Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 44
Gelijk bij alle Mohammedanen het geval is, doet de vader voor den zoon aanzoek om de hand van een meisje, en gelijk bij alle belijders van den Islam gebruik is, betaalt hij aan den aanstaanden schoonvader een bruidsgift van zeer verschillende, soms aanmerkelijke waarde. Iemand, die uitgezonden wordt om de hand van een meisje te gaan vragen, is kenbaar aan de broekspijpen, waarvan een boven, de andere in de laars wordt gestoken; hij verschijnt in de joerte, alwaar het huwbare meisje zich bevindt, en draagt uit naam van den vader des trouwlustigen jongelings het aanzoek voor. Is de vader van ’t meisje daarmede ingenomen, dan verlangt hij het groote bezoek; hij wenscht n.l. den lastgever zelf, de oudsten der gemeente, en de voornaamsten uit diens Aul te spreken om met hen de onderhandelingen te gaan voeren. Deze verschijnen, en laten naar gebruik, voor de Aul hunne rossen stilhouden. Een afgezant van den vader der bruid reist hun tegemoet, begroet hen plechtig en naar den vorm, en geleidt hen naar de feestelijk getooide joerte, alwaar zij met koemys ontvangen worden. Een bard verschijnt om de samenkomst op te luisteren, en heft zijn gezang aan. Rijke bijvalsbetuigingen en prachtige beloften prikkelen des zangers ijver. Men prijst de diepte zijner gedachten, de eenheid zijner voordracht; men belooft hem een paard, een jamba of vier pond ongemunt zilver. De huisheer wijst dit alles van de hand, want hij alleen heeft het recht den zanger te beloonen; de gasten evenwel laten hunne voornemens niet varen, en beloven met vernieuwden aandrang, want te goed weten ze dat de gastheer hun de vervulling hunner beloften niet zal toestaan. Nadat de zanger geëindigd heeft, begint zich een levendig onderhoud tusschen de aanwezigen te ontspinnen, men spreekt over allerlei zaken, alleen niet over het onderwerp, dat allen bijeenbracht. Het uur van scheiden breekt aan en men rijdt naar huis.
Den volgenden morgen beantwoordt de vader der bruid met zijn gevolg het bezoek en wordt door den vader des bruidegoms op gelijke wijze begroet en onthaald; nu geeft de eerste zijn wensch te kennen de moeder des jongelings te zien. Men gaat gezamenlijk naar de joerte der huisvrouw en begroet deze op even plechtige als hoffelijke wijze. Meteen draagt de vader des bruidegoms een schaapsborst op, snijdt er stukken voor de gasten af en vergezelt het ontleden van het meest geachte deel des schaaps met de woorden: „Deze schaapsborst zij mij ten pand, dat onze voornemens een goeden afloop zullen hebben,” reikt daarop zijn gasten de lekkere beten toe en opent daarmede de onderhandelingen over het bedrag van den „kalum” of de bruidsgift. Als eenheid van prijs geldt eene merrie van drie tot vijf jaar; een telganger of een kameel wordt gelijk gesteld met vijf merries; zes of zeven schapen of geiten hebben de waarde van ééne merrie.
De vader der bruid verlangt als gift 77 merries, laat zich evenwel afdingen, en gaat, al naar zijn eigen vermogen en dat van den anderen schoonvader groot is, tot 57, dan tot 47, 37, 27 terug, en zijn beiden onbemiddeld dan nog verder, totdat men het eens is geworden. Zijn de onderhandelingen afgeloopen, dan verklaart de vader der bruid de verloving voor beklonken, gaat opstaan om huiswaarts te keeren en laat een geschenk in of aan den ingang der joerte achter. De vader des bruidegoms zendt echter, zoo hij kan, te gelijk met den vertrekkenden zwager de helft van den kalum naar diens joerte, om ook de rest zoo spoedig doenlijk af te betalen.
Veertien dagen na de betaling mag de bruidegom voor ’t eerst zijne bruid bezoeken. Onder een zoo sterk mogelijk geleide van met hem bevriende jongelingen van gelijken leeftijd, aan wier hoofd een met alle gebruiken bekend en ouder familielid staat, breekt hij op, rijdt tot in de nabijheid van de Aul zijner bruid, stijgt van ’t paard, slaat eene kleine tent op en kruipt hierin, of verbergt zich op eene andere wijze. Zijn metgezellen echter trekken verder, begeven zich nadat de plechtige begroeting is afgeloopen in de Aul en verdeelen onder vroolijke scherts allerlei kleine geschenken, zooals ringen, halsbanden, lekkernijen, linten en bontgekleurde stoffen onder de hen omringende vrouwen en kinderen. Gezamenlijk met jongelingen en jonge dochters van gelijken leeftijd betreden zij nu de feestjoerte. De gastheer biedt spijs en drank, eerst een schaapsbout, die hij met de reeds vermelde woorden in stukken snijdt, dan „Meibaur” in vet gebraden, kleine stukjes lever, hart en nieren, plaatst het gerecht voor den straks vermelden ouden vriend en deze handelt er mede naar gebruik en zede; zoodra hij den jongeling, dien hij met de eerste bete bedenkt deze in den mond heeft geduwd, bestrijkt hij hem tevens het aangezicht met het vette vleeschnat. Hiermede is het sein gegeven, dat men met vroolijkheid en scherts kan aanvangen, en jongelingen, jonge dochters en jonge vrouwen nemen daaraan om strijd deel. Een zeer geliefkoosde aardigheid der meisjes bestaat daarin dat zij de kleederen der jongemannen vlug aan de tapijten, waarop zij gezeten zijn, vast naaien.
Na den maaltijd mogen de jeugdige gasten een weinig rusten, maar zulks alleen om hun tijd tot overdenking te geven. De meisjes en vrouwen noodigen alsnu de jongelingen uit tot een zangerswedstrijd, wijzen hun de eereplaatsen aan, en zetten zich zelven daar tegenover; een harer begint. Is de door haar toegezongen jongeling niet slagvaardig, dan vergaat het hem slecht. Onder stooten en knijpen valt de jolige schaar op hem aan, verdrijft hem uit de joerte en leveren hem over aan de jonge mannen van de Aul, die voor de joerte reeds op zulke slachtoffers wachten. Een vat water wordt over dien beklagenswaardigen stumper uitgestort, waarna men hem druipend nat en beschaamd, naar de joerte terugdrijft, alwaar hij voor de tweede maal op gelijke proef wordt gesteld. En als hij ook nu in deze te kort schiet, wordt hij tot straf in vrouwenkleeren gestoken en aan de kaak gesteld. Wee hem, indien hij zich gebelgd toont; hij zou een slechten dag hebben. Heden zwaait de scherts haar scepter en zij duldt geen brompot. Wie het best tegen den strijd is opgewassen, is de held van den dag; die dit niet is, wordt tot algemeen offerlam.
Gedurende dit spel zit de bruid onder een gordijn achter in de joerte, voor ieders blik verborgen. Van deze omstandigheid maken nu de jonge lieden der Aul gebruik om de bruid te stelen, d.w.z. terwijl de zangerswedstrijd alle vrienden van den bruidegom bezig houdt, dringen zij tot de jonge dame door, voeren haar naar buiten door eene tusschen de vilten omkleedsels der joerte aangebrachte opening, tillen haar op een paard en brengen de volstrekt niet tegenspartelende bruid naar de joerte van een bloedverwant om haar in handen te stellen van de daar reeds wachtende oudere vrouwen. Is de roof gelukt, dan spoort de roover de jongelingen aan om de bruid te gaan zoeken en uit de handen der vrouwen te verlossen. Fluks breekt het geheele gezelschap op en verzoekt de bewaaksters hun de gestolene weder terug te geven. Hoe sierlijk de woorden ook mogen ingekleed worden, het verzoek wordt afgeslagen. In de gedeeltelijk opengeslagen joerte zit de bruid, zichtbaar voor aller oogen; geweld zou niet baten en daarom beginnen de jongelingen vriendschappelijk te onderhandelen. De vrouwen verlangen negen verschillende gerechten, door de jongelingen zelven te bereiden, maar stemmen er ten laatste in toe, in plaats van met spijzen, zich met geschenken tevreden te stellen; zij leveren nu de bruid eindelijk uit, op voorwaarde, dat deze naar de joerte haars vaders teruggebracht zal worden.
Inmiddels zit de bruidegom in zijn tent te wachten. Geheel alleen was hij echter niet, want eenige jonge dames zijn hem, zoodra zijn gezellen verschenen, gaan zoeken, en zij hebben hem natuurlijk ook gevonden; zij werden begroet met het eerbiedige „Taschim.” De jongeling heeft zoo diep voor hen gebogen dat hij met de vingertoppen den grond aanraakte; daarna heeft hij zich langzaam opgericht, de handen langs het scheenbeen latende glijden, totdat hij zich in zijn volle lengte had opgeheven; de vrouwen hadden deze hulde aangenomen, hem gezelschap gehouden, spijs en dank gereikt, hem met scherts den tijd verkort, maar niet toegestaan dat hij de tent verliet. Eerst na lang smeeken en niet vóór de zon is ondergegaan, ontving hij verlof, in de Aul en voor de joerte der bruid een liedje te zingen. Hij bestijgt zijn paard, rijdt de Aul binnen, begroet de bewoners met gezang, wendt zich naar de joerte der uitverkorene en klaagt in een zelf uitgedacht, of van een ander overgenomen lied zijn verlangen, zijn leed:
„Mijn liefste, mijn hart ach, het breekt schier van kommer, Reeds driemalen kwam ik en driemaal om niet. Gij woudt niet ontwaken, te diep bleef uw sluim’ring, Uw oog bleef gesloten en het oor hoorde niet.
„Maar laat in den nacht, als wanneer de kameelen Ter ruste men snoert aan de bindende lijn, Dan zal ook mijn smachtende ziele zich laven, Verdwijnen mijn leed, en vergeten dit zijn.
„Een blik in uw oogen en weêr zal mij komen, Al wat ik verloren, mijn moed en mijn lust, De kracht mijner ziele, door u mij ontnomen, De vreugde des harten, vertrouwen en rust.
„Ik zal dan u vragen mij koemys te reiken, Als ware ik dorstig en droog mij de mond. Gij laat u verbidden, gij laat u verteedren, Gij maakt weêr het kranke gemoed mij gezond.
„En kan mijne bede u ’t hart niet vermurwen, Mijn lied niet gevallig, niet welkom u zijn, Dan keer ik terug met de schaar mijner vrienden, Zij zullen mij bijstaan, eens wordt gij toch mijn.”
Zonder de joerte te betreden, keert hij weêr naar zijne tent terug. Daar verschijnt hem eene oude vrouw, die belooft hem naar zijne bruid te geleiden, als hij haar een geschenk wil vereeren. Mild opent zich des bruigoms hand en beiden begeven zich op weg. Maar ongehinderd bereiken zij de joerte niet. Eene andere vrouw legt den gaffel, waarmede men den koepelring der joerte omhoog hijscht, dwars over den weg; zulk een slagboom over te springen zou een slecht voorteeken zijn, want wie den gaffel heeft neêrgelegd moet dien ook weêr wegnemen. Een nieuw geschenk verwijdert ook dezen hinderpaal, maar weinig schreden verder ligt een tweede, en daarover heen eene schijnbaar doode vrouw; een nieuw geschenk wekt de doode weêr in ’t leven en ruimt het beletsel op; nu is de weg naar de joerte vrij. Daar staat evenwel eene gedaante, die een geluid laat hooren als het brommen van een hond. Zal men kunnen zeggen, dat een hond op een bruidegom heeft gebromd? Dat nooit! Een nieuw geschenk sluit den brommenden mond en de veel beproefde komt eindelijk bij de joerte aan. Hier houden twee vrouwen de deur dicht, maar ook de deur bezwijkt voor een geschenk; binnen in de joerte houden twee vrouwen het gordijn vast; op het bruidsleger rust echter eene jongere zuster der bruid; hij bevrijdt zich van allen, de joerte is ledig; de „oude” legt de handen des bruidegoms in die der bruid, en verwijdert zich eveneens; eindelijk, eindelijk zijn beiden samen,—en alleen.
Onder opzicht van den behulpzamen oude „Djenke” genaamd, bezoekt de bruidegom herhaalde malen zijne bruid, zonder zich nog voor te stellen aan de ouders van het meisje. Eerst moet de kalum geheel betaald zijn.
Nu wordt de persoon die vroeger werd uitgezonden om het aanzoek te doen, weder naar den vader der bruid afgevaardigd om dezen te vragen of het nu geoorloofd is het meisje naar de joerte van haar echtgenoot te brengen. De vraag wordt toestemmend beantwoord, en de bruigom gaat wederom met groot gevolg en geschenken naar de Aul, slaat weder zijn tent op een behoorlijken afstand op, ontvangt hierin nogmaals het bezoek van vrouwen, brengt alleen den nacht er in door, en zendt van hier den volgenden morgen alle voor eene joerte benoodigde en door hem te leveren houtstukken naar de Aul. Alle bewoonsters der Aul verzamelen zich hierom heen, ten einde de vilten stoffen, die de bruid moet geven, aaneen te naaien, voor zoover dit noodig is, en nu begint men met het opstellen der joerte. De meest geachte vrouw van de Aul mag den koepelring omhoog brengen en houdt dien vast, totdat de sparren daarin zijn gestoken; de andere vrouwen houden zich gezamenlijk onledig met den verderen opbouw en de bekleeding. Ondertusschen komt de bruidegom ter plaatse; nu geleidt men ook de bruid herwaarts en noodigt beiden uit van verschillende zijden de nieuwe woning te naderen om het groote vraagstuk op te lossen, wie de heerschappij in de joerte zal voeren? Zij zal het deel worden van hem, die de joerte het eerst bereikt.
Een schaap, door den bruigom medegebracht wordt geslacht; de maaltijd wordt aangericht en deze zal in de nieuwe joerte plaats hebben. Onder den maaltijd wikkelt de jonge joerteheer een stuk wit laken om een been en werpt dit, zonder naar boven te zien, door de opening van het koepeldak naar buiten. Gelukt deze worp, dan is zulks een goed teeken; de rook zal dan uit deze joerte regelrecht omhoog stijgen, wat geluk voorspelt voor de bewoners der tent.
Na het welkomstmaal begeven zich de gasten naar de joerte van den vader der bruid, alwaar hun een tweede maaltijd wacht. De moeder der bruid evenwel discht de spijzen op voor de jongelieden, die in de nieuwe joerte achterbleven; mild en overvloedig moet zij geven, anders zou het jonge volkje de tent boven de hoofden der aanzittenden afbreken, en tot straf voor die karigheid, de afzonderlijke deelen van het lichte gebouw naar alle richtingen in de wijde steppe werpen. Zelfs de rijk gevulde schotel is voor den overmoed der uitgelaten bruiloftsgasten niet veilig; de een rukt ze uit de handen der gastvrouw en rijdt er mede weg; anderen trachten hem den buit weder afhandig te maken en deze plagerijen duren net zoo lang totdat men begint te vreezen, dat het gerecht koud zal worden.
Den volgenden morgen wenscht de vader der bruid voor ’t eerst den bruidegom te zien, noodigt dezen in zijne joerte, begroet hem hartelijk, roemt zijn voorkomen en talenten, wenscht hem geluk met zijn huwelijk, en stelt hem ten slotte allerlei geschenken ter hand, de gift als het ware der bruid. Dit geschiedt ten aanschouwe van alle bruiloftsgasten, die reeds vóór den bruidegom zich in de joerte verzameld hadden. Nu ook komt de rijk getooide bruid binnen. Bevindt zich in de Aul een Mollah, of is er gelegenheid zulk een persoon te halen, dan spreekt deze den zegen over het jonge paar uit.
Nu wordt der bruid het scheidingslied, „Dschar, dschar” toegezongen; zij beantwoordt elk vers met tranen in de oogen, elke strophe met eene klacht.
Het beurtgezang verstomt; kameelen worden voorgebracht om de joerte en alle bruidsgeschenken te dragen; sierlijk opgetuigde paarden om de bruid en hare moeder naar de Aul des bruidegoms te brengen. De jeugdige echtgenoot rijdt aan het hoofd van den bruiloftsstoet, spoort met zijn speelgenooten de kameelen tot spoed aan, om tijd te winnen ten einde de joerte onder dezelfde plichtplegingen, als bij het opbouwen in acht werden genomen, in de Aul, waar hij verblijf houdt, op te stellen. De bruid evenwel, na onder het storten van tranen afscheid te hebben genomen van haar vader, bloedverwanten, vriendinnen, van de joerte, als ook van de kudden, rijdt, geheel verborgen onder een om haar heen geslagen en door de ruiters gedragen gordijn voort, totdat zij de joerte bereikt heeft, waarin zij voortaan als meesteres zal heerschen. De vader des bruidegoms, die intusschen de gift der bruid heeft bekeken, en geprezen of gelaakt, roept haar heel spoedig na de aankomst in zijne tent; zij betreedt deze met drie buigingen, zoo diep, dat zij met de handen op de knieën moet steunen, daarmede aanduidende, dat zij even onderdanig zal zijn aan hare schoonouders als aan haar heer en gebieder. Haar gelaat blijft nog altijd gesluierd, en zal dit voortaan blijven voor den vader en de broeders van haar gemaal, en een jaar lang voor iederen vreemdeling. Later omsluiert zij zich nog alléén voor den oudsten broeder haars echtgenoots; voor niemand anders. Voor genoemden evenwel slechts omdat deze haar moet huwen, ingeval haar eigen man sterft; nu mag zij bij haar schoonbroeder geen booze lusten opwekken of voeden.
Bij een tweede huwelijk doet de Kirgies persoonlijk aanzoek en dit geschiedt zonder daarbij bijzondere vormen in acht te nemen. Huwt hij nog bij het leven zijner eerste vrouw eene tweede, en laat hij deze met de andere in dezelfde joerte wonen, gelijk zulks meestal bij niet zeer rijke lieden het geval is, dan heeft de tweede uitverkorene een zeer beklagenswaardig lot. De eerste vrouw handhaaft haar rechten, wijst aan de tweede eene bepaalde plaats in de joerte aan en legt zelfs den heer der tent in zijn huwelijksrechten aan banden. De vrouw staat bij de Kirgiezen in hooge achting. „Wij waardeeren onze vrouwen zooals wij een telganger waardeeren; beide zijn niet te betalen,” zoo verzekerde mij eens mijn vriend, de Kirgies Altibei. De mannen scheiden zich zelden van hunne vrouwen, en nog zeldzamer ontloopen de laatsten haar echtgenooten. Ook in de steppe evenwel verbreekt de liefde soms de perken, welke zede en gebruik gesteld hadden. Schaking komt insgelijks voor en wordt zelfs voor geen schande gehouden; een meisje te rooven, wier vader te hooge eischen stelt, verstrekt roover en geroofde, in veler oogen althans, meer tot eer dan tot blaam.
Het pasgeboren kind wordt bij de Kirgiezen onmiddellijk nadat het het levenslicht aanschouwde, en zoo ook nog de eerste veertig dagen na de geboorte, in sterk zout water gebaad, maar na verloop van dien tijd zelfs niet meer gewasschen. Aanvankelijk legt men den zuigeling in een bedje vol fluweelzachte kameelswol, zoodat het wicht geheel in dit dons gehuld is en zelfs in den strengsten winter geen koû zou kunnen vatten; later trekt men het een wollen hemdje aan, hetwelk de moeder om de drie dagen een poosje boven het vuur houdt ten einde het van de parasieten te zuiveren, die in de woningen van alle Kirgiezen voorkomen. Dat hemd met een ander te verwisselen, daaraan denkt men niet. Het wordt eerst dan vervangen, wanneer het bijna uiteenvalt. In den winter trekt de trouwe moeder het ook nog kousjes aan, en zoodra het kindje kan loopen, steekt men het in de kleeren der volwassenen.
Vader en moeder beide houden ongemeen veel van hun kroost; zij behandelen hun kinderen met de grootste teerheid en slaan ze nooit; zij hebben echter de slechte gewoonte om hun, zoodra zij kunnen spreken, allerlei leelijke en onvoegzame woorden te leeren, die, door de onschuldige lippen van het kind nagezegd, eene algemeene vroolijkheid opwekken. De ouderdom van het kind wordt naar den naam van een of ander dier benoemd; het kind kan b.v. een muis oud zijn, of eene marmot, of een schaap of een paard. Op zijn vierde jaar zet men het voor de eerste maal op den rug van een even oud paard, dat prachtig opgetuigd en met een in de familie erfelijk zadel belegd wordt. De gelukkige ouders beloven aan den voor de eerste maal de moederarmen ontloopen, zelfstandig optredenden kleinen ruiter allerlei mooie dingen, roepen daarop een bediende of een gewillig vriend, stellen paard en ruiter in diens handen en dragen hem op den kleinen man van de eene bevriende joerte naar de andere te geleiden. Overal waar het knaapje aankomt wordt hij vriendelijk begroet, met loftuitingen overladen, terwijl hij tevens allerlei lekkernijen ontvangt. Een feest in de ouderlijke joerte bekroont den in aller oogen gewichtigen dag.
Met het zevende jaar vangt het onderwijs aan, dat zich bepaalt tot al datgene, wat hij of zij te weten noodig heeft. Inmiddels tot een bedreven ruiter opgegroeid, leert de knaap met het vee omgaan, het meisje leert melken en verdere huiselijke bezigheden verrichten; de zoons van voorname lieden worden door een Mollah of een ander, der zake kundig man, in het lezen en schrijven onderwezen, later in de leer van den koran. Reeds vóór zijn twaalfde jaar wordt de school voor hen gesloten en is de knaap rijp voor het praktische leven.
Meer nog dan de levenden eert de Kirgies zijn dooden. Elke familie is tot de grootste offers bereid om voor een hun door den dood ontrukt familielid een groot lijk- of gedenkfeest aan te richten; ieder, ook de armste, wenscht het graf zijner lieve dooden te sieren zoo veel hij kan, en een iegelijk acht het zich als de grootste schande eenen doode in ’t algemeen niet alle mogelijke eer te bewijzen. Zulks is onder de Mohammedanen een algemeen gebruik, maar de plechtigheden, die bij de Kirgiezen het sterven en de begrafenis vergezellen, wijken zoo van die der andere geloovigen af dat zij eene nadere bespreking vereischen.
Wanneer een Kirgies den dood voelt naderen laat hij zijn vrienden roepen, opdat deze zijne ziel in het paradijs helpen brengen. Vrome Kirgiezen laten zich op hun sterfbed uit den koran voorlezen, al verstaan zij ook niets van de beteekenis der woorden. Naar het gebruik der geloovigen verzamelen zich de vrienden om het sterfbed van den geloofsgenoot en roepen hem het eerste gedeelte van de belijdenis der aanhangers van den profeet: „Er is slechts één God” zoo dikwijls toe, tot hij het tweede gedeelte uitspreekt: „en Mohammed is zijn profeet.” Zoodra deze woorden de lippen van den stervende ontvlieden, opent Moenkir, de Engel der beproeving, de poorten van het paradijs en nu roepen allen uit: „El hamdu lillahi”—de Heer zij geprezen.
Zoodra de eigenaar eener joerte voor altijd zijn oogen gesloten heeft, zendt men naar alle richtingen boden uit om de gebeurtenis aan de vrienden en bloedverwanten bekend te maken; deze boden reizen, al naar aanzien en rang van den overledene, twintig tot honderd werst ver de steppe in, van Aul tot Aul, terwijl een der bloedverwanten, die hier woont, de tijding aan anderen in dezelfde Aul mededeelt. Ondertusschen wordt het lijk gewasschen en in het „doodshemd” gehuld, dat ieder Kirgies reeds bij zijn leven gereed had en onder zijn kostbaarheden bewaarde. Nadat men zich van dezen plicht gekweten heeft draagt men het lijk uit de joerte en legt het op een middelerwijl half uitgeslagen hekwerk. De Mollah wordt ontboden, en als deze verschijnt, zegent hij den doode; nu beurt men het hek met het lijk op, laadt een en ander op den rug eens kameels, en trekt onder geleide der inmiddels aangekomen naastbijwonende bloedverwanten naar den doodenakker.
Terstond na het overlijden heffen de vrouwen den lijkzang aan. De naaste bloedverwant begint en spreekt den rouw van haar hart in meer of minder diepgevoelde woorden uit; de anderen vallen op het einde van elken zin of elken versregel gelijktijdig in en ieder kleedt zijn gedachte op hare wijs in woorden. De klacht wordt allengs heviger, tot eindelijk de smart haar toppunt heeft bereikt, wanneer de kameel oprijst om met zijn last te vertrekken. De vrouwen schijnen als in razernij te vervallen, rukken zich de haren uit en krabben zich het gezicht ten bloede. Eerst als de lijkstoet, waarvan de vrouwen geen deel uitmaken, uit het gezicht verdwenen is, verstommen van lieverlede de klachten en houden de tranen op met vloeien.
Eenige mannen, op vlugge paarden gezeten, zijn vooruitgereden om het graf in gereedheid te brengen. Dit bestaat uit een kuil, een halve manshoogte diep, met een in de richting van Mekka gelegen gewelf, waarin het hoofd en het bovenlijf worden gelegd. Nadat het lijk in den kuil is neêrgelaten, wordt het graf met blokken, planken, rietbundels of steenen belegd, maar niet met aarde gevuld. Wel wordt soms een weinig zand over de bedekking gespreid en dit heuveltje met vlaggetjes en soortgelijke zaken versierd, zoo niet een koepel uit hout of baksteenen gebouwd, boven het graf wordt opgericht. Op een kindergraf plaatst men de wieg. Vooraf heeft de Molla het lijk voor de tweede maal gezegend, terwijl alle omstanders aan de ophooging deel nemen. De lijkplechtigheid is evenwel nog niet ten einde.