Van pool tot pool

Part 13

Chapter 133,973 wordsPublic domain

In de eerste plaats heeft men het vernietigende, verootmoedigende gevoel van eigen onbeduidendheid; men is een korrel stof op de oppervlakte van deze groote, schoone aarde. Hoe erbarmelijk lijkt dan alle twist en alle eerzucht van den mensch, vergeleken met het verheven zwijgen der groote, eenzaamheid in het rond. Boven u welft zich het oneindige wereldruim—aan uw voeten ligt Tibet. Zijn vlakke bergketenen doen aan de golven der zee denken, die in woesten storm in steen werden veranderd; de eeuwige sneeuw is het schuim op de golven.

Geen levend wezen stoort de stilte. In het puin boven op den verlaten pas zijn enkele sporen van yaks en antilopen te zien; gij waagt het nauwelijks met uw metgezellen te spreken. De stilte is even plechtig als in een kerkgebouw tijdens eene godsdienstoefening.

Wil men Tibet van het Noorden naar het Zuiden doortrekken, dan moet men overal deze ketens telkens een ten hemel zich verheffenden pas over trekken. De kookthermometer wijst de hoogte boven de zee aan, want het water kookt op de hoogte van den zeespiegel bij 100 graden Celsius, bij 5500 meter hoogte bijvoorbeeld reeds bij 82 graden.

Welk een geluk is het nu voor de volkeren van Azië, dat het binnenland van het vasteland zich tot de duizelingwekkende hooge verheffing van Tibet verheft! Op deze hoogten wordt de waterdamp van den moesson afgekoeld en verdicht, zoodat ze als regen neervalt en de groote rivieren voedsel geeft. Indien het land vlak was, zooals in Noord-Indië of Oost-Turkestan, dan zouden nog veel grootere gebieden van Binnen-Azië tot woestijnen worden. Zoo verzamelt het water zich echter in de gebergten en stroomt naar alle zijden omlaag; bij de rivieren wonen de menschen dicht op elkaar gedrongen, hier ontstaan steden en rijken en de rivieren voeden weer kanalen, die akkers en tuinen bevloeien.

Gij weet toch, dat Azië het grootste werelddeel der aarde en dat Europa ternauwernood iets meer is dan haar schiereiland? Ja het scheelt niet veel of Azië alleen is zoo groot als Europa, Afrika en Australië samen. Van de 1650 millioen menschen, die op de aarde leven, wonen 870 millioen, dus meer dan de helft in Azië. Als wij nu onze atlas ter hand nemen, en Zuid-Europa met Zuid-Azië vergelijken, dan vinden wij tusschen beiden meer dan een zeer opvallende gelijkenis. Van beide werelddeelen springen drie schiereilanden naar het Zuiden uit. Het Iberisch schiereiland met Spanje en Portugal, komt in Azië overeen met het Arabisch schiereiland; beide zijn plomp en vierhoekig. De Italiaansche laars komt overeen met Voor-Indië; beide hebben beneden voor hun uiteinde een groot eiland, Sicilië en Ceylon. En het Balkanschiereiland komt overeen met Achter-Indië; beide hebben ingesneden, onregelmatige kusten en in het Zuid-Oosten een geheele wereld van eilanden, de Grieksche Archipel en de Soenda-eilanden. Merkwaardig nietwaar?

Maar terug naar Tibet, dat op een vesting gelijkt omringd door geweldige muren. In het Zuiden heeft het zelfs een dubbelen muur, de Himalaja en verder Noordelijk de Trans-Himalaja en daartusschen is een gedeeltelijk met water gevulde vestinggracht: de Boven-Indus en de Boven-Brahmapoetra. En Tibet is ook werkelijk een vesting, een verdedigingsmuur in den rug van China.

Een land, dat door zulke geweldige bergketenen is omgeven is buitengewoon moeilijk binnen te trekken en Europeanen die Tibet hebben doorkruist, zijn er ook niet veel. Maar juist dat prikkelde mij en sedert 1896 heb ik Tibet, het „gesloten land”, zevenmaal in verschillende richtingen doorgetrokken!

De ligging van Tibet is ook van invloed op de bewoners. Afgesneden van de wereld en zonder aanraking met de buren, is het volk van Tibet zijn eigen weg gegaan en heeft zich binnen zijn grenzen zeer eigenaardig ontwikkeld. Het Noordelijk derde deel van het land is geheel onbewoond; daar reisde ik eens drie maanden lang rond en op een anderen keer een en tachtig dagen zonder een enkel menschelijk wezen te ontmoeten! Het middelste derde deel is schaarsch bevolkt, hoofdzakelijk door herders, die met hun kudden schapen en yaks rondtrekken en in zwarte tenten wonen. Velen hunner zijn handige jagers op yaks en antilopen; anderen verzamelen zout in uitgedroogde meren, beladen daarmede hun schapen en ruilen het in het Zuiden tegen gerst.

Het Zuidelijk deel heeft de meeste inwoners, twee tot drie millioen. Hier zijn niet alleen nomaden, maar ook vaste kolonisten; die in kleine, uit steenen hutten bestaande dorpen wonen en in de diepe dalen der rivieren, vooral die van de Brahmapoetra, gerst verbouwen. Er hebben zich zelfs kleine steden gevormd; de grootste zijn Lhasa en Schigatze.

Als onze reis ons weer naar Indië terugvoert, zullen wij den godsdienst van Boeddha, het Boeddhisme, leeren kennen. In veranderden vorm heeft deze zedenleer voor duizend jaar Tibet veroverd. Tevoren heerschte hier een natuurgodsdienst, die bergen, rivieren, meren en lucht met duivels en geesten bevolkte. Veel van het oude bijgeloof ging in de nieuwe leer over, die Lamaïsme heet. Er zijn op aarde 570 millioen Christenen en 450 millioen Boeddhisten; tot deze laatsten behooren alle Tibetanen en Mongolen, de Boerjeeten in Oost-Siberië, de Kalmukken aan de Wolga, de volkeren in Ladak, Noord-Nepal, Sikkim en Bhoetan zoogenaamde Lamaïsten.

De Lamaïsten hebben een groot aantal monniken en priesters, die allen Lama worden genoemd. Hun opperpriester is de Dalai-Lama in Lhasa, en bijna aan hem gelijk is de Taschi-Lama de opperpriester in Taschi-lunpo, het groote klooster bij Sjigatze. De derde in aanzien is de groot-Lama in Urga, in het noordelijk Mongolië. Deze drie en ettelijke andere zijn belichaamde goden, incarnaties. Zij sterven nooit, want de in ieder afzonderlijk wonende god verwisselt slechts zijn aardsch lichaam. Als een Dalai-Lama sterft, dan heeft de godheid, de ziel, zich slechts weer op reis te begeven en zetelt zich in het lichaam van een knaap. Indien men dezen knaap heeft gevonden, dan wordt hij de nieuwe Dalai-Lama. De Lamaïsten gelooven dus aan zielsverhuizing en het einde, de voleinding der zielen, is hun vernietiging, het „Nirwana”.

In het Boven-Brahmapoetra-dal bevinden zich veel kloosters met nonnen of monniken. De tempelzalen zijn met beelden van goden, uit metaal of verguld leem, versierd, waarvoor dag en nacht lampen branden. Monniken en nonnen mogen niet trouwen, maar bij het overige volk bestaat het vreemde gebruik dat een vrouw twee of nog meer mannen mag trouwen. Bij de Mohammedanen is het juist omgekeerd, daar kan een man meerdere vrouwen hebben. Dat beide gevallen even dwaas zijn, en een gelukkig familieleven onmogelijk maken, behoef ik niet te zeggen.

34. MIJN PELGRIMSTOCHT NAAR LHASA.

Van het Lop-meer drong ik in het jaar 1901 voor den derden keer het land der hooge bergen binnen. De zomer was juist begonnen met zijn verstikkende stofstormen en men verlangde naar de hoogvlakte met haar frissche reine lucht. Mijn groote karavaan was een echt gemengd gezelschap. Ik had zestien Mohammedaansche bedienden uit Oost-Turkestan, twee Russische en twee Boerjetische kozakken en een Mongoolschen Lama uit Urga bij mij; levensmiddelen voor zeven maanden, tenten, pelzen, bedden, wapenen en kisten, alles werd door 39 kameelen, 45 paarden en muilezels en 60 ezels gedragen. Bovendien had ik 60 schapen om onderweg te slachten, verscheiden honden en een tam hert.

Zoo begaf ik mij op weg naar het hooggebergte en ging over den eenen bergketen na den anderen. Boven op de groote hoogten is de lucht zoo ijl, dat men slechts moeilijk adem kan halen en de geringste beweging hartklopping veroorzaakt. Daardoor wordt een karavaan heel gauw afgemat; het gras om te weiden wordt steeds schaarscher, veel dieren der karavaan gaan daarbij te gronde en men komt zelden meer dan 20 kilometer per dag vooruit.

Ik had reeds vier en veertig dagreizen regelrecht naar het Zuiden achter mij voor ik de eerste menschelijke sporen waarnam. Mijn doel was Lhasa, tot waar ik nog 480 kilometer had af te leggen. Tot nu toe waren alle Europeanen, die gepoogd hadden tot deze heilige stad door te dringen, door Tibetaansche ruiters gedwongen geworden, terug te keeren. In den grond zijn de Tibetanen een goedhartig, beminnelijk volk, maar zij dulden geen vreemdelingen in hun land; zij weten dat Indië en Centraal-Azië door de blanken zijn veroverd en zijn nu bang voor een zelfde lot. 200 jaren geleden woonden er Katholieke zendelingen in Lhasa en in het jaar 1845 hebben de beroemde Fransche geestelijken Huc en Gabet de stad bezocht. Sedert dien tijd werden twee Europeanen bij een herhaalde poging Lhasa te bereiken, vermoord, en de overigen hebben onverrichterzake moeten terugkeeren.

Nu wilde ik mijn geluk beproeven! Mijn plan was, verkleed en met slechts twee geleiders te reizen. De eene was de Mongoolsche priester, dien wij eenvoudig Lama noemden, en de ander de Boerjetische Kozak Schagdur. De Boerjeten zijn van Mongoolschen stam, spreken Mongoolsch en zijn ook Lamaïsten. Zij hebben smalle, ietwat scheefstaande oogen, vooruitstekende kaakbeenderen en vleezige lippen. De kleederdracht is bij beide volken bijna hetzelfde: een pels met lange mouwen, een gordel om het middel, een muts en van voren omhooggebogen laarzen. Mijn kleeding was daarom precies hetzelfde en alles wat wij aan tenten, kisten en proviand medenamen, was Mongoolsch werk, van Mongoolsche afkomst en alle Europeesche zaken, die ik beslist noodig had, als instrumenten, schrijfgereedschap en verrekijker, werden zorgvuldig in een kist gepakt. Tot mijne verdediging dienden twee Russische geweren en een Zweedsche revolver, en van de dieren der karavaan zouden vijf muilezels, vier Paarden en onze venijnige honden „Tijger” en „Lilliput” ons vergezellen. Ik bereed een prachtigen schimmel; Schagdur een grooten gelen en de Lama een kleinen geelgrijzen muilezel. De lastdieren werden door mijn bedienden geleid en ik reed achteraan. De twee eerste dagen vergezelde ons nog een Mohammedaan, Oerdek genaamd, die echter na twee dagen weer naar heet hoofdkwartier zou terugkeeren, waar de rest der karavaan op mijn terugkomst wachtte.

Vele Mongolen doen jaarlijks een pelgrimstocht in groote, gewapende karavanen, naar de heilige stad, om den Dalai-Lama te huldigen en zijn zegen en dien van den Taschi-Lama af te smeeken. Den pelgrimsweg van deze Mongoolsche bedevaartgangers wilde ik derhalve bereiken; want er bestond geen andere mogelijkheid dan vermomd Lhasa binnen te komen. Den 27sten Juli had ik het hoofdkwartier verlaten en de achterblijvenden waren er van overtuigd, dat zij mij nooit zouden terugzien! Den eersten dag hadden wij geen levend wezen gezien, en ook den tweeden dag waren wij ongehinderd 40 kilometer ver gereden. Toen hadden wij ons kamp op open terrein aan twee meren opgeslagen; slechts in het Zuid-Oosten verhieven zich enkele kleine heuvels in welker nabijheid onze lastdieren weidden. Oerdek zou ze gedurende den nacht bewaken opdat wij drieën konden uitslapen. Indien hij weer vertrokken zou zijn, rustte op ons deze taak. In de eerste plaats verbeterde ik nu mijn vermomming. Mijn hoofd werd geschoren totdat het als een biljartbal glansde. De wenkbrauwen mochten alleen blijven. Daarna smeerde de Lama mijn hoofd in met vet, roet en bruine verf en toen ik mij daarna in een kleinen handspiegel bekeek, herkende ik mijzelf niet meer; in elk geval had ik een zekere gelijkenis gekregen met mijn beide Lamaïstische bedienden.

Tegen den middag was er een Noord-Westelijke storm opgestoken, wij hadden ons daarom vroeg in onze kleine, dunne tent teruggetrokken, waar wij rustig sliepen. Het was tegen middernacht, toen Oerdek onze tent binnensloop en mij met trillende stem mededeelde dat er buiten roovers waren te bespeuren. „Tusschen de achterste paarden bewoog zich een schim!” Wij grepen naar de wapenen en snelden naar buiten. De storm woedde nog steeds, het maanlicht brak flauw door het hier en daar gescheurde wolkenfloers. In de lucht huilde en steunde het als gewoonlijk in Tibet. Maar wij kwamen te laat. Op den heuvelkam konden wij nog juist drie ruiters onderscheiden, die drie losse paarden voor zich uitdreven: het eene was mijn geliefde schimmel, het andere de gele van Schagdur. Schagdur zond hen een kogel na; maar die had geen andere uitwerking, dan dat de roovers tot grooteren spoed werden aangezet.

„Heer laat ons de schurken vervolgen,” riep Schagdur.

Ik was niet minder verwoed dan hij, dwong mij echter tot rust.

„Dat dient tot niets, met onze vermoeide paarden halen wij ze toch niet in.”

„Laat Oerdek en ik hen dan vervolgen.”

„Bedenk toch,” antwoordde ik, „dat zij het land veel beter kennen dan wij! Zij rijden dag en nacht en volgen de beken om hun spoor uit te wisschen. Op zijn minst duurt het twee dagen voordat gij ze hebt ingehaald en misschien loeren rondom ons nog meer van zulke dieven. Wij zullen liever oppassen, dat wij er onze andere dieren niet bij verliezen.”

De nacht werd donker en van slapen kwam nu niets meer. Wij zetten ons bij het kolenvuur neer, kookten rijst en thee, en staken onze pijpen aan. Toen de zon opkwam waren wij tot vertrek gereed. Wij hadden de sporen onderzocht en gezien dat de dieven tegen den wind in ons waren genaderd en zoo de opmerkzaamheid der honden waren ontgaan. Een hunner was in een gleuf, die door den regen gevormd was, tot dicht bij de grazende paarden gekropen en had ze door plotseling op te springen, naar de van den wind afgewende zijde gejaagd, waar een bereden roover ze in ontvangst nam en voor zich uitdreef. De derde had met zijn paard en dat van zijn makker gewacht en toen waren ook deze weggesneld. Zeker hadden zij reeds den geheelen dag om ons heen geloerd. Misschien wisten zij reeds dat wij uit mijn hoofdkwartier kwamen en hoe licht konden zij nu een waarschuwing naar Lhasa zenden!

Oerdek was buiten zichzelf van woede, dat hij nu te voet den twee dagreizen verren afstand moest afleggen. Zooals ik later hoorde, waagde hij het niet denzelfden weg in te slaan; maar sloop als een wilde kat door alle mogelijke groeven verder en verlangde overdag naar de duisternis; maar als het donker werd greep de angst hem nog sterker aan en in elk steenblok meende hij een loerenden spitsboef te zien. Twee wilde ezels maakten hem bijna krankzinnig van angst, zoodat hij in een klove als een egel zich in elkaar rolde, om daarna buiten adem zijn weg te vervolgen. Toen hij eindelijk in het holst van den nacht in het hoofdkwartier aan kwam, meenden de nachtwakers nog tot overmaat van ramp, dat hij, die daar kwam, niet tot hen behoorde, en legden zij op hem aan. Oerdek begon hen nu toe te roepen en met de hand te wenken en toen hij eindelijk weer in zijn tent was, sliep hij acht en veertig uur aan één stuk!

Wij, drie pelgrims, reden naar het Zuid-Oosten en sloegen 40 kilometer verder de tent bij een beek op. Onze rollen waren zoo verdeeld, dat Schagdur als de voornaamste zou gelden; mijn bedienden moesten mij als een gewonen muildierdrijver behandelen. Ik mocht nu geen Russisch meer spreken met de Kozakken, alleen Mongoolsch; de Lama was reeds geruimen tijd mijn onderwijzer in deze taal geweest. ’s Middags sliep ik tot 8 uur en toen ik wakker werd verkeerden mijn beide makkers in den grootsten angst; zij hadden drie Tibetaansche ruiters waargenomen, die ons van verre hadden gadegeslagen. Wij moesten dus elk oogenblik op een nieuwen overval bereid zijn.

Wij verdeelden den nacht in drie waken. Van 9 uur tot middernacht, van 12 tot 3 uur en van 3 tot 6 uur; ik nam de eerste wacht op mij en de Lama de laatste. De dieren werden voor de tent vastgezet en voor en achter de tent lagen de honden.

Mijn eerste nachtwake begon. Ik liep tusschen onze beide honden heen en weer, zij blaften telkens van vreugde als ik ze streelde. Hoe donker was deze nacht in Tibet en hoe eindeloos lang waren de uren! De hemel was bedekt met zwarte, nu en dan door bliksemschichten verlichte wolken en de regen stroomde in stortbeken omlaag. Hij kletterde op de Mongoolsche pan, die buiten bij het vuur was blijven staan. Nu en dan zocht ik beschutting in de deur der tent, maar zoodra de honden aansloegen, snelde ik weer naar buiten. Nu druppelde het niet meer van mijn pels, maar het stroomde er af.

Zoo werd het middernacht, maar Schagdur sliep zoo vast, dat ik het niet over mij kon verkrijgen hem te wekken. Juist had ik het besluit genomen, zijn waaktijd een half uur korter te doen zijn, toen de beide honden woedend begonnen te blaffen. De Lama werd wakker en stormde naar buiten; wij slopen met onze wapens naar de verdachte plaats en hoorden paardengetrappel, dat zich verwijderde op den doorweekten bodem. Daarna was alles weer stil en de honden blaften niet meer. Nu wekte ik Schagdur en legde mij te slapen in mijn natten pels.

Onder loodkleurigen hemel reden wij den volgenden dag verder. Menschen noch tenten van nomaden vertoonden zich, wel een groot aantal sporen van kudden schapen en yaks en oude kampplaatsen. Nu werd het gevaar dagelijks grooter menschen te ontmoeten en van dag tot dag steeg mijn spanning, hoe de Tibetanen ons zouden opnemen.

Ook den 31sten Juli hield de stroomende regen aan. Wij volgden een duidelijk te onderscheiden uitgeloopen weg, die kort geleden door een kudde yaks was gevormd. Na een poos kwamen wij werkelijk een troep Tangoetsche pelgrims voorbij, die 50 yaks, 3 paarden en 3 honden mee voerden, welke laatsten door Tijger en Lilliput duchtig werden geplukhaard. De Tangoeten zijn nomaden in het noord-oosten van Tibet en van elke twee van hen is er één een roover! Toch kwamen wij hen gelukkig voorbij en kampeerden nu voor het eerst in de nabijheid van een Tibetaansche nomadentent, waarin een jonge man en twee vrouwen vertoefden.

Terwijl de Lama met deze een gesprek begon kwam de eigenaar van de tent en hij was niet weinig verbaasd een gast bij zich te zien. Daarna vergezelde hij den Lama naar mijn tent en zette zich voor den ingang op den natten grond neer. Onze bezoeker heette Sampo Singi en was de vuilste kerel, dien ik ooit in mijn geheele leven heb gezien. Uit zijn verwarde haren druppelde het regenwater op een haveloozen mantel; hij droeg wollen laarzen, maar geen broek, een kleedingstuk dat bijna alle Tibetanen overbodig achten. Het moest zeer verfrisschend zijn zoo zonder broek op een doornat zadel te gaan zitten. Sampo Singi snoot den neus zoo luid met de vingers, dat het weergalmde, en zoo vaak, dat ik mij afvroeg of dat misschien tot den goeden toon behoorde. Ik volgde daarom zijn voorbeeld en hij was in het minst niet verbaasd. Daarna bekeek hij onze bezittingen en gaf ons alle inlichtingen die wij maar verlangden; naar Lhasa waren het nog acht dagreizen. Toen hij ons vroeg of wij peper in onze snuiftabak strooiden, lachten wij hem uit, en om zijn waardigheid te bewaren snauwde Schagdur mij toe: „zit daar niet te gapen, bengel, ga de paarden bij elkaar drijven!” Ik snelde dadelijk naar de dieren en had er de handen vol aan, voordat ik ze goed en wel bij de kampplaats had!

Dank zij de nabijheid der nomaden, die ook venijnige honden en wapenen hadden, ging de nacht rustig voorbij. Vroeg in den morgen bracht Sampo Singi, in gezelschap van een anderen Tibetaan en een vrouw ons nog eens een bezoek. Wij hadden hun verzocht ons eetwaren te verkoopen en zij brachten ons allerhande goede dingen; een schaap, een groot stuk vet, een nap zure melk, een houten schotel met fijngewreven kaas, een kan versche melk en een groote klomp room, zoo geel als boter. Nu moesten wij betalen. Maar onze reiskas bestond uit Chineesche zilverstukken, die volgens het gewicht werden berekend en altijd op een kleine schaal werden gewogen; Sampo Singi wilde echter slechts geld uit Lhasa aannemen, en dat hadden wij niet. Gelukkig had ik echter in Turkestan twee balen blauw Chineesche zijden stof gekocht; een baan van deze stof verving alle zilvergeld. De Tibetanen werden heelemaal gek toen zij de zijde hoorden ritselen en na het gewone loven en bieden werden wij het eens, tot wederzijdsche tevredenheid.

Het schaap werd geslacht, eenige vette stukken boven het vuur geroosterd en na een flink ontbijt namen wij afscheid van de Tibetanen. Nog steeds viel de regen bij stroomen neer toen we omlaag het dal in verder reden en den rechten oever van een rivier bereikten, die zoo breed was, dat haar anderen oever in den regennevel verdween. Vier van haar twintig armen waren elk een flinke rivier. Maar de dappere, kleine Lama reed zonder aarzelen in het snelstroomende vuil-grijze water en wij volgden. Voor mij was het gevaar niet heel groot, want ik kan zwemmen, maar mijn beide manschappen konden het niet en de rivier was door den regen van de laatste dagen zoo ontzaglijk gezwollen, dat, volgens mijn berekening in elke seconde 250 kubieke meter water door haar bedding stroomde.

Toen wij de halve breedte der rivier achter ons hadden, rustten wij een poosje op een modderbank, vanwaar noch de rechter- noch de linkeroever door den regensluier heen te zien was. Het stroomende water rechts en links werkte op vreemde wijze in op onze zenuwen: het was alsof de kleine zandbank met griezelige snelheid stroomafwaarts dreef.

Nu ging de Lama weer met zijn muilezel in het water; maar hij was nog geen tien pas ver of de vloed kwam den muilezel reeds tot aan den wortel der staart. De Lama geleidde echter ook het muildier met mijn belangrijkste bagage: twee kisten van huiden, die, zoolang het water er niet was binnengedrongen, als kurken kisten werkten: daardoor verloren de pooten van het dier eensklaps den grond, en, meegesleept door de strooming, verdween het stroomafwaarts in den regen. Maar de muilezel wist zich te helpen. In de nabijheid van den linkeroever kon hij weer grond krijgen; hij zette de hoeven vast op den bodem en klauterde weer uit het water. De beide kisten zaten nog goed op zijn rug, nu stellig vol water.

De Lama vervolgde zijn weg, zonder er om te geven, dat het water tot aan zijn zadel schuimde en ik verwachtte elk oogenblik hem dezelfde reis te zien aanvaarden als de muilezel. Maar den moedige behoort de wereld, eindelijk lag nog slechts een arm van 30 meter breedte voor ons. Mijn beide metgezellen reden den oever reeds op, terwijl ik nog in de rivier was. Maar daar ik niet had opgelet waar zij geland waren, geraakte ik te veel naar rechts. Met elke schrede zonk het paard dieper; het water ging boven mijn stijgbeugels, daarna tot aan de knieën en tot over het zadel. Kop en nek van het paard waren nog slechts boven de schuimende golven zichtbaar. De Lama en Schagdur schreeuwden als bezeten om mij de doorwaadbare plaats te wijzen, maar ik hoorde niets door het oorverdoovend ruischen. Nu kwamen de golven mij tot aan de heupen, ik maakte mijn pels reeds los om dien uit te trekken en gemakkelijker te kunnen zwemmen—hetzelfde oogenblik verloor mijn paard den grond onder de pooten en werd door de strooming gegrepen. Onwillekeurig pakte ik zijn manen en dat was het beste wat ik doen kon, want het kreeg dadelijk weer vasten voet en klom nu met heftige bewegingen den kant van den oever op.

Na dit onvrijwillig bad reden wij verder. Het kletste in mijn laarzen en druppelde uit de hoeken der kisten; onze toestand was in een woord erbarmelijk. Geen droge draad aan het lijf, nog altijd regen en bijna niet mogelijk vuur aan te steken! Eindelijk gelukte het toch een rookend vuur van mest aan te krijgen. Maar dien nacht schudde ik Schagdur zonder erbarmen wakker toen mijn wacht voorbij was en kroop in de tent!

Den 2den Augustus legden wij maar 25 kilometer af. De weg was nu duidelijk zichtbaar en zeer breed. Tegen den eenen berm kampeerde een groote thee-karavaan en vijf en twintig mannen zaten rondom een vuur, terwijl hun driehonderd yaks weidden. De theebalen waren in geweldige hoopen opgestapeld; het was Chineesche thee, geen bijzondere soort, in dobbelsteenen samengeperst, die op baksteenen geleken. Daarom heet ze ook steenthee. Elke dobbelsteen is in rood papier gewikkeld en ongeveer twintig worden met een koord omwonden en in een lederen zak gedaan.