Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 43

Chapter 433,824 wordsPublic domain

Onder de ridderspelen der Kirgiezen bekleedt de jacht eene voorname plaats. De Kirgies volgt het spoor van den wolf met zulk een vuur en zoo onvermoeid, dat hij de koude zelfs niet opmerkt, die des te eerder nadeelige gevolgen heeft naarmate hij zich door het rijden meer verhit, en niettegenstaande handen en aangezicht hem bevriezen, houdt hij, tenzij het paard hem daartoe dwingt, niet op, alvorens zijn knots op den kop des roofdiers neêrgeslingerd te hebben. Nog liever is hem echter de jacht met adelaar en windhond. Evenals zijn voorvaderen verstaat hij de kunst den arend te temmen en af te richten, trekt met dezen op de goed geschoeide hand, deze steunende op een houten, aan het zadel bevestigd getimmerte, naar gunstig gelegen, en een ver uitzicht aanbiedende hoogten, opdat van hieruit zijn gezellen de steppe kunnen overzien. Deze jacht geldt zoowel den wolf als den vos, en zoolang de arend nog niet ten volle geoefend is, alleen den vos en de marmot. Eene bijzondere africhting is niet noodig; alles wat onderwezen en geleerd moet worden, bestaat hierin, dat de arend, die reeds op jongen leeftijd uit het nest werd genomen en door den jager persoonlijk is gevoed, op de roepstem zijns meesters terugkeert; de erfelijkheid doet het overige. Zoodra de jachtgenooten een vos hebben opgejaagd, neemt de jager den stootvogel de huif af, maakt hem los en werpt hem in de lucht. De arend breidt zijn vleugels uit, begint kringen te beschrijven, stijgt in schroeflijnen al hooger en hooger, bespeurt van hier den ijlings voortsnellenden, nagejaagden vos, vliegt dien na, stoot met half saamgevouwen vleugels en wijd naar voren uitgestrekte pooten schuin op hem neêr en slaat hem de klauwen in ’t lijf; de vos zijnerzijds draait woedend den kop om en poogt zijn vijand met de scherpe tanden te grijpen; gelukt zulks, dan is de arend reddeloos verloren. In bijna iederen dezer even sterke als moedige roofvogels leeft echter het overgeërfde gevoel van het dreigend gevaar, en eveneens de kunst, dit te ontgaan. Op hetzelfde oogenblik, dat de vos zal bijten, laat de arend zijn klauwen los om ze een oogenblik later in het aangezicht van zijn slachtoffer te slaan. Een vroolijke uitroep van den nu naderbij gekomen, geliefden meester schenkt nieuwen moed, en enkele oogenblikken later ligt de vos, door den jager geveld, ontzield op den grond. Meer dan één arend moet bij de eerste proeve zijn koenheid met het leven boeten, maar gelukt de eerste aanval, dan maakt de vogel zich weldra zulk eene bekwaamheid eigen, dat hij eerlang op den wolf kan geworpen worden. Tegenover dezen gedraagt hij zich, ofschoon dezelfde regels volgende, veel omzichtiger; reeds de meerdere grootte van het roofdier is hem een bewijs, dat hij met een veel gevaarlijker kameraad te doen heeft. Maar ook dezen leert hij meester te worden, en met zijn eigen glorie stijgt ook die zijns meesters—tevens zijn waarde. Een adelaar, die zich met den vos meet, kost van dertig tot veertig roebels, een die den wolf overwint wordt met het dubbele en driedubbele betaald, ingeval zijn meester hem verkoopen wil. Met twee arenden kan men niet jagen, daar de eene vogel dan den anderen hinderen zou; zij zijn namelijk dikwijls zoo jachtlustig, dat de jager zich verhinderd ziet zijne hulp te verleenen, en dikwijls laat de vogel, zonder met geweld daartoe gedwongen te worden, zijn slachtoffer niet los.

Vereischt deze jacht reeds veel rijkunstvaardigheid, zulks is nog meer het geval wanneer de Kirgies met windhonden op antilopen jaagt. Als pijlen uit den boog schieten de langharige honden voort, zoodra zij het gezochte wild in het gezicht hebben gekregen, en over heg en steg jagen de ruiters hen na, tot zij samen het vluchtend wild hebben ingehaald. Wie bij zulk een wedren van ’t paard stort, oogst slechts spot en hoon, en den zandruiter voorbij stormt de wilde jacht.

Ook op de drijfjachten in het gebergte verlaten de Kirgiezen hun paarden niet. Een heerlijk gezicht leverde het Arkatgebergte op, toen de drijvers, die ons de wilde schapen onder het schot zouden brengen, hun halsbrekenden rit aanvingen. De eene ruiter na den andere verscheen of verdween, dan hier dan daar, op de hoogste toppen en in de diepe kloven, dalen en insnijdingen; nu eens teekenden zij zich scherp tegen de lucht af, dan weder verloren zij zich tusschen de rotsen, als het ware ineensmeltende met het gesteente der hellingen, Niemand steeg van zijn paard, geen hunner bezon zich ook maar een oogenblik, welken weg in te slaan; zij reden met meer gemak in het gebergte dan zij zich te voet zouden bewogen hebben.

De jager paart aan moed volharding. Niet alleen op den rug des paards, maar ook in het bekruipen en beloeren van het wild geeft hij blijk van eene bewonderenswaardige volharding. Dat hij dagen lang een spoor vervolgt, beteekent, zijn rijlust in aanmerking genomen, niet veel; met het lontgeweer, nog evenveel door hem gebruikt als het vuursteengeweer, in de hand, kruipt hij als een sluipende kat eene halve werst ver langs den grond, loert hij uren lang in storm en regen op een stuk wild, totdat dit onder bereik van zijn schietwapen is gekomen. Hij schiet nooit op grooten afstand en altijd legt hij de buks eerst op de daaraan bevestigde vork; maar hij mikt zeker en weet den kogel op de rechte plaats te doen treffen.

Even onvermoeid als hij is als ruiter, jager en herder, even ongaarne neemt de Kirgies andere bezigheden op zich. Wel bebouwt ook hij zijn akker, maar op eene hoogst ellendige wijze en nooit meer dan strikt noodzakelijk is. De arbeid in de kluiten is bij hem weinig eervol, evenals elk ander bedrijf, dat niet met de veeteelt en het herdersleven in verband staat. Hij verstaat uitnemend de kunst van bevloeiing, heeft een geoefend oog voor plaatskennis en weet, zonder meetwerktuig en waterpas te gebruiken precies, waar hij de waterleidingen moet aanleggen; maar slechts zoolang hij een knaap is laat hij zich voor zulke werkzaamheden gewillig vinden; heeft hij echter eenmaal eigen bezittingen verworven, dan raakt hij spa noch schoffel meer aan. Nog minder lust gevoelt hij voor een handwerk. Hij weet het leder te bereiden, kan daaruit allerlei riem- en zadelwerk vervaardigen, weet dit met ijzeren en zilveren ornamenten te tooien, verstaat de kunst om messen en wapenen te smeden en in ’t algemeen alle hem noodzakelijk gereedschap te maken, maar nooit oefent hij zulke bezigheden voor zijn genoegen uit, wel steeds met tegenzin. Toch is hij geen lui en lichtzinnig werkman, maar vlijtig en vertrouwbaar, en wie zijn bekwame hand heeft gewonnen, heeft zelden reden ontevreden over hem te zijn.

Hooger dan lichamelijke arbeid staat geestelijke werkzaamheid bij hem aangeschreven. Zijn vlugge, opgewekte geest eischt bezigheid; hij houdt daarom niet enkel van luchthartige, maar ook van ernstige gesprekken, misschien ook daarom, dat zulks eenige afwisseling brengt in zijn vrij eentonig leven. Daarom redeneert hij gaarne met zijn stamgenooten, en wordt hij soms door zijn rederijkheid den vreemdeling eenigszins lastig. Met deze spraakzaamheid gaat eene weetgierigheid gepaard, die nu en dan ontaardt in nieuwsgierigheid, want de „roode tong” weet van geen vacantie. Wat de wind door de steppe draagt, neemt het lettend oor van den Kirgies op, en de „roode tong” kleedt het in woorden. Wordt ergens iets verhandeld, dat de Kirgies verstaan of niet verstaan kan, ik bedoel, wordt er in eene hem verstaanbare taal gesproken, dan schaamt hij zich geenszins tot aan de deur der Joerte door te dringen en het luisterend oor tegen den wand te drukken, om geen syllabe te verliezen. Eene gebeurtenis, die het alledaagsche maar een haartje te boven gaat, eene mededeeling, eene vertelling voor zich zelf te behouden, een geheim te bewaren, het is den Kirgies onmogelijk. Zwijgt dan het edele ros, op hetwelk hij door de steppe vliegt, wanneer het iets gewaar wordt, wat het belangstelling inboezemt, zwijgen geit en schaap, wanneer zij met soortgenooten samentreffen, of zwijgt de leeuwerik als hij zich boven den grond der steppe verheft? En de heer der steppe zou zwijgen? Nooit en nimmer! „Spreek, o spreek, roode tong, zoolang er leven in u is; want na den dood zult gij zwijgen.” Onvermoeid rolt de stroom van woorden over de lippen der Kirgiezen. Nooit rijden er twee mannen stom naast elkander, al duurt de reis een geheelen dag; onafgebroken hebben zij met elkander te praten en elkander iets mede te deelen. Gewoonlijk is het niet genoeg dat er twee samen rijden; het moeten er drie of vier zijn, die gemeenschappelijk langs den weg trekken, zoolang deze dit samenrijden mogelijk maakt. Die manier van reizen is bij hen zoo gewoon, dat zelfs de paarden elkander zoo dicht mogelijk naderen en de Europeaan den teugel moet gebruiken om zulks te beletten. In eene met Kirgiezen gevulde Joerte heerscht een gegons als in een bijenkorf; ieder wil aan ’t woord, ieder doet zijn best dit woord alleen te hebben.

Een daaruit voortvloeiend gevolg is, dat de Kirgiezen hunne taal weten te gebruiken. Hierin schijnen allen gelijk te zijn, rijken en armen, voornamen en geringen, geletterden en ongeletterden. Hun toonrijke, welluidende, maar harde taal—gelijk men weet, slechts een dialekt van het Tataarsch—is vol uitdrukking. Ieder woord, zelfs de vreemdeling, die ze niet verstaat, voelt zulks, wordt geheel uitgesproken; op elke lettergreep valt de juiste klemtoon, zoodat men haast uit den klank kan opmaken, wat hetgeen zij zeggen beteekent. Men spreekt zeer levendig, de toon beantwoordt geheel aan den inhoud, de pauzen zijn juist afgemeten, zoodat het gesprek eenigszins afgebroken klinkt, alhoewel de woordenvloed geen enkel oogenblik hapert. De uitdrukking des gelaats zet aan de rede nog meer aanschouwelijkheid bij, en levendige gebaren verduidelijken verder den zin. Is er een onderwerp, dat hun bijzondere belangstelling inboezemt, dan geraken de sprekers in vuur, zoodat men een oogenblik vreest, dat er handtastelijkheden zullen volgen, maar ook het heftigste dispuut eindigt in vrede en eendracht.

Dat onder zulke lieden de bard geëerd wordt is te begrijpen. Ieder Kirgies, die in woordenrijkdom en welsprekendheid boven anderen uitmunt, staat in aanzien. Een zanger, een gelegenheidsdichter mag bij geen feest ontbreken. Zijn talent behoeft juist niet uitstekend te zijn; de rede moet slechts onafgebroken vloeien, zich voegen naar eene bepaalde, iedereen bekende versmaat—en men is dichter. Toch beschikt elke Kirgiesche bard over een niet geringen schat van dichterlijke gedachten, die hij gemakkelijk in woorden kleedt. Het herders- en nomadenleven, hoe eentonig dit ook moge verloopen, heeft zijn bekoorlijkheden, zijn toongevende snaren, die slechts behoeven aangeslagen te worden om in de harten der hoorders weêrklank te vinden. Een aantal sagen en overleveringen bieden voldoende stof om daarmede de gapingen in de gedachten aan te vullen, en zoo kan de rede van den bard vloeien als een breede stroom, welks bronnen nimmer uitdrogen; hij heeft zich slechts te houden aan eene bepaalde versmaat om dichter te zijn en te blijven. Maar ook dit wordt hem gemakkelijk gemaakt, want elke bard begeleidt zijn woorden met den klank der driesnarige, Kirgiesche citer en verbindt de afzonderlijke regels door tusschenspelen, die net zoo lang duren als de nieuwe regel tijd behoefde om in den rechten vorm gegoten te worden. Hoe sneller, hoe vlugger zulks geschiedt, des te hooger stijgt de roem des zangers. En wordt de vrouwelijke borst in dichtvuur ontstoken, dan is zij het voorwerp der algemeene bewondering; waagt zij het zich met een man in de dichtkunst te meten en met hem hierin om den prijs te dingen, dan verheft de in geestdrift ontstoken menigte haar boven alle vrouwen der wereld.

Minder dan voor de dichtkunst is de wijde steppe bevorderlijk voor een geregeld onderwijs. Hieruit laat zich verklaren waarom zoo weinig Kirgiezen kunnen lezen en schrijven. Alleen voor de zonen der rijksten en voornaamsten is deze kunst weggelegd. In de twee door de Regeering gestichte scholen, te Ustkamenogorsk en te Saisan worden ook Kirgiesche knapen onderricht, in de eerstgenoemde stad zelfs uitsluitend, maar de werkzaamheid dier inrichtingen strekt zich niet tot het binnenste der steppe uit. Daar leert de knaap lezen en schrijven, indien het toeval wil, dat hij een Mollah ontmoet, die evenveel lust in het onderwijzen als de knaap in het leeren heeft. Ook dan evenwel blijft het onderwijs beperkt tot de allereerste kundigheden: het Arabische schrift te kunnen lezen en schrijven. De inhoud van het voornaamste, zoo niet eenige leerboek, den koran, blijft gewoonlijk zelfs voor den Mollah verborgen; hij leest de Soeren zonder deze te verstaan.

Ik heb slechts eenmaal een Kirgies ontmoet, die Arabisch kende, en dit was nog wel een sultan; alle anderen, die door hunne kennis der schrift boven hun stamgenooten verheven waren, en als trouwe belijders van den Islam geregeld de vijf voorgeschreven gebeden opzegden, verstonden in het gunstigste geval alleen den inhoud van de oproeping tot het gebed en de eerste Soere van den Koran; al wat zij meer opzegden, werd wel is waar uitgesproken met die plechtigheid en dien ernst, welke aan alle Mohammedanen eigen zijn, maar zonder dat zij er een woord van begrepen.

En toch ontving ik steeds een diepen indruk, wanneer te midden der onafzienbare steppe, waar geen minaret zich ten hemel verhief, een dezer lieden, die de heilige woorden kent, als Muddin of roeper optrad en zijne stem voor het gebed verhief, terwijl de geloovigen in lange rijen achter den Imam of voorbidder knielden, om hun voorhoofden al biddende tegen den grond te drukken, gelijk de wet van den profeet zulks voorschrijft.

Het bewustzijn van kracht en vaardigheid, de bedrevenheid in paardrijden en jagen, het dichterlijk talent en de opgewektheid van geest in ’t algemeen, het gevoel van zelfstandigheid en vrijheid, hetwelk de groote steppe in ’t leven roept, geeft aan het voorkomen van den Kirgies eene niet te loochenen waardigheid. Hij maakt dan ook op den onbevooroordeelden opmerker een zeer gunstigen indruk, die des te meer toeneemt naarmate men den steppenbewoner beter leert kennen. Zoo ging het mij, en zoo ook oordeelen de Russen, die jaren lang met de Kirgiezen hebben omgegaan, en zoo oordeelen vooral de Russische ambtenaren en vele reizigers, die onder hen verkeerden. Men zegt wel is waar te veel, wanneer men beweert, dat de Kirgies een groot aantal goede en zeer weinig slechte eigenschappen bezit, of zich althans in deze richting doet kennen. Opgewekt van geest, verstandig, levendig, zoo lang het de gewone zaken betreft, goedaardig, dienstvaardig, tot helpen bereid, welgemanierd en voorkomend, gastvrij en barmhartig, is hij in zijne soort een voortreffelijk mensch, wiens schaduwzijden men te eerder over het hoofd ziet naarmate men hem meer onbevangen beschouwt. Hij is beleefd; zonder kruipend te zijn, hij behandelt zijn meerdere met achting, en toch niet als een slaaf, is jegens zijn minderen vriendelijk, maar niet geringschattend. Op tot hem gerichte vragen antwoordt hij eerst na eenig nadenken, maar dan rustig en duidelijk, terwijl zijn scherp betoonde manier van spreken aan zijn antwoord het merkteeken van zekerheid schenkt. Hij is gedienstig in alle opzichten, maar is dit meer uit eerzucht dan uit hoop op winst, meer om lof en bijval dan om geld en goed te verwerven. De gemeentebestuurder Tamar Bey Metikoff, die bijna eene maand lang ons uit beleefdheid vergezelde, was de hoffelijkste, voorkomendste man onder de zon, altijd bereid ieder onzer wenschen te vervullen, onvermoeid in het bewijzen van diensten en beleefdheden, en zulks alleen in de hoop om hiermede onze tevredenheid en die van den Gouverneur-Generaal te winnen. Hij gaf ons zulks met ronde woorden te kennen, toen wij hem geschenken wilden opdringen.

Met zulk eene eergierigheid is het feit in overeenstemming, dat de voorname man zich verheft op familie en afkomst, zich beroemt op zijn voorouders en tevens zijn stamboom laat opklimmen tot Chingis-Chan, dat hij slechts in zijn stand trouwt, geen vlekje op zijn eer duldt, en geen eerroof vergeeft. Daarmede in overeenstemming is verder nog zekere ijdelheid, die men bij den Kirgies niet zou verwachten. Niet alleen aanzien en rijkdom, waardigheid en rang, maar zelfs jeugd en schoonheid zijn in zijn oogen gaven, die hij op hoogen prijs stelt. Doch hij onderscheidt zich in ’t oogloopend van de saletjonkers te onzent, doordien hij nooit tot een fat wordt. Hij prijst openlijk en onbeschroomd de hem door lot of natuur toebedeelde gaven; deze lof gaat hem echter natuurlijk af en wordt niet misvormd door voorgewende bescheidenheid. Zoo ver zijn middelen hem dit veroorloven kleedt hij zich rijk, versiert mantel en broek met tressen, de pelsmuts met uilenveeren—een fat echter wordt hij nooit. Dat de vrouwen nog meer dan de mannen haar bekoorlijkheden in het helderste daglicht trachten te plaatsen spreekt vanzelf; en daarom heeft het mij dan ook volstrekt niet verwonderd, dat zij met het sap van zekeren wortel de wangen met een teeder, waasachtig, zeer duurzaam rood bestrijken, m.a.w. zich blanketten.

In overeenstemming met zijn zucht om te behagen, schikt de Kirgies zich gewillig in de zeden en gebruiken van zijn volk. Zijn beschaving en goede manieren legt hij hoofdzakelijk aan den dag door zijne uit overoude tijden stammende, door den Islam evenwel zeer gewijzigde gebruiken streng na te komen. Zulks geeft aanleiding tot vormelijkheid en plichtplegerij in het dagelijksch verkeer, maar werpt tevens een dam op tegen verwaandheid en onbeleefdheid, en verbant de lompheid uit de samenleving; ieder weet hoe hij zich te gedragen heeft om geen aanstoot te geven, of ook maar slechts in de geringste mate op eene minder aangename wijze in het oog te loopen.

Reeds de wederkeerige begroeting geschiedt op een vormelijke, door allen in acht genomen en dus nauwkeurig bepaalde wijze. Wanneer twee Kirgiesche ruiterbenden elkander ontmoeten, verloopt er geruimen tijd alvorens het compliment is gewisseld. Gelijktijdig leggen zij de rechterhand op elkanders hartstreek, de linker op elkanders rechterhand, terwijl daarna beide personen hunne rechterhand terugtrekken om deze met de linker te vereenigen, zoodat nu alle vier handen in elkander rusten. Terwijl zij dus elkander aanraken spreken beiden het Arabische woord „Amán” (vrede) uit; vóór de omarming hadden zij den groet aller Mohamedanen elkander toegeroepen: „Salám alëik” of „alëikoem” (Heil zij met u of ulieden), ook wel „Alëikoem el salám.” Op deze wijze begroeten zij elkander wederkeerig; de beide troepen vormen twee rijen en de eene persoon na den ander loopt, ten einde de nu nog geketende „roode tong” zoo spoedig mogelijk in vrijheid te stellen, snel de rij af. Een korte wijze van begroeting, die echter slechts in zwang is, wanneer de schare zeer groot is, bestaat daarin, dat men de handen naar elkander uitstrekt en deze tegen elkander slaat.

Leggen de Kirgiezen wederzijdsche bezoeken in de Aul af, dan heeft er vóór de begroeting nog een andere plechtigheid plaats. Zoodra de joerte in ’t gezicht is gekomen houden de bezoekers hun paarden in, laten ze stapvoets voortgaan en eindelijk stilstaan. Nu gaat men hen van uit de Aul tegemoet; de gasten worden verwelkomd en naar de joerte gebracht, die intusschen door de vrouwen met de kostbaarste tapijten is belegd. Vreemde, in de Aul nog onbekende gasten, moeten zich vóór de begroeting aan een kort verhoor, waarin naar naam, stand en afkomst gevraagd wordt, onderwerpen. Altijd evenwel worden zij ontvangen en gastvrij onthaald, want gastvrijheid, een karaktertrek der Kirgiezen, oefenen zij jegens iedereen uit, onverschillig van welk geloof hij moge zijn, of tot welken stand hij moge behooren; voorname lieden evenwel genieten eenige onderscheiding. De gast treedt de joerte met de gewone begroeting binnen, trekt bij de deur zijn schoenen uit, en zet zich, wanneer hij van gelijken stand is, als ware hij de eigenaar, op de eereplaats neêr. De mindere houdt zich tegenover den meerdere bescheiden terug, en laat zich in knielende houding op het tapijt neder.

Ter eere van een aanzienlijken gast laat de heer der joerte een schaap slachten, dat echter vooraf in de joerte wordt gebracht om het door den gast te laten zegenen. Alle geburen komen opdagen om aan den lekkeren maaltijd deel te nemen. De kop en borst van den ram worden aan het spit gebraden, de kleinere vleeschstukken, kruis, ribben, schouderbladen enz. in den ketel gekookt, en als zij gaar zijn, in eene kom voor den gast geplaatst. Deze wascht zich de handen, snijdt het vleesch van de beenen, doopt het in het sterk gezouten nat, en zegt tot den inmiddels nog niet gezeten gastheer: „eerst door den gastheer erlangt het vleesch smaak; ga zitten.” De gastheer antwoordt: „ik dank u zeer, eet!” maar voldoet nog niet aan het verlangen van zijn gast. Deze snijdt nu een stuk van de valsche ribben af, roept den gastheer bij zich, en steekt dien het vleesch in den mond; daarop snijdt hij een tweede stuk af, legt dit in een kom en reikt het der gastvrouw. Nu zet de heer der joerte zich aan de zijde van zijn bezoeker neêr; de laatste blijft evenwel de spijzen onder de aanzittenden uitdeelen. De gast snijdt het vleesch in stukken, vermengt elk stuk met vet, doopt telkens drie stukken tegelijk in het vleeschnat en steekt ze daarna, telkens deze drie stukken tegelijk, iederen dischgenoot in den mond. Het zou eene beleediging zijn voor den gever, indien de ontvanger der gift deze niet dadelijk verorberde, al mocht hij ook, als de stukken wat groot zijn uitgevallen, erg veel moeite hebben om ze naar binnen te zenden, zoo erg soms dat het gezicht er rood en paars van wordt, en de eene buurman den ander te hulp moet komen; om het slikken te bevorderen, klopt men elkander op den rug. Daarentegen mag de uitdeeler ook niet meer dan drie stukken tegelijk reiken, want overschrijdt hij dit getal, en stopt hij iemand b.v. vijf stukken tegelijk in den mond, zoodat de ontvanger, die veroordeeld is die hoeveelheid zoo schielijk mogelijk in eens door te zwelgen, stikt, dan moet zulks met honderd paarden, uit te betalen aan de familie des geworgden, gezoend worden, terwijl men daarentegen van de boete wordt vrijgesteld, zoo het slachtoffer aan het officieele getal bezwijkt. Is het vleesch genoten dan laat de gast de schaal met vleeschnat rondgaan, waarvan ieder zooveel drinkt als hem lust. Tot besluit van den maaltijd wordt, nadat ieder der aanwezigen zich eerst de handen heeft gereinigd, althans voor elken welgestelden gastheer, en in geval de merries nog melk geven, koemys gepresenteerd; zulks geschiedt te allen tijde met een zekere deftigheid, geëvenredigd aan den eerbied, dien men aan dezen lievelingsdrank der Kirgiezen verschuldigd is. Wie tot nu toe niet aan den maaltijd deel nam, snelt toe om zich aan den nektar te laven. Men drinkt zich een halven roes; want de Kirgies is op het stuk van drinken, waar het zijn dierbaren melkwijn geldt, even sterk als in het eten, en te dien opzichte zoo min bescheiden als matig.

Nog veel omslachtiger dan bij een eenvoudig bezoek zijn de gebruiken, die in acht worden genomen bij belangrijke huiselijke omstandigheden, zooals bruiloften en begrafenissen. Bij de eerste vergezelt de scherts de vreugde, bij de laatste paart zich eerbied voor de dooden aan den rouw.

Vrijage en bruiloft, begrafenis en herinneringsdagen aan de dooden gewijd, geven aanleiding tot eene aaneenschakeling van feestelijkheden.