Part 12
Een anderen keer trokken wij door een streek, waar verscheiden dorpen in de nabijheid van de rivier lagen. Hier had men door boodschappers onze komst vernomen, en toen wij naderden, kwamen ons bij de oevers geheele ruiterscharen tegemoet. Ik noodigde de dorpshoofden aan boord en onthaalde hen op thee. Acht valkeniers reden op vurige, vlugge paarden; twee droegen adelaars, de andere valken. Den roofvogels was een kapje over den kop getrokken en met hun sterke, gele teenen en scherpe klauwen grepen zij om den lederen handschoen van den drager. Toen ik geland was, lieten zij mij twee der beste jachtvalken zien. Een ruiter kwam met zijn valk over een veld, waar buit te verwachten was, aanrennen. Een haas sprong op en de ruiter zwaaide den valk in de lucht. Bliksemsnel schoot deze den vluchtenden haas na en sloeg hem de klauwen in den rug. Dat ging alles veel sneller dan zich laat beschrijven. De ruiter rende hen spoorslags achterna om den buit te redden, want de valk was dadelijk begonnen met onregelmatige bewegingen van den kop en heftig rukken aan den haas, de haren op die plaats uit te trekken, waar hij zijn vlijmscherpen snavel wilde inboren. Een andere valk ving een ree, de hoofdman schonk mij den ganschen buit.
Hoe verder het ging, des te ondieper werd de rivier. De Jarkent-darja zou het Lop-nor nooit bereiken, dat ik wilde onderzoeken, als ze onderweg niet samenvloeide met de groote rivier Ak-su, „het witte water” en de Tarim vormde. De Jarkent-darja stroomt heel langzaam, maar de Ak-su komt bruisend en met groote snelheid van het Tien-schan-gebergte uit het noorden.
Steeds kouder werd het herfstweer en op zekeren morgen hing een dichte nevel als een sluier over den zoom van het woud aan beide oevers. Boomen, struiken en de geheele boot waren wit berijpt. Nu duurde het niet lang meer of het ijs vormde een dunne korst op de meertjes langs de oevers, de kleine zijarmen, en de stilstaande plassen en nu moest men zich haasten om niet in te vriezen. Het ontbijt werd niet meer aan wal bereid, maar op het achterdek van de boot, waar wij een haard van leem hadden gemaakt, en hier bij zaten wij om de beurt om ons te warmen. Gedurende de laatste Novemberdagen hadden wij 16 graden vorst. Het drijfijs werd steeds dichter en op zekeren morgen was de boot zoo vast gevroren, dat zij met bijlen en speren eerst weer vlot gemaakt moest worden. Wij herkenden de mooie rivier ternauwernood meer. De oppervlakte was geheel met ijsschotsen en bevroren slib bedekt; het botste en schuurde en knarste tegen elkaar aan, en schoof, ritselend als een slang, met den stroom mede.
Nu voeren wij tot laat in den nacht. Ik had verscheiden inboorlingen aangenomen, die ons met booten als gids vooraf gingen en met lantarens den vaarweg wezen. Het vuur op het achterdek en het bekken met kolen waren niet meer van veel nut en op zekeren avond, toen het te laat was om brandhout te zoeken, staken wij een heel kreupelbosch van riet in brand. De dunne takken knalden en knetterden en een griezelige weerschijn van vuur verlichtte de geheele streek. Het drijfijs flonkerde als louter diamanten en het vuur verlichtte een groot gedeelte van het struikgewas. Indien daar heden tijgers loerden, zouden zij zich zeker snel uit de voeten maken. Wij lieten gedurende den nacht de boot midden in de felste strooming liggen, opdat ze niet zou invriezen, en de drijvende schotsen rammelden en hamerden er den ganschen nacht tegen aan. Maar ik was reeds zoo gewoon aan dat geraas, dat ik even goed sliep als anders.
Den zevenden December hadden beide oevers een breeden rand ijs. Dikwijls bleven wij steken, maar maakten steeds weer dat wij vlot werden, en dansten den geheelen dag als in een bad van porceleinen scherven. Ik wilde de vaart niet opgeven, voordat het onmogelijk was ook maar een duimbreed verder te komen. ’s Avonds hadden wij een heele vloot van bootjes voor ons, die met lantarens en fakkels licht in de duisternis bracht. Op eens werd het echter heel stil om ons heen; de boot kreeg een heftigen stoot, de geheele rivier was bevroren. Maar—aan het strand brandde een vuur van opgestapelde boomstammen—het brandde in het kamp van mijn eigen karavaan. Wij hadden ons doel bereikt.
31. HET MEER, DAT ZICH VERPLAATST.
De streek, waar mijn boot gedurende den ganschen winter ingevroren lag, heet „Het nieuwe meer”. Hier buigt zich de Tarim naar het zuiden en stort zich verder in een ondiep meer, het Lop-nor. Het geheele land is hier zoo vlak, dat men met het bloote oog niet de geringste oneffenheid opmerkt en dit heeft tengevolge, wat ik nu voor het eerst kon vaststellen, dat de rivier haar loop verandert en zich gedurende kortere of langere einden een nieuwe bedding graaft! In oude tijden stroomde zij recht naar het Oosten en mondde in het voormalig Lop-nor, in het noordelijk deel der woestijn. In oude Chineesche aardrijkskundige werken is er in dezen zin sprake van het meer. Het merkwaardige van het Lop-nor is dus, dat het zich verplaatst en zich met den benedenloop van de Tarim als een slinger van het noorden naar het zuiden beweegt. Waar het vroeger lag ben ik veel rondgetrokken, en ik heb ook een kaart vervaardigd van de vroegere rivierbedding en van het oude meer. Daarbij vond ik ruïnen van oude dorpen en gehuchten, oude booten en huisraad, boomstammen, zoo bros als glas en ook riet en wortels van biezen. In een gebouwtje van vlechtwerk vond ik zelfs een geheele verzameling Chineesche handschriften, die heel wat licht verspreidden over den toestand van deze streek, toen hier nog menschen konden leven. De oude geschriften waren meer dan zestien eeuwen oud.
Het vreemde verschijnsel, dat een meer zich verplaatst, kan op de volgende wijze verklaard worden: gedurende den tijd van hoogwater voert de Tarim veel slib aan en zij, zoowel als het oude meer, waren dan altijd heel ondiep. Gaandeweg vulde het meer zich met slib en verrotte planten en daardoor werd ook de bodem der rivierbedding gaandeweg hooger, totdat eindelijk het water naar het zuiden weg liep, waar het land nu iets lager was dan de bodem van het vroegere meer. De oude rivierbedding en het vroegere meer droogden dientengevolge langzaam geheel uit, het populieren woud verdorde, de rietvelden verdwenen en de wind bedekte alles met zand. De menschen verlieten hun hutten en trokken eveneens naar het zuiden, den nieuwen loop der rivier volgend en bouwden aan het nieuwe meer hun nieuwe hutten. Tarim en het Lop-nor hadden dus een zwaai van een slinger gemaakt naar het Zuiden en menschen, dieren en planten moesten ze meemaken. In het zuiden gaat het nu weer precies zoo, rivier en meer vullen zich weer en keeren naar het noorden terug! Maar met deze slingeringen zijn vele eeuwen gemoeid.
Nu ligt het meer in het zuiden; het is bijna geheel met riet begroeid; populieren gedijen slechts bij de rivier. De enkele inboorlingen zijn gedeeltelijk herders, gedeeltelijk visschers; zij stammen af van de Turken en belijden den Islam. Zij zijn even goedhartig als vredelievend en nemen den vreemdeling met groote gastvrijheid op. Hun hutten bouwen zij uit saamgebonden bundels riet, de grond is met rieten matten belegd en het dak bestaat uit takken, waarover riet wordt gelegd. Een groot deel van den dag brengen zij in hun bootjes door; het zijn uitgeholde stammen van populieren en ze zijn daardoor lang en smal. De riemen hebben een breed blad en drijven de boot daardoor met groote snelheid vooruit. In het riet houden zij smalle kanalen open, waardoor zij met de snelheid van een aal heen schieten. Hier leggen zij hun vischnetten ook uit. In het voorjaar leven zij ook van de eieren, die zij uit de nesten der wilde zwanen halen. Het riet groeit zoo dicht, dat men, als een heftige storm het hier en daar heeft omgebogen, er als op een brug over kan loopen, hoewel er twee meter diep water onder staat.
Aan de oevers van het Lop-nor kwamen de tijgers vroeger heel vaak voor en de inboorlingen plachten er op een eigenaardige manier jacht op te maken. Indien een dezer dieren vee had geroofd, dan verzamelden zich al de mannen der omgeving en omringden den roover van drie kanten in het kreupelhout, waar hij verborgen lag. Alleen de kant naar de rivier bleef vrij. Hun eenige wapenen waren stangen en stokken, en om den tijger te dwingen zijn schuilhoek te verlaten, staken zij het kreupelbosch in brand. Nu bemerkte de tijger, dat er voor hem naar de landzijde aan geen ontkomen meer viel te denken, en beproefde naar een eiland of den tegenovergestelden oever te zwemmen. Maar hij is nog niet ver gekomen of een half dozijn bemande booten omsingelen hem in het water. Zij zijn veel vlugger dan de tijger. Heel dicht suist de eerste boot langs hem heen, en een man op den voorsteven drukt met den riem den kop van het dier onder water. Voordat hij weer naar boven komt, is de boot reeds lang uit zijn bereik. Woedend snuift, proest en hoest de tijger, maar op hetzelfde oogenblik is reeds een tweede boot genaderd en weer dompelt een roeiriem hem nog dieper onder water. Als hij weer aan de oppervlakte komt, snakt hij naar lucht; van zijn tanden, pooten en klauwen kan hij geen gebruik meer maken, hij zwemt slechts om zijn leven te redden. Maar het is nog ver, naar den anderen oever. De eerste boot heeft een cirkel gemaakt en is er weer. De tijger is reeds zeer uitgeput. Nu waagt de boot het nog dichter bij te komen; de man op den voorsteven drukt met zijn geheele kracht het dier omlaag, zoodat de roeiriem loodrecht in het water staat en hij houdt het dier zoolang onder water als hij maar kan. Komt de vervolgde weer aan de oppervlakte, dan bereidt de volgende boot hem hetzelfde lot en spoedig wordt de tijger door gebrek aan lucht krachteloos. Hij denkt niet meer aan den naasten oever, hij wil slechts aan de booten ontkomen en daarmede is zijn lot beslist. Steeds weer wordt hij in het open water gejaagd, hij tast en ploft slechts met de pooten rond; om snel te zwemmen ontbreekt hem de kracht. De vervolgers worden nu zoo brutaal dat zij in het geheel niet meer voorzichtig zijn. Drie of vier roeispanen tegelijk drukken den tijger onder het heldere water, waar hij duidelijk is te zien, en als hij nog steeds weer omhoog komt, slaat men hem met de roeispanen op den snuit. Zoo wordt hij ten slotte doodgejaagd; de pooten verslappen na een wanhopigen strijd en hij verdrinkt. Dan bindt men hem een koord om den hals en roeit hem juichend aan land. Men heeft den koning van het kreupelhout overwonnen, zonder één enkel schot te lossen.
Het klimaat aan het Lop-nor-meer is zeer verschillend wat betreft den winter en den zomer; het wisselt tusschen 30 graden vorst en 40 graden warmte; zooals altijd in de binnenlanden van elk vasteland, als het niet, zooals in Midden-Afrika, in de nabijheid van den aequator ligt, waar het altijd warm is. Aan de kusten is het verschil in temperatuur geringer, want de zee koelt de lucht in den zomer af en verwarmt ze in den winter. In het Lopland bevriezen echter in den winter alle rivieren en meren, terwijl in den zomer verstikkende hitte heerscht. Wolken van muggen pijnigen de inwoners en het vee komt bijna om van de paardevliegen. Daarom moet men paarden en kameelen overdag in schuren van biezen onderbrengen. Slechts gedurende den nacht hebben de dieren rust van deze kwelgeesten.
Een ontelbaar aantal wilde ganzen, wilde eenden, zwanen en andere zwemvogels nestelen aan den oever van het Lop-nor-meer; de open watervlakten zijn met snaterende vogels als bezaaid. In het najaar trekken zij over Tibet naar het Zuiden, en ’s winters heerscht aan het meer, dat dan met ijs bedekt is, een diep stilzwijgen.
32. WILDE KAMEELEN.
De streek over welker vlakken bodem het Lop-nor sedert eeuwen tusschen het Noorden en Zuiden heen en weer trekt, heet de Lopwoestijn. Marco Polo vertelde van haar, zes-honderd-veertig jaar geleden, merkwaardige dingen. Als zich hier iemand van zijn geleiders scheidt, dan moet hij geestenstemmen hooren, die hem bij den naam roepen; in de meening, dat het zijn makkers zijn, volgt hij deze stemmen, maar zij brengen hem op een dwaalweg en hij komt jammerlijk om. Ook zou getrappel van ruiterscharen, toonen van muziekinstrumenten en bijzonder tromgeroffel gehoord worden.
Gedurende het doorkruisen, in alle richtingen, van de Lopwoestijn, heeft echter niemand mijn naam genoemd en de stilte der zwijgende woestijn werd hoogstens onderbroken door den orkaan uit het oosten, die donderend over den gelen leembodem rolt. In den loop des tijds hebben deze voorjaarsstormen groeven en voren in het leem geploegd. Verder is de woestijn gelijk aan een bevroren zee. De verspreid liggende schalen van weekdieren doen alleen zien, dat zich hier vroeger de watermassa’s van het Lop-nor uitstrekten.
De noordelijke grenzen van de Lopwoestijn worden gevormd door de oostelijke ketens van den Tien-schan, „de dorre bergen” welker hellingen bijna nooit door regen worden bespoeld. Aan den zuidelijken voet ontspringen slechts weinig zouthoudende bronnen, waaromheen riet en tamarisken groeien, en ook op enkele andere plaatsen in de nabijheid van het gebergte worstelt eenige plantengroei om een armzalig bestaan.
Maar hier is het land der wilde kameelen. Gij moet deze dieren leeren kennen en liefhebben, zooals ik ze ken en liefheb. Ik heb ze dikwijls pijlsnel door de woestijn zien jagen en den kop gestreeld, als de kogels mijner jagers ze hadden gewond.
De wilde kameelen leven in kudden van ongeveer zes stuks. De kameel, die de leiding heeft, is een donkerbruin mannetje, de wijfjes zijn lichter gekleurd. Hun wol is zoo zacht en fijn, dat het een waar genoegen is er over heen te strijken. Dikwijls weiden verschillende kudden of families op dezelfde plaats. Zij eten riet en tamarisken, zijn vet en rond, en hun twee dikke bulten bevatten veel vet. In het voorjaar en den zomer kunnen zij het acht dagen zonder water uithouden, in den winter zelfs veertien. Sedert ontelbare geslachten weten zij de bronnen der woestijn te vinden; de moeders hebben haar jongen daarheen geleid en als deze weer opgegroeid waren, hebben zij er hun eigen kleinen heengebracht. Zij drinken het water, al is het nog zoo zout—er is hun geen keus gelaten. Maar zij blijven niet lang bij een bron. Want hier is het gevaar het grootst. Hun ondervinding leert hen, dat hun vijanden hier eveneens komen om te drinken.
Tegen het gevaar hebben zij geen ander wapen dan hun sterk ontwikkelde zintuigen. De menschen speuren zij reeds op een afstand van twintig kilometer en zij schuwen de lucht van een kampement, die zij waarnemen, ook als de wind de asch reeds lang heeft verwaaid. Tamme kameelen wekken hun argwaan op, zij ruiken niet, zooals de wilde. Zelfs al dreigt hen geen gevaar, blijven zij toch niet lang op dezelfde weideplaats; zij vinden hun weg zonder kaart of kompas en verdwalen nooit.
In sommige streken zijn zij zoo talrijk, dat men bijna alle twee minuten een spoor kruist. Loopen de sporen van alle kanten straalvormig naar een inzinking tusschen twee heuvels, dan kan men er zeker van zijn, dat daar een bron is. Toen mijn tamme kameelen eens elf dagen lang zonder water waren, werden zij door dit spoor hunner wilde bloedverwanten gered.
Stel u nu een kudde van zes wilde kameelen voor, welker spoor kameeljagers uit de „dorre bergen” trachten te volgen. De leider is een oud mannetje, dat dertig jaar in de woestijn heeft geleefd en aan alle gevaren ontkomen is. Hij ligt herkauwend op zijn vier knieën te midden van zijn drie wijfjes en twee jongere mannetjes; twee grazen er slechts. De oude houdt eensklaps met herkauwen op, strekt den hals uit en blaast de neusvleugels op, om zooveel mogelijk lucht in den neus te halen. en daardoor des te beter te kunnen speuren. Daarna staat hij op, steeds met den kop naar het Noorden gekeerd. De andere blijven nog rustig liggen; zij vertrouwen op hun leider. Hij doet eenige schreden naar het Westen, want hij heeft gevaar ontdekt. Daar knalt uit het Noorden een schot. De liggende springen als springveeren omhoog en de geheele kudde jaagt in een stofwolk weg. Spoedig zijn zij door den verrekijker nog slechts als kleine zwarte punten te zien.
Zij loopen den geheelen dag; des nachts matigen zij hun schreden en blijven nu en dan staan om rond te zien. Daar het schijnt, dat geen gevaar meer dreigt, stellen zij zich langzamerhand gerust en trekken weer naar een zoutachtige bron aan den voet van het gebergte. In het rond groeien dicht riet en tamarisken. De wind komt van het Oosten en daardoor bemerken zij het gevaar niet, hetwelk hen uit het Westen dreigt. Want wij zijn tegen den wind in aan den anderen kant van de oase gekomen en tusschen de tamarisken door, sla ik al hun bewegingen met den verrekijker gade. Geluidloos en buigzaam als een panter sluipt mijn jager langs den grond, verbergt zich in kleine diepten en achter struiken en nadert langzaam de kudde. Ach, dat de kameelen hem toch speurden en ontkwamen! Onbeweeglijk ligt de schutter op den juisten afstand achter een struik.—Voorzichtig heft hij het geweer naar het oog en drukt af. Het schot knalt, de dieren schrikken op en vluchten, regelrecht den schutter tegemoet. Maar spoedig bemerken zij hun vergissing en maken rechts om keert. Pijlsnel vliegen zij, gehuld in stofwolken, het gebergte in.
Doch het zijn er maar vijf, een mannetje is achtergebleven. Hij ligt met uitgestrekten hals, en ziet ons, die nu naderen, met verstrooide oogen aan, nog kauwend aan de bladeren van het riet, dat hij juist tusschen de tanden had, toen de kogel in zijn buik drong. Hij beproeft op te staan, maar de voorpooten weigeren den dienst. Nu staan wij rondom den zoon der woestijn; hij is doodelijk gewond en verlaten door zijn kameraden. Zijn blik glijdt kalm en bedachtzaam langs den horizon, hij neemt afscheid van de woestijn. Na enkele minuten is hij dood.
Zoo zag ik den koning der woestijn, den wilden kameel, die, evenals den wilden ezel, thuis is in doodsche streken en op zoutachtige steppen. Waar zelfs geen hagedis voedsel vindt en geen vlieg in de lucht gonst, waar de zomerzon den leembodem gloeiend verhit, daar trekt hij langs zijn uitgestrekte, koninklijke wegen, en afstanden zijn voor hem niets. Het gaat met hem als met den wind, men weet niet vanwaar hij komt, en waarheen hij gaat. De wilde kameel loopt sneller dan de Afrikaansche struisvogel en bespot paard en ruiter. Ik zag hem in zijn onbegrensde vrijheid weiden en drinken, in de schaduw der tamarisken rusten en, verschrikt, de ondergaande zon tegemoet, wegvlieden. Wanneer wij hem het minst verwachtten, dook hij plotseling in onze nabijheid op. Het is iets merkwaardigs, dat zulk een geweldig, groot dier in zulk een woestenij der aarde kan leven. En toch leven zij hier, vermenigvuldigen zich en glippen als schaduwen en schimmen vluchtig langs het oog van den reiziger voorbij.
33. TIBET.
In het zuiden van Oost-Turkestan strekt zich de geweldige verheffing uit van de aardkorst, die wij Tibet noemen. Zijn buren zijn: in het Oosten, het eigenlijk China, in het Zuiden Birma, Bhoetan, Sikkim, Nepal en Britsch-Indië. In het Westen Kaschmir en Ladak. De politieke grenzen zijn echter van weinig beteekenis; zij blijven zelden onveranderd van de eene eeuw op de andere, want sedert den oertijd verruimt elke sterker wordende staat zijn grenzen ten koste zijner buren. Maar onveranderd blijft daarentegen de aardkorst zelf, indien wij de voortdurende werking niet in aanmerking nemen, die regen en rivieren, weer en wind teweeg brengen, terwijl zij de inzinkingen met slib en zand vullen, de dalen dieper insnijden en door verwering de bergen afbrokkelen. Maar hoe werkdadig deze krachten ook mogen zijn, Tibet blijft toch het hoogste bergland der aarde.
Als gij uw linkerhand zoo op Tibet legt, dat de plaats van de pink op den Pamir rust, dan bedekt de overige vlakte der hand de gebieden van Midden-Tibet, die geen afvloeiïng naar de zee hebben, daarom dus in een menigte afzonderlijke zoutmeerbekkens uitloopen. Uw duim rust op den Himalaja, uw wijsvinger op den Trans-Himalaja, uw middelste vinger op den Kara-Korum, de ringvinger op den Arkatag en de pink op den Pamir hoogvlakte. Gij kunt de hoogste bergketens der aarde op uw vingers natellen. Indien gij nu een gieter neemt met een sproeier aan de tuit en gij laat een gelijkmatige douche over den rug uwer hand vallen, daarbij de hand op het blad der kaart drukkend en spreidt de vingers uit, dan zal een klein deel water op den rug der hand blijven staan, terwijl het meeste tusschen de vingers doorloopt. Precies zoo gaat het in Tibet. De gieter vertegenwoordigt den regen van den Zuid-Westmousson, die trouwens in de oostelijke deelen van het land rijkelijker valt dan in het westelijk deel. Het op den rug der hand achtergebleven water zijn de kleine, verstrooid liggende, zoutachtige meren op de hoogvlakte, aan welke elke afvloeiïng naar de zee ontbreekt. Het omlaagloopende water zijn echter de groote rivieren tusschen de bergketenen.
Van deze rivieren gaan twee naar het Oosten: de gele rivier Hoang-ho naar de Gele Zee en de blauwe rivier, Jang-tje-kiang, naar de Oost-Chineesche zee. De overige loopen naar het Zuiden: de Mekong mondt uit in de Zuid-Chineesche Zee, de Saloeën, de Irawadi en de Brahmapoetra in de groote golf van den Indischen Oceaan, de Bengaalsche zeeboezem. Gij verbaast u over de vreemde bochten, welke de Brahmapoetra rondom uw duim maakt, en natuurlijk stroomt ook langs de buitenzijde van uw duim een massa water omlaag; dat is de Ganges, die van de hoogdalen van den Himalaja komt. En het meest naar het Westen, het dichtst bij de pink, stroomen de twee ons reeds bekende rivieren: de Indus naar het Zuiden in de Arabische Zee, en de Tarim, eerst naar het Noorden en dan Oostelijk in het Lop-nor.
De Himalaja is de hoogste bergvlakte der aarde en tusschen zijn kammen verheffen zich de hoogste toppen der wereld. Drie daarvan moet gij in uw herinnering bewaren, want zij zijn zeer beroemd: den Mont Everest, die met zijn 8840 meter de hoogste berg der aarde is, den Kantschinschanga met 8580 en den Dhawalagiri met 8180 meter. De Dapsang in de Kara-Korumketen is echter maar 200 meter lager dan de Mont-Everest.
Van het Zuiden gezien levert de Himalaja een grootsch schouwspel op. Geen ander bergland der aarde kan zich in verbazingwekkende schoonheid met hem meten. Gaat men met de spoorlijn van Calcutta omhoog naar Sikkim, dan heeft men den met sneeuw bedekten kam van den Himalaja voor en boven zich en de Kantschindschanga steekt als een verblindend witte tand boven alles uit. Onder de sterk afstekende sneeuwgrens gaan de steile, met wouden bedekte hellingen omlaag. Vroeg in den morgen en bij mooi weer verheft de getande sneeuwkam zich in het schelle zonlicht, terwijl hellingen en dalen nog in schaduw en nevel verdwijnen. Op den rit naar deze groote hoogten ziet men de flora even sterk veranderen als wanneer men van Italië naar den Noordkaap gaat. De laatste planten, die den strijd tegen de koude nog aanbinden zijn mossen en korstmossen. Verder omhoog bevindt zich slechts naakte steen.
Noord- en Midden-Tibet liggen gemiddeld 5000 meter hoog, dus nog hooger dan de top van den Montblanc! Daar het geheele plateau reeds zoo’n ontzaglijke hoogte heeft, schijnen de bergketenen er op zeer onbeduidend. Tusschen de vijf groote ketenen liggen nog ontelbaar veel kleinere en alle gaan van het Westen naar het Oosten. Ze hebben zich ongeveer gevormd als de plooien van een tafelkleed, dat van twee verschillende kanten wordt samengeschoven.
Met een vreemd, onbeschrijflijk gevoel staat men op zulk een hoogen pas in het hartje van Tibet. Gij zijt op bijna 6000 meter hoogte en 50–100 meter van u verwijderd kunnen zich toppen verheffen die nog 1500 Meter hooger zijn. Maar toch beheerscht uw blik het geheele bergland in het rond tot aan den horizon, als het niet waait en de lucht volkomen helder is. Gewoonlijk waaien er echter ijskoude westenwinden. Door den grooten afstand waarop men ze ziet, lijken de met sneeuw en ijs bedekte toppen een blauwen glans te bezitten.