Part 11
Wij waren zoo licht mogelijk gekleed; Kasim droeg slechts een buis, wijde broek en laarzen; zijn muts had hij vergeten, hij vroeg mij om een zakdoek, dien hij om het hoofd bond. Ik droeg een witte muts, wollen ondergoed, een wit pak van dun katoen en Zweedsche laarzen. Ik had mij in ons doodskamp verkleed om mij helder en netjes te kunnen neer leggen om te sterven.
Met de vastberadenheid der wanhoop wilden wij vooruit, maar waren toch na twee uur reeds zoo slaperig, dat wij een poosje moesten uitrusten. Maar de nachtelijke koude joeg ons te vier uur reeds weer op en wij sleepten ons verder. De dag werd gloeiend heet en te twaalf uur waren wij geheel uitgeput van vermoeidheid. Uit een naar het Noorden loopende zandhelling groef Kasim koud zand, waar wij ons geheel naakt in groeven, zoodat ons hoofd er slechts uitstak. Om ons voor een zonnesteek te behoeden spanden wij ons goed over de spade om ons te beschaduwen. Pas te zes uur verroerden wij ons weer, en marcheerden nu toch nog zeven uur! Maar steeds vaker moesten wij uitrusten en om een uur sluimerden wij op een zandheuvel in. Hier lagen wij drie uur; toen ging het weer verder naar het Oosten. Ik had het kompas steeds in de hand. Een nieuwe dag, de 3de Mei, brak aan; toen bleef Kasim eensklaps staan en wees zonder een woord te zeggen naar het Oosten. In de verte was een kleine, donkere punt zichtbaar, een groene tamariske! De struik kon in de woestijnzee niet leven, als zijn wortelen niet tot grondwater reikten.
Wij sleepten er ons heen, dankten God, kauwden als dieren de sappige, groene naalden van de tamariske. Een poosje rustten wij in de ijle schaduw er van uit, daarna ging het verder, totdat wij te half tien, bijna bewusteloos, naast een tweeden struik neervielen.
Weer groeven wij ons in het zand en lagen hier, zonder een woord met elkaar te wisselen, volle negen uur. In de schemering sleepten wij ons met wankelende schreden verder. Na een zwerftocht van drie uur bleef Kasim weer staan. Iets donkers vertoonde zich tusschen de duinen; drie prachtige populieren, met sappige bladeren! Wel waren de bladeren te bitter om te eten, maar wij wreven ons er de huid mede in, tot ze vochtig werd.
Hier wilden wij nu een bron graven, maar de spade ontviel aan onze krachtelooze handen! Wij wierpen ons dus op den grond, en krabden de aarde met de nagels weg, maar lang hielden wij dat niet uit. Nu verzamelden wij droge takken, en ontstaken een laaiend vuur, dat Islam onze richting moest wijzen, en in het Oosten de aandacht moest trekken, want langs den oever van den Chotan-darja, loopt een karavaanweg.
Den vierden Mei, ’s morgens vroeg, ging het verder. Maar na vijf uur waren wij geheel uitgeput. Kasim was niet meer in staat een kuil te graven. Ik groef mij zelf dus in het koele heuvelzand en lag tien uur zonder een oog te sluiten.
Hoe onverdragelijk langzaam gaat op zulk een dag de zon langs den hemel. Toen eindelijk de avondschaduwen zich over de aarde uitstrekten en ik gereed was om op te breken, fluisterde Kasim mij toe, dat hij niet meer verder kon. Ik was zoo suf, dat ik er zelfs niet aan dacht, hem vaarwel te zeggen, toen ik door duisternis en zand alleen mijn weg vervolgde. Even na middernacht viel ik naast een tamariske neer. De sterren fonkelden als gewoonlijk, geen geluid werd vernomen, slechts het kloppen van mijn hart en het tikken van mijn horloge verbrak het ontzettend zwijgen. Daar ritselde iets in het zand.
„Zijt gij het, Kasim?” vroeg ik.
„Ja, heer,” fluisterde hij.
„Laat ons nog een eind gaan,” zeide ik, en hij volgde mij met trillende beenen.
Sedert ons lichaam zoo droog geworden was als perkament hadden wij het gevoel van dorst bijna verloren. Maar onze kracht was ten einde, en wij kropen heele einden op handen en voeten.
Wij waren bijna verdoofd, en zoo onverschillig jegens alles, alsof wij slaapwandelaars waren. Na eenigen tijd ontwaakten wij echter weer tot volle bewustzijn, want eensklaps stonden wij voor een menschelijk spoor! Herders bij de rivier moesten ons vuur hebben gezien en naderbij zijn gekomen. Wij volgden het spoor een hoogen duinweg op, waar het zand vaster was, en de sporen duidelijker te herkennen waren. En nu—herkenden wij ze! „Het zijn onze eigen sporen,” fluisterde Kasim met wegstervende stem. Wij hadden in een cirkel geloopen! Uiterst terneergeslagen en afgemat zonken wij op het spoor neer.
Zoo brak de vijfde Mei aan. Wij hadden slechts anderhalf uur geslapen. Kasim zag er ontzettend uit; zijn tong was gezwollen, wit en droog, zijn lippen dik en blauw. Een krampachtig snikken martelde hem, dat zijn geheele lichaam deed schokken, het teeken van den naderenden dood. Wij hadden dapper gestreden maar nu was het einde nabij. Het bloed stroomde dik door de aderen, men voelde, hoe oogen en gewrichten uitgedroogd waren. Toen de zon opging vertoonde zich aan den Oostelijken horizon een donkere lijn. Dat moest het woud aan den oever van de Chotan-darja zijn! Nog een laatste inspanning om daar te komen, voordat uitputting en dorst ons doodden! In een greppel groeiden een aantal populieren.
„Hier zullen wij blijven, het bosch is nog zoo ver!” Maar tot graven hadden wij geen kracht meer en kruipend vervolgden wij onzen weg.
Eindelijk waren wij er. Mijn hoofd was even suf als na een kwellenden droom, na een benauwde nachtmerrie. Groen en weelderig stond het bosch daar voor ons, gras en kruiden groeiden tusschen zijn boomen. Talrijke sporen van wilde dieren, tijgers, wolven, vossen, herten, antilopen, gazellen en hazen waren overal te zien. De vogels zongen hun morgenlied en het gegons der insecten vervulde de lucht. Overal heerschte vroolijk leven.
Ver kon het dus tot de rivier niet zijn, maar ondoordringbare doornstruiken en door den wind gebroken stammen versperden ons den weg dwars door het bosch. Daar vertoonde zich een pad met duidelijk te herkennen menschen- en paardensporen! Dat moest zeker naar den oever der rivier voeren, maar zelfs de hoop op spoedige redding kon ons niet meer staande houden.
Te negen uur brandde de zon reeds zoo heet, dat wij in de schaduw van twee populieren neervielen. Met Kasim kon het nu niet lang meer duren. Naar adem snakkend lag hij op den grond en staarde de met krankzinnige uitdrukking naar den hemel. Hij antwoordde niet meer, als ik hem schudde. Ik kleedde mij uit en kroop in een holte tusschen de wortels der boomen. In het rond zag ik in het zand sporen van schorpioenen, die in de vermolmde stammen huisden; maar het vergiftige ongedierte liet mij met vrede.
Tien uur lag ik zoo zonder te slapen, daarna nam ik den houten steel der spade en kroop alleen door het bosch.
Kasim verroerde zich niet meer. Van boomstam tot boomstam sleepte ik mij door het kreupelhout verder, de doornen kwetsten mijn handen en verscheurden mijn kleeren. Het schemerde en werd donker, ik voelde, hoe de slaap mij wilde overmannen. Indien hij de overhand kreeg, zou ik niet meer ontwaken.
Daar eindigde op eens het bosch: de bedding van de Chotan-darja lag voor mij. Maar—de bodem was droog, even droog als het zand der woestijn! Pas laat in den zomer, als de sneeuw in het zuidelijk gebergte is gesmolten, heeft de rivier water. Maar moest ik hier bij den oever sterven? Voordat ik alles verloren gaf, wilde ik beproeven de geheele bedding te doorkruisen! Ze was hier twee kilometer breed, een ontzaglijke uitgestrektheid. Den steel der spade tot steun gebruikend, wankelde ik langzaam vooruit, kroop heele einden, maar nog vaker moest ik uitrusten en dan met alle wilskracht tegen den drang tot slapen strijden.
Tot nu toe waren wij steeds oostelijk gegaan, maar dezen nacht trok een onweerstaanbare kracht mij naar het Zuid-Oosten. Een onzichtbare hand schijnt mij te hebben geleid.
De sikkel der maan wierp een bleek licht over de uitgestrekte bedding der rivier. Ik ging in de richting der maan verder en hoopte een zilveren streep in een watervlak te zien blinken. Na een poos—voor mij een eeuwigheid!—onderscheidde ik de lijn van het woud op den oostelijken oever. Zij werd duidelijker. Een omgevallen populier lag schuin over een kuil in de bedding der rivier en aan den oever groeiden dichte struiken en riet.
Weer moest ik uitrusten, en luisterde in den plechtig stillen nacht, waarin ik mij nader dan ooit te voren bij God en de eeuwigheid gevoelde. Zou ik midden in de bedding der rivier van dorst omkomen? Zouden de schuimende golven van den zomerstroom mijn verdroogd lijk wegspoelen? Onmogelijk! Nog eens voorwaarts! Nauwelijks had ik een paar schreden gedaan, of ik bleef als in den grond geworteld staan: met suizenden vleugelslag verhief zich een wilde eend; ik hoorde geplas van water en het volgend oogenblik stond ik aan den rand van een plas met frisch, koud, heerlijk water!
Ik viel op de knieën en dankte God voor mijn wonderbare redding. Nu haalde ik mijn horloge te voorschijn en onderzocht mijn zwakken pols, die nog slechts negen en veertig slagen deed. Daarna dronk ik eerst langzaam, daarna steeds sneller, dronk en dronk, totdat eindelijk mijn dorst voorloopig gestild was. Vervolgens ging ik zitten en voelde, hoe het leven snel bij mij terugkeerde. Na eenige minuten was mijn pols tot op zes en vijftig slagen gestegen. De, zooeven nog droge, als hout zoo harde handen, werden weêr zachter, het bloed stroomde lichter door de aderen, het voorhoofd werd vochtig; het leven leek mij schooner en heerlijker dan ooit te voren! Ik dronk nog eens en dacht over mijn wonderbare redding na! Indien ik slechts vijftig schreden rechts of links uit het bosch was gekomen, dan zou ik de waterplas nooit hebben gevonden; ik zou naar den verkeerden kant zijn gekropen, vanwaar het tot de volgende plas misschien nog een afstand van tien kilometer was en zoo ver ik nooit zijn gekomen, voordat slaap en de stijfheid des doods mij overweldigd zouden hebben!
Maar nu terug naar den stervenden Kasim! Indien hij nog te redden was, dan moest zoo snel mogelijk hulp worden geboden. Ik vulde mijn waterdichte laarzen tot den rand, hing ze met de lussen aan beide einden van den steel der spade en keerde met den last met luchtige schreden naar het bosch terug. Maar het was stikdonker en onmogelijk een spoor te zien. Ik riep met al de kracht mijner longen: „Kasim!” Geen antwoord. Nu zocht ik hakhout van verdorde stammen en rijs en stak het aan. In een oogwenk laaiden de vlammen helder op. Het knetterde, schoot vonken en knalde, het sprankelde en floot door den van beneden komenden tocht. De vurige tongen lekten tegen de stammen der populieren en een roodachtig geel licht verhelderde den pikzwarten schuilhoek van het woud, alsof het dag was. Ver verwijderd kon Kasim niet zijn, en hij moest het vuur zien. Weer zocht ik naar mijn voetsporen, maar om niet in het bosch te verdwalen, bleef ik ten slotte in de nabijheid van het vuur, zette de laarzen tegen den wortel van een boom, ging op een plek liggen, waar het vuur mij niet kon bereiken, maar waar ik toch veilig was voor wilde dieren en sliep in.
Toen de dag aanbrak, vond ik het spoor. Kasim lag nog precies, zooals ik hem had verlaten. „Ik sterf,” fluisterde hij met nauwelijks verneembare stem, maar toen ik den eenen laars aan zijn lippen bracht, kwam hij weer tot het leven terug en dronk eerst de eene, daarna ook de andere leeg! Nu besloten wij samen naar de waterplas terug te keeren. Weer in de woestijn terug keeren was onmogelijk, want wij hadden sinds een week niets gegeten, en nu de dorst was gestild, meldde de honger zich ook aan. Wij waren er ook van overtuigd, dat onze makkers reeds vele dagen geleden gestorven waren.
Maar Kasim gevoelde zich zoo mat, dat hij niet kon volgen, en ik zocht uren lang iets eetbaars. Eindelijk ging ik in de nabijheid van de waterplas liggen tusschen dichte struiken, met mijn muts en de laarzen onder mijn hoofd en sliep diep en zwaar in. Sedert den eersten Mei had ik niet geregeld geslapen. Toen ik wakker werd, was het reeds donker en de zandstorm, die overdag al had gewoed, huilde nog steeds. De honger kwelde mij zoo ontzettend, dat ik gras, bloemen en uitspruitsels van riet begon te eten. De waterplas wemelde van donderpadden. Zij smaakten bitter, maar ik beet ze in den nek en slikte ze door. Na dit „avondeten” verzamelde ik een grooten voorraad droge takken om het vuur gedurende den nacht te kunnen onderhouden, kroop toen weer in mijn schuilplaats, en keek gedurende twee uur in de vlammen.
Deze storm werpt de eerste scheppen aarde over mijn gestorven mannen en de gevallen kameelen, dacht ik. Daarna sliep ik weer in.
Den zevenden Mei kroop ik, toen de ochtend grauwde, uit het kreupelhout, nam water in de laarzen mede en richtte mij naar het Zuiden. Na eenige uren waren mijn voeten zoo gewond en vol blaren, dat ik mijn hemd aan reepen scheurde en ze daar inwikkelde.
Welk een vreugde, dat ik aan den oever een schaapskooi aantrof! Zij was wel is waar in lang niet gebruikt, maar ze verried toch, dat in de bosschen herders leefden. ’s Middags ontbeet ik met gras en uitspruitsels van riet en trok verder naar het zuiden. Maar reeds te acht uren begaven mijn krachten mij. Ik zocht weer een plekje, dat door populieren en struiken beschut was en ontstak als gewoonlijk een kampvuur. Ik kon niets anders doen dan stil liggen, in de laaiende vlammen kijken, en naar het geheimzinnig geruisch van het woud luisteren. Dikwijls vernam ik sluipende schreden en het kraken van dorre takken. Maar nu ik op zulk een wonderbare manier was gered, vreesde ik niet meer, dat tijgers mij misschien zouden aanvallen.
Het was nog donker, toen ik den achtsten Mei opstond, om in het bosch naar een weg te zoeken, maar ik was nog niet ver gegaan of de boomen stonden al weer verder uit elkaar, en op eens lag de akelige gele zandzee weer voor mij. Ik snelde terug naar de bedding der rivier en rustte gedurende de heete uren in de schaduw van een populier. Daarna ging ik verder en hield nu den rechteroever der rivier. Kort voor zonsondergang bleef ik staan, als aan den grond genageld door een verrassend schouwspel: nog versche sporen van twee mannen op bloote voeten, die vier ezels naar het noorden hadden gedreven, waren in het zand te zien! Deze reizigers nog in te halen, daarop was geen uitzicht. Ik volgde dus hun spoor in tegenovergestelde richting en liep sneller dan anders. Reeds daalde de schemering op het woud neer, toen ik aan een vooruitspringend gedeelte van den oever iets ongewoons meende te hooren. Ik luisterde met ingehouden adem, maar het woud bleef geheimzinnig zwijgen. Misschien was het een trompetvogel of een lijster, dacht ik, en ging verder. Na een poosje schrok ik weer, en bleef als in den grond geworteld staan; heel duidelijk hoorde ik een menschelijke stem en het loeien van een koe. Snel trok ik mijn natte laarzen aan, spoedde mij het bosch in en stond enkele oogenblikken later op een open plek, waar tusschen de boomen een kudde schapen weidde. De herder schrok eerst, toen hij mij zag; daarna wendde hij zich om en verdween in het kreupelhout.
Na een poosje kwam hij echter met een ouderen herder terug en nadat ik hun mijn lot verteld had, verzocht ik hun om brood. Zij wisten niet goed, wat zij moesten denken, brachten mij echter in hun hut gaven mij maïsbrood en schapenmelk.
Het gelukkigste toeval was echter, dat twee kooplieden den volgenden dag voorbij reden en ik van hen hoorde, dat zij den vorigen dag aan den oever naast een witten kameel een stervende hadden gevonden. Het was Islam Bai! Zij hadden hem met water verkwikt en den volgenden dag verschenen hij en Kasim in mijn hut. Mijn trouwe Islam had mijn aanteekeningen, kaarten, eenige instrumenten en de reiskas gered; mijn nachtelijk vuur bij de populieren had hem weer moed en kracht gegeven. De twee andere mannen en de kameelen waren echter in de woestijn omgekomen.
30. TWEEDUIZEND KILOMETER STROOMAFWAARTS.
Onmiddellijk bij het dorp, vanwaar ik in het jaar 1895 den gevaarlijken tocht door de woestijn Takla-Makan was begonnen, kampeerde ik weer in September 1899 met een groote karavaan en veel bedienden, om van hier uit, geheel Oost-Turkestan, te water te doorkruisen, teneinde op deze wijze, misschien een zeer gewichtige wetenschappelijke strijdvraag op te lossen. Deze waterweg heet in het bovenste gedeelte Jarkent-darja, in het benedenste Tarim. Bij elk dorp werd de rivier gesneden door een landweg en de reizigers werden met een veer overgezet. Zulk een veerboot kocht ik, om daarop de tweeduizend kilometer lange reis te beginnen!
Mijn manschappen hadden de boot met behulp van inboorlingen tot een behaaglijk tehuis ingericht. Op een aparten vloer van planken was mijn hut stevig opgeslagen en daarachter was een met zwart baai overtrokken, en van vensters voorziene kajuit. In de tent stond mijn bed, en verschillende kisten; er lag een kleed op den grond, en van twee kisten was een schrijftafel gemaakt, die zelfs versierd was met platen en de fotografiën mijner ouders en van mijn broers en zusters. Een andere kist diende als stoel. In het midden van de boot lag de zware bagage, ons proviand en op het achterdek was de keuken geplaatst, waar Islam Bai zijn ambt uitoefende. Bovendien had ik nog een kleine reserve-boot laten bouwen, die vooruit moest varen en ons voor de gevaarlijke plaatsen waarschuwen. Deze twee booten geleken op een kleine boerderij: ze droeg vruchten en groenten en herbergde hoenders en schapen. Mijn groote bagage, welke ik gedurende de vaart niet noodig had, was op kameelen geladen en de bedienden der karavaan hadden de opdracht mij over drie maanden aan het eind van dezen stroom op te wachten. Behalve Islam Bai nam ik nog drie reisgenooten op dezen riviertocht mede om de boot te besturen en de overige bediening te verrichten.
Den 17den September begon ik dezen romantischen tocht en eenige uren en dagen van mijn leven op de rivier wil ik nu beschrijven.
De boot is gehoorzaam de bochten der rivier gevolgd en wij zijn aan het einde eener dagreis. Ik kommandeerde „halt!” Palta, een der bootsknechten, stoot een paal vast in den bodem van den stroom, drukt er met al de kracht van zijn lichaam tegen en dwingt daardoor de boot het achtereind naar het land te keeren. Nu zwemt een ander met een touw naar den oever en bindt het aan een boomstam. De landingsplank wordt uitgelegd en op een plaats, tusschen jong hout, een vuur ontstoken. Spoedig borrelt het vroolijk in de theekannen en rijstpannen.
Ik blijf nog aan de schrijftafel en kijk over de rivier, waar de maan op de oppervlakte een breede straal van zilveren ringen vormt. Stil en vredig is het rondom mij, zelfs de muggen zijn ter ruste gegaan. Ik hoor slechts het brandhout van het kampvuur knetteren en van den nabijzijnden oever zand en water afglijden.
In de verte klinkt het geblaf van honden, hetgeen mijn beide vierbeenige geleiders beantwoorden.
Nu hoor ik voetstappen op de boot. Islam Bai verschijnt met het avondeten. De schrijftafel wordt veranderd in een eettafel en Islam dient rijstpudding met uien op en wortelen met fijngehakt schapenvleesch, versch gebakken brood, eieren, augurken, meloenen en druiven. Daarmeê kan men tevreden zijn! Wil ik drinken, dan laat ik mijn beker aan een koord omlaag in het water, dat zacht kabbelend langs de pont glijdt. Mijn honden houden mij gezelschap. Zij zitten met gespitste ooren, den kop een weinig terzijde, voor mij en wachten op een goede bete. Islam Bai komt terug om op te ruimen. Ik sluit de tent, kruip in mijn kooi en verheug mij, aan boord van mijn eigen schip te kunnen wonen. Ik behoef slechts een touw los te maken om weer op weg te gaan.
Op zekeren dag hadden wij een streek bereikt, waar de rivier smaller werd en zich met groote snelheid tusschen kleine eilanden en massa’s opeengehoopt drijfhout heenwrong. Hier heeft Palta veel te doen, onophoudelijk moet hij de boot met den stok van de eene of andere hindernis afstooten en maar al te dikwijls loopen wij op stammen van populieren, die niet boven het water uitsteken. Dan draait de pont zich in een kring rond en de geheele bemanning springt in het water om het schip weer vlot te krijgen.
In de verte klinkt een ruischend geluid, dat steeds sterker wordt. In een ommezien zijn wij bij een stroomversnelling gekomen, en om op te houden is het te laat. Als de boot zich maar niet dwars keert, want dan slaan wij om! „Laat ze recht op den val losgaan!” roep ik. Alle stokken zijn in beweging en met suizende snelheid glijdt de boot effen en vroolijk over de kolkende watermassa. Beneden aan de stroomversnelling is de rivier breeder, maar zoo ondiep, dat wij op den blauwen kleibodem vastloopen. Wij drukken, stooten en trekken, maar het helpt niets. Al de bagage moest aan land worden gedragen en met vereende krachten draaien wij de boot zoo lang in het rond, totdat de bodem der rivier toegeeft. Dan wordt de bagage weer aan boord gebracht.
Hier en daar bedekt oud, dicht woud den oever, en de boot glijdt als op een kanaal in een park verder. Het woud is stil, geen blaadje beweegt zich en de rivier stroomt geluidloos. Nu en dan behoeven de mannen slechts met den boom een stoot te geven, om de boot weer in het midden van het vaarwater te krijgen. Het is als een sprookje en ik waag ternauwernood te spreken om de stilte niet te storen. Wij varen als in een betooverd bosch, en ik verwacht elk oogenblik nixsen en elfen uit het kreupelhout te voorschijn te zien gluren. Maar groot is het rijk van dit woud niet, en waar het eindigt, begint de uitgestrekte, moordende woestijn.
Zoo gingen weken voorbij en de boot dreef steeds verder stroomafwaarts. Reeds bemerkte men de komst van den herfst; het woud kreeg gele en roode tinten en de bladeren begonnen te vallen. Indien ik niet in wilde vriezen, werd het tijd het doel te bereiken, waar mijn karavaan mij wachtte. Daarom staken wij reeds vroeg in den morgen van wal, en landden pas lang na zonsondergang. Het is zoo stil als in een tempel, nu en dan snatert een wilde eend in het riet of een vos sluipt ritselend rond. Een kudde wilde zwijnen ligt gemoedelijk in het oeverslijk, beziet de geluidloos voorbijglijdende boot met de grootste verwondering en suist dan weg als een blazende wervelwind door het knakkende riet. Herten grazen aan den oever, zij bespeuren de boot en maken rechtsomkeert. Vlak voor de boot zwemt een reebok dwars over den stroom en Islam loert met zijn geweer op den voorsteven. Maar de reebok is een flinke zwemmer; met een sprong is hij boven aan den oeverkant en verdwijnt bliksemsnel. Ook sporen van tijgers vertoonen zich bij onze kampplaatsen, maar het gelukte ons nooit een van deze donkergele katachtigen, met hun zwartgestreept vel, te verrassen.
Toen wij reeds in lang geen menschen meer hadden aangetroffen, vertoonde zich op zekeren dag aan den oever de rook van een vuur. Eenige herders hoedden hun schapen en hun honden begonnen te blaffen. Verbaasd en verschrikt gaapten de mannen de naderende boot aan en meenden een spookverschijning te zien. Snel maakten zij rechts om keer en liepen ijlings heen. Twee mijner mannen, die ik aan land zond, konden hen niet meer vinden.