Van pool tot pool

Part 19

Chapter 193,886 wordsPublic domain

Er zijn echter ook onverschrokken slangenbezweerders, die door muziek en handbewegingen een zekere heerschappij over de cobra schijnen uit te oefenen, alsof zij ze in soort hypnotischen slaap dwingen. De bezweerder neemt plaats op een erf, waar de kijklustigen hem op gepasten afstand omringen. Hij zet de ronde, platte korf met de brilslang op den grond en neemt den deksel er af. Dan prikkelt hij de slang, totdat zij het bovenlijf opricht en haar brilscherm spant; zonder ophouden bespeelt de eene hand de fluit, met de andere maakt hij slaapwekkende bewegingen, totdat de slang gaandeweg rustig wordt. Dan kan hij met haar kop langs zijn gezicht strijken en zijn lippen op den schedel der slang drukken. Eensklaps wijkt hij dan bliksemsnel terzijde, want zij ontwaakt weer uit haar verdooving. De geringste spanning der spieren, reeds de uitdrukking der oogen van de cobra is voldoende om den bezweerder te doen zien, wanneer het gevaarlijke oogenblik daar is. Geen oogenblik mag de bezweerder zijn oogen van haar afwenden en de slang kijkt hem eveneens zonder ophouden aan; het is een tweestrijd, waar elke uitval van den tegenstander als deze niet op het juiste oogenblik wordt gepareerd, den dood kan brengen. Een handige slangenbezweerder moet met een pas gevangen slang even gemakkelijk kunnen omgaan, als met een reeds getemde. Natuurlijk eischt dit spel grooten moed en voortdurende tegenwoordigheid van geest.

De handigheid van den slangenbezweerder bij het vangen der cobra wordt ook veel bewonderd. Toch is dit een goochelkunst, waarbij alles op vingervaardigheid en vlugheid aankomt. De slangendrager grijpt het dier met de bloote linkerhand bij de staart; de rechter laat hij bliksemsnel langs het lijf van de slang omhoog glijden en deze houdt nu de slang tusschen duim en wijsvinger als in een schroef vast. Vermoedelijk is de eigenlijke kneep daarbij, dat hij de slang met de linkerhand het stevig houvast ontneemt, en golfbewegingen uitvoert, welke die der slang opheffen. De slangenbezweerders gaan steeds met hun tweeën of meer op vangst uit. Een draagt de geneesmiddelen tegen den beet der slang. Het gebeten lid wordt boven de wond afgebonden, en het gif uitgezogen. Dan wordt een kleine, zwarte steen ter groote van een amandel op de wond gelegd; die zuigt ook bloed op en tenminste ook iets van het gif. Hij kleeft tegen de wond en valt pas af, als hij zijn werk heeft gedaan.

Een eigenaardig schouwspel is de strijd tusschen een slang en een mungo of rikki-tikki. De mungo is een klein roofdier van de familie der katten en de doodsvijand van de cobra. Hij is nauwelijks zoo groot als een kat en heeft een lang gerekt lichaam. Zulk een strijd zag ik eens in een Indische stad. De man, die de dieren bij zich had, verzekerde zich eerst van eenige ontvangsten, daar bij den strijd een der twee moest bezwijken. Nauwelijks was de slang uit haar korf gekomen of de mungo overviel haar, en in den strijd, die nu begon volgden de wendingen en sprongen der beide tegenstanders met zulk een snelheid, dat het ternauwernood met de oogen was te volgen. De cobra, die heel goed wist, dat het om het leven ging, verloor haar tegenstander geen oogenblik uit het oog en de mungo ontweek haar aanval steeds met de grootste handigheid. Eindelijk had de slang, zoo ver ze kon, zich naar den eenen kant gekeerd, en wilde nu den kop naar den anderen wenden; maar de mungo nam het oogenblik waar, en pakte haar van achteren in den hals. De slang wrong en draaide zich, maar de mungo liet niet los en eindelijk hing de kop nog maar aan twee dunne spieren.

Behalve de cobra leeft de reuzen- of pythonslang in de bosschen van Oost-Azië. Zij is lichtbruin of roodbruin, bij de buik wit, en heeft op den rug donkere vlekken. De grootste soort wordt tot 8 meter lang. De allergrootste kunnen het jong van een hert opeens verslinden; gewoonlijk stellen zij zich tevreden met kleinere zoogdieren of vogels. Het moet zijn voorgekomen, dat zulk een reptiel een kind heeft verslonden. Maar in het algemeen gaat de pythonslang niet op menschen af, als zij haar huid niet behoeft te verdedigen. Zelfs een volwassen man is beslist tegenover haar verloren; ze bezit ontzaglijke spierkracht, kan haar spieren zoo lang gespannen houden als zij wil, en laat haar slachtoffer niet eerder los, dan nadat het niet meer ademt.

Urenlang ligt zij opgerold op de takken van een mangoboom, de neerdalende vogels gade slaande of op den grond te loeren op buit. Heeft zij op eenigen afstand een konijntje ontdekt, dan verliest ze het niet meer uit het oog, rolt zich langzaam en met zachte bewegingen uit, en kruipt voorwaarts, de ribben op den grond steunend. De tong komt licht en beweeglijk uit haar bek. Het slachtoffer zit als betooverd, en kijkt de slang maar strak aan. Zoodra zij dicht genoeg genaderd is om te kunnen grijpen, steekt ze den kop bliksemsnel naar voren, opent den muil, kronkelt zich rondom den buit en heeft het ’t volgend oogenblik in twee kronkelingen van haar lijf doodgedrukt. Zoodra het buitgemaakte dier dood is, kronkelt de slang zich weer uit en strijkt er met de tong over heen, alsof ze wilde beproeven, waar zij het best met het verorberen kan beginnen. Dan spert ze haar kaken zoo ver mogelijk open en begint met den kop van het slachtoffer. Gaandeweg schuift ze de kaken vooruit en dringt met haar naar binnen gerichte tanden den buit haar lichaam in. De onderkaak wordt zoo ver uitgezet dat ze er als een buidel uitziet. De speekselklieren ontwikkelen de grootste werkzaamheid om het vel of de veeren glad te krijgen. Het moeilijkst is het inslikken der schouderbladeren van de zoogdieren en de vleugels der vogels. Maar eindelijk glijdt de geheele portie toch naar binnen en men kan het aan het lijf der slang zien hoe ze langzaam in de maag komt.

De pythonslang is in de meeste Europeesche dierenverzamelingen te vinden. In gevangenschap ligt zij stil en heeft voor het verteren van haar voedsel in den zomer acht dagen en in den winter een maand of nog langer noodig. Maar zij kan ook na een rijkelijk maal volle drie maanden zonder eten zijn.

46. EEN STOOMBOOT TOCHT OP DEN INDISCHEN OCEAAN.

Bombay is een parel onder de steden der aarde en de sleutel tot Indië. Hier landt men, als men met de stoomboot van Europa door het Suez-kanaal naar Indië reist, en van hier gaat men met den spoortrein verder. In de haven liggen ontelbare schepen, die daar lossen en lading innemen, want Bombay is een rijke handelsstad met 300.000 inwoners.

Hier ontmoeten wij voor het laatst vertegenwoordigers der verschillende volkeren en godsdiensten, die wij op onze reis hierheen in het binnenland hebben leeren kennen, en nog verscheidene andere. Zelfs de brilslang en de pythonslang kunnen wij hier terugzien,—maar onder glas.

In Bombay leeft de rest van een vroeger groot en machtig volk. Zes- à zevenhonderd jaren voor de geboorte van Christus leefde er een wijs man, Zoroaster, en grondvestte den godsdienst, die door geheel Perzië en de daaraan grenzende landen geldt en in wiens naam Xerxes zijn onoverzienbare legerscharen tegen Griekenland aanvoerde. Toen in het jaar 650 de oorlogzuchtige zendelingen van den Islam, Perzië overstroomden, vluchtten vele duizenden der aanhangers van Zoroaster naar Indië. En die rest van het volk leeft nog in Bombay en draagt den naam van Parsi. Zij zijn de eigenlijke bezitters van Bombay en beheerschen als verstandige, nijvere en rijke kooplieden den handel der stad.

Tot de geloofsleer der Parsi behoort onbegrensde vereering van het vuur, het water en de aarde. Om de aarde door graven niet te verontreinigen, of het vuur door lijkverbranding niet te ontheiligen, hebben de Parsi een bijzondere manier van begraven.

Op een hoogen heuvel, op een in zee uitspringend schiereiland, verheffen zich lage, ronde torens, die „de torens van het zwijgen” heeten. In een dezer torens wordt het lijk, naakt, zonder lijkkist, neergelegd en binnen enkele minuten is er van den doode nog slechts het geraamte over; want in de nabijzijnde boomen nestelen groote gieren en doen hun werk grondig. Maar onder de cypressen en heerlijke loofboomen van het park, hetwelk de torens van het zwijgen omgeeft, kunnen de verwanten der dooden zich ongestoord aan hun smart overgeven. En prachtiger kan een begraafplaats wel niet gelegen zijn: in het Westen en Zuiden strekt zich de oneindige zee uit, met haar stormachtige, door den moesson gezweepte golven, maar in het Noorden en Oosten ligt Bombay, de Koningin van den Indischen Oceaan.

Wij schrijven nu 14 October 1908; het is elf uur in den ochtend en binnen twee uur vaart de stoomboot „Dehli” van Bombay naar het uiterste Oosten af. Zij is 151 meter lang, meet 8000 ton en brengt reizigers en vrachtgoederen naar Shanghai. Zij behoort aan een groote, rijke maatschappij, de „Peninsular and Oriental”, die van het Engelsche postbestuur een jaarlijksche subsidie krijgt van drie millioen gulden; daarvoor neemt zij de post naar de kusten van Azië en Australië mee. Van Engeland naar Suez leveren de passagiers de voornaamste inkomsten, maar van daar verder Oostwaarts, de vrachtgoederen.—Elk schip betaalt voor de doorvaart door het Suezkanaal 24000 gulden, maar dat is nog altijd veel goedkooper, dan wanneer de schepen, zooals vroeger, geheel Afrika moeten omvaren.

Voordat men aan boord gaat, moet men zich door een arts laten onderzoeken, want Bombay is een broeinest der pest. Daarna worden de sterke kabeltouwen losgemaakt en de schroeven beginnen te draaien; een uur duurt het, voordat het gevaarte langzaam de haven uit is, maar dan glijdt de stoomboot door de zeebocht tusschen ontelbare schepen van de meest verschillende nationaliteiten en achter ons ligt Bombay met zijn huizen, kerken en schoorsteenen en zijn dicht bosch van masten.

Op het bovenste dek van de „Dehli” hebben de officieren van het schip slechts toegang; hier is de kajuit met het stuurrad en het kompas en daar achter ligt de kajuit van den kapitein. Het middelste dek met zijn beschermend zonnedak staat ter beschikking der reizigers. Voor een tien kilometer lange ochtendwandeling moet men zeventigmaal dit dek rondgaan. Op de ruime oppervlakte spelen de Engelschen cricket en opdat de ballen niet over boord vliegen, zijn er netten gespannen. Een prachtige salon bevat schrijftafels en sofa’s, ja zelfs een piano en op het achterdek ligt de rookkajuit, waar men na het eten koffie drinkt. Op het onderste dek liggen de slaaphutten, waar het zoo warm is, dat men zich niet kan toedekken.

Als ik des morgens wakker word, druk ik op een electrischen knop. De Engelsche bediende komt, roept mijn zwarten barbier, en maakt intusschen in een groote porceleinen kuip een bad van zeewater voor mij gereed; daarna neemt men een douche van zoet water en krijgt dan zijn eerste ontbijt: thee, klein gebak en bananen. Het tweede ontbijt wordt gemeenschappelijk in de groote eetzaal gebruikt, die nog een trap lager ligt. Hier vereenigen zich om half acht de passagiers ook voor het diner, dat door Portugeezen, een gemengd ras uit de Portugeesche bezitting Goa, aan de Westkust van Indië, wordt toebereid en gediend.

Wij hebben ons langzaam van de Indische kust verwijderd. De zon daalt snel in zee, de schemering is kort en spoedig glinsteren slechts de witte golven van de stoomboot in den electrischen lichtglans, die van het schip uitstroomt. Hier en daar flikkeren buiten in de duisternis kleine lichtpunten; het zijn stoombooten, die eveneens uit Bombay komen of er heen gaan. Den volgenden dag laten wij Goa achter ons en zien rechts de eilandengroep der Lakadiven. De kust is nog steeds te zien en voor ons strekt zich een zand- en grintgordel uit, waarover de branding der zee in geweldige golven heenrolt. De hemel is helder blauw, lichte wolkjes zweven boven de kust, en de zeilen van een vrachtschip glinsteren als de vleugels van een reusachtigen zwaan. Te negen uur ’s avonds vertoont zich een prachtig kleurenspel: in verblindend blauwachtig wit licht, als de weerkaatsing van den bliksem in de wolken, glinsteren de golven van de stoomboot, alsof wij door louter kwikzilver voeren, en wanneer het schijnsel flauwer is geworden, en eindelijk geheel is verdwenen, spant de maan haar schitterende zilveren brug over de zee. De nacht is stil, men hoort niets dan het eentonig stampen der machines en om één uur wandel ik nog op het dek op en neer, om de koele nachtlucht te genieten. Welk een hoog gevoel van vrijheid, als men zoo lang in de uitgestrekte woestijnen van Azië heeft rondgezworven!

Den 17den October glijden wij Kaap Komorin voorbij, de zuidelijke punt van Indië. Indien wij van daaruit zuidelijk stoomden, zouden wij na anderhalven dag bij den aequator zijn en voor ons zouden zich de geweldige waterwoestijnen van het zuidelijk halfrond uitstrekken. Stoomden wij dan steeds verder in deze richting, dan zouden wij ten slotte twee kleine, eenzame rotseilanden ontmoeten, welker naakte kusten door de stormen van den Indischen Oceaan worden gezweept, Nieuw-Amsterdam en St. Paul. Maar daarna zou het deel van het vasteland van de zuidelijke poolstreek, dat Wilhelm II heet, grenzen aan onze vaart stellen.

In plaats daarvan buigen wij nu naar het Zuid-Oosten en zien ’s middags aan den horizon het eiland Ceylon langzaam uit zee opdoemen. Reeds van verre glinstert de witte band van de schuimende branding, die in den zomer zeer grootsch is, want dan waait daar maanden lang onafgebroken de heftige wind, dien men Zuid-West-moesson heet. Hij is een zegen voor heel Indië, want hij doet koren en rijst uit den grond opschieten, waarvan driehonderd millioen menschen leven.

Achter een woud van stoompijpen, zeilen en masten, wordt een geweldige reeks Aziatische en Europeesche huizen zichtbaar. Het is Colombo, de hoofdstad van Ceylon en een voorname haven van allerhande schepen, die tusschen Europa en het verre Oosten varen. Roeibooten uit de haven bevestigen de kabels van ons schip aan geweldige, drijvende boeien: Singhalezen en Hindoes glippen de trappen van de „Dehli” op en werpen zich op de bagage der reizigers; zij hebben slechts een roze of witte lap om de lendenen gewikkeld en een doek of een kam op het hoofd. Een sloep brengt ons aan land. Op de straten wemelt het van koperkleurige bruine menschen, droschken, trams, rijtuigen en kleine tweewielige „rikscha’s” die door half naakte mannen worden getrokken. Tusschen wouden van slanke kokosboomen wisselen de hutten der inboorlingen met de huizen der Europeesche beambten en kooplieden.

Den volgenden dag legt de stoomboot „Moldavia” naast de „Dehli” aan; zij brengt reizigers en goederen uit Engeland, die naar Oost-Azië moeten en nu door ons worden opgenomen, terwijl de „Moldavia” haar veertiendaagsche reis naar Australië onderneemt. De nieuwe passagiers zijn voor het meerendeel beambten en officieren, die met hun familie met verlof in het geboorteland zijn geweest, en nu weer naar hun woonsteden terugkeeren, maar ook kooplieden en personen, die voor hun genoegen op reis zijn. Er is een Zweedsch ingenieur onder, die in Siam een telefoonnet moet aanleggen, en ook een aardig jong meisje, dat naar Hongkong reist, waar haar verloofde woont en hun huwelijk zal plaats vinden.

Nadat alles gereed is, speelt de muziekkapel der „Moldavia” een marsch en onder het hoerageroep der bemanning vaart de „Dehli” de open zee weer in, terwijl van de zeventig nieuwe passagiers verscheiden dames spoedig in haar kajuiten verdwijnen, ofschoon het schip maar zeer weinig deining heeft. Des avonds stoomen wij het zuidelijk voorgebergte van Ceylon, naar het Oosten om, en nemen nu een koers, die wij tot aan Sumatra’s Noordkaap houden. Tot zoover is het nog 1650 kilometer, dus een reis van zestig uur.

47. DWARS DOOR AUSTRALIË.

Terwijl de „Dehli” haar tocht vervolgt, vergezellen wij in gedachten de stoomboot „Moldavia” op haar reis naar Australië, het kleinste der vijf werelddeelen, hetwelk zuidelijk van de Soenda-eilanden en van den aequator, de watervlakten van den Indischen en den Stillen Oceaan van elkaar scheidt.

In het binnenland en de westelijke streken van Australië zijn gebieden, die nog door geen Europeaan zijn betreden; geweldige zeer drooge zandwoestijnen, want de regen van de Zuid-Oostpassaatwinden valt op de bergketenen in het Oosten, waar dan ook de rivieren ontspringen. Vijftig jaar geleden wist men van de binnenlanden van Australië nog veel minder dan nu en een hoogen prijs was uitgeloofd voor den moedige, die het eerst Australië van zee tot zee zou doorkruisen.

Nu werd een groote expeditie uitgerust. De koloniën Victoria en Zuid-Australië rustten haar uit en groote sommen gelds werden er aan besteed. Men koos als leider der expeditie Robert Burke, een even moedig als bekwaam man, maar het ontbrak hem aan koelbloedigheid en een kalm, zeker oordeel, eigenschappen, zonder welke men geen karavaan door onbekende, woeste landen kan leiden. Men liet uit Noord-West-Indië twee dozijn kameelen komen met drijvers en nam levensmiddelen voor een geheel jaar mede. Alle uitrustingen waren tot in de kleinste bijzonderheden zoo goed, als maar voor geld was te krijgen. Zoo uitgerust, zou men Australië voet voor voet hebben kunnen veroveren, en toen het gezelschap Melbourne, de hoofdstad van Victoria verliet, was de geheele stad op de been. Al waren velen slechts toegesneld, om de kameelen te zien, omdat men zulke dieren nog nooit had aanschouwd, zoo kwamen de meesten toch, omdat zij een triomf in dienst van het geografisch onderzoek verwachtten.

Burke was niet alleen. Hij had ongeveer vijftien Europeanen bij zich. Eenigen hunner waren wetenschappelijke mannen; zij moesten de plantenwereld van het land, de vreemde families van de buideldieren, de steenformaties, het klimaat, enz. onderzoeken. Een dezer geleerden heette Wills. Verder waren er nog bedienden, die paarden en transport moesten verzorgen.

De karavaan brak 20 Augustus 1860 op. Dat was de eerste misgreep, want juist dan begint het voorjaar en de droogte. Men trok er desondanks onverschrokken op los, ging de Murray, de grootste rivier van Australië over en bereikte de zijrivier, de Darling. Daar werd een vast kamp opgeslagen en het grootste deel der karavaan bleef hier achter. Burke, Wills en zes andere Europeanen trokken met vijf paarden en zestien kameelen verder naar het Noord-Westen en kwamen na twintig dagen aan de Cooperrivier, die in het Eyremeer uitloopt.

Hier werd eveneens een blijvend kamp opgeslagen, verschillende excursies in de omgeving gemaakt en een bode naar de Darling gezonden, om de achtergeblevenen zoo spoedig mogelijk hier heen te halen. Maar de bode moet onder weg te veel tijd verbeuzeld hebben, want de eene week na de andere verstreek zonder de achterblijvers te brengen, en toen zij ook niets van zich lieten hooren, besloot Burke met drie geleiders, Wills en de beide bedienden King en Gray, zes kameelen, twee paarden en proviand voor twee maanden, regelrecht naar het Noorden te gaan, en het werelddeel tot aan de kust van Queensland aan de golf van Carpentaria te doorkruisen. De vier anderen moesten met hun kameelen en paarden tot den terugkeer van Burke op de plek blijven en haar slechts in het uiterste geval verlaten.

Alles ging goed, maar het land was vervelend en leelijk, de natuur ongelijkmatig en verwilderd. Zoolang men nog langs de de zandige bedding van de Cooperrivier trok, waren er voldoende waterplassen. In de schaduw was de temperatuur 36 graden en als het ’s nachts soms eens 23 graden was, dan vonden de reizigers de lucht vrij koud.

Daarna gingen zij van de eene bedding in de andere en vonden in deze korte rivieren, die alleen in den regentijd water bevatten, gewoonlijk nog slechts plassen in de schaduw van ondoordringbare bosschen welke door den taxis en gummiboom of Eucalyptus worden gevormd. De laatste behooren echter niet tot dezelfde soort als de wereldberoemde blauwe gummiboom, die in de kolonie Victoria en op Tasmanië voorkomt. Men schrijft hem de eigenschap toe koorts te kunnen stillen, want hij legt moerassen en ongezonde, moerassige streken droog en groeit zoo snel, dat hij na zeven jaar twintig meter hoog is. De reuzengummiboom is echter nog merkwaardiger, want hij wordt honderd en twintig meter hoog en een ander soort Eucalyptus moet zelfs een hoogte van honderd en vijftig meter bereiken.

Ook woeste vlakten, duingordels en uitgestrekte leemgronden, die door de droogte waren gespleten, moest de expeditie doortrekken, en daarbij moesten zij hun lederen zakken, met water gevuld, medenemen. Soms zagen zij scharen wilde duiven, die naar het Noorden vlogen, en zij meenden dan stellig, dat zij spoedig water zouden vinden, wanneer zij de richting van deze vogels volgden. Op enkele plaatsen had het zoo hard geregend dat eenig gras was opgeschoten, op andere lieten de struiken van droogte de takken hangen.

Bedriegelijke luchtspiegelingen brachten de reizigers in de war. Eens raasde een woedende storm door bosch en struikgewas. Het dierlijk leven was schaars; in de slechts weinige aanteekeningen der expeditie worden bijna geen andere dieren genoemd dan houtduiven, wilde eenden en ganzen, pelikanen, trapganzen, een menigte waadvogels, papegaaien, slangen, visschen en ratten.

Maar de kangeroe, dat vreemde, springende, huppelende dier, hetwelk zijn jongen zeven maanden lang in een zak zijner huid tegen den buik met zich draagt, en in Australië even thuis is als de lama in het zuiden van Amerika, was niet te zien; de aanteekeningen zeggen zelfs niets van den dingo, den wilden, Australischen hond, den schrik der schaapherders.

Wel zagen de deelnemers aan de expeditie den Australischen neger, die met schilden, speren en boemerangs gewapend, maar overigens met niets, meer bekleed was. Deze laagstaande wilden gaven hun in ruil voor kralen, lappen stof, en andere kleinigheden, dikwijls visch. Zij klauterden als apen op de boomen rond, als zij op de dieren van het woud jacht maakten; maar zoodra zij de kameelen zagen namen zij de vlucht. Zulke kangeroes, die van voren en van achteren even lange pooten hadden en bovendien nog bulten, hadden zij nog nooit gezien!

Nadat de Engelschen een heuvelachtige streek waren doorgetrokken, waren zij niet ver meer verwijderd van de kust. Van een laatste kampplaats trokken Burke en Wills te voet door moerassen en bosschen, welker hoofdbestanddeel uit palmen en mangoboomen bestond, maar desondanks zouden zij het water van de golf van Carpentarie niet zien! Het bosch verborg het en de moerassige bodem maakte het hun onmogelijk het te bereiken, al waren zij er zeer dicht bij.

Burke had zijn doel bereikt; hij had Australië doorkruist. Maar zijn heldendaad zou noch nut, noch vreugde brengen; het allerminst hem zelf!

De terugtocht werd een aaneenschakeling van ongelukken, de treurigste reis, die wel ooit in ons vijfde werelddeel werd ondernomen.

Het opbreken naar het Zuiden werd met bliksem, donder en stortregens gevierd. De bliksemstralen flitsten zoo dicht na elkaar, dat palmen en gummiboomen midden in den nacht even hel verlicht waren als op den heldersten dag. De grond werd in één groot moeras veranderd. Om de kameelen te sparen was geen tent meegenomen. Alles werd nat, waardoor de uitwaseming van het lichaam werd tegengegaan; en dat maakte slap. En toen de regen was opgehouden, kwam de droogte weer met verstikkende hitte; waardoor men naar den nacht, als zijn besten vriend, verlangde.

Een uitgemergeld paard werd achtergelaten. Daarna doodden de reizigers een acht voet lange slang en aten het vleesch, volgens het voorbeeld der wilden, op, maar werden er ziek van. Toen zij eens in een dal in een hol kampeerden, kwam er weer een stortregen, die het geheele dal onder water zette en niet alleen hun kamp, maar ook henzelf dreigde te verzwelgen. Muskieten plaagden hen zeer, en dikwijls moesten zij gansche dagen wachten, omdat de bodem in modder was veranderd.