, is maar een vierde zoo groot als Zweden, doch de bevolking van het eiland is bijna vijfmaal zoo groot. De Soenda-eilanden staan onder de heerschappij van Nederland, het noordwestelijk deel van Borneo behoort alleen aan Engeland.
In de zeeëngte tusschen Sumatra en Java ligt een klein vulkanisch eiland, Krakatau, dat in den zomer van 1883 het schouwspel was van een der vreeselijkste natuurverschijnselen, die in den lateren tijd hebben plaats gehad. Het eiland was onbewoond en werd alleen dikwijls door visschers uit Sumatra bezocht. Maar al was het bewoond geweest, dan zou geen zijner bewoners hebben kunnen vertellen, wat zich heeft toegedragen. Want zelfs op twee andere, eenige mijlen verwijderde, eilanden werd de geheele bevolking tot den laatsten man vernietigd. Den 26sten Augustus begon de uitbarsting der vulkaan en ze deed zulk een aschregen neerdalen, dat op het dek van eenige schepen, die op tamelijk grooten afstand, het eiland voorbij voeren, meter hooge lagen gevormd werden! Het bliksemde en donderde, de zee was in beroering en vele schepen en booten vergingen of werden op het land geworpen. Den tweeden dag stortte het eiland in, en werd door de zee verslonden; er zijn nog slechts enkele deelen van te zien. En deze ineenstorting woelde een stortvloed op, die, 30 meter hoog, zich op de naburige kusten van Sumatra en Java stortte en steden en dorpen wegspoelde, wouden en spoorbanen vernietigde en voortwentelde tot de kusten van Afrika en Amerika. Men kon precies berekenen, met welk een snelheid hij zich over de zee had gewenteld. Het geraas van de uitbarsting der vulkaan was op Ceylon en in Australië, ja nog op een afstand van 3400 kilometer te hooren; men zou het dus door geheel Europa en nog een eind verder gehoord hebben, als het in Weenen had plaats gehad. De asch welke de vulkaan opwierp, bedekte een gebied, dat zoo groot was als het geheele Scandinavische schiereiland, en 40,000 menschen zijn er bij omgekomen.
49. OVER SINGAPORE NAAR DE ZUID-CHINEESCHE ZEE.
De „Dehli” stevende regelrecht op Penang aan, een stad aan de kust van het schiereiland Malakka. Een paar haaien volgen ons een poos aan bakboordzijde, en men huivert bij de gedachte aan het lot van hem, die op dit oogenblik juist het ongeluk zou hebben over boord te vallen. De haai zou op den rug gaan liggen, en pijlsnel naar boven schieten, tot vlak onder de oppervlakte, zijn buit van onderen pakken en even met zijn scherpe tanden midden door bijten. Des te onschadelijker zijn de vliegende visschen, die overal in groote zwermen spelen, zij springen uit het water en vliegen, door middel van hun op vleugels gelijkende vinnen een eind ver.
Nu vertoont zich land, en allen, die brieven te schrijven hebben, haasten zich hun postzendingen gereed te maken. Wij glijden een prachtigen Sont binnen, de ankers rammelen voor Penang op den bodem, en een zwerm booten omgeeft ons om de passagiers over te brengen. De kapitein bestelt een automobiel en met hem en nog een anderen reiziger bezoek ik den botanischen tuin. De hoofdstraat met haar groote huizen, hotels, banken, sociëteiten en magazijnen biedt hetzelfde schouwspel als alle havensteden aan de Zuid-Oost kust van Azië. De kleine rikscha voor één persoon wordt hier getrokken door een Chinees in lossen, blauwen kiel, met bloote voeten, en een puntigen stroohoed op het hoofd. In razende vaart gaat het over de voortreffelijke wegen, tusschen de palmen voort naar den botanischen tuin, die werkelijk prachtig is. Hij bevat boomen en planten uit Indië, van de Soenda-eilanden en uit Australië, en alles is met Engelsche en Latijnsche opschriften voorzien. In de boomen klauteren vlug en handig apen rond of zitten en schommelen op de takken en groote watervallen storten schuimend de steile berghellingen af, die in het rond de dichte, weelderige vegetatie omgeven.
Met het invallen der duisternis worden wij door een hevigen stortregen overvallen en in enkele oogenblikken staan alle wegen onder water. De regen valt in stroomen zoo dicht als het gras op een weide en tot op het hemd toe nat komen wij weer bij het schip aan. Met aan het lichaam plakkende kleeren klim ik vlug de touwladder op om in de kajuit een heerlijk bad te nemen en van het hoofd tot de voeten droge kleeren aan te trekken. Dan komen wij bij het middageten weer bij elkaar en begint een vroolijk gesprek.
Ondertusschen gaat de stoomboot weer den nacht in en de regen klettert op het dek en tegen de wanden. Tot Singapore is het nog dertig uren en de reis gaat kort langs de kust van het vaste land. Heel onverwacht verschijnt eenige mijlen van het land een vuurtoren in de duisternis. Hier woont een enkele wachter, die om de andere maand met verlof gaat om zijn eenzaam, droefgeestig leven te kunnen uithouden. Den heelen nacht door regent het en overdag is de hitte volstrekt niet groot, ofschoon wij zoo kort bij den evenaar drijven.
Den volgenden nacht lieten wij de stad Malakka achter ons; een rij kustlichten schijnt in de duisternis en de lantaarns van andere stoomschepen fonkelen als roode en groene oogen.
Den 24sten October legt de stoomboot in Singapore aan. Het is de hoofdstad van dit deel van het schiereiland Malakka, dat onder Engelsche heerschappij staat en 200.000 inwoners heeft, van wie de meesten Chineezen, de overige Maleiers, Indiërs en Europeanen zijn. Alle schepen naar en uit het verre Oosten doen Singapore aan, en hier is ook de hoofdstapelplaats van den handel der Soenda-eilanden.
De rijkste tinmijnen der aarde zijn op het schiereiland Malakka. Singapore ligt slechts een graad ten Noorden van den evenaar, en tusschen winter en zomer bedraagt het verschil in warmte slechts twee graden; maar het regent hier bijna dagelijks.
Als de boot haar reis des namiddags voortzet, wordt zij door een zwerm kleine, lichte sloepen omringd, waarvan de roeiers naakte, koperbruine Maleische jongens zijn; de knapen zwemmen als visschen, duiken als otters, zijn ongeloofelijk lenig en roeien hun sloepen met evenveel gratie als handigheid. Zij strekken de handen naar ons op—wij verstaan dit teeken en werpen een zilverstukje in het heldergroene water. Plons, springen de jongens het hals over kop na en duiken tot op den bodem en als zij weer aan de oppervlakte komen, laat de gelukkige vinder het buitgemaakte geldstuk zien.
De bootjes blijven in dien tijd aan hun lot overgelaten en zijn door de sterke strooming in de zeeëngte tusschen Singapore en de eilanden afgedreven. Doch in een oogenblik zwemmen de jongens ze na en klimmen er zeer handig weer in, zonder dat de boot omslaat. Opnieuw worden geldstukken over boord geworpen en onvermoeid wedijveren de kleine jongens, om ze op te vangen, liefst voor ze den bodem bereiken.
Als wij sneller gaan varen, houden zij zich aan de zijden van de stoomboot vast; wanneer het dan echter te snel gaat, laat de een na den ander los en keert met het door duiken verdiende geld weer in de haven terug.
De zon gaat juist achter de huizengroepen, torens en schoorsteenen van Singapore onder. Het blinkende licht van een vuurtoren strijdt met het verdwijnende daglicht en blijft overwinnaar.
Een menigte jonken met bruine zeilen beweegt zich langzaam over het blanke, spiegelgladde water. Donker en scherp teekent zich het schaduwbeeld van Singapore tegen het verdwijnende licht van den westelijken hemel af; de straat wordt weer breeder, maar zoolang de schemering duurt, zijn land en eilanden nog zichtbaar. Dan buigen wij ons naar het Noordoosten af; wij verwijderen ons van den evenaar en sturen de Chineesche Zee in. Wij zijn nu om de Zuidelijkste punt van het vasteland van Azië heen gevaren.
Na twee dagen hebben wij Cochinchina, Saigoen en de Mekongdelta achter ons, en zoodra wij den 27sten October met den van het Noordoosten komenden zeestroom, die langs de kusten van Annam loopt, in aanraking komen, daalt de temperatuur eenige graden; het weer wordt frisscher en aangenamer. Het jaargetijde van den Noordoostelijken moesson is juist begonnen, en hoe verder wij Noordelijk komen, hoe heviger hij ons tegenwaait. Nu hebben wij de keus tusschen twee wegen: of op de open zee te blijven, waar wij wind en zeestrooming tegen hebben, of langs de kust varen, waar die zeestroom ons even sterk hindert. Hoe men ook beslist, het schip verliest altijd een paar knoopen in snelheid. Onze kapitein heeft tot de vaart langs de kust besloten.
Het oostelijk deel van het schiereiland Achter-Indië bestaat uit de Fransche bezittingen Kambodsja, Cochinchina, Annam en Tongking. In Hanoi, de hoofdstad van Tongking, is de zetel van den gouverneur-generaal over geheel Indochina. De belangrijkste stad in het Zuiden is Saigoen in de Mekongdelta, die elk jaar door de geweldige massa’s slib, die de groote rivier aanspoelt, grooter wordt.
Het koninkrijk Siam beslaat bijna een derde deel van Achter-Indië; het ligt tusschen den benedenloop der beide rivieren Mekong en Saloeën, die beide in Oostelijk Tibet ontspringen. Het heeft slechts zeven millioen inwoners van verschillende volksstammen: Siameezen, Chineezen, Maleiers en Laosvolken. De koning van Siam is autocraat; hij bezit allen grond en beslist over leven en dood zijner onderdanen. Zijn hoofdstad Bangkok telt een half millioen inwoners en wordt door talrijke grachten doorsneden; op deze leeft een groot deel der bevolking in drijvende huizen. Bangkok bevat veel beroemde en prachtige pagoden of tempels met standbeelden van Boeddha, waarvan enkele van zuiver goud zijn. In Siam is het Boeddhisme het zuiverst bewaard gebleven, de witte olifant geldt voor heilig en de vlag van Siam vertoont zulk een witten olifant op een rood veld. De Siameezen zijn van Mongoolschen oorsprong, van gemiddelde grootte, krachtig gebouwd, geelbruin van kleur en zeer begaafd, maar traag. Van zang, muziek en spel houden zij veel en een van hun zonderlinge gebruiken is dat zij hun tanden zwart verven.
50. HONGKONG.
In den voormiddag van 29 October stoomen wij de eerste eilanden en rotsklippen voorbij, door een buitengewoon mooien, betooverenden haveningang, die aan de scheeren van Zweden herinnert. De Noordoostmoesson waait sterk; het zilte schuim spat tegen den boeg der „Dehli” op en valt als fijne glanzende motregen op het dek neer. Van den golfslag is echter weinig te bespeuren, want de vele eilanden breken de kracht der golven. Tegen den middag zijn wij in de ruime voortreffelijke haven van het eiland Hongkong, waarvan het water zoo ondiep is, dat de schroef het grijsbruine bodemslib opwoelt. Een heele vloot van kleine stoombarkassen komt ons tegemoet, terwijl wij in langzame vaart tusschen ontelbare schepen door naar de reede en de boeien heen stoomen. Hier wapperen de vlaggen van alle handelsrijken in den wind; de Engelsche, Chineesche, Japansche, Amerikaansche en Duitsche vlaggen, steken scherp tegen elkaar af.
Ieder hotel zendt zijn eigen stoombarkas om nieuwe gasten te halen. Nadat onze boot geankerd is, wordt echter voor alles de Europeesche post, een groot aantal verzegelde zakken, in de barkassen van het postkantoor geladen. Bloedverwanten en vrienden van eenige passagiers halen dezen af.
Ik word door een Engelsen kapitein afgehaald, dien de gouverneur Sir Frederick Lugard gezonden heeft om mij te begroeten en uit te noodigen de gast van den gouverneur te zijn. Een prachtige witte sloep, van welker achtersteven de Britsche vlag met een tip in het water hing, bracht ons in enkele minuten naar de kade van de stad Victoria. Victoria is de hoofdstad van Hongkong en hier leeft bijna de helft van de 440.000 eilandbewoners, van wie de meesten Chineezen zijn. Sedert 1842 is Hongkong een Britsche Kroonkolonie, en het scheepsverkeer in zijn haven doet voor dat van geen enkele haven der wereld onder, overtreft zelfs dat van Londen, Hamburg en New-York! Geregelde stoombootlijnen verbinden Hongkong met talrijke havensteden der wereld, en in vijf-en-veertig dagen kan men van hieruit met de voortreffelijkste Duitsche stoombooten naar Hamburg varen. Het handelsverkeer van Hongkong is reusachtig en de Engelschen hebben hier ook een station van hun Oost-Aziatisch eskader met uitstekende dokken en kaden, kolendepots en kazernes. Vele mogendheden hebben konsuls in Hongkong om over de belangen van hun landen te waken. Men behoeft slechts een paar uur hier te zijn, om de beteekenis van dit eiland te erkennen en Engelands macht en energie te bewonderen. Gibraltar, Singapore en Hongkong, alle belangrijkste punten op den zeeweg naar het verre Oosten, zijn in de handen der Engelschen en in oorlogstijd kunnen zij met hun sterke vloot aan de schepen der andere mogendheden den toegang beletten.
Aan de kade wachtte mij een draagstoel met een zonnedak en twee lange dwarsstangen. Hij was zeer deftig ingericht, rood en wit geverfd en vertoonde aan de zijkanten de keizerskroon van Groot-Brittanje. De dragers waren vier Chineezen in roode pakken, met een gouden kroon op de borst. Met gelijkmatige passen droegen zij mij door de kronkelende, steile, maar nette straten der stad Victoria en ik schommelde in mijn stoel als op den rug van een kameel. Weldra opende zich een hek naar een weelderigen tuin en op de trap van het regeeringsgebouw verwelkomde mij de gouverneur. Des avonds gaf hij een diner en na afloop werden alle gasten, dames en heeren, weer in draagstoelen door Chineezen met lantaarns aan lange stokken, naar een open plein gebracht, waar een Engelsch regiment een vroolijk afscheidsfeest vierde. Het had zijn tweejarigen diensttijd achter zich en zou nu naar Singapore gaan om ook daar twee jaar te dienen. Van een hoogte af hadden wij een vrij gezicht over de weide, waarop de soldaten, elk met een lampion in de hand, kronkelende vuurslangen en alle mogelijke andere figuren vormden.
Den volgenden dag droegen mij mijn krachtige Chineezen naar het „berghuisje,” het zomerverblijf van den gouverneur, dat 500 M. boven de zee ligt en waar het dus veel koeler was dan beneden in de stad. Het uitzicht van daar boven is eenig mooi. Naar het Zuiden weidt de blik ongehinderd over eilanden en klippen en over de groote open zee met de Chineesche booten, wier bruine zeilen, waarin de krachtige wind blaast, aan de vleugels van een reuzenvleermuis doen denken.
In de buurt stond een nette, kleine, Engelsche kerk, en hier ontmoette ik plotseling den kapitein der „Dehli” en verscheidene mijner medereizigers, die er allen zeer ernstig en plechtig uitzagen. Het altaar der kerk was met palmen versierd, en tropische bloemen verspreidden een bedwelmenden geur. „Komt ze nog niet gauw?” zoo werd gevraagd; alles keek den weg af en spoedig vertoonde zich aan een bocht in den weg een groep draagstoelen. In wit zijden kleed, den sluier in het haar en een bouquet witte lelies in de hand, kwam de verwachte daar aan, de jonge dame, die van Colombo af met ons meegereisd was. Allen die met haar op het schip geweest waren, hielden van haar; haar lachen klonk zoo helder en kinderlijk over de Indische golven heen, en wij plachten haar de „koningin van het verre Oosten” te noemen. Nu vierde zij bruiloft met een ons onbekenden heer en het scheen ons toe alsof het, nu dat zij er niet meer was, leeg en treurig op de „Dehli” zou worden.
Wat al geheimen zou het dek van zoo menig schip kunnen vertellen, dat blanke mannen en vrouwen langs de gele en koperbruine kusten van Azië heen en weer brengt! Bijna op iedere reis speelt zich aan boord een kleine roman af. Eens, zoo vertelde mij de kapitein, was hij van Engeland naar Colombo gevaren, en onder de passagiers was een jonge dame geweest, die in Colombo haar verloofde zou aantreffen. Maar onderweg was zij op een ander verliefd geworden en bij de aankomst had de kapitein den treurigen plicht, den afgedankten verloofde mede te deelen, dat zijn liefste aan boord een ander gevonden had! Maar onze kleine „koningin van het verre Oosten” was op de geheele reis den haren trouw gebleven.
51. TEGEN DEN NOORD-OOSTMOESSON IN.