Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 42
Doet het meer en meer gevorderde voorjaar ook de nog in hunne pophulsels sluimerende insecten ontwaken, vullen ontelbare zwermen muggen, vliegen, bremsen en andere kwelgeesten de lucht, dan wendt men zich zoo mogelijk naar het gebergte en klimt dit tot de hoogste weiden, dicht beneden de sneeuwgrens op. Daar de herder geen honden heeft, viel het hem reeds daar beneden moeilijk de kudde bijeen te houden; in het gebergte heeft het nog meer bezwaren den „schaapsweg” af te leggen, en kan hij ter overwinning van zekere moeilijkheden niet buiten de hulp van andere, te paard rijdende mannen. Zoolang men zich op een vast pad bewoog, kon de tocht nog voortgezet worden, onverschillig of de weg zich langs bebloemde weiden slingert, of over hellingen en steilten voert. De geiten, die de schapen zijn vooruitgesneld, wagen zich onverschrokken en onderzoekend aan den rand van een afgrond, waarvoor dezen verschrikt terugdeinzen, loopen daarna langs een doelmatiger weg vooruit, getrouw gevolgd door de schapen. Maar wanneer men eens in plaats van een murmelend beekje een breed en woest schuimend water ontmoet, dat den weg verspert, maar evenwel overgetrokken moet worden, dan wordt het iets anders. Het vooral den schapen zoo bepaald vijandige element ziende, blijven ook de geiten, die zich anders in allerlei omstandigheden weten te schikken, onthutst staan; de schapen deinzen angstig terug en klimmen op de naburige rotsen als wilden ze daar eene schuilplaats zoeken. De herder rijdt tevergeefs door den bruisenden stroom; van den overkant teruggekeerd, drijft hij te vergeefs de onwillige kudde naar den rivierkant. Met een luid geblaat geven de schapen hun angst te kennen, en bedenkelijk blaten ook de geiten, totdat het geduld van den herder is uitgeput. Een oogenblik zweeft de noodlottige strik boven het hoofd van een der schapen; het volgende oogenblik voelt het zich dien om den hals gesnoerd; de ruiter trekt het dier naar zich toe, en weer een oogenblik later is het in den vloed geslingerd. Nu moet het met alle kracht arbeiden. Met rukken zwemmende, meer springende dan roeiende, werkt het zich van het eene rotsblok naar het andere, wordt, nog vóór het den grond raakt, door het draaiende water gegrepen en voortgesleurd; het trapt, spartelt, springt, zwemt opnieuw, wordt nog eens en nog eens door het water medegesleurd, en bereikt eindelijk, meer uitgeput door den doorgestanen angst dan door de inspanning, den anderen oever. In alle leden sidderende, verzekert het zich of het werkelijk vasten grond onder de voeten heeft, schudt de natte vacht, blikt met schuwen blik nog eenmaal achterwaarts—en begint thans gulzig te vreten om zich zooveel mogelijk schadeloos te stellen voor den geleden angst. Middelerwijl zwemmen de overige leden der kudde, de een na den ander, ’t zij vrijwillig, ’t zij gedwongen, de wilde beek over, tot het geheele gezelschap den anderen oever heeft bereikt, zich verzameld heeft, en de reis weder kan worden voortgezet. Op deze wijze klimt de trekherder het gebergte in. Begint het daarboven koud te worden, vermaant wellicht een sneeuwbui reeds aan den komenden winter, dan wandelen herder en kudde weder naar omlaag, nu zooveel doenlijk de beschaduwde kloven opzoekende, tot weder de laagvlakte is bereikt en men in de nabijheid van het winterkwartier is gekomen.
Alle huisdieren der Kirgiezen raken spoedig vertrouwd met de verschillende streken, waar men hen laat weiden, hoe ook de plaatselijke gesteldheid moge zijn; allen kennen reeds na een paar malen grazend te hebben rondgeloopen, zulke plekken, en zoeken die zelfs zonder behulp van den herder met zekerheid op; ook komen zij vanzelf naar de Joerte loopen om zich hier te laten melken. Als lokmiddel bezigt men echter de kunstgreep, dat men reeds van Mei af aan de zoogende moeders haar jongen laat zien, en deze in de nabijheid van de Aul laat weiden, zoodat men het verlangen naar haar kind in het moederhart opwekt. Op deze wijze wordt het melken op vaste tijden mogelijk en kan de meesteres der Joerte hiernaar haar tijd indeelen en haar bezigheden regelen.
Met uitzondering alleen van de merries, die door mannen worden gemolken, voor welke bezigheid ten minste twee, zoo niet zelden drie personen vereischt worden, is het melken aan de vrouwen opgedragen. In den vroegen morgen heeft men de kalveren, lammeren en jonge geitjes, onder streng toezicht, een weinig laten zuigen, dan van de moeders gescheiden, en oud en jong naar de weide gedreven. Tegen den middag brengt men alleen de moeders naar de Joerte, en zoo ook des avonds, om ze te melken. Met behulp der honden, die nu in dienst treden, houdt men de geheele kudde op de kleinst mogelijke ruimte bijeen en vangt dan den arbeid aan. De vrouwen en dienstmaagden eener Joerte of de buurvrouwen van een Aul verschijnen met hare melkvaten, grijpen met vaste hand een schaap, een tweede en een derde, slepen ze naar de lijn, leggen ze een uit de lijn zelf gevormden strik om den hals en dwingen zoo de dieren in twee rijen, met de koppen naar binnen, met de uiers naar buiten gericht te blijven staan. In weinig minuten heeft men dertig tot veertig schapen en geiten naast elkander, een zoogenoemde „keugeun.” Op hetzelfde oogenblik dat de dieren den strik voelen, blijven ze staan, zich van vroeger herinnerende welke gevolgen het tegenspartelen heeft; rustig laten zij thans alles toe. De vrouwen, tegenover elkander gehurkt, beginnen thans gelijktijdig aan denzelfden kant met den arbeid; zijn er zeer veel schapen dan ook wel aan de beide kanten der dubbele rij tegelijk. Zij vatten de korte tepels met duim en wijsvinger en tappen de melk met snelle op- en neêrgaande bewegingen af. Stroomt de bron niet overvloedig genoeg, dan geven zij met de linkervuist een klap tegen den uier, even gelijk zuigende jongen ook plegen te doen, en eerst wanneer dit middel niet meer baat, gaan zij over tot een tweede beest. De mannen der Joerte of Aul, die misschien bij het opvangen en vastmaken van het kleinvee de behulpzame hand hebben geboden, zitten onder het melkbedrijf, in allerlei, ons onmogelijke, ja bijna ondenkbare houdingen bij elkander en vieren vrijen teugel aan hunne „roode tong.”
Een der kleinste jongens aanvaardt misschien wel op een of ander schaap zijn eersten proefrit, zoo hij er al niet de voorkeur aan geeft op de schouders zijner opvoedster te gaan rijden. De laatste laat zich door zulke heldendaden van haar spruit even zoo weinig van de wijs brengen als andere kleine ongevallen zulks vermogen. Of zij op drogen grond of over de weeke schapenmest wandelt, of de laatste onder het melken in het uit populierenhout vervaardigde melkvat valt, dit alles deert haar niet, want die melkkuip is toch al even vuil als hare melkende handen, en schapenmest is wel in onze stompzinnige oogen een onrein iets, maar niet in die van den korangeloovigen Kirgies. Het laatste individu is eindelijk gemolken, en de dieren, die ondertusschen uit puur tijdverdrijf zich met herkauwen hebben beziggehouden, kunnen nu weder losgelaten worden; één snelle ruk aan het eene eind des touws, en alle strikken zijn los, alle schapen en geiten vrij.
De herkregen vrijheid wordt begroet met een algemeen geblaat; de dieren schudden zich een en ander maal en zelfs de herinnering aan de korte slavernij is vervlogen. Nu loopen allen, zoo snel zij kunnen, de vlakte in, zoo ver mogelijk uit het gezicht der Joerte, in het gebergte schielijk de bergen op, alsof slechts daar de lucht der vrijheid woei. Eigenlijk beoogen zij zoo spoedig mogelijk bij hunne jongen te komen. Den ganschen dag hebben zij deze gemist; nu—zij weten het bij ervaring—moeten de lieve spruiten verschijnen. Al blatende loopen de schapen in ’t rond, verlangend mekkerend kijken zelfs de schrandere geiten om zich heen, als om te onderzoeken of de te verwachten schare reeds komt opdagen, of in de verte zichtbaar wordt. Luider wordt het geblaat, want elke nieuw verloste rij brengt beweging in alle om de Aul verzamelde schapen en geiten, maar ook het met elke minuut toenemende ongeduld der moeders geeft aanleiding tot een vernieuwd klagend, steunend blaten. Hoe langer het duurt, des te onrustiger worden de trouwe moeders. Doelloos dwalen zij rond, heen en weder, beruiken elk halmpje, elk grasje, plukken echter geen enkel af, heffen de koppen nu eens vol verwachting vroolijk omhoog, om ze een oogenblik daarna weder ontmoedigd en treurig naar beneden te laten zinken; dan blaten zij weder, blaten nogmaals. De onrust wordt zinneloosheid, het geblaat verandert in een gebrul.
Daar laten zich in de verte hooge en zwakke tonen hooren. Deze ontgaan het opmerkzaam oor der moeders niet. Een uit alle kelen gelijktijdig voortgebracht geblaat en gemekker is het antwoord; het gansche gewicht van het door ’t lange wachten zoo hoog gestemd moederlijk verlangen baant zich door één enkelen kreet een uitweg. En uit de verte, van af de bergen, in de richting der Joerten stormen de naar hunne moeders verlangende lammeren en sikjes, de grootsten en sterksten in de voorhoede, de jongsten en zwaksten achteraan, allen echter zoo snel zij kunnen, vroolijk springende, door het opgeworpen stof half onzichtbaar, in eene schare, die steeds grooter wordt naarmate zij dichterbij komt. Een oogenschijnlijk niet te ontwarren gewemel treft de oogen; ouden en jongen, eindelijk vereenigd, rennen doelloos dooreen, terwijl zij in ’t voorbijloopen elkander vluchtig aanraken, als om zich door een nieuw zintuig te vergewissen of zij, die bij elkander behooren, werkelijk elkander hebben gevonden; weder loopen zij in verwarring dooreen, als dit niet het geval is; de lammeren en jonge geitjes snellen gewoonlijk vooruit, daar zij door een trap op de pooten, hun door het moederdier toegebracht, er aan herinnerd werden, dat zij zich vergist hebben. Van lieverlede ontwart zich de kluwen; in minder tijd dan men denken zou, hebben moeder en kind elkander gevonden, en knielt het laatste zuigend onder den buik der moeder, begeerig de nog overgebleven melk uit den uier te halen. En wanneer nu ook het blaten en mekkeren niet ophoudt, dan drukken die klanken thans slechts vreugde uit.
Maar slechts kort duurt dit geluk. Elke reeds zoo goed als geledigde uier is ras uitgeput, en in weêrwil van alle stooten en kloppen vloeit de melk niet meer. Maar moeder en kind willen nog langer van de geneugten des samenzijns genieten. De gemengde schaar verspreidt zich naar alle zijden; de gewillige oude klautert het vroolijke jonge dier na, wanneer dit naar den aard zijns geslachts de naastbijgelegen hoogte bestijgt, of schijnt met genoegen gade te slaan, dat een der bokjes in eene plaagzieke bui zijn krachten met een ander meet. Schilderachtig tooit de bonte kudde de omgeving der Joerten; het aanminnigste beeld van een vreedzaam en behagelijk herdersleven ontrolt zich voor het oog van hem, die hart en oogen heeft voor zulk een tooneel.
Ook de melksters gunnen zich thans een korte rust, nemen de kinderen op den schoot en vervullen haar moederplichten of voldoen aan moederlijke verlangens; spoedig echter wacht haar nieuwe arbeid. Brommend melden zich de huiswaarts gekeerde koeien aan, om ook harerzijds de moedervreugde deelachtig te worden; ijlings staan de vlijtige vrouwen op, brengen de van te voren aangebonden kalveren bij de koeien, laten deze een weinig zuigen, trekken ze dan van de uiers af, melken deze uit, en schenken nu ook aan de zuiglustige kalveren de volle vrijheid. Ondertusschen hebben de herders en de honden de kudde kleinvee weder bijeengedreven, en oud en jong, mannen en vrouwen, knapen en meisjes vereenigen zich thans om de lammeren op te vangen, en deze aan eene bij de Joerte aangebrachte lijn met behulp van stevige strikken, waarin zij zich evenwel niet kunnen verhangen, voor den nacht vast te binden, opdat de ouden hun de uiers niet zullen kunnen reiken. Zonder blaten en schreeuwen gaat zulks niet in zijn werk en daartusschen mengt zich het schreien en huilen der kinderen, die weder naar moeders schoot verlangen, het loeien der koeien en het blaffen der honden. Alleen de reeds vastgebonden lammeren der schapen en geiten schikken zich gelaten in het onvermijdelijke. Enkele bokjes beproeven nog bij wijze van spiegelgevecht de kracht hunner uitspruitende horens, maar zij worden spoedig vermoeid en leggen zich vredelievend neder naast den zooeven nog bevochten vijand; nog vóór de geheele rij is vastgemaakt, ligt reeds het grootste aantal jongen op de saamgebogen pooten en heeft zich aan de rust overgegeven. Het eene na het andere moederschaap, de eene na de andere moedergeit bezoekt de rij, besnuffelt de jongen tot zij het hare heeft gevonden, maar keert spoedig weder naar de kudde terug, na zich te hebben overtuigd, dat het onmogelijk was zich naast haar kind neder te leggen.
De zon is reeds geruimen tijd onder, de schemering wijkt voor het nachtelijk duister. Het wordt elk oogenblik stiller in de Joerten. Mensch en dier heeft de rust gezocht en gevonden; alleen de honden beginnen thans onder opzicht en leiding van een waakherder hun rondgangen en zwerftochten, maar ook zij slaan slechts dan aan, wanneer daartoe werkelijk aanleiding is, wanneer zij een rondsluipenden wolf of een anderen dief hebben weg te jagen. Een koele, maar geurige, vochtige zomernacht daalt op de steppe neder en een verkwikkende slaap in dit rijke en schoone jaargetijde vaagt bij herder en kudde zelfs de herinnering weg aan den boozen winter.
XV.
HET VOLKS- EN FAMILIELEVEN DER KIRGIEZEN.
„Bedreigd en vervolgd door de straffende gerechtigheid ontvluchtten eens vier dieven de woonsteden van eerlijke menschen en zochten in de wijde steppe eene schuilplaats. Twee bedelaressen, even als zij uitgestooten uit de verblijven van vlijtige menschen, voegden zich op die vlucht bij de eerstgenoemden. De dieven schepten behagen in de vrouwen en huwden ze, twee van hen ieder een. Een aantal kinderen ontsproten uit deze tegen alle goddelijke en menschelijke inzettingen indruisende huwelijken; de kinderen verwekten een talrijk volk en de tot nog toe ledige steppe werd daarmede bevolkt. Dat kroost bleef zijn oorsprong getrouw, was diefachtig als zijn voorvaderen, bedelachtig als zijn moeders, zonder geloof, zonder zedelijkheid gelijk de ouders. Dat volk zijn de Kirgiezen, wier naam niets anders beteekent dan „roovers”. Op deze wijze droomt zich een Tataarsch, geloovig dichter den oorsprong, en zoo beschrijft hij den aard van een stamverwant volk, dat met hem dezelfde taal spreekt, en tot denzelfden God, naar dezelfde voorschriften van denzelfden profeet bidt. Aldus spreekt hij zich uit, eenig en alleen omdat de Kirgiezen in geloofszaken niet zoo slaafsch aan het woord hangen, niet zoo kleingeestig zijn als hij. Het is de eeuwig oude, altijd opnieuw terugkeerende geschiedenis, de onder alle volken zich opnieuw openbarende schande, door bovengenoemde woorden weêr bevestigd, de vrome leugen, voor wier afschuwelijkheid nog geen kerkgenootschap is teruggedeinsd, ten einde andersdenkenden in een valsch daglicht te plaatsen.
Ieder reiziger, die zich onder de Kirgiezen bewogen heeft, iedere vreemdeling, die onder het luchtig dak hunner Joerten gastvrijheid zocht en vond, iedere geleerde, die hun zeden en gewoonten poogde uit te vorschen, elke beambte, die als wachter der wetten, of als plaatsvervanger der staatsmacht in ’t algemeen in hun midden leefde, ieder, met een woord, die geruimen tijd met hen verkeerde, oordeelt, zoo hij niet bevooroordeeld is, geheel anders dan gezegde Tataar.
Er was een tijd, in welken de Kirgiezen hun naam verdienden, maar deze tijd is, althans voor vele twijgen der vele horden voorbij. De nagalm van de gezindheden, heldentochten en rooversdaden der vaderen moge nog in de harten der Kirgiezen weêrklinken, in ’t algemeen genomen heeft het ruitervolk der steppe zich gevoegd naar de wetten zijner hedendaagsche meesters en het leeft op den huidigen dag zoowel onder elkander als met zijn buren in vrede, acht het eigendomsrecht, en rooft en steelt niet meer en vaker dan andere volken, eer zeldzamer en minder. Onder de Russische heerschappij leeft de Kirgies thans onder zulke bevredigende omstandigheden, dat zijn stamgenooten aan gene zijde der grens wangunstig op die Russische onderdanen neêrzien. Onder bescherming der Russische regeering genieten zij rust en vrede, zekerheid van bezitting, alsmede geloofsvrijheid; zij zijn bijna geheel verschoond van den krijgsdienst en worden billijk in de belastingen aangeslagen, hebben het recht zich eigen gemeentebestuurders te kiezen, en verheugen zich over meer vrijheden dan de Russen zelf deelachtig zijn. Te betreuren is het, dat deze laatsten gewoonlijk niet zoo verstandig denken als de regeering, en dat zij de Kirgiezen benauwen, verdrukken en afpersen zooveel zij kunnen. Toch zijn zij niet bij machte geweest de zeden, gebruiken en gewoonten van dit volk ook maar eenigszins te wijzigen.
De Kirgiezen zijn geboren ruiters en zonder paard kan men zich geen Kirgies denken; zij groeien met het veulen op en leven met het paard tot hun dood. De Kirgies voelt zich, wel is waar, niet enkel thuis in het paardezadel, en weet elk dier, dat hem torschen kan, zich als rijdier dienstbaar te maken, maar het paard blijft immer en onder alle omstandigheden zijn drager en liefste gezel. Op het zadel gezeten verricht hij alle bezigheden, en het paard is bij hem het eenige, een man waardig rijdier. Mannen en vrouwen beide rijden te paard, en niet weinige vrouwen met evenveel gemak als de mannen. De houding des ruiters is achteloos, zoo gemakkelijk mogelijk, maar niet bevallig. De Kirgies rijdt in kort aangegespte stijgbeugels, zonder dijsluiting en raakt alleen met de knieën den voorrand des zadels aan, zoodat hij zich vrij in evenwicht houdt; als hij het paard wil laten draven, richt hij zich in de stijgbeugels op, soms geheel overeind, buigt dan het hoofd zoo ver naar voren en beneden, dat hij bijna op den hals van het paard ligt; hij zit rechtop, wanneer hij het paard, zooals meestal, stapvoets of in galop wil laten gaan. Hij knelt de teugels in de volle vuist; den aan den gordel gehechten knoet houdt hij vast met duim, wijs- en middelvinger. Dikwijls rolt hij uit het zadel, want hij slaat weinig acht op den weg en laat aan zijn paard over dien te zoeken; is hij opmerkzaam, dan berijdt hij onbeschroomd elken weg, waarop een eenhoevig dier in staat is zich te bewegen, evenals hij zonder bedenken het wildste en meest toomelooze ros bestijgt. Moeilijke wegen kent hij niet; een weg is voor hem zooveel als een afstand afleggen, en wat tusschen begin en eind daarvan ligt, gaat hem niet aan. Zoolang hij in het zadel is gezeten eischt hij van zijn rijdier het ongeloofelijke, springt in galop bergop en bergaf, over den vasten grond en door moeras, poel en water, klautert zonder duizelig te worden tegen hellingen op, die hij te voet niet zonder angst zou bestijgen, hellingen, welke ieder ander ruiter voor ontoegankelijk zou houden, en schouwt van uit het zadel rustig in den afgrond naast het geitenpad, door hem weg genoemd, en waarop een ervaren bergbeklimmer door huivering zou bevangen worden. Zoodra hij van zijn ros is gestegen, neemt hij daarentegen alle regels streng in acht, die de ondervinding hem als doelmatig voor een vermoeid paard heeft leeren kennen, en is nu even zorgzaam als hij straks onverbiddelijk was. Bij feestelijke gelegenheden verricht hij ten genoegen der nimmer ontbrekende toeschouwers allerlei kunststukken in het zadel, plaatst zich overeind in de daarboven gekruiste stijgbeugels, springt in staande houding er af, houdt zich met de handen aan het zadel of in de stijgbeugels vast, steekt de beenen in de lucht, hangt zich aan de eene zijde van het zadel op, en tracht het eene of andere voorwerp van den grond te beuren. Met de spiegelgevechten zijner Turksche broeders schijnt hij zich niet op te houden. Het hard rijden geldt hem als het grootste vermaak, en elke feestelijkheid wordt met een wedren opgeluisterd.
Aan zulke wedrennen, „Baika” wordt in den regel slechts deelgenomen door de edelste paarden en dan nog wel alleen door telgangers. De af te leggen wegen zijn zeer groot, nooit minder dan twintig, soms wel veertig kilometer lang; men rijdt naar een of ander bekend punt, b.v. een heuvel of grafteeken, en keert langs denzelfden weg terug. Knapen van zeven en acht, hoogstens tien jaren, zitten in het zadel en besturen de paarden met bewonderenswaardige behendigheid. Den terugkeerenden paarden rijdt men langzaam te gemoet; de telganger, die de meeste kans op de overwinning heeft, ontvangt zekere hulp „goetoerma”, die daarin bestaat, dat men hem op zij rijdt en van het rijdende kind ontlast, daarna de teugels, stijgbeugels, manen en staart tracht te grijpen en hem tusschen de versche paarden meer naar het doel sleept, dan leidt. De prijzen, die uitgeloofd worden, bestaan uit zeer verschillende zaken, die evenwel allen in den prijs van paarden worden uitgedrukt. Twee- à drieduizend roebels zijn niet zeldzaam; rijke familiën loven soms honderd paarden uit. Ook jonge meisjes dienen voor prijs, in zooverre, dat de winnaar haar kan trouwen zonder den gewonen bruidsschat te betalen.
Terwijl de dingende paarden onderweg zijn, oefenen ook de menschen hun lichaamskrachten. Twee mannen ontdoen zich van hun opperkleed, ontblooten het bovenlijf en vangen aan met worstelen. De aanval heeft op zeer verschillende manieren plaats. Beide strijders grijpen elkander, buigen het lichaam diep en naar elkander toe, draaien in ’t rond, daarbij elkander scherp in ’t oog vattende, en pogen elken schijnaanval of werkelijk gemeenden aanval af te weren, tot plotseling een hunner van al zijn krachten gebruik makende den ander, zoo deze dit niet vooruit heeft gezien, ter aarde werpt. Anderen daarentegen gaan terstond tot den aanval over, maar vinden zulk een krachtigen tegenstand, dat beide mannen langen tijd moeten worstelen alvorens het een hunner gelukt zijn medestander te overwinnen. De toeschouwers vuren de worstelaars aan, deelen lof en berisping uit, prijzen en bespotten, gaan middelerwijl onderling weddingschappen aan en geraken te meer in vuur, naarmate de uitslag meer twijfelachtig is. Eindelijk ligt er een der partijen, door het geheele gezelschap uitgelachen, beschaamd en deemoedig, misschien wel tot in zijn binnenste vertoornd, ter aarde; een geschreeuw, uit aller kelen aangeheven, vervult de lucht; katoenen stoffen, al zijn het ook slechts niets beteekenende lappen, worden doorgescheurd en verdeeld om de weddingschap te vereffenen; verwijten wisselen af met betuigingen van instemming; de kampstrijd is geëindigd, zoo niet de overwonnene plotseling zijn toorn zoekt te luchten en nogmaals op zijn tegenstander aanvalt. Zonder geraas, getier en getwist eindigt zulk een wedstrijd nimmer, tot handtastelijkheden echter komt het evenmin.