Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 7

Chapter 73,091 wordsPublic domain

Op alle andere plaatsen ontkiemt snel een jeugdig leven. Gretig zwelgt de aarde het vocht in, haar door de smeltende sneeuw geschonken, en de twee, nu voorgoed vereenigde toovenaars, de zon en het water, openbaren hunne alles overweldigende kracht. Nog vóórdat de straks vermelde sneeuwhoopen, nog vóór de snel wegdooiende ijsschollen op de meren zijn gesmolten, zenden alle bolgewassen, alle planten in ’t algemeen, die den winter overleefden, bladeren en bloemstengels naar de zon omhoog. Tusschen de gele grashalmen en de dorre stengels van alle niet door de herfststormen geknakte kruiden schittert het eerste groen. Nu steken kolonisten en zwervende herders het dichte struikgewas aan, en het vratige vuur vernietigt, wat de herfststorm nog spaarde. Zoodra hierdoor de grond plaatselijk is gereinigd, ontluikt het plantenleven met nog grooter kracht. Blad- en knolgewassen ontspruiten aan de schijnbaar dorre aarde; de knoppen botten uit, bloemen ontluiken en de steppe prijkt in weêrgaloozen tooi. Mijlen ver in ’t rond schitteren gele, donkerroode, witte, wit en rood gestreepte tulpen den wandelaar in de oogen. Hoogstens twee of drie bijeen, stijgen zij omhoog, maar zij staan over de geheele steppe verspreid en bloeien op hetzelfde oogenblik in zoo grooten getale, dat zij overal het oog treffen, naar welken kant dit zich richten moge. Spoedig daarop ontwikkelen zich ook de lelies, en nieuwe, nog bekoorlijker kleuren schitteren ons tegen, vooral waar deze beminnelijke kinderen der steppe maar de voorwaarden vervuld vinden voor hun leven, aan de hellingen en in de diepe dalen; langs den oever der rivieren en in de moerassen. Gezelliger en meer verscheidenheid aanbiedende dan de tulpen, treden zij in veel grooter aantal op dan deze; zij nemen geheele streken in beslag en staan zoo dicht opeen, dat men ze kan vergelijken bij de koornbloemen op de roggeakkers, of bij een in bloei staand veld met koolzaad. Gewoonlijk vindt men planten van dezelfde soort bijeen, doch ook komt het voor, dat blauwe en gele leliën in bonte schakeeringen door elkander groeien, en deze twee complémentaire kleuren hebben dan eene uitwerking, die inderdaad betooverend is.

Versieren thans, onmiddellijk na den winter, deze eerste kinderen der lente de steppe, ook de hemel verleent hun geen geringen tooi. Geheel vrij van wolken is de lucht in de lente wel bijna nimmer, meestal zelfs is zij bedekt met wolken van elken vorm, bij het fraaiste weder althans met laag- en schapenwolken, die meer of minder dicht opeengedrongen, zich over het geheele hemelgewelf verbreiden en langs den geheelen horizon op de aarde schijnen te rusten. Indien evenwel deze wolken zwaarder worden, als de hemel verduistert, en de zon slechts hier en daar een enkelen lichtbundel werpt op de door den eersten lenteadem verwarmde steppe, dan komen er tinten en kleuren te voorschijn, die men voor onmogelijk zou houden.

Iedere dag evenwel voegt nieuwe kleuren tot de aanwezige toe. Meer en meer verdwijnt de geelachtige tint, die ook nog in het voorjaar door de herfsthalmen over de steppe wordt gespreid, en steeds frisscher en levendiger komt de eigenlijke lentedos van het reeds zoo schoon getooide landschap te voorschijn. Binnen weinige weken is de steppe als een bont tapijt, waarop alle schakeeringen stralen van ’t donkerste groen tot het tintelendst groenachtig geel; het sterk sprekend grijsachtig groen der artemisia’s verkrijgt thans door bijzonder in ’t oog loopende kruiden en dwergachtige boschjes donkere en lichte tinten. De dwergamandel, die alleen of in gezelschap van erwtgewassen en kamperfoelie groote deelen der steppenlaagten inneemt, staat thans, evenals de twee andere lage struiken, in vollen bloei, en de perzikroode met bloesems bedekte twijgen steken levendig af tegen het groen der grassen en kruiden, en tegen de bloesems van den Garak, zelfs tegen het teedere rozenrood en roodachtig wit van de kamperfoelie, dat op daarvoor geschikte plaatsen dikke boschjes vormt en in vollen bloei staand, alle overige kleuren in het rond tot den grond maakt, waarop hare blaadjes zich scherp afteekenen. Vele, mij als leek onbekende kruiden en planten roepen donkere schaduwen en helder verlichte partijen in ’t leven, en de even spoedig verwelkte als uitgebotte bladeren van andere gewassen zijn als zoovele geelachtig groene en goudgele punten en vlekjes op dat tapijt.

Uit de verte gezien, smelten alle kleuren eenigszins ineen tot een gelijkmatig grauwachtig groen; van nabij echter treedt elke kleur afzonderlijk te voorschijn; zelfs is dit het geval met de vele bloemen, die zich thans geopend hebben, overal ten minste verspreid, op bijzonder gunstige plaatsen groepsgewijs bijeen staan en in de schaduw van het struikgewas tot volle pracht zijn gekomen.

Behalve de oneindige verscheidenheid van bolgewassen treffen vooral heerlijke wikke-soorten, benevens oude bekenden van vreemdsoortig voorkomen uit onze bloementuinen het oog, en steeds grooter en grooter wordt de betoovering, zoodat men eindelijk, schier begoocheld door dit tooneel, waant in een eindeloozen, niet onderhouden bloementuin te wandelen.

Met het plantenleven is ook het dierlijk leven ontwaakt. Nog voordat de laatste sporen van den winter geheel verdwenen zijn, komen de trekvogels weder in de steppe terug; en heeft de lente voorgoed en werkelijk haar intocht gedaan, dan ontsluiten ook de winterslapers hunne onderaardsche kwartieren, alwaar zij het booze jaargetijde in bewusteloozen, schijndooden toestand hebben doorgebracht; evenals de trekvogels nu zich vereenigen met de standvogels, zoo ook voegen zich deze zoogdieren bij die natuurgenooten hunner klasse, welke geen vrees voor den winter hebben gekoesterd, althans dien glansrijk het hoofd hebben geboden. Gelijktijdig vieren de insecten hun opstandingsfeest; zij verlaten hunne schuilhoeken of leggen de pophuid af; amphibieën en reptielen,—kikvorschen, hagedissen en slangen—verlaten almede hunne winterverblijven, om reeds van de eerste zonnestralen te genieten, ten einde de warmte deelachtig te worden, die hen voorgoed tot het volle leven kan doen terugkeeren. Droomend wachten zij op den zomer; voor hen alleen een tijd van ongestoord geluk.

Het wordt levendig in de steppe. Nog niet veelsoortig, maar reeds in groot aantal en overal verbreid, treden de haar toebehoorende dieren op. Nergens is nu meer een plekje ledig. In zulke groote kudden, als de antilopen in de steppen van Centraal-Afrika, of de zebra’s en quagga’s in de Karoe van Zuid-Afrika, en de ontelbare buffels in de prairiën van Noord-Amerika ronddolen, trekken wel is waar de zoogdieren niet door onze steppen; en in zulke groote scharen als aan het zeestrand en op sommige eilanden, in Afrika’s steppen of in de oerwouden der keerkringslanden ziet men de vogels hier niet verschijnen; maar in sommige streken bepalen toch ook zij het landschapsbeeld en schenken zij hieraan een geheel eigenaardig karakter. Ook de steppe bezit of herbergt eene bijzondere dierenwereld.

De voornaamste verzamelplaatsen van het dierlijk leven zijn al weder de wateren, zooals de groote meren en de kleine vijverachtige waterbekkens, alsmede de rivieren en beken. Eerder nog dan aan de tijdelijk of bestendig onder water staande rietlanden, die de oevers der meren omzoomen, herkent men deze aan de honderden en duizenden van moeras- en zwemvogels, ook al ziet men in de verte nog geen water. In veelvuldig afwisselende vlucht zweven en glijden de vischmeeuwen, stormmeeuwen en lachmeeuwen over den waterspiegel; sneller en ongestadiger dan deze vliegen de zeezwaluwen over de rietvelden en meren, en hoog in de lucht beschrijven de schreeuwarenden hun sierlijke kringen; eenden, ganzen en zwanen vliegen van het eene meer naar het andere; rietwouwen schommelen over het riet en zelfs zeearenden en pelikanen laten zich bij tijd en wijle zien. Een goed denkbeeld van de soorten en het aantal, het leven en bedrijf van al deze watervogels krijgt men eerst, wanneer men aan den oever staat of in de rietbosschen dringt. Zooals men denken kan is de zoutsteppe arm aan dierlijk leven. In snelle vlucht trekken de watervogels over den onherbergzamen, met zout bezwangerden oeverzoom en vliegen van den eenen poel naar den anderen; alleen de lach- en vischmeeuwen rusten gaarne een enkele maal bij de nog niet uitgedroogde, vlakke, met zout water gevulde bekkens uit; en eenig en alleen de kasarka vischt in het water zelf, gemeenschappelijk met de sierlijke kluit, die juist deze plekken bij voorkeur opzoekt, om bij paren of in troepen vereenigd, vlijtig het zilte water te doorzoeken, den kleinen kop met den fijnen, gekromden, naar boven gekeerden snavel heen en weêr schuddende. Andere vogels heb ik hier nimmer veel gezien, een enkele gele kwikstaart, een gewone kwikstaart, een kievit en een plevier uitgezonderd; alle anderen vermijden dit ongastvrije oord, en zulks te meer, naardien er in de onmiddellijke nabijheid veel beter en rijker vischwateren te vinden zijn. Overvloedig voedsel zelfs is in de naaste omgeving der meren te vinden. Daarom verzamelen zich hier niet alleen om en op den waterspiegel duizenden moeras- en zwemvogels, maar daarenboven alle kleine zangvogels, wien de droge steppe het noodige levensonderhoud niet vermag te geven; en zoo vinden niet alleen de vischdieven, maar ook vele andere soorten van roovers hier hun dagelijksch brood. Met de strandmeren van Noord-Afrika, alwaar in den winter de gevederde bewoners van drie werelddeelen tot een reusachtig rendez-vous bijeenkomen, met de stilstaande wateren der keerkringslanden, in en om welke te allen tijde honderdduizenden van vogels zich verzamelen, zelfs met de moerassige laagvlakten van den Donau, alwaar elken zomer eindelooze scharen van de kinderen der lucht zich vereenigen, laten de steppenmeren zich wel is waar volstrekt niet vergelijken; in verhouding tot hun aantal ginds is het getal gevederde kolonisten hier zelfs gering te noemen, maar niettemin is en blijft het op zichzelf nog zeer aanzienlijk, en de meren der steppen ontleenen ontegenzeggelijk almede hunne eigenaardigheid hieraan, dat zij de verblijfplaatsen zijn van vogels.

Alles leeft hier in het riet; de wolf zoowel als het wilde zwijn, de arend zoowel als de wilde zwaan, de raaf zoowel als de wilde eend, krakeend en wintertaling, de lijster zoowel als de grasmusch, de baardmees zoowel als de musch, de rietgors zoowel als de ortolaan, de fitis en tjiftjaf zoowel als het blauwborstje, de torenvalk en roodvoetvalk zoowel als de kraanvogel en de kievit, de klauwier zoowel als het bokje, de spreeuw zoowel als de gewone en gele kwikstaart, de kwartel zoowel als de ijsvogel, de zilverreiger en de lepelaar zoowel als de schollevaar en de pelikaan. De dichte rietbosschen zijn de ware en eigenlijke verblijf- en schuilplaatsen voor deze dierenwereld; zij treden in de plaats van het woud, zij beveiligen en verbergen en strekken tot toevluchtsoord voor de liefde en het familiegeluk; zij zijn de getuigen van de luidruchtigste vreugde en de teederste zorgen, de broedplaatsen der jongen en tevens de oorden, waar deze worden grootgebracht.

Van de hier huizende zoogdieren neemt men slechts de sporen waar, tenzij men tot maatregelen van geweld zijn toevlucht neemt en met behulp van honden de rietbosschen doorsnuffelt; de licht bewegelijke vogelwereld daarentegen ontgaat hier het geoefend oog des onderzoekers nergens.

Wanneer men uit de droge steppe komt en een dezer meren nadert, verdwijnen ten laatste ook de overal voorkomende leeuweriken, terwijl de een of andere plevier zijn opwachting maakt, ‘tzij dat hij door zijn klankrijk geroep de opmerkzaamheid wekt, ‘tzij dat hij zich persoonlijk laat zien; met de haast, aan alle soorten van zijn geslacht eigen, loopt hij hortend en stootend over den grond voort, hier en daar een beestje oppikkende, dan een oogenblik stilhoudende, om dadelijk daarop met gelijke haast weer voort te snellen. Nog voor men bij het riet is aangeland, wordt de lach- of kokmeeuw, misschien ook wel de kleine zeemeeuw, in een gunstig geval tevens een mantelmeeuw of een burgemeester zichtbaar; de eerste vliegt zelfs zeer ver de steppe in, voegt zich bij grazende kudden en verleent aan deze geen geringen tooi, wanneer dichte drommen dier meeuwen de kudden omzweven en de afgeslagen en afgeschudde insecten opvangen, of wanneer zij achter de kudde loopen, als waren zij duiven, die op het veld voedsel zoeken. Dan bemerkt men ook wel eens een wilde gans, het mannetje van een op het nest broedend wijfje, dat zijn gade voor enkele oogenblikken verliet, ten einde op grasrijke plaatsen in de nabijheid van het riet te weiden, zoolang zulks althans nog mogelijk is, en ouderplichten, waarvan ook de woerden hun aandeel op zich nemen, het niet noodzaken zich schuil te houden in de onmiddellijke omgeving des meers, op plaatsen, die daarvoor de meest geschikte gelegenheid aanbieden, en werwaarts de voorzichtige ouders hunne grijsachtig groen-gele kiekens aanvankelijk voeren. Op alle ondiepe, met water bedekte plaatsen langs den oever gaat het levendiger toe. Aan de randen van zulke plassen en vijvers ziet men op daarvoor geschikte strijdplaatsen kleine strandvogels, de kemphanen, prijkende in hun riddertooi, elkander bevechten; zij rennen met gebogen kop op elkander los, richten den snavel als een vooruitgestoken lans op den wijd uitgespreiden tot schild dienenden halskraag der nimmer ontbrekende tegenpartij, nemen eene uitdagende, maar onbeschrijfelijk fiere en schoone houding aan, zien elkander nog eens scherp in de oogen en stormen op elkander los, van weêrszijden op hetzelfde oogenblik stootende en den stoot met het veêrkrachtige borstschild opvangende. Niemand bekomt eenig leed, niemand wordt door dezen tweekamp ook maar eenigszins verhinderd in andere veel minder edele bezigheden; want aan dezen kemphaan ontging in de hitte van den strijd de vlieg niet, die zich juist op een grashalm neêrzette, en aan dien anderen den zwemkever niet, die op den waterspiegel van een klein plasje ronddartelde: fluks loopen beiden naar de juiste plek om den buit te snappen en zich daarmede te versterken, ten einde voor een nieuw gevecht gereed te zijn. Inmiddels verschijnen er nieuwe strijders op de kampplaats en nimmer schijnt het gevecht een einde te nemen. Daar komt een rietwouw schommelend nader; ijlings verlaten onze helden de strijdplaats, verheffen zich in dichte drommen in de lucht en vliegen naar elders, naar een anderen plas, om hier hetzelfde spel van voren aan te beginnen. De gevreesde wouw schrikt alle andere vogels in het moeras op. Onder een vervaarlijk geruisch vliegen de zwakkere eenden op, en, echter meer door dat geraas dan wel door den roofvogel vervaard, volgen een oogenblik later de meer krachtige familieleden; zij stormen onder fluitende vleugelslagen omhoog, vliegen eenige malen om den waterplas heen en vallen er bij troepjes weder op neer; met een trillend geschreeuw stijgt ook de tureluur en met een toonloos, maar ver hoorbaar geschrei ook de watersnip—de roover streek ook zoo dicht over hen heen—naar boven; beiden evenwel vergeten het gevaar, zoodra zij de veilige hoogte hebben bereikt en schijnen nu om niets anders meer te denken dan om den gulden lentetijd en de zalige liefde, die hun borst in vuur zet. Want de tureluur daalt plotseling tot op den waterspiegel neder, fladdert en zweeft met afhangende vleugels naar voren en naar beneden, verheft zich onder aanhoudend geroep opnieuw om wederom te dalen, totdat de loktoon der reeds weer zittende gade hem uitnoodigt met het haar geldende liefdespel op te houden en zich tot haar te spoeden. De watersnip volgde het voorbeeld der anderen; na in eene zigzaglijn tot dubbele torenhoogte omhoog te zijn gestegen, laat zij zich bliksemsnel vallen, terwijl zij den staart waaiervormig uitspreidt, en de buigzame, smalle en spitse buitenste stuurpennen aan de weêrstandbiedende lucht prijsgeeft, waardoor het blatende geluid ontstaat, dat haar den naam van hemelgeit deed verwerven. Alleen een paartje van de langpootige steltkluit, dat in schijnbaar voorname afzondering ver van het strandgewoel zijn eigen zaakjes verricht, liet zich door den wouw geen vrees aanjagen; misschien zag het wel hoe de moedige kokmeeuwen ijlings toevlogen om den onruststoker te verdrijven, ja hoe zelfs een grauwe kuikendief en een steppenwouw zich samen opmaakten, om den hun zoo nauw verwanten, maar bitter gehaten roofkameraad te bevechten. En deze,—zonder te dralen, kiest hij de vlucht; onmiddellijk daarop fluit en trilt en schatert het weêr als te voren op de wateren; want nieuwe gasten zijn op het tooneel verschenen, aangelokt door de nieuwsgierigheid, die allen vogels eigen is—maar niet minder door den welbereiden disch, dien deze poelen hun aanbieden.

Bereikt men eindelijk het riet, dan valt ons ook het kleine gevleugelde goedje in de oogen, en zelfs nog eerder dan het groote, dat zich in den regel meer zorgvuldig verbergt. De kraanvogel, die op de ontoegankelijkste plaatsen broedt, de groote zilverreiger, die aan den binnenkant van het rietbosch staat te visschen, de lepelaar, die op de meer open plaatsen tusschen het riet zijn voedsel zoekt; deze allen verschuilen zich zeer zorgvuldig, terwijl ook de roerdomp, die de dichtst begroeide plaatsen opzoekt, zijn aanwezen slechts door een dof geluid verraadt.

De kleine wereld, waarover ik sprak, stelt zich daarentegen, zonder eenige bezorgdheid te laten blijken, bloot aan ieders blik, en zingt en jubelt op hoogen toon. Vertrouwelijk loopen de gele kwikstaarten op de met gras begroeide plaatsen rond, die het riet aan den buitenkant begrenzen; onbevreesd klautert het sierlijke baardmeesje bij de rietstengels op en neêr, op welker toppen hier een keelvogeltje, ginds een klauwier troont; luide weêrklinkt het vroolijke, ofschoon weinig klankrijke lied der rietzangers ons van alle zijden in het oor, en met welbehagen luisteren wij naar den slag van den merel, naar het liefelijk gekweel van blauwborstje, fitis en spotvogel, en naar het geroep van den koekoek. Op de vrije watervlakte zwemmen echter ongetwijfeld een paar koeten, mannetje en wijfje, met hun kroost, en, wanneer de poel dieper is, tusschen een aantal eenden ook wel een geoorde fuut. En wanneer de avond is gevallen, komen hier bovendien nog roodvoetvalken, kleine torenvalken, spreeuwen en rozé-spreeuwen, om in het riet te overnachten, en nu komt er aan het geschreeuw, het gepiep en gekweel geen eind. Zelfs de schreeuwarend, raaf en bonte kraai verschijnen hier als logeergasten, terwijl de schollevaar en pelikaan althans aan den binnenkant van de vermoeienissen der vischvangst uitrusten.

Over en boven het watervlak eindelijk vliegen en zweven de meeuwen, staan de zeezwaluwen, jagen de zee- en vischarenden, en op plaatsen, waar de diepte van het meer niet al te groot is, visschen om strijd pelikanen en zwanen, in gezelschap van vraatzuchtige schollevaars en futen.

Weinig minder rijk dan de wateren zijn ook de met boomen en kreupelhout omzoomde rivierdalen. De boomen torsen de nesten van grootere en kleinere roofvogels, dienen dezen tevens tot rustplaats; van de toppen schalt het heerlijk gezang van den wielewaal, de slag van den lijster, het lachen der specht, het kirren der ringduif en kleine boschduif; uit het dichte onderhout klinkt het verrukkelijk lied van den poolschen nachtegaal zoo rein, zoo vol, dat zelfs het verwende oor des kenners zich vermeit in deze zeldzaam schoone klanken.

Evenals op de meren ginds drijven ook hier op het watervlak de meest verschillende watervogels, terwijl wij in het riet en het kreupelhout van den oever hetzelfde bonte gezelschap ontwaren van straks in de rietvelden; het molenaartje kleppert, gewone grasmusschen en sperwer-grasmusschen laten hunne welbekende liederen weêrklinken.