Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 9
Een der beide dieren verwijderde zich toen het ons in ’t oog kreeg, en liep weg, de richting naar ’t gebergte inslaande; het tweede bleef stilstaan en scheen te overleggen wat het doen zou, hief een en andermaal den kop omhoog en rende ons te gemoet. Alle buksen werden in gereedheid gebracht: de Kirgiezen vormden langzaam en voorzichtig een halven cirkel, met het doel het onverstandige, zoo opvallend zorgelooze wild op het rechte oogenblik naar ons toe te drijven. Meer en meer, ofschoon bij tusschenpoozen, maar toch voortdurend, naderde de eenhoever ons; wij beschouwden hem reeds als een zekere buit.
Daar gleed een glimlach over het gelaat van den naast mij rijdenden Kirgies; hij had niet alleen de reden ontdekt van het oogenschijnlijk zoo dwaas bestaan des diers, maar dit zelfs meteen herkend.
Het was een Kirgiezenpaard, dat op ons afrende, maar dat in zijn teekening veel had van een koelan; dit paard was zijn meester ontloopen, was wellicht onder een troep wilde paarden verdwaald geraakt en bij gebrek aan beter gezelschap daar gebleven; thans echter, nu het in de naderende rossen zijn soortgenooten herkende, liet het in den nood zijn vrienden in den steek. In de onmiddellijke nabijheid onzer Kirgiezen gekomen, bleef het nogmaals stilstaan, wilde het nog eens overwegen, of het wel wenschelijk zou zijn weder opnieuw den pas geheelden rug onder den zadel te krommen; op de eerste schrede achterwaarts volgden echter ook de anderen en zonder aan de vlucht te denken, liet hij zich gewillig een halster aanleggen en weinig minuten later draafde het zoo goedmoedig aan de zijde van den hem leidenden Kirgies, als had het dier nog nooit het vrije leven zijner voorvaderen leeren kennen. Door eigen ervaring hadden wij dus bevestigd gevonden, wat ons door anderen was medegedeeld, t.w. dat koelan en paard somwijlen gemeenschappelijk leven.
De koelan is ontegenzeggelijk een trotsch, in elk opzicht boeiend schepsel, vol zelfbewustzijn, kracht en overmoed. Nieuwsgierig staart hij den ruiter aan, die hem nadert; dan echter draaft hij zoo achteloos weg, alsof hij met zijn vervolgers den spot drijft, terwijl hij al spelender wijs de flanken met zijn staart geeselt. Geeft de ruiter zijn ros de sporen om het tot spoed aan te zetten, dan gaat de draf van den koelan over in een even gemakkelijken als snellen galop; vlug als de wind doorvliegt hij de steppe en is spoedig uit het gezicht. Maar zelfs in dien dollen loop houdt hij nu en dan in, blijft een oogenblik staan, werpt zich om en ziet zijn vervolger in ’t gezicht, hinnikt, keert opnieuw om, werpt overmoedig de achterpooten in de lucht en springt met dezelfde losheid verder. Een vluchtende troep schaart zich steeds in eene rij, en wanneer deze, als op een bevel van den aanvoerder plotseling stilhoudt, zwenkt en verder rent, dan levert zulks een ongemeen schoon gezicht op.
Even als bij alle andere paarden wordt zulk een troep steeds aangevoerd door een hengst, die tevens onbepaald gebieder is. Hij geleidt den troep naar de weide en op de vlucht, weert moedig elken hem niet in kracht te boven gaanden roover af, en duldt onder zijn onderhoorigen geen gevecht, geen medeminnaar, en in ’t algemeen geen volwassen hengst. Daarom ziet men in de streken, alwaar deze dieren rondzwerven, dikwijls kluizenaars ronddolen, die door geen enkelen troep worden opgenomen; het zijn de in langdurigen en verwoeden strijd overwonnen en verdreven hengsten, die nu tot den volgenden bronsttijd eenzaam en verlaten rondzwerven. In September naderen zij de kudden weder, waaruit inmiddels de oude hengst alle opschietende jonge hengsten verdreven heeft. Een grimmige strijd begint, zoodra zij een mededinger ontmoeten. Uren lang ziet men hen om dezen tijd op de toppen der steile bergruggen staan: de wijd geopende neusgaten zijn naar den wind gekeerd, het oog staart in de vlakte beneden hen. Zoodra de verdrevene een anderen hengst in ’t oog krijgt, springt hij dezen in gestrekten galop te gemoet en strijdt met tanden en hoeven, totdat de uitputting de vechtenden scheidt.
Zegeviert hij over den aanvoerder eener kudde, dan treedt hij in diens plaats en rechten, en de merries volgen hem even gewillig als zijn voorganger. Op dien tijd van strijd volgt de verhuizing; want de booze winter drijft ook de koelans van de eene plaats naar de andere, en eerst nadat de lente haar intocht heeft gehouden, keert de troep naar de oude standplaats terug. Hier brengt de merrie tegen het laatst van Mei of het begin van Juni haar veulen ter wereld, dat in alle opzichten gelijkt op het veulen van ons paard, oogenschijnlijk iets plomper, maar toch een zeer aardig, vroolijk diertje. Wij hadden het voorrecht ook het veulen te leeren kennen.
Toen wij een lang gerekten heuvel der genoemde woeste steppe beklommen, zagen wij plotseling op geringen afstand, drie oude koelans met een klaarblijkelijk eerst voor weinige dagen geboren veulen voor ons. Onze Russische gids vuurde een kogel op hen af, en weg renden de wilde paarden; tenauwernood raakten de kleine hoeven den grond, terwijl zij als het ware al spelende hunne behendigheid ten toon spreidden en ten behoeve der veulens blijkbaar hun loop iets inhielden. Vooruit snelden evenwel ook op hetzelfde oogenblik alle Kirgiezen en Kozakken van ons gevolg; vooruit snelden, door de algemeene razernij medegesleept ook onze bedienden; vooruit stoven ook wij. Het was een wilde jacht! Altijd nog met hunne krachten spelende liepen de wilde paarden in de richting der bergen voort, terwijl alle ruiters hun rossen dwongen om hun volle krachten te ontplooien, zoodat de dieren bijna met den buik langs den grond streken. Het juichend geschreeuw der Kirgiezen, het stampen der bliksemsnel voorthollende paarden, het hinniken van onze veel langzamer loopende, onder den teugel knersende rijpaarden, weêrgalmde door de lucht, de fladderende mantels en kaftans, het opstuivende zand verlevendigden de woestijn. Steeds verder en verder voerde ons de dolle jacht. Daar scheidde zich het veulen van zijn oudere gezellen en bleef iets achter; de afstand tusschen hem en de telkens met angst achteruitziende moeder werd steeds grooter, die tusschen het veulen en de ruiters steeds kleiner; nog enkele minuten en het was gevangen. Zonder tegenstand te bieden gaf het zich aan zijn vervolgers over; van de wildheid, de onbedwingbare eigenzinnigheid, de bandelooze, soms in ware ondeugendheid ontaardende moedwilligheid der oudere dieren zijner soort was nog geen spoor waar te nemen. Onschuldig keek het ons met zijne groote, levendige oogen aan; met welbehagen naar het scheen, liet het zich over zijn zachte huid streelen en gewillig aan een koord binden en leiden; onbezorgd als een kind legde het zich naast ons neder, om na de heete jacht, waarvan hij zelf het doelwit was geweest, de voor hem zoo noodige rust te genieten; het was een bekoorlijk, innemend schepsel! O, hadden wij het dier slechts dadelijk eene zoogende merrie, rust en verpleging kunnen verschaffen! Maar dat was onmogelijk, en het lieve, aanvallige wezen stierf dan ook reeds den volgenden dag. Een volwassen wild paard zouden wij met jagerslust gedood hebben; het jonge dier te zien sterven, dit greep ons aan.
Tevergeefs trachtten wij een der oude dieren te vangen; tevergeefs legden wij ons naast het vastgebonden veulen in hinderlaag; tevergeefs hielden wij een drijfjacht—niemand onzer slaagde. Als jager scheidde ik met leedwezen, als natuuronderzoeker ten volle bevredigd uit de armzalige woestenij: ik had immers het edelste zoogdier der steppe leeren kennen.
IV.
WOUD, WILD EN JACHT IN SIBERIË.
De eentonige indruk, dien wij van Siberië ontvangen, spruit vooral daaruit voort, dat drie zeer van elkander verschillende, maar zich zelf min of meer gelijkblijvende breedte-gordels bijna overal het landschap beheerschen. Elk dezer gordels bewaart steeds zijn eigen karakter, en brengt dezelfde beelden zoo herhaaldelijk voor oogen, dat we er eindelijk moede van worden niet alleen, maar dat allengs de vatbaarheid voor indrukken in dien graad wordt verstompt, dat men ten laatste bijna ongevoelig wordt voor de werkelijke bekoorlijkheden van het landschap.
Daarom spreekt men zoo zelden met waardeering, nog minder vaak met warmte voor dat uitgestrekte gebied, ofschoon het beide ten volle waard is; dientengevolge heeft zich allengs eene opvatting van Siberië van ons meester gemaakt, die even weinig met de werkelijkheid overeenkomt, als zij zich hardnekkig verzet tegen elke andere, op de feiten der ervaring steunende zienswijze.
Siberië is, zegt men, eene ijzingwekkende ijswoestijn, zonder eenig leven, zonder eenige afwisseling, zonder eenige bekoorlijkheid, een land, verstijfd onder den vloek des hemels en dien van ongelukkige bannelingen. Men verliest daarbij uit het oog, dat wij hier te doen hebben met een derde deel van geheel Azië, met een land, dat bijna tweemaal zoo groot is als geheel Europa, dat zich uitstrekt van den Oeral tot de Stille Zuidzee en van de IJszee tot aan den breedtegraad van Palermo, en dat zulk een groot land onmogelijk in algemeenen zin gelijkvormig, in al zijn deelen gelijk kan zijn. Men vat gemeenlijk slechts een enkel deel in het oog en bekijkt ook dit nog in een valsch licht.
In werkelijkheid biedt Siberië meer afwisseling aan dan iemand zou denken, en is het daaraan rijker dan zijn beschrijvers het afschilderen. Ook de Siberische laagvlakte omvat gebergten, of wordt door bergen omgrensd, ook in Siberië schenken stilstaande en stroomende wateren leven, ook in Siberië giet de zon haar tooverlicht over bergen en dalen, ook in Siberië vindt men hoog geboomte en prachtige bloemen, die het landschap tooien, en ook in Siberië leven gelukkige menschen, die hun geboorteland liefhebben en er trotsch op zijn.
Aan den anderen kant zijn er ontegenzeggelijk ook nu nog wildernissen in Siberië, die voor de zoo even genoemde ongunstige opvatting pleiten, ijswoestijnen, zooals de toendra’s, en de onherbergzame wouden tusschen de toendra en de steppe, welke wouden den derden gordel uitmaken. Hierin waagde zich tot nog toe geen mensch, tenzij slechts voor korten tijd.
Het doen en laten der grensbewoners ging buiten deze wouden om; hoogere machten regeeren onbeperkt daarbinnen, om te vernietigen, wat zij hebben opgebouwd. Het vuur des hemels zet hun geboomte in brand, de loeiende winterstorm rukt het ter aarde. Die wouden werden door geen menschenhand geplant, geen bijlslag werd er in gehoord; oerwouden zijn het in de volle beteekenis des woords. Geheimzinnig trekken zij ons aan, onvriendelijk stooten zij ons af; zij lokken den jager tot een bezoek, maar stremmen zijn voet: eene rijke winst belooven zij den begeerlijken koopman, maar met een wissel op de toekomst schepen zij hem af.
Tusschen de steppe en de toendra ligt deze woudgordel van Siberië.
Hier en ginds grijpt hij daarin, hier en daar buigen steppe of toendra binnen dien gordel. Op sommige plaatsen der beide boomlooze gebieden kan wel is waar een dicht bosch den grond betwisten aan eene plantenwereld, die bijzonder het eigendom is van steppe of toendra, maar zulke afzonderlijke boschpartijen zijn als eilanden in den Oceaan, die geen recht van bestaan schijnen te hebben. In de steppe blijven zij bepaald tot de naar het noorden afvallende berghellingen en tot de rivierdalen; in de toendra tot de diepste gedeelten, en alzoo doen zij zich zoowel hier als ginds als onbeteekenend voor tegenover de eindelooze bosschen van den woudgordel zelf, waarin slechts enkele malen een stroom, een meer, een poel de overigens onafgebroken woudwildernis eenige afwisseling schenkt, waarin slechts hier en daar een brand opene plekken schept, en de mensch, alhoewel slechts aan den uitersten zoom, eene kleine bres maakt. Geheele koninkrijken zouden plaats kunnen vinden in een enkel dezer wouden. Hoe zij er van binnen uitzien, niemand weet zulks; want zelfs de uit deze bosschen voortkomende en naar den hoofdstroom zich spoedende zijrivieren zijn niet bevaarbaar en de koenste pelsjager leerde hier weinig meer kennen dan een grensgordel van ten hoogste honderd kilometer breedte.
De indruk, dien de Siberische bosschen op den Duitschen reiziger teweegbrengen is verre van gunstig. Een blik op die eeuwige, met bosschen bedekte streken ontstelt, maar verwarmt niet, althans slechts zeer zelden. De scheppende, voortbrengende, voltooiende macht van het noorden schijnt niet in staat te zijn het hoofd te bieden aan de vernielende elementen. De grijsheid is hier gehuwd aan de vroege jeugd, zonder dat deze vereeniging een verkwikkelijken invloed uitoefent; een rijkdom zonder maat vertoont zich hier in ’t gewaad eens bedelaars; het afgestorven leven zonder krachtige kiemkracht dringt elke vroolijke gewaarwording terug. Overal neemt men een harden levensstrijd waar, maar nergens wordt men werkelijk aangetrokken, nergens werkt het bosch als een aangenaam tehuis, en het inwendige beantwoordt nergens aan de verwachtingen, die het uitwendige opwekte. De majesteit der oerwouden in zuidelijker gelegen landen ontbreekt in deze aan zich zelf overgelaten, onverzorgde bosschen geheel en al, en het hierin opgewekte leven schijnt reeds van den aanvang af in de boeien des doods gekneld te zijn.
Werkelijk hoogwoud, levenslustig, aan een regelmatige wisseling onderworpen geboomte is zeldzaam; verbrande bosschen zijn menigvuldig. Vroeger of later steekt de bliksem of de strafbare lichtzinnigheid van den Siberiër het woud in brand. Begunstigd door jaargetijde en weder kan zulk een brand schrikbarende verhoudingen aannemen. Niet uren of dagen, maar weken lang woedt hij ongestoord voort. Op den met mos begroeiden, veenachtigen grond kruipt en kronkelt de vlam steeds verder; het dorre hout, dat bij massa’s den bodem bedekt, schenkt haar telkens nieuw voedsel; doode, tot op den grond neêrhangende takken van nog staande, maar in den top reeds verdorde stammen leiden haar naar de kronen van nog frissche boomen. Suizend en knetterend vatten de met hars gedrenkte naalden vlam, en een reusachtige fontein van vuur en vonken stijgt ten hemel.
De hoogste boomen zijn binnen weinige minuten gedood en der vernietiging prijsgegeven; uit de vuurfontein vallen millioenen vonken ter aarde en overal in ’t rond stijgen nieuwe vlammen uit de nieuwe brandstof opwaarts.
En op deze wijze met elke secunde nieuwen bodem erlangende, zich naar alle kanten uitbreidende, loopt het verderf steeds verder en verder; en na verloop van enkele uren staan geheele kwadraatmijlen van het woud in brand. Walmende rookwolken verduisteren het licht der zon honderden wersten ver; langzaam, maar steeds in dichter en dikker lagen neerstortende asch geven over dag, de vurige weêrschijn aan den hemel des nachts aan de verst afwonenden kondschap van het onheil; door doodsangst aangegrepen dieren brengen het bericht in steden en dorpen. Beren verschijnen onmiddellijk na groote boschbranden in streken, waar men ze in jaren niet zag; de wolven trekken, evenals in den winter, bij groote troepen door het veld; elanden, herten, reeën en rendieren zoeken in ver afgelegen wouden een nieuwe schuilplaats op; de eekhorens trekken soms in ontelbare menigte door de bosschen en boomlooze streken, over weilanden en akkers, door dorpen en steden. Hoeveel dieren echter het vuur ten offer vielen, laat zich zelfs niet gissen; wel heeft de ondervinding geleerd, dat bosschen, waarin een brand had gewoed, jarenlang onbevolkt bleven en dat kostbare jachtdieren uit zulke streken geheel en al verdwenen waren. De verwoestingen strekken zich zeker nog veel verder uit, dan wij vermoeden; in het jaar 1870 werd door een brand, die veertien dagen duurde, een half millioen hektaren boschgrond in het gouvernement Tobolsk vernield; rookwolken en asch verspreidden zich daarbij tot op een afstand van 1600 werst.
Jarenlang na den brand is zulk een plaats niets dan een puinhoop, ja een of twee menschenleeftijden later zijn de sporen nog niet geheel uitgewischt. De vlammen doodden wel de boomen, maar verteerden slechts die, welke op het oogenblik van den brand reeds verdord waren; de oppervlakkig geschroeide stammen der andere bleven echter staan, ja zelfs de kruinen boetten alleen hun naalden, twijgen en verdorde takken in. Met het afsterven der boomen begint echter hunne vernietiging. Vroeger of later worden zij onherroepelijk door den storm geveld. De een na den ander wordt ter aarde geworpen, de een na den ander van zijn takken beroofd, ontkruind en ter hoogte van twee derden of drie vierden, van den grond afgerekend, geknakt. Door en over elkander liggen eindelijk duizenden boomlijken in massa’s op een grond, die reeds met talrijke fragmenten was bedekt. Sommige rusten op de wortels of de kruin vertakkingen, andere leunen tegen nog staande stammen; weder andere liggen verbrijzeld tusschen de takken en twijgen van omlaag gestorte kruinen, met gescheiden en ver uiteenliggende kronen en stammen, terwijl de takken naar alle windstreken verspreid en verwaaid werden. En die boomen, welke bij den storm gespaard bleven, verwekken in de ziel van elken minnaar der bosschen nog droefgeestiger gewaarwordingen dan de reeds gevoelde. Als naakte, kale masten stijgen zij omhoog. Weinige behouden nog eenige jaren na den brand hunne kronen of gedeelten daarvan; de van hun takjes beroofde bovenste kruintakken vermeerderen den treurigen indruk nog meer, dan dat zij dien verminderen. Allengs vallen ook de laatste kronen op den grond en nu vermolmen ook de nog staande stammen steeds meer en meer. Spechten bewerken ze aan alle kanten, hameren er nestholten in, en zoo verkrijgt het vocht gelegenheid naar binnen te dringen, zoodat het verrottingsproces een sneller verloop verkrijgt. In den loop der jaren vermolmt ook de reusachtige stam zoo volledig, dat hij in stof verkeert en alle weêrstandsvermogen verliest; als een vormlooze massa valt hij ter aarde, wanneer hij slechts even wordt aangeraakt. Eindelijk verdwijnt ook dat laatste spoor en eene uitgestrekte, hier en daar door enkele overblijfsels van boomen afgebroken vlakte spreidt zich uit voor ’s menschen blik.
Maar een nieuw leven is intusschen uit deze puinhoopen ontkiemd. Reeds weinige jaren na den brand begint de zwarte, door asch en molm bemeste grond weêr met planten bedekt te worden. Korstmossen en mossen, varens en heideplanten, inzonderheid verschillende bessoorten spreiden een kleed van groen, en de overblijfsels der gevallen boomen gedijen hier weelderiger dan elders, om even spoedig weder verschillende dieren tot zich te lokken als de brand ze verdreef. Het zaad van berken, door den wind aangevoerd, kiemt en ontspruit, en allengs is er zulk een dicht, in ’t eerst hoofdzakelijk uit de laatst genoemde plantensoort gevormd struikgewas ontstaan, dat het den schijn heeft, alsof dit opzettelijk door ’s menschen hand was aangeplant. Na eenige jaren heeft de nieuwe opslag de oude lijken aan ’t gezicht onttrokken; nog eenigen tijd later en andere woudboomen nemen de plaats in hunner voorvaderen. Elke boschbrand spaart enkele gedeelten van het woud, soms zelfs blijven eenige boomen te midden van verbrande plekken ongeschonden staan; en zoo zijn de voorwaarden vervuld voor eene bezaaiing der verwoeste streken. Het water en diepe kloven stellen soms perk en paal aan ’t vernielend element; het kan ook gebeuren, dat de vlammen het geboomte aan de achterzijde der kloof bereiken en in brand steken, terwijl al wat in de kloof groeit, gespaard blijft. Alleen staande lariksen, ofschoon even geblakerd, ontkomen dikwijls aan de vernieling. Wel lekken de vlammen aan den voet des stams, wel verkolen zij alle naalden, maar de kroon bot weer uit en de boom blijft, hoezeer kwijnend, nog geruimen tijd in het leven.
Tegenover de verwoestingen, die het vuur aanricht, zijn die welke de mensch veroorzaakt van geringe beteekenis, alhoewel zij, op zichzelf beschouwd, niet zoo geheel onbeduidend mogen genoemd worden. Van boschbouw heeft de Siberiër geen begrip. Voor hem is het woud het eigendom van den „lieven God,” en wat deze bezit, behoort ook aan den boer. Waar zooveel rijkdom heerscht, denkt hij natuurlijk niet aan spaarzaamheid, en hij vraagt slechts naar het oogenblikkelijk voordeel. Elke Siberiër velt zooveel en wat hem goeddunkt, en vernielt daarbij nog veel meer dan wat hij noodig heeft. Om eenige palen te bekomen, houwt hij geheele naaldboomen om, onverschillig of deze jong of oud zijn; heeft hij timmerhout noodig, hij velt drie- à viermalen zooveel als hij behoeft, en wat er te veel is laat hij liggen, zelfs zonder het als brandhout te benutten. Reeds nu laten zich de gevolgen dezer onzinnige handelwijze gevoelen. In de nabijheid der steden en dorpen, zelfs in de nabijheid der wegen, zijn de bosschen zoo ontbloot, dat zij er weinig beter uitzien dan die, waarin een brand heeft gewoed, en nog altijd gaat men met verwoesten voort. Eerst sedert het jaar 1875 heeft men in Siberië houtvesters aangesteld, maar ook deze lieden hebben een meer geopend oog voor het vellen dan wel voor den aanplant der boomen.
De Siberische wouden, ook die waarin noch het vuur noch de bijl heeft gewoed, zien er geheel anders uit dan onze bosschen; zij dragen den stempel eener door niets beperkte natuurlijke groeikracht. Slechts bij uitzondering werkt deze aantrekkelijk op ons.
Het is waar, aanvankelijk wordt men getroffen door die mengeling van worden en vergaan, maar het doode overheerscht allengs het levende en deze indruk bezwaart in plaats van te bezielen.
In zulke oerwouden wisselen dichte gedeelten af met ontbloote plekken, hoog woud met struikgewas, oude grijsaards, die den tijd trotseerden, met een krachtig jong gewas. Ook hier staan en leunen en hangen en liggen overal vermolmde boomen. Uit de tronken van gevallen stammen ontspruiten jonge loten; reusachtige lijken van boomen versperren den weg.
Wilgen en populieren, met den berk de meest gewone loofboomen der bosschen van westelijk Siberië, komen hier tot vollen wasdom; dikwijls zien zij er uit alsof zij voortdurend belemmering ondervinden om tot volledigen groei te raken. Meer dan mansdikke stammen dragen verdraaide kronen van weinig omvang, waaruit jaar op jaar nieuwe twijgen ontspruiten, zonder dat deze het tot ware takken brengen; andere, oogenschijnlijk overoude boomen, treden slechts in den heestervorm op; wederom andere zijn middendoor gebroken, versplinterd en gescheurd, en bij den top verdraaid, terwijl het benedengedeelte slechts door een dunne schil met het boveneind verbonden is. Slechts bij uitzondering verkrijgt men den indruk van een geheel; bijna alles ziet er uit, alsof het kwijnt en meer en meer zijn ondergang te gemoet gaat.
Deze schilderij is evenwel niet van toepassing op alle deelen van het uitgestrekte gebied; integendeel, somtijds, vooral in het zuiden van den woudgordel vallen ons bosschen in ’t oog, waar de blik met welgevallen op rust. Ligging, plaatselijke gesteldheid, de hoedanigheid van den grond en andere omstandigheden werken somtijds samen tot eene heerlijke uitkomst. De boomen groeien dan vroolijk op, de samenstelling van het houtgewas verandert, en het bijna overal weelderige onderhout biedt de rijkste verscheidenheid aan. Elke nieuwe boomsoort, die de armoede des wouds, wat de soorten betreft, vermindert, begroeten wij telkens met nieuw gejuich; maar toch missen wij, zelfs in de rijkste partijen, nog een aantal boomen, die op gelijke breedte in Europa zeer gewoon zijn. Eenvormig en eentonig, evenals de steppe en de toendra zijn en blijven ook de wouden van dit land.
In de rivierdalen van den boomgordel valt die armoede het meest op. Hier heerscht de wilg, die aan de stroomen en op de eilandjes dikwijls uitgestrekte bosschen schept, zoo onbeperkt, dat bijna geen andere boom tot wasdom kan geraken. Mijlen ver maken zij het uitsluitend bestanddeel der bosschen in deze dalen uit; hier en daar schieten zij tot eene goede hoogte op, maar ook dan ontbreekt het nog al te dikwijls aan uitdrukking en bekoorlijkheid.