Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 8

Chapter 83,759 wordsPublic domain

Wandelt men door de waterlooze gedeelten der steppe, dan vertoonen zich weder andere dieren aan ons oog. Ook hier zijn het nogmaals de vogels, die men het eerst waarneemt en waarnemen moet. Minstens zes, zoo niet acht soorten van leeuweriken bewonen de steppe en zetten aan het eenzaamste plekje nog levendigheid bij. Onafgebroken klinkt hier den reiziger hun gezang in de ooren; van den grond en van de toppen der lage struiken ruischt het ons tegen; hoog uit de lucht stroomen, zoowel des avonds als des morgens, de rijkste melodieën. Het is slechts één lied, dat men zich verbeeldt te hooren; want de veelstemmige kalanderleeuwerik neemt evengoed wat over van onzen akkerleeuwerik als van den Siberischen leeuwerik, en smelt zijn eigen strofen samen met die der anderen; hij minacht zelfs enkele tonen van den zwarten kalander, den rooden en kortteenigen leeuwerik niet, alle liederen in het zijne vereenigende zonder daarom het gezang der anderen geheel te overstemmen, hoe luid hij ook zijn eigen en geleende melodieën moge voordragen. Wanneer wij op een schoonen voorjaarsdag op onze vaderlandsche velden in verrukking naar het gezang van den akkerleeuwerik luisteren, wanneer wij zien, hoe onophoudelijk de eene lieve zanger na den anderen omhoog steigert, om in bezielde en bezielingwekkende tonen de komst der lente aan te kondigen, dan kunnen wij ons moeilijk voorstellen, dat zulks onbeteekenend is in vergelijking van hetgeen de steppe te zien en te hooren geeft, en toch, zoo is het in waarheid. Want de steppe is de eigenlijke woonplaats des leeuweriks; het eene paartje leeft naast het andere, de eene soort tusschen en te midden van andere soorten en de uitgestrekte steppe schijnt nauwelijks ruimte genoeg voor allen te bevatten. Toch zijn de leeuweriken niet de eenige bewoners dezer plaatsen. Betrekkelijk even talrijk zijn ook hun grootste vijanden, de wouwen, die ’t vooral gemunt hebben op het liefste, wat de leeuwerik bezit, zijn kinderen. In welk gedeelte der steppe men ook moge komen, men kan er zeker van zijn, dat men een dezer roofvogels ontmoet; in het noorden de grauwe kuikendief, in ’t zuiden de steppenwouw, terwijl zij zwevende en zwenkende, dicht langs den grond strijkende, de steppe doorsnellen; niet zelden ziet men op de ruime vlakte troepen van vier tot acht stuks te gelijk jagen. Nog vaker dan deze, ofschoon niet zoo algemeen verbreid, laten zich twee andere steppenkinderen zien, de Italiaansche torenvalk en roodpootvalk, twee soorten, die in doen en laten weinig verschil aanbieden, in schoonheid, sierlijkheid van gedaante en aantrekkelijkheid van beweging met elkander wedijveren. Overal, waar slechts een rustplaats voor deze bekoorlijke wezens te vinden is, waar een telegraafdraad over de steppe gespannen is, een rotsachtig heuveltje zich boven de vlakte verheft, een Kirgiezengraf daarboven uitsteekt, zoekt men ze niet tevergeefs. Even verdraagzaam als gezellig, vrij van jaloerschheid, niettegenstaande zij denzelfden buit najagen, maken zij vlijtig jacht op allerlei insecten, op den vraatzuchtigen treksprinkhaan en op kleine kevers; zij zetten zich om uit te rusten en ter betere vertering van hun voedsel, zorgvuldig daarbij rondziende, op hunne wachtposten neêr, vliegen op, zoodra zij buit bespeuren, spoeden zich derwaarts, en staan met trillende vleugels, wier beweging echter nauwelijks waargenomen wordt, in de lucht, om van hier uit hunne prooi gemakkelijker gade te slaan. Als een steen laten zij zich nu naar beneden vallen, grijpen het insect, verslinden het in de vlucht, stijgen weder omhoog en beginnen opnieuw hetzelfde spel. Niet zelden ziet men tien tot twaalf dezer vogels boven dezelfde plek jagen; onwillekeurig trekken zij de opmerkzaamheid, zooveel afwisseling biedt hun bedrijf. Elken dag kan men ze ontmoeten, uren lang naar hen kijken, en telkens opnieuw wordt men door dit jachtspel geboeid. Zij behooren in het steppenbeeld evenals het zoutmeer, evenals de tulp en de lelie, evenals het kreupelhout en het tschigras en als de witte schaapjeswolken aan het hemelgewelf. Niet te vergeten is nog de rozé-spreeuw, eene weinig minder belangrijke verschijning, de kleurenrijke plaatsvervanger van onzen lieven huis- en tuinvriend, de ijverige verdelger van de vraatzieke sprinkhanen, de trouwste vriend der weidende kudde, de hooggeschatte helper van den mensch, wiens veldvruchten hij beschermt; daarom is hij ook in de oogen der steppenbewoners bijna een heilige vogel. Belangrijk is bovendien het vuist- of steppenhoen, een verbindingslid tusschen hoen en duif, welks geslacht zoo geheel thuis behoort in de steppe, alsmede de groote trap met zijn aanminnige familieleden, de kraag- en dwergtrap, welke laatste reeds daarom de aandacht waard is, wijl hij voor eenige jaren in Duitschland, en wel in Thüringen is aangekomen, alwaar hij evenals in de steppe niet weinig bijdraagt tot versiering van het landschap, wanneer hij in golvende vlucht zijn volle schoonheid ontplooit. En nog andere, fraai, ja prachtig gekleurde vogels kunnen wij onder de bewoners der steppe opnoemen, zooals de aanvallige bijeneter en de Duitsche papegaai, die in vereeniging met valken en duiven de steil afvallende oeverbanken bewonen; de karmijnkleurige goudvink en de geelgors, die in het tschigras en kreupelhout zich ophouden, en vele meer. Zelfs de zwaluwen ontbreken niet in een gebied, alwaar de menschelijke woningen zoo zeldzaam zijn. Dat de oeverzwaluw ook hier aan alle steile meeroevers hare nestholen graaft, schijnt den zaakkundige niet vreemd, maar dat de huiszwaluwen nog heden ten dage van in ’t wild levende tot halfgetemde vogels worden, dat zij nog tegenwoordig hunne nesten aan de rotsen vasthechten, om de rotsen te verlaten zoodra er een grafteeken voor een of anderen Kirgies wordt opgericht, en daarin overgaan, dat de huiszwaluw zelfs in de Joerte gastvrijheid zoekt en ook vindt, wanneer de Kirgies slechts weet zoolang op dezelfde plaats te zullen vertoeven, totdat de eieren in het aan den koppelring der Joerte gehechte nest uitgekomen en de jongen volwassen zijn,—ziet! dat verdient vermeld te worden.

Op dezelfde plaatsen, welker vogelbevolking ik zooeven opnoemde, hebben zich nog andere dieren verzameld. Afgezien van de lastige muggen, vliegen, horzels en wespen of bijen, bemerkt men slechts weinige insectensoorten, ofschoon de genoemde zeer talrijk en over alle deelen van zulke streken verbreid zijn. Hetzelfde geldt van de reptielen, van welke wij in de door ons doorkruiste gedeelten der steppe eenige hagedissen en verschillende slangen aantroffen; zoo, wat de laatsten betreft, twee vergiftige soorten, n.l. de gewone adder en de halysadder. Deze twee slangen zijn wel is waar niet zoo talrijk als de hagedissen, maar toch vrij menigvuldig. Op onze tochten door de steppe zagen wij bijna elken dag dan den eenen dan den anderen Kirgies zijn mes uithalen en zich voorover op zijn paard buigen, om met welgetroffen slag den kop van een dezer giftslangen van den romp te scheiden. En toen wij in Slangenberg, een bergstadje in den Altaï, wilden onderzoeken of die plaats wel op eene rechte wijze aan haar naam was gekomen, keerden de door ons uitgezonden lieden na weinige uren met zulk een rijken buit terug, dat wij niet weinig door dit zakelijk antwoord verrast waren en de waarheid niet meer in twijfel konden trekken van de geschiedenis, aangaande den oorsprong van dien naam, welke hierop neêrkomt, dat men vóór de grondvesting der stad duizenden van giftslangen had verzameld, opgehoopt en verbrand. Kikvorschachtige dieren en kleine zoogdieren zijn veel zeldzamer dan reptielen; van de eersten bemerkten wij slechts ééne paddesoort, van de laatsten enkele muizen, een ziesel, twee blindmollen en de bevallige springmuis, die onder den naam van paardespringer bekend is.

De ziesel en de springmuis zijn allerliefste verschijningen, en vooral de eerste verlevendigt de steppe dikwijls niet weinig, daar dit dier gezellig leeft en op daarvoor geschikte plaatsen, evenals vele andere marmotten in koloniën leeft. Hier ziet men namelijk des avonds de bewoners voor de schuins in den grond dalende pijp van hun hol zitten, of, bij de nadering van een wagen of eene ruiterschaar ijlings er naar toe vlieden, snel nog even zich nieuwsgierig op de achterpooten zetten, op het rechte oogenblik eensklaps in de veilige diepte verdwijnen, om evenwel weinige minuten later weder te voorschijn te komen, klaarblijkelijk met het doel om zich te overtuigen of het dreigend gevaar weder voorbij is. Het geheele gedrag van den ziesel geeft te kennen, dat hij aanhoudend geslingerd wordt door vrees en nieuwsgierigheid. Voor vrees bestaat er aanleiding genoeg, want is het niet de mensch dan zijn het wolven en vossen, koningsarenden en schreeuwarenden, die hem voortdurend op de hielen zitten, en men kan er zeker van zijn, daar vooral ziesels aan te treffen, waar men een koningsarend op een paal aan den weg of op de boomen in de dorpen ziet zitten. Niet zoo dikwijls ontwaart men de springmuis,—voorzeker het sierlijkste zoogdier der steppe—niet zoozeer omdat deze knaagdieren minder talrijk zijn, maar omdat zij, als nachtdieren, eerst na zonsondergang te voorschijn komen; om dezen tijd, en als de maan schijnt nog later, kan men zien, hoe deze bekoorlijke wezens hunne holen verlaten, zich uitrekken en met de korte voorpootjes tegen de borst gedrukt, op de lange kangeroe-achtige achterpooten als op stelten vooruithuppelen, terwijl zij onder het springen het slanke, recht opgerichte lichaam met behulp van den langen, aan twee kanten behaarden staart, in evenwicht houden.

Rusteloos, maar niet te schielijk snelt de paardespringer voort, nu en dan een oogenblik ophoudende, om met zijne lange knevelharen rond te tasten en rond te snuffelen naar voor hem bruikbaar voedsel. Hier pikt hij een zaadkorrel op, ginds graaft hij een bolgewas uit; men zegt zelfs dat hij ook op dieren aast, vogelnesten plundert, eieren en nestjongen rooft, ja zelfs op kleine knaagdieren jaagt, en ik waag het niet hem van deze zonden vrij te spreken. Eene nauwkeurige waarneming evenwel van de levenswijze van dit dier is zeer moeilijk; want zijne zintuigen zijn scherp en zijne geestelijke talenten niet vele, zoodat vrees en schuwheid twee voorname karaktertrekken van de springmuis uitmaken. Zoodra het beestje in eene hem bedenkelijk schijnende nabijheid een mensch ziet naderen, slaat het in eens op de vlucht, en tevergeefs zou men pogen het daarbij te volgen, want zelfs geen ruiter te paard haalt den springer in. Met krachtige sprongen, de lange achterpooten zoover mogelijk uitstrekkende, zich van den in volle lengte uitgestrekten staart als van een balanceerstok bedienende, vliegt de springmuis heen. De eene sprong volgt op den andere, en voor men het weet is zij in het nachtelijk duister verdwenen.

In het steppengebergte treden weer andere diersoorten op, inzonderheid wanneer het gebergte, in plaats van enkel zacht glooiende hellingen, steil in de diepte afvallende rotswanden, uit steengruis samengestelde hoogten, diep ingesneden, woeste kloven, en spitse, onbegroeide toppen en kammen bezit. In de nauwe, groene dalen, door welke een beekje vliet, weidt de vosgans, een ongemeen sierlijke, levendige vogel, ter groote eener goede eend, de gans van het Middel-Aziatische hooggebergte; in de rotsspleten nestelt de rotsduif, de stamsoort onzer tamme duiven; van de rotsblokken, waarop tapuiten, steengorzen en steengoudvinken huizen, dalen de weeke liederen van den steenlijster; de lustige alpenkraai omzweeft de toppen en boven deze trekt des daags de steenarend zijn kringen en glijdt des nachts stil en onhoorbaar de oehoe, beiden er op uit om een der talrijke steenpatrijzen of wel eene onvoorzichtige marmot te pakken. Meer nog evenwel verdient de aandacht de archar der Kirgiezen, een dier reusachtige wilde schapen, die Middel-Azië herbergt, hetzelfde dier, dat ik zoo gelukkig was in het gebergte van Arkat te vellen.

Volgens de nauwkeurige berichten, die de Kirgiezen mij verstrekten, leeft dit trotsche dier niet alleen hier, maar ook op andere minder hooge gebergten der West-Siberische steppen; tot den bronsttijd leven zij in troepjes van vijf tot vijftien stuks, rammen en ooien, in van elkander gescheiden gezelschappen. Iedere afzonderlijke troep blijft op de eenmaal uitgekozen plek zoolang zij niet gestoord of verontrust wordt; gebeurt dit, dan verwisselt zij den eenen bergtop voor een anderen, nooit echter naar verre trekkende. Tegen zonsondergang klimt zulk een troep, aangevoerd door een mannetje, naar de hoogste toppen om aldaar op plaatsen, die voor andere dieren, of moeilijk, of in ’t geheel niet te bereiken zijn, te slapen; met het aanbreken van den dag begeeft zich oud en jong weder naar de dalen om hier te grazen en steeds aan dezelfde bron te drinken; in de middaguren legeren de archars zich in de schaduw der rotsen, op plaatsen, die een vrij uitzicht open laten, om daar te rusten en te herkauwen; tegen den avond trekken zij nogmaals uit om te grazen. Zoo brengen zij des zomers en ’s winters den dag door. Zij vreten alle planten, die ook het voedsel uitmaken van ons tamme schaap; zij zijn, als het moet, even zoo weinig eischend als dit laatste, lijden daarom ook in den winter geen groot gebrek, en zijn in het voorjaar weldra weder zoo goed op krachten, dat zij van nu aan tot den herfst slechts de lekkerste planten uitkiezen. Hun gewone gang is een snelle, zeer spoedig vooruitbrengende draf, dien zij alleen verhaasten wanneer zij opgeschrikt worden; worden zij door een ruiter nagezeten, dan veranderen zij den gewonen tred in een wijd gestrekten galop, en daar zij steeds de richting naar de rotsen inslaan, zijn zij spoedig buiten bereik.

Op de vlakte zoowel als in het gebergte draven zij, op de vlucht, altijd in eene rij achter elkaar, dicht aaneengesloten, en deze rangschikking hernemen zij telkens zoo spoedig mogelijk, wanneer zij plotseling overvallen en uiteengejaagd zijn geworden. Tusschen de rotsen bewegen zij zich uiterst gemakkelijk, met veel behendigheid en zekerheid, onverschillig of zij klimmen of dalen. Zonder zich ’t geringste in te spannen, zonder veel haast zelfs te maken, klauteren zij langs de steilste paden op en neêr, springen over diepe en wijde kloven, en van de hoogte naar de laagte, als waren zij vogels, die vliegen kunnen. Worden de archars vervolgd, dan blijven zij van tijd tot tijd stil staan, klauteren op een hoogere rots, ten einde in ’t rond te zien, en zetten daarop hun tocht zoo bedaard voort, als dreven zij met hun vervolgers den spot. Het bewustzijn van kracht en klautervaardigheid verleent hun een trotsche vermetelheid. Zij overhaasten zich nooit, en slechts dan moeten zij deze langzaamheid boeten, wanneer een verscholen schutter hen in den rug aanvalt.

De ooien leven onderling altijd zeer eendrachtig, de rammen insgelijks, uitgezonderd in den bronsttijd. Deze valt in de tweede helft van October en duurt eene maand lang. Alsnu komen de moedige en strijdlustige rammen in een staat van groote opgewondenheid. De oudsten nemen een bepaalde standplaats in bezit en verdrijven van daar alle zwakken. Met huns gelijken in krachten vechten zij nu op leven en dood; zij plaatsen zich recht tegenover hunne mededingers, gaan op de achterpooten staan, stormen op elkaar los, en stooten met de zware horens zoo geweldig tegen elkander, dat het gebergte er van dreunt.

Somwijlen gebeurt het, dat de horens in elkander verward raken en niet weer los kunnen komen, zoodat zij afbreken; ook wel slingert de een den ander in den afgrond, alwaar hij te pletter valt.

In de laatste dagen van April of in het begin van Mei brengt het schaap een of twee jongen ter wereld. Deze lammeren loopen, zooals wij bij gevangen dieren waarnamen, reeds weinige uren na de geboorte met hunne ouders rond, en volgen dezen binnen weinige dagen op alle wegen met de aan hun geslacht eigen behendigheid en zekerheid. Dreigt er ernstig gevaar, dan verbergt de moeder haar kind tusschen de rotsen, zeker om den vijand te misleiden, en keert, nadat het gevaar geweken is, tot haar jong terug. Dit laatste heeft zich intusschen plat op den grond uitgestrekt, houdt zich zoo stil als een muisje en wordt als aan de rotsen gelijk; zoo ontgaan de lammeren dikwijls aan den blik des vervolgenden vijands,—niet altoos, en ’t allerminst aan de oogen van den steenarend, die een van het moederschaap afgezonderd lam onverwijld aanvalt en doodt. Zoo gebeurde het, terwijl wij in het Arkatgebergte op de jacht waren. Gevangene archarlammeren, die wij van de Kirgiezen ontvingen, bleken allerliefste dieren te zijn; zij vatten terstond de uiers van eene hun opgedrongen min, zoodat men daaruit mag afleiden, dat zij gemakkelijk zijn te temmen en op te voeden.

Indien men er eens huisdieren van maakte zou zulks een belangrijke aanwinst worden voor den veestapel, maar de Kirgies denkt daaraan niet; hij is er alleen maar op uit om de wilde dieren te vangen. Hartstochtelijk wordt die jacht echter niet gedreven en daarom blijft de wolf, ofschoon dit ondier slechts in den winter, wanneer de sneeuw dik op de velden ligt, een enkelen archar kan verscheuren, deszelfs meest gevaarlijke vijand.

Evenals op het gebergte komen er ook op de dorste en meest woeste deelen der steppe, die zelfs in de lente doen denken aan de woestijnen en woestijnsteppen van Afrika, bijzondere, slechts daar thuis behoorende dieren voor. In deze streken verdwijnen behalve het lage pluimgras en de hier tot een klein struikje ineengekrompen bijvoet bijna alle andere gewassen, die men overigens in de hoog- en laagsteppe waarneemt; daarentegen is hier juist een afzonderlijke struik opgeslagen, dien men elders tevergeefs zoekt, n.l. de ramstruik, zoo genoemd wegens zijn buitengewoon hard en droog hout, waar de bijl zelfs op afstuit. Dit gewas wortelt op die enkele plaatsen in de steppe, alwaar een mager, rood, door den regen bijeengestroomd leem den bodem bedekt; het vormt vrij uitgestrekte boschjes en verleent ook andere planten bescherming en schaduw, zoodat zulke groene plekken als oasen zijn in de steppenwoestenij. Toch zijn deze oasen weinig meer bevolkt dan de omringende steppe; want een klauwier, een gewone grasmusch en een fitis uitgezonderd, ziet men hier geen enkelen vogel en nog minder eenig zoogdier. Daarentegen wonen juist in deze eenzame oorden eenige der merkwaardigste steppendieren, behalve die, welke overal in de steppe voorkomen. Zoo behalve de kortteenige leeuwerik en de kalander ook nog de gitzwarte steppen-leeuwerik; zulks schijnt vreemd, wanneer men bedenkt, dat alle grondvogels de kleur dragen van den grond, waarop zij leven, weshalve men dezen leeuwerik op zwarten grond zou zoeken; behalve de kleine plevier, de kuddenkievit; behalve de groote trap, de slanke kraagtrap, door de Kirgiezen pasgangertrap genoemd; behalve het gewone steppenhoen, het vuisthoen—hetzelfde, dat voor eene reeks van jaren bij groote scharen zich in Duitschland (ook in Nederland) vertoonde, zich vestigde in de duinen en op zandachtige plaatsen, maar zoo ongastvrij met geweren en strikken, zelfs met vergift ontvangen werd, dat het zoo spoedig mogelijk het moorddadig land verliet en ongetwijfeld zijn wieg en bakermat weder heeft opgezocht; hier verblijven eveneens, behalve de veelvuldig voorkomende wezel, de steppenantilope en de koelan, het schuwe, wilde steppenpaard. Ten einde niet al te wijdloopig te worden, moet ik mij hier bepalen tot een korte beschrijving van dit laatste dier.

Indien de leer van Darwin juist is, zouden wij den koelan mogen beschouwen als de stamvader van ons paard, dat door eeuwen lang voortgezette veredeling allengs vele wijzigingen heeft ondergaan; deze veronderstelling bevredigt ons in elk geval beter dan aan te nemen, zooals dikwijls zonder genoegzamen grond gedaan wordt, dat die stamsoort is uitgestorven. Sommigen willen in den tarpan, die tegenwoordig nog in de steppen van den Dnjepper vrij rondzwerft, geen verwilderd, maar een wild paard zien; ik houd evenwel liever den koelan voor de oorspronkelijke stamsoort.

De jongste onderzoekingen hebben tot het resultaat geleid, dat onze huishond, wiens zoo onderscheiden rassen men ook niet juist, zelfs niet bij benadering eenigszins nauwkeurig kan aangeven, een afstammeling is van heden ten dage nog levende wolven- en jakhalssoorten, eene uitkomst die aan mijne zienswijze niet weinig steun verleent. Leeft ook de stamsoort onzer huiskat op den huidigen dag nog niet in Afrika in het wild, de stammoeder onzer geit in Klein-Azië en op Kreta? En al mogen wij op dit oogenblik nog in het onzekere verkeeren ten aanzien van de stamouders van ons schaap en rund, zoo is het daarentegen een feit, dat ik van drie verschillende zijden, o.a. van eenen Kirgies, die zegt het dier zelf gejaagd te hebben, zulke overeenstemmende berichten ontvangen heb omtrent een in de binnensteppen van Mongolië nu nog levend, kameelachtig dier, dat overigens alle eigenschappen van eene wilde soort aan zich draagt, dat ik aan de waarheid dier mededeelingen niet kan twijfelen; evenals bij den tarpan kan ik hier hoogstens de vraag opwerpen, of dit kameel de in ’t wild levende stamvader kan zijn van het huisdier der Kirgiezen, dan wel of het als een weer verwilderde nakomeling daarvan moet beschouwd worden. Wanneer de sluier die over deze en dergelijke vraagstukken ligt uitgespreid, meer en meer wordt opgelicht, wanneer de eene stamvader onzer huisdieren na de andere wordt ontdekt, en onder de nog levende dieren opgespoord, waarom zou dan enkel de stamvader van het paard, wiens levensvoorwaarden zoo volkomen vervuld worden door de wijde, onafzienbare steppe, uitgestorven en tot op de laatste sporen verdwenen zijn? Onder de nu nog levende wilde paarden der oude wereld hebben wij dien stamvader te zoeken, en onder dezen heeft geen meer recht op de eer die stamvader te zijn dan de koelan. De tarpan staat ons paard wel is waar in menig opzicht nader, maar wanneer het werkelijk de Hyksos zijn geweest, die in Egypte, welks steenen monumenten ons het eerst het paard te aanschouwen geven, dit dier invoerden, of wanneer de Egyptenaren zelven nog vóór den tijd der Hyksos, alzoo minstens vijf en twintig eeuwen vóór onze jaartelling, het paard hebben getemd en tot een huisdier gemaakt,—in de steppen van den Dnjepper en den Don vingen zij zeer zeker dat wilde dier niet; want dichter bij, in de steppen en woestijnen van Klein-Azië, Palestina en Perzië, alsmede in enkele laagvlakten van Arabië en Indië troffen zij een heden ten dage nog levend, veelbelovend wild paard aan, den koelan. Wel wijkt dit dier in menig opzicht van ons edel huisdier af, echter niet meer dan de windhond, poedel en New-foundlander van den wolf, of eenigen anderen oerhond, niet meer dan de dashond, de pintscher of de zijdehond van den jakhals, niet meer dan de pony van het Arabisch paard, het Belgisch-Fransche karrenpaard van het Engelsche renpaard. De verschillen tusschen ons paard en den koelan schijnen zeer groot te zijn, toch beschouwen beiden zich als kinderen van één bloed, want zij zoeken elkanders gezelschap.

Toen wij op den 3 Juni 1876 door de woeste, eenzame steppe reden, die zich uitstrekt tusschen het Saisanmeer en den Altaï, welke steppe hierboven mij tot type heeft gediend, ontmoetten wij in den loop van den voormiddag niet minder dan vijftien koelans, en onder dezen een enkel paar, dat op den breeden rug van een niet ver verwijderden heuvel weidde. Duidelijk en scherp teekenden zich beide gedaanten tegen den blauwen hemel af, en zoowel bij ons als bij de Kirgiezen, die ons vergezelden, begon het jagershart heftig te kloppen.