Part 25
Zonderling koud en bleek teekende de heilige berg zich af tegen den donkerblauwen hemel, toen ik in het heldere maanlicht weer naar zee stevende. Het was mijn laatste nacht op den weg naar het Oosten, de laatste van een lange zeereis, die in Bombay was begonnen. Aan den rechter kant, lieten wij Oschima of „het groote eiland” achter ons, een nog werkende vulkaan, boven welks vlakken top dunne rookwolkjes zweefden. In Japan heeft Vulcanus, de god van het vernietigend vuur en der onderaardsche krachten, een harer hoofdzetels. Er zijn hier wel honderd uitgewerkte en een twintigtal nog werkende vulkanen en het land wordt ook voortdurend door aardbevingen geteisterd. Men rekent gemiddeld 1200 aardbevingen in het jaar, van welke de meeste echter slechts onbeduidend zijn! Maar van tijd tot tijd treden zij verwoestend op en eischen duizenden slachtoffers, en als de aardbevingen op den bodem der zee plaats vinden, dan veroorzaken zij stortvloeden, die geheele steden en dorpen wegspoelen. Om de aardbevingen bouwen de Japanners hun huizen van hout en zeer laag.
In den morgen gleed de „Tenjo Maroe” de groote bocht binnen, aan welker oever Jokohama en Tokio liggen. Een groot aantal Japanners verschijnen om mij te ontvangen, en de Zweedsche gezant brengt mij naar zijn paleis in Chineeschen stijl gebouwd. Boven roode, uit hout gesneden daken wappert de blauw-gele vlag.
Jokohama is een belangrijke handelsstad, die door een menigte stoomvaartlijnen uit vier werelddeelen wordt aangedaan. Ze is zoo groot als Stockholm, en 800 Europeërs, kooplieden, consuls en zendelingen, hebben hier hun vaste woonplaats. Gezantschappen en generaal-consulaten zijn naar Tokio verlegd, de hoofdstad van het rijk, die twee millioen inwoners heeft. De meeste menschen wonen in aardige houten huizen, met kleine voor- en achtertuinen; maar Tokio heeft ook veel paleizen te midden van heerlijke parken, die kunstwerken zijn van smaakvollen aanleg.
Uit het geraas en het stof der straten vlucht men naar deze vreedzame tuinen, waar kleine kanalen en beekjes tusschen grauwe steenbrokken kabbelen, en de kruinen der boomen zich over gewelfde bruggen nijgen.
Tokio, vroeger Yedo, is rijk aan bezienswaardigheden van oud en nieuw Japan. Het heeft musea van allerhande soort, schilderijengalerijen, scholen en een hoogeschool, welker natuurwetenschappelijke inrichting naar Europeesch voorbeeld heeft plaats gehad. Hier is ook een geologisch instituut, dat geologische kaarten van het geheele land heeft vervaardigd en vooral alle verschijnselen onderzoekt, welke met aardbevingen en vulkanen samenhangen. In wetenschappelijk onderzoek staan de Japanners bijna even hoog als de Europeanen. In de krijgskunst overtreffen zij misschien reeds de blanke naties! Alle industrieele uitvindingen van onzen tijd hebben zij zich ten nutte weten te maken en hun handel dreigt de Westersche uit Azië te verdringen. Zoo is het, om een voorbeeld te noemen, nog niet lang geleden, dat zich eenige Japansche ingenieurs in Jönköping ophielden om het vervaardigen van Zweedsche lucifers te bestudeeren. Nu vervaardigen zij zelf hun veiligheidslucifers en voorzien er niet alleen Japan, maar bijna geheel Azië van. In Kobe stonden bergen kisten opgestapeld, die doozen lucifers bevatten welke op bevrachting naar China en Korea wachtten. Precies zoo is het op ieder ander gebied. De Japanners bereizen Europa en bestudeeren daar met hun scherp verstand de turbines, de spoorlijnen, telefonen enz. Spoedig zullen zij Europa geheel kunnen missen en alles, wat zij noodig hebben, zelf vervaardigen!
64. DE KEIZER VAN JAPAN.
De chrysanthemum is het zinnebeeld van het Keizerlijk huis. Ze wordt in broeikassen en in de vrije natuur in tallooze kleuren en vormen gekweekt en bloeit in den herfst; dan worden in het geheele land chrysanthemumfeesten gevierd. In Kobe bezocht ik een chrysanthemumtentoonstelling in een openbaar park, waar tot achthonderd bloemen op één enkelen stam te zien waren. Eenige struiken waren door oculatie, met staaldraad en breede latten, zoo behandeld, dat zij geleken op een schip met gespannen zeilen, een vogel, een ree, een fiets, of een locomotief; ja in den schouwburg werd een geheel stuk opgevoerd, waarin alle medewerkers levende chrysanthemumstruiken waren.
Het paleis van den Keizer van Japan in Tokio is door een muur en een gracht omgeven. In een zijner groote, schoone parken met kanalen, vijvers en bruggen werd een chrysanthemumfeest gevierd, waartoe ook Europeanen waren uitgenoodigd. Heeren en dames verzamelden zich in elegant wandelkostuum en wandelden door het park, waarvan de wegen beschaduwd werden door het rood gebladerte der ahornboomen. De Mikado bevond zich juist ter inspectie zijner vloot aan boord van het schip van admiraal Togo, maar de hofmaarschalken deelden mede, dat de Keizerin het feest zou bijwonen. De gasten stelden zich en haie op en hare Majesteit kwam, en wel te voet, vergezeld van twee prinsen, zeven prinsessen en een groot gevolg. De Keizerin is een kleine, nu zestigjarige vrouw met geelachtigen tint en een onbeweeglijk gezicht. Maar de prinsessen waren allerliefst met hun rose wangen en vroolijke, donkere oogen. Ik was echter zeer teleurgesteld, dat zij de zoo welstaande dracht van het land hadden afgelegd en Europeesche kleeren hadden aangetrokken; de hoeden en parasols uit Parijs pasten in het geheel niet bij de opvallend bevallige figuren, en op den achtergrond van vurig roode ahornboomen en zwellende rose en violette chrysanthemums zou men veel liever de „kimono” zien.
Eenige dagen later keerde de Keizer van zijn reis terug en stond aan den Zweedschen gezant en mij een audiëntie toe. Wij liepen zwak verlichte vertrekken en zalen door met parketvloeren, vierhoekige wandschilderijen van de eerste kunstenaars van Japan, kunstig gesneden plafonds en wonderschoone porceleinen en bronzen vazen. Daarna bracht men ons door een lange gang in een klein vertrek. Hier wachtte de Keizer ons. Hij heet Moetsoehito en is, in tegenstelling met zijn onderdanen, een lange, slanke man; hij steekt een hoofd boven zijn volk uit. Hij is acht en vijftig jaar en ofschoon zijn haar, zijn spitse baard en zijn knevel nog pikzwart zijn, ziet hij er nog ouder uit, want zijn gelaat is vol groeven en grijsgeel als perkament. Zijn stem is week, melodieus en innemend en de vragen, die hij deed, waren scherp en verstandig en verrieden, dat hij ook in het westelijk vasteland goed thuis was.
Moetsoehito werd in het jaar 1867 Mikado of geestelijk Keizer. Zijn regeeringstijd heet „Meiji” of de „verlichte regeering”, en gedurende zijn heerschappij is Japan in een groote mogendheid van den eersten rang veranderd. Reeds een jaar na zijn troonsbestijging schafte hij het „Schogoenat”, de regeering van een wereldlijk Keizer af, in zijn persoon beide ambten vereenigend, sloot verdragen met vreemde mogendheden, reorganiseerde het schoolwezen, liet modern strafrecht en burgerlijk recht invoeren en riep een volksvertegenwoordiging in het leven; alles bewijzen van zijn scherpen, vèrzienden blik, van zijn uitstekend verstand.
Tot dusverre was het land in vele kleine vorstendommen verbrokkeld geweest, die elk door een „daimyo” of leenheer werden geregeerd en deze heeren beoorloogden elkaar dikwijls, ofschoon zij allen onder het opperst gezag van den „Schogoen”, van den heerscher over het gansche land, stonden. Met de „Samoerai” te zamen vormden de „Daimyos” den feudalen adel. Is het niet verwonderlijk, dat de Japanneezen nog nauwelijks vijftig jaren geleden met pijl en boog, zwaard en speer oorlog voerden? Als de Samoerai ten strijde togen, droegen zij zware wapenrustingen met arm- en beenbekleeding, helm en vizier. Zij waren handige boogschutters en hanteerden hun groot zwaard met beide handen. Wanneer een Samoerai boete wilde doen voor eigen misdrijf, zijn eer of die zijner familie herstellen, dan beging hij, om smadelijke straf te ontgaan, „harakiri”, zelfmoord, door met een scherp mes den buik open te snijden.
Maar toen brak op eens de nieuwe tijd voor Japan aan. In 1872 werd de algemeene dienstplicht ingevoerd en Duitsche en Fransche officieren werden in het land geroepen om het leger te organiseeren. Nu is Japan zoo sterk, dat geen macht ter wereld lust zal hebben zich er mede te meten.
65. JAPAN’S JEUGD.
Op al mijn zwerftochten in het land der Opgaande Zon, werd ik door Japanners vergezeld, die mij alles uitlegden. In Kioto brachten zij mij eens in een hoogere jongens- en meisjesschool en daar woonde ik in verschillende klassen het onderwijs bij in geografie, rekenen, Engelsch, teekenen en handenarbeid. Toen wij binnenkwamen stond de geheele klasse op en een kleine dreumes of een klein meisje trad naar voren en zeide: „Wij verheugen ons zeer, u te kunnen verwelkomen en hopen, dat u van onze school een goede gedachtenis naar uw land zult meenemen.” Daarop antwoordde ik, dat het mij een vreugde was de Japansche kinderen te leeren kennen, en dat ik hoopte, dat zij door ijverig werken op school, tot degelijke burgers van het machtig rijk zouden opgroeien, welks zonen en dochters zij waren. Daarna liep ik de school rond en streek hen over het haar, terwijl zij elkaar guitig aankeken en in hun schoolbanken giechelden. Ten slotte verzamelden zich de 450 leerlingen der school op het ruime plein, stelden zich daar in klassen op, en toen ik langs het front liep, hieven zij een luid „Banzai” of „lang zal hij leven”, of „hoera!” aan. Ik moest als aandenken eenige bewijzen hunner vaardigheid mede nemen, waaronder twee kaarten van Japan, die zij zelf hadden geteekend en die mij aan mijn eigen schooltijd herinnerden. Daarna werd van ons allen een groote fotografie genomen; daar zit ik met twee kleine meisjes op schoot, een dozijn jongens zitten en liggen voor mij en een gansche bloementuin van frissche jeugd om mij heen.
En dan de brieven, die deze kinderen mij schreven! Dagelijks ontving ik een heel pakket en had onmogelijk tijd ze alle te beantwoorden. Zij waren op lange strooken zacht papier met penseel en Oost-Indischen inkt geschreven en de inhoud was dikwijls zoo vroolijk, dat men bijna in lachen zou uitbarsten. De vaststaande vragen waren: „Hoe oud zijt gij? Hoe bevalt u Japan? Zijn de Japanners aardig jegens u? Welke streek van Japan vindt gij het ’t schoonst? Zijt u in Nikko geweest? Wanneer zult gij weer naar Japan komen? Wilt u mij een Zweedsche ansichtskaart zenden als gij weer tehuis zijt?”—Andere kinderen vertelden van hun bezigheden, en toekomstplannen, en deze plannen waren gewoonlijk zeer grootsch.
Op een anderen keer,—het was in Tokio—werd mij verzocht een voordracht voor de studenten te houden. Ik stond op een verhoogde plaats in het park der universiteit en rondom mij stonden vier duizend studenten. Gemakkelijk was het niet mij overal verstaanbaar te maken, daar Jinrikschas op de wegen ratelden, en stoomfluiten aan alle zijden weerklonken, maar wat deed het er toe, als mijn stembanden op dat oogenblik sprongen, tegenover al de geestdrift, die mij in de galmende banzaikreten der studenten ombruiste! Welk een overstroomend leven, welk een opgewektheid en frischheid in deze jeugd! Toen ik naar hen toeging om de voorsten de hand te drukken, drongen zij van alle kanten nader en zouden mij verdrukt hebben als niet eenige sterke jongens, mij als een burcht hadden omringd. Met moeite bereikte ik mijn wagen, maar ook deze werd omringd. De paarden werden schuw en moesten bij den toom geleid worden.—Bij den ingang, onder de Zweedsche en Japansche vaandels, het gele Kruis en de roode Zon, zouden wij bijna zijn blijven steken. Tot ver op de straat volgden de studenten het rijtuig in dichte scharen en riepen steeds weer: „banzai, banzai!”
Dikwijls zag ik een straat feestelijk getooid met kleine vaandels en lantaarns van gekleurd zijden papier. Als ik dan vroeg of hier een bruiloft of een dergelijk feest plaats vond, was het antwoord, alsof het vanzelf sprak: „Neen het is voor twee rekruten in ons kwartier, die vandaag naar het leger gaan.” Bloedverwanten en vrienden huldigen hen nu reeds als helden, en zij beschouwen het als hun grootste eer, aan dit Nippon hunner voorvaderen, ook hun kracht te mogen schenken. Daarom worden er liederen gezongen als zij uittrekken, en versiert men ’s avonds de straten met brandende papieren lantaarns en overdag met vaandels en rijksbanieren. En daardoor is Japan overwinnaar, als het door vijanden wordt bedreigd. In dit wonderlijk land doet elke knaap, elke jongeling, elke man geestdriftig zijn plicht. De daglooner volvoert getrouw zijn plicht, en de soldaat beschouwt het als een geluk wanneer de oorlog hem ter verdediging van zijn vaderland oproept.
66. KOREA.
Het was een heerlijke dag, toen ik door de wegslepend schoone zeeëngte van Sjimonoseki, den Japanschen Bosporus, de straat van Korea inzeilde om in twaalf uur de havenstad Foesan aan de zuidelijke kust van het schiereiland Korea te bereiken. Op de helft van den weg staken de Fsjoesjima eilanden als geweldige dolfijnen uit het water. Hier is de plaats waar, op den gedenkwaardigen 27sten Mei 1905, admiraal Togo het eskader van den Russischen admiraal Roshestwensky vernietigde. Met een bijna griezelig gevoel dobberde ik over deze stille graven in het water, en meende de echo van het donderend geschut nog over de golven te hooren sidderen. „Ginds werd slag geleverd,” zeide de kapitein, op een plaats in het water wijzend, en onze koers ging bijna onmiddellijk over de plaats waar het Russische vlaggeschip in de golven wegzonk.
De Russische vloot was Azië omgevaren, en kwam nu in het Oosten, van het eiland Formosa naar de zeeëngte van Korea gestoomd. Zij hoopte zonder gevaar Wladiwostok aan de Russische zijde van de Japansche zee te kunnen bereiken, en naderde den 27sten Mei in slagorde de Fsjoesjimaeilanden. Maar aan de zuidelijke kust van Korea lag admiraal Togo met de Japansche vloot op den loer. Op een kaart had hij de geheele zeeëngte in vierkanten ingedeeld, en liet voortdurend booten, die zich door draadlooze telegrafie met het vlaggenschip in verbinding konden stellen, ter observatie rondvaren. En nu knetterde de electrische vonk door de lucht, en deelde mede, dat de Russische vloot in ’t zicht was en wel op het kwadraat no. 203. Dat was een ongeluksteeken, want het lot van de vesting Port Arthur aan de kust van het Chineesche vasteland was daardoor beslist, dat de Japanners een fort hadden veroverd, dat den naam, „twee honderd driemeter heuvel” droeg. Sedert den eersten Januari 1905 was Port Arthur in hun handen. Op dat bericht viel Togo met zijn geweldige schepen en zestig torpedo’s de Russische vloot aan, en binnen een uur was de slag reeds beslist! De Russen verloren vier en dertig schepen en tienduizend man, het vlaggeschip zonk, maar de zwaargewonde admiraal zelf werd door de Japanners gevangen genomen. Daarmede waren de Japanners meester van de zee en konden nu ongehinderd troepen, proviand, en oorlogsmateriaal naar het vasteland zenden, waar de strijd met Rusland nog in Mandschoerije woedde.
Van Foesan bracht de trein mij Noordelijk door het schiereiland Korea. Slechts zelden boeit een boschje van naaldhout den blik; anders is het land van boomen ontbloot. Op de hellingen ziet men dikwijls tallooze heuveltjes, Koreaansche graven. Overal ziet men de vreedzame verovering van Korea door Japan. Op de stations stonden Japansche politieagenten, soldaten en beambten, en mijn reisgenooten vertelden mij, dat er reeds 200.000 Japanners in Korea woonden. Toch bleven deze kolonisten slechts eenigen tijd in den vreemde. Een Japansch landbouwer bijv. verkoopt de helft van zijn bezit in Japan, en koopt hiervoor een stuk grond dat tot verbouwen geschikt is op het Koreaschiereiland, en hetwelk op zijn minst drie à vier maal zoo groot is als zijn gansche bezitting in zijn geboorteland en op zijn minst even goed van opbrengst is. Dat bebouwt hij eenige jaren en keert dan met de winst naar huis terug. Japansche visschers komen ook jaarlijks naar de kust van Korea om met hun vangst terug te keeren. Zoo wordt het schiereiland van alle kanten door Japanners overstroomd. Het leger is Japansch, langs de Noordelijke grens worden Japansche vestingen gebouwd, regeering en beambten zijn Japanners, en spoedig zal Korea nog slechts een stuk van het land van de Opgaande Zon vormen.
Nadat de bergketen, die zich van het Noorden naar het Zuiden als een ruggegraat door geheel Korea uitstrekt, achter mij lag, naderde ik de hoofdstad Seoul, van welker 200.000 inwoners een vijfde deel uit Japanners bestaat. In een dal tusschen kale rotsen ziet men een gewirwar van grijze en witte huizen, met prismatische daken, die met grijze dakpannen zijn bedekt. In het Japansche stadsgedeelte klopt het leven precies als in Japan zelf. Voor de open winkels hangen ’s avonds de gekleurde papieren lantarens en koop en verkoop gaat met vreugde en liefde. De straten van de Koreaansche wijk zijn nauwer en minder bevolkt, alleen in de breedere straten ratelen de wagens der stadstrammen door het bonte, Aziatische leven. Karavanen van groote ossen sleepen brandhout; zware karren vervoeren allerhande waren. Mannen dragen in een rek van houten latten opvallend zware lasten op den rug en vrouwen in witte gewaden, met een sluier over het gladgekamde haar, glippen voorbij. Mannen en jongens trekken rond met banieren, waarop roode en witte letters staan; het zijn handelsadvertenties. Een muziekcorps loopt voorop en trommels en fluiten vervullen de straat met een schrikkelijk geraas.
Mijn voornaamste herinnering uit Seoul is een diner bij een Japansch generaal, waar ik op tijgervleesch werd onthaald. Het smaakte niet slecht, het herinnerde eenigszins aan versch varkensvleesch en was goed toebereid. Maar toch zal ik het voortaan ook zonder tijgervleesch kunnen stellen! De zoo smadelijk opgegeten kat der moerassen had schade in de nabuurschap aangericht en een oude vrouw opgegeten; op bevel van den generaal hadden de gendarmen jacht op het dier gemaakt en het ook, letterlijk met kogels doorspekt, afgeleverd. Opdat de Koreanen niet in opstand komen tegen de Japanners, mogen zij geen schietwapens dragen; dientengevolge zijn de tijgers steeds vermeteler geworden en gedurende mijn verblijf in Seoul ging zulk een dier eens heel ongegeneerd in een park wandelen!
Korea heeft tien millioen inwoners en is meer dan half zoo groot als Japan, onder welks heerschappij het nu staat. Met de lotgevallen van Korea is de naam van den Japanschen prins Ito op het nauwste verbonden. Gedurende mijn bezoek aan Seoul was hij daar gouverneur-generaal; hij is de schepper van de tegenwoordige provincie Korea. Den avond van den 15den December 1908 zat ik in een slecht verlichte zaal met eenige Japansche vrienden in levendig gesprek. De nauwe straten buiten waren donker en stil, het was snijdend koud en de sterren fonkelden. Daar hoorden wij paardengetrappel op den hardbevroren grond. Twee, door herauten gedragen, fakkels wierpen een rood-geel, flikkerend lichtschijnsel op winkels en gevels der huizen en ook op de afdeeling cavalerie, die de herauten volgde. Bijna in het donker, reed daarachter een klein, zwart, door twee paarden getrokken rijtuig en eenige ruiters sloten den stoet. In een oogenblik was de schaar reeds weer vertrokken en het paardengetrappel weggestorven. In het gesloten rijtuig zat prins Ito, die van een ambtsreis terugkeerde. Het gesprek, dat wij voerden, was verstomd, mijn Japansche vrienden waren ernstig geworden en waren onwillekeurig opgestaan. Een Caesar was voorbijgetrokken!
Gedurende de volgende dagen ontmoette ik hem persoonlijk dikwijls en hij vertelde mij zijn merkwaardige levensgeschiedenis. In zijn jeugd stond hij onder een „daimyo” maar in het jaar 1863 besloten hij en vier andere vèrziende Japanners naar Europa te reizen en de cultuur van het Westen te bestudeeren. Maar destijds stond op het verlaten van het land de doodstraf en de vijf moesten daarom regelrecht uit hun land deserteeren. Als matrozen namen zij dienst op een Engelsch schip en zeilden van Nagasaki uit. In Engeland leerden zij de westersche ideeën kennen, en droomden trotsche droomen van Japan’s toekomst. Daar drong plotseling tot hen door een zwakke echo van in hun geboorteland uitgebroken onlusten en met het eerste het beste schip voeren zij naar het Oosten. In warme dagen en zwoele nachten zeilden zij de Kaap de Goede Hoop om. Want toen bestond het Suezkanaal nog niet en, zittend op het dek, spraken zij van Japan’s toekomst en de gevaren, die het land van het Oosten en het Westen dreigden. Zij wilden de redders van hun land zijn. Zij wilden met het verleden breken, hun volk onweerstaanbare wapenen in de hand geven. Zij herschiepen Japan naar het Europeesch voorbeeld en de vrijheid van Japan was gered.
Ternauwernood een jaar na mijn bezoek reisde Ito naar Charbin in Mandschoerije. Nauwelijks was hij uit den spoorwagen gestapt en stond hij te midden van zijn geleiders op het perron, of daar knalden drie revolverschoten en hij zonk dood neer!
Het leven van Ito geleek op een heldensage. Hij heeft zijn land ter overwinning gevoerd en het onvergetelijke diensten bewezen. Het verlies van de legioenen op het slagveld kon Japan te boven komen, maar toen het bericht kwam, dat Nippon zijn grootsten zoon had verloren, verviel het tot diepen rouw. En toch waren de Japanners weer trotsch op zijn dood, want hij was op zijn post gevallen. Toen zijn stoffelijk overschot naar het vaderland werd gebracht, geleek het een triomftocht van een overwinnend veldheer. Een tempel zal tot zijn aandenken worden opgericht en nog tot in het verre nageslacht zullen jeugdige zangers op de tonen van de harp zijn roemrijk leven bezingen.
67. MANDSCHOERIJE.
De grens tusschen Korea en Mandschoerije, een der vazalstaten van China, wordt gevormd door de Jalu, welke ik op een kouden winternacht, op een Chineesche slede, ben overgegaan om Antoeng, aan den noordelijken oever van de Jalu, een stad met 5000 Japansche en 40.000 Chineesche inwoners, te bereiken. Ternauwernood had zich de eenige brug, een dun ijsvlies van den eenen oever naar den anderen gevormd. Onder den last der slede boog het ijs in golvende lijnen, maar voordat het brak was de slede, die door een Chinees met een langen stok werd voortgestooten, er reeds over heen gesuist.
Van Antoeng uit maakte ik in gezelschap van een Japanner een genoegelijken tocht met den spoortrein. De afstand tot Moekden is slechts 320 kilometer; toch duurt de reis daarheen twee lange dagen. Een smal spoor werd gedurende den oorlog tusschen Japan en Rusland gelegd, om proviand en oorlogsmateriaal naar het Japansche front te zenden. Het ligt in de vreemdste kronkelingen bergop en bergaf en een trein bereikt zelden zonder avonturen zijn bestemming. De Japansche consul te Antoeng had op acht ritten niet minder dan vier spoorwegongelukken beleefd, en juist twee dagen te voren was de trein met een generaal en zijn gevolg in een afgrond gerold! Vandaag had de machinist echter bevel gekregen met de grootste voorzichtigheid te rijden en ik legde den afstand dan ook af zonder ongeval.
De spoorwagens zijn ternauwernood half zoo groot als een tramwagen en, bevroren tusschen pelzen en dekens wordt men den ganschen dag heen en weer geschud. Twee langwerpige metalen kisten, gevuld met gloeiende kolen, zorgen dat de voeten der passagiers niet bevriezen. Op een klein station staat de trein een geheel uur stil, alsof de locomotief eerst op adem moest komen, voordat ze de nu volgende sterke berghelling opklautert. Als het dan weer omlaag gaat, schijnt de beweging van den trein met alle wetten der zwaartekracht te spotten, en het was haast onbegrijpelijk, dat hij niet in den een of anderen afgrond terecht kwam. Telkens als de machinist remt, volgt een heftige stoot dat men bijna met het hoofd naar den anderen wand van den wagen vliegt.