Part 10
De schorpioenen leven in vermolmde boomstammen, onder steenen en in muren, en daar zij van warmte houden, zoeken zij huizen en hutten op en kruipen in kleeren en bedden. In oude tijden geloofde men aan hun opstanding uit den dood, en uit het Oude Testament zijn zij ons wel bekend; want God leidde de kinderen Israëls, „door de groote, vreeselijke woestijn, de verblijfplaats der slangen en schorpioenen, een verdord land waar geen water is.” Zij komen ook in het Nieuwe Testament voor. Want Jezus zeide tot de zeventig: „Ziet, ik geef U macht op slangen en schorpioenen te treden,” en dat zij in den ouden tijd evenzeer gevreesd waren als tegenwoordig, dat bewijst de plaats uit de Openbaring van Johannes: „En uit den rook gingen de sprinkhanen op en hun werd dezelfde macht gegeven, die de schorpioenen op de aarde hebben.”
Maar dit afzichtelijk kruipend gedierte kruipt niet alleen op de aarde rond, maar heeft ook een plaats in den Zodiak, den ring van sterrenbeelden, dien wij den dierenriem noemen als achtste der twaalf beelden. In deze eigenschap wordt de schorpioen in oude Egyptische tempels afgebeeld, en zoo verheugde hij zich dus reeds in de grijze oudheid in een beroemdheid als geen ander zoo laagstaand dier.
’s Nachts verlaten de schorpioenen hun duistere schuilplaatsen en gaan op de jacht. Zij houden daarbij den staart omhoog, over den rug gebogen om den angel niet te beschadigen en dadelijk gereed te zijn voor aanval en verweer. Heeft de schorpioen een geschikt slachtoffer gevonden bijvoorbeeld een spin, dan stormt hij er dadelijk op los, grijpt het met zijn kreeftachtige scharen vast, heft het boven zijn kop en boven zijn naar omhoog gerichte oogen, en geeft het met den giftangel den doodsteek; dan zuigt hij zich vast in de zachte deelen van het slachtoffer en verbrijzelt de harde met zijn kaken.
De jonge schorpioenen komen levend ter wereld en gelijken van den eersten dag af op de oude; ze zijn echter nog licht van kleur en zacht. Zij kruipen op den rug en langs de pooten der moeder, die intusschen steeds zwakker is geworden en verlaten haar pas na eenigen tijd, als zij sterft. Tot de ergste vijanden der schorpioenen behooren zekere behaarde eveneens giftige spinnen, die in Perzië en Beloedsjistan, zeer vaak voorkomen.
De steken van groote schorpioenen zijn ook voor den mensch gevaarlijk. In sommige gevallen is de gestokene twaalf uur later onder ontzettende smarten gestorven. Andere krijgen krampen en koorts en lijden ijselijke pijnen. Maar wie meermalen door schorpioenen wordt gestoken wordt tenslotte ongevoelig voor het gift. Ik heb vaak in Aziatische hutten, in mijn tent, onder mijn bagage, en zelfs op mijn bed schorpioenen gevonden, ik ben er echter nooit door gestoken. Het is velen mijner bedienden wel gebeurd, en zij vertellen mij, dat het moeilijk is vast te stellen, waar de schorpioen heeft gestoken daar het gansche lichaam na den steek jeukt en brandt. In Oost-Turkestan is men gewoon, den schorpioen, door welken men gestoken werd, te vangen, en tot een brijachtige massa fijn te maken, en deze zalf smeert men dan op de plek waar de angel ingedrongen is. Of de kuur helpt weet ik niet.
Er wordt verteld, dat de vastberadenheid van een schorpioen zoo ver gaat, dat hij zelfmoord pleegt, als hij geen hoop op redding in levensgevaar vindt. Zoo moet hij, als men hem in een kring gloeiende kolen legt en hij vergeefs beproefd heeft er uit te komen, zijn giftangel in zijn eigen rug boren. Ik heb de proef dikwijls genomen, en telkens gezien, dat de schorpioen wel verscheidene keeren den kring rondliep en beproefde te ontkomen, maar dan heel verstandig in het midden bleef zitten. Misschien zeide hem zijn verstand, dat de kolen zouden afkoelen als hij zich tijd gaf. Maar voor dat het zoover was, had een groote steen hem reeds verpletterd. Zeker is medelijden met dieren een schoone deugd, maar schorpioenen moet men verdelgen waar men ze ontmoet.
26. DE INDUS.
Als men 2400 kilometer op kameelen en dromedarissen heeft gereden, klinkt de stoomfluit van een locomotief als de lieflijkste muziek in de ooren.
Aan het beginstation van de Indische spoorlijn, nam ik afscheid van mijn Beloedsjen, stapte in den trein en reed over de groote garnizoenstad Quetta in Britsch Beloedsjistan naar den Indus.
Nu willen wij een oogenblik de kaart (bladz. 110) ter hand nemen. In het zuiden van de Himalaja vormt het Indische schiereiland een driehoek waarvan de punt in den Indischen Oceaan uitsteekt. In het Noorden is de basis van dezen driehoek echter breed. Hier stroomen de drie groote rivieren van Indië: de Indus, de Ganges en de Brahmapoetra. De Brahmapoetra bevloeit de vlakten van Assam, in den oostelijken hoek van den driehoek. Aan de oevers van de Ganges ligt een geheele wereld van groote, beroemde steden, van welke wij er verscheiden zullen bezoeken zoodra wij van een langeren uitstap naar Tibet teruggekeerd zullen zijn. De Ganges en de Brahmapoetra hebben een gemeenschappelijke delta, met ontelbaar vele armen, waardoor het water van beide rivieren zich in de golf van Bengalen uitstort.
In den westelijken hoek van den driehoek stroomt de Indus naar de Indisch-Arabische zee. Zijn bronnen en die van de Brahmapoetra liggen hoog boven in Tibet, dicht bij elkander en als een ontzaglijk edelgesteente wordt de Himalaja, door de glinsterende, ruischende zilveren draden van de beide rivieren omsloten; daar boven in het westen doorsnijdt hem in een tot 3000 meter diepe dalkloof de Indus, en in het Oosten zoekt de Brahmapoetra, door een niet minder woest en duizelingwekkend dal den weg naar het laagland. De sedert duizenden en nog eens duizenden jaren onvermoeid knagende en verpletterende kracht der watermassa’s heeft deze geweldige dwarsdalen in het hoogste gebergte der aarde uitgeslepen.
De Indus heeft verscheidene zijrivieren. In schuimende watervallen en ruischende stroomversnellingen ijlen zij van het gebergte omlaag hun gebieder tegemoet. De grootste heet Satledsch en zij doorstroomen alle een laagland, dat Pendschab heet. In dertien uitmondingen, die over een uitgestrektheid der kust van 250 kilometer verdeeld zijn, stroomt de Indus in zee. Haar geheele lengte bedraagt 3200 kilometer, dus iets langer dan die van de Donau.
Langs den oostelijken oever van den Indus, brengt de trein ons nu naar het Noorden. In onzen grooten ruimen coupé is het even warm als onlangs in Beloedsjistan, namelijk 42 graden! Om de spoorwagens tegen de gloeiende zon te beschermen, heeft men ze van kappen van stroo voorzien, waarvan de einden rechts en links tot over de helft der raampjes afhangen. De vensterruiten zijn niet wit, zooals in de Europeesche spoorwagens, maar donkerblauw en groen, want anders zou terugkaatsing der zonnestralen door den aardbodem verblindend werken. Om het andere raam rechts en links, ziet men in het venster geen glas, maar is een netwerk van wortelvezels gespannen waarlangs dag en nacht water afdruipt. Voor deze vensters is een ventilator aangebracht die door de snelheid van den trein een sterken luchtstroom door het natte vensternet in den coupé perst. Daardoor wordt de lucht binnen van tien tot twaalf graden afgekoeld en het is heerlijk zich half gekleed in den tocht neer te zetten!
De spoorbaan begeleidt de Indus getrouw van den voet van het gebergte tot aan de zee waar ze in een groote havenstad, die Karatsji heet, eindigt, terwijl stoombooten de trieste rivier op en af varen. Wij rijden de Indus echter op tot aan Rawalpindi, een groote garnizoenstad, waar wij den trein verlaten om ons voor te bereiden op een uitstapje over Kaschmir en Ladak naar Oost-Turkestan en vandaar Tibet binnen te sluipen.
27. ALEXANDER DE GROOTE.
In Juli van het jaar 325 voor de geboorte van Christus ging Alexander de Groote, koning van Macedonië met een vloot nieuwgebouwde schepen de Indus af en landde in de stad Pathala, daar waar de deltaärmen van de rivier van elkaar scheiden. Hij vond de stad verlaten want de bewoners waren naar het binnenland gevlucht. Alexander zond hun lichte troepen na, en liet hun zeggen, dat zij in vrede naar hun huizen en hutten konden terugkeeren. Bij de stad werden een vesting en verschillende scheepswerven gebouwd.
Koning Alexander had groote plannen. Als twintigjarige had hij de heerschappij aanvaard over het kleine Macedonië en niet alleen de volkeren van Thracië, maar ook van Illyrië en van geheel Griekenland onderworpen. Hij had zijn legerscharen over den Hellespont geleid, de Perzen verslagen en de Klein-Aziatische rijken, Lycië, Kappadocië en Phrygië overwonnen en met één zwaardslag den gordiaanschen knoop doorgehakt, het zinnebeeld der heerschappij over Azië. Bij Issus, in de rechthoekige bocht van Cyprus, behaalde hij de zege op den Perzischen Grootvorst Darius Kodomannus, die hem met zijn geheele leger tegemoet was gekomen. In Damaskus maakte hij zich meester van den Perzischen kroonschat. Daarna veroverde hij Tyrus en Sidon, de beroemde handelssteden der Phoeniciërs en stichtte aan de kust van Egypte Alexandrië, dat nu, na 2240 jaren nog een bloeiende stad is. Door de Lybische woestijn trok hij naar de oase van Jupiter Ammon, waar de priesters hem, naar oud Pharaogebruik, de wijding van een zoon van Ammon gaven.
Daarna trok hij echter verder oostwaarts, naar Azië, ging den Euphraat over, overwon aan den Tigris nog eens Darius, en veroverde het trotsche Babylon en Susa, waar 150 jaar vóór hem de Perzische koning Ahasverus (Xerxes), die over „127 provinciën, van Indië tot Koes” heerschte, zijn hoofdmannen aan een gastmaal had genoodigd en hun „den heerlijken rijkdom zijner macht en de kostbare pracht zijner grootheid” had getoond. Daarna trok Alexander naar Persepolis en liet het paleis van den Perzischen grootvorst in de asch leggen, ten teeken dat het nu met de oude heerschappij voorbij was. Darius over Ispahan en Hamadan vervolgend, wendde hij zich verder oostwaarts naar Bactrië, het tegenwoordig Russisch-Centraal-Azië, en ging Noordwaarts tot den Syr-darja en het land der Skythen. Van hier trok hij met een 100.000 man sterk leger naar het zuiden, naar Indië, veroverde het geheele laagland van Pendschab en onderwierp alle volkeren die ten Westen van den Indus woonden.
Nu was hij tot Pattala gekomen, en dacht na over de talrijke overwinningen die hij behaald, en de uitgestrekte landen, die hij veroverd had. Overal had hij Grieken en Macedoniërs aangesteld, die naast de inheemsche vorsten en stadhouders het bevel moesten voeren. Maar dit groote rijk moest tot vaste eenheid samengevoegd worden en Babylon zou de hoofdstad zijn. Maar in het westen was nog een ontzaglijke leemte aan te vullen, de woestijnen, die wij juist op den weg van Teheran over de oase van Tebbes, door Seïstan naar Beloedsjistan zijn doorgetrokken.
Om de daar wonende volkeren te onderwerpen, zond hij een deel van het leger op een meer noordelijk gelegen weg over Seïstan naar Noord-Perzië. Twaalf duizend man zouden op nieuwgebouwde schepen langs de kust van de Indisch-Arabische zee door de zeeëngte van Ormoes en de Perzische golf tot aan de monding van de Euphraat zeilen en roeien. Geen Griek had tot nu toe deze zee bevaren en met de schepen van dien tijd, bij volkomen onbekendheid der kusten was deze onderneming ook een gevaarlijk waagstuk. Maar het moest beproefd worden, want Alexander wilde zich tusschen den mond van de Euphraat en van de Indus een zeeweg verzekeren, die het westelijk deel van het rijk met het oostelijk zou verbinden. Om de vloot van levensmiddelen en drinkwater te kunnen voorzien, besloot hij zelf den gevaarlijken weg, door de woestijn, langs de kust te nemen. Van zijn 40.000 krijgslieden, die hem op dezen marsch vergezelden stierven er 30.000 van dorst!
De groot admiraal Nearchus uit Kreta volvoerde Alexander’s opdracht op schitterende wijze en zijn tocht is een der merkwaardigste reizen die ooit werden gemaakt. De door hem opgemaakte zeekaarten zijn zoo nauwkeurig en betrouwbaar dat men ze nog heden kan gebruiken, ofschoon de kust sinds dien tijd op verschillende plaatsen veranderd is, sterker verzand en ondieper.
Maar Alexander wilde zijn vloot niet aan dezen gewaagden tocht blootstellen, voordat hij zich overtuigd had van de bevaarbaarheid van den Indusmond en van het werkelijk bestaan der groote wereldzee. Daarom voer hij met de snelste schepen van de vloot: dertigriemige schepen en kleine driedekkers, die door 150 naakte roeiers op drie boven elkaar geplaatste banken, met lange roeispanen, die door de openingen in den romp van het schip staken, werden voortbewogen, den westelijken Indusarm af, terwijl troepen langs den oever de schepen dekten.
Midden in den zomer, als de Indus haar hoogsten waterstand heeft bereikt en de oevers mijlen ver overstroomd zijn tusschen de zand- en slibbanken door te roeien zonder loodsen, is geen pleiziertocht. Reeds den tweeden dag verhief zich een heftige Zuidelijke storm, en gevaarlijke maalstroomen in de rivier beschadigden verscheiden vaartuigen en deden enkele kantelen. Alexander ging daarom aan land om onder de visschers eenige mannen te vinden, die als loods zouden kunnen dienen, en nu ging het verder stroomaf. De rivier werd steeds breeder en breeder en steeds duidelijker bemerkte men de frissche bries van de zee. De wind werd sterker, de Zuid-Oost moesson had zijn hoogtepunt bereikt. Het grauwe troebele water van den stroom joeg steeds hoogere golven op, het roeien werd steeds moeilijker, daar de roeispanen nu eens niet in het water kwamen, dan weer te diep indompelden. Toen wist men nog niets van ebbe en vloed. Weldra scheen het alsof de rivier van de zee terugkeerde en de loodsen rieden den Koning aan in een zijarm beschutting te zoeken, waar de schepen aan land werden getrokken. Daarop viel de eb in, en het water daalde sterk, alsof het door de zee werd opgeslorpt. De booten lagen op het droge en verscheiden zonken diep in het slib. Alexander en zijn manschappen waren radeloos, want zij konden voor- noch achteruit. Maar toen zij bezig waren met het vlotmaken der schepen, kwam de vloed weer op en nam ze meê op zijn rug.
Nadat men bekend was geworden met de regelmatige terugkeer van ebbe en vloed, konden de gevaren er van vermeden worden, en de vloot van Alexander kwam eindelijk bij een eiland dat zoet water in overvloed had. Van hier uit zag hij de schuimende, donderende branding, aan den uitersten mond van den Indus, en boven de rollende kustgolven, den hoogen, gelijkmatigen horizon van den Oceaan. En toen hij zich overtuigd had, dat ook van de bovenste rij banken, van de triremen of driedekkers niets anders meer dan hemel en water was te zien, offerde hij aan den zeegod Poseidon, de Nereiden en de zilvervoetige zeegodin Thetis, de moeder van zijn stamvader Achilles, en bad de goden om bescherming voor den verderen tocht naar den Euphraat, en toen hij zijn gebed had geëindigd wierp hij een gouden beker in den stroom.
In een witten mantel, een gouden gordel om de lendenen, en een tulbandvormigen doek om de kastanjebruine lokken stond de dertigjarige Koning der Macedoniërs daar, hoog opgericht en slank op den achtersteven der trireme en keek naar de heerlijke zee, welke hij met dezelfde vastberadenheid dacht te overwinnen, als waarmede hij tevoren drie werelden overwonnen had! Hij ademde den koelen, zoutachtigen passaatwind in, en dacht zeker aan de eindelooze heirwegen der woestijn, waar verstikkend stof rondom paarden en transportwagens dwarrelt. Hij was de machtigste heerscher der aarde, en zich volkomen bewust van zijn macht. Maar zeker vermoedde hij niet, dat zijn naam na meer dan 2000 jaren bij de kinderen van latere tijden zou voortleven. Er zijn steden in Egypte, woestijnen in Perzië en bergketenen en meren in Midden-Azië, die tegenwoordig nog den naam van Alexander dragen!
Drie jaar later, 323 voor Christus stierf hij in Babylon, pas drie en dertig jaar oud. Zijn wereldomspannende veldtocht verbreidde in geheel Azië Grieksche beschaving. Daarom verbleekte zijn leven dat zoo rijk aan daden was niet spoorloos als een meteoor in den nacht der tijden.
Tegenwoordig nu wijze lieden zich de jas tot onder de kin dichtknoopen en op vredescongressen verstandige toespraken houden, doen knapen en jongelingen er goed aan zich nu en dan den ridderlijken, zonnigen tijd eens te herinneren, toen de zwaardslagen der Macedoniërs, op de hoofden en schilden der vijanden neersuisden, de kreet der overwinnaars een echo in de dalen van Azië wekte en jeugdige krijgslieden zelf een weg door het heete zand der woestijnen baanden.
28. DE DOODSKARAVAAN.
Van Rawalpindi naar Srinagar, de hoofdstad van Kaschmir zijn 300 kilometer. Rondom het Kaschmirdal verheffen zich de met sneeuw bedekte toppen van de Himalaja, en door een van de vele groote en kleine dalen van dit gebergte trok ik in het jaar 1895 met een karavaan van zes en dertig muilezels en honderd paarden bergopwaarts. Na een reis van ongeveer een maand kwam ik te Jarkand, een stad in het geweldige vlakke trogvormige bekken, dat aan alle zijden, uitgenomen aan het Oosten door gebergten is omgeven, en Oost-Turkestan heet. In het Zuiden van Oost-Turkestan verheft zich het geweldig hoogland van Tibet, waar de groote rivieren van Indië en China haar bronnen hebben. In het Westen is de Pamir, het „Dak der Wereld” en in het Noorden de Tiensj of het Hemelgebergte dat verder naar het Oosten door den Altai en verschillende andere gebergten wordt voortgezet, en waaruit de reuzenstroomen van Siberië komen. Maar binnen dezen gebergtering, in het hartje van Azië, ligt het laagland van Oost-Turkestan dat mij aan een Tibetaansche schaapskooi herinnert, die door ontzaglijke steenen muren is omgeven. In het Noordelijk deel stroomt van het Westen naar het Oosten een rivier: de Tarim. Ze ontstaat in het Zuiden uit de Jarkand-darja en de Chotan-darja en neemt in haar loop nog andere zijrivieren op; want uit de omringende gebergten van Oost-Turkestan stroomt het water van de eeuwige sneeuwvelden en gletschers omlaag.
De bronbeekjes van de Tarim klateren vroolijk door de nauwe dalen naar beneden, en de groote rivier stroomt majestueus door de vlakte; maar ze is gedoemd, nooit de zee te zien; ze sterft en verdwijnt in een woestijnmeer, het Lop-nor!
Het grootste deel van Oost-Turkestan wordt ingenomen door een woestijn, die de vreeselijkste der aarde is; Takla-makan. Door geheel Azië en Afrika strekt zich van het Noord-Oosten naar het Zuid-Westen een woestijngordel uit, die het best te vergelijken is met een uitgedroogde reusachtig breede bedding; de Gabi, het grootste deel van Mongolië, de Takla-makan, het „Roode Zand” en het „Zwarte Zand” in Russisch-Turkestan, de Kewir en andere woestijnen van Arabië en ten slotte de Sahara. Van deze woestijnketen, die zich van den Stillen Oceaan tot aan den Atlantischen Oceaan uitstrekt is de Takla-makan dus een schakel.
Aan het westelijk deel van deze woestijn is de vreeselijkste herinnering verbonden van mijn veertienjarig rondzwervend leven in Azië. Het was in April van het jaar 1895, dat ik van het dorp Merket aan de Jarkand-darja door deze woestijn naar het Oosten wilde trekken tot aan de rivier Chotan-darja, een afstand van 300 kilometer. Ik had een ervaren gids, vier bedienden en acht kameelen bij mij en proviand voor twee maanden meegenomen, want daarna wilde ik Tibet doorreizen. Een mijner geleiders was de trouwe Islam Bai een andere heette Kasim.
In het begin was alles goed gegaan. Den 23 April verlieten wij de laatste bocht van een meer, waar ik bevel gegeven had een watervoorraad voor tien dagen op te doen en spoedig trokken wij door een zandzee waarvan de duinen steeds hooger werden en zich tot zestig meter verhieven. Bovendien stak weldra een storm op, die het zand in dichte wolken opdwarrelde zoodat neus, mond en ooren gevuld werden.
Op den morgen van den 25sten April had ik de akelige ontdekking gedaan, dat de gewetenlooze gids tegen mijn bevel slechts voor twee dagen water had meegenomen, in de hoop dat wij na hoogstens twee of drie dagen wel ergens water zouden kunnen graven. Maar deze hoop werd teleurgesteld en de regenwolken, die zich nu en dan aan den hemel vertoonden, zonden geen droppel omlaag. Zoo moest ons drinkwater weldra bij slokjes worden verdeeld.
Den 27 April had ik reeds twee kameelen moeten achterlaten en een groot deel van de bagage afgeladen. Den volgenden dag woei een Noord-Westerstorm, een der „zwarte stormen”, die het stuifzand in ondoordringbare wolken met zich voeren, en den dag in nacht veranderen, zoodat men als begraven is in zand. De kameelen gingen liggen, den kop van den wind afgewend, en wij bogen ons hoofd onder hen om niet te stikken in het stuifzand.
Onze geringe voorraad water, was daarbij nog op onverklaarbare wijze geslonken en den dertigsten hadden wij nog maar een derde liter water. Daar verraste Islam Bai mijn gids met de kan aan den mond! Mijn mannen zouden hem gedood hebben als ik niet tusschenbeide was gekomen. Toen ’s avonds de laatste druppels verdeeld zouden worden, hadden Kasim en een ander, half dood van dorst ze toch opgedronken! Den eersten Mei hadden wij niets meer dan ransig geworden plantenolie die voor de kameelen bestemd was geweest, en mij, die den vorigen dag geen druppel had gedronken, kwelde de dorst ontzettend. Men wordt wanhopig en verliest het verstand; bijna het verlangen naar water laat iemand geen rust, men voelt hoe het lichaam uitdroogt. Wij hadden een flesch Chineeschen brandewijn meegenomen, die wij wilden gebruiken om te branden in kooktoestel. Ik dronk er ongeveer een waterglas vol van en liet den verderfelijken inhoud in het zand vloeien.
De gevaarlijke drank had mijn krachten gebroken. Toen de karavaan zich voortsleepte tusschen de duinen kon ik ze niet meer bij houden. Ik kroop en wankelde ze achterna. De bellen der kameelen klonken zoo helder in de stille lucht, maar de klank werd steeds zwakker en stierf eindelijk weg in de verte. Rondom mij lag de zwijgende woestijn, zand, zand, zand, aan alle kanten!
Het spoor der anderen langzaam volgend, bereikte ik eindelijk een duinenkam, van waar ik de karavaan terugzag. De kameelen waren gaan liggen, Kasim zat op den grond, de handen voor het gelaat, hij ijlde reeds, hij weende en lachte beurtelings; een ander Muhamed Schah smeekte knielend Allah om hulp. Daar wij niets anders drinkbaars meer hadden slachtten wij een haan en dronken het bloed. Daarna kwam het schaap aan de beurt, dat wij meegenomen hadden. Maar het bloed was dik en rook zoo weerzinwekkend, dat de hond het niet eens wilde hebben. Mijn geleiders schrikten niet eens terug voor de urine der kameelen!
Onze bagage, die wij niet oogenblikkelijk noodig hadden werd in de tent achtergelaten, met acht kisten met voorwerpen van waarde, waaronder mijn photografisch toestel met ongeveer duizend platen. De gids verloor zijn verstand, en stopte zand in den mond; hij beweerde, dat het water was. Hem en Muhamed Schah behield de woestijn voor altijd.
’s Avonds kon Islam Bai ook niet verder, en Kasim was de eenige die mij vergezelde om water te gaan zoeken. Hij nam spaden, emmers en de vetstaart van het schaap mede. Ik had slechts mijn horloge, het kompas, een zakmes, een potlood, een stuk papier, twee kleine blikken doozen met kreeft en chocolade, een doosje lucifers en tien sigaretten bij mij. Maar wat eetbaar was kon ons niet helpen, want verhemelte en keel waren zoo droog, dat het slikken onmogelijk was.
Het was twaalf uur. Wij hadden midden op de woestijnzee schipbreuk geleden, en verlieten nu ons wrak schip om de een of andere kust te bereiken. De hond Jalldasch bleef ook bij de karavaan, ik heb hem nooit teruggezien. Bai had een brandende lantaarn naast zich staan, toen Kasim en ik ons verwijderden; het schijnsel verdween spoedig achter de duinen.
29. EEN STRIJD OM HET LEVEN.