Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 41

Chapter 413,598 wordsPublic domain

Al moge het schaap der Kirgiezen in alle hoofdtrekken met het onze overeenkomen, toch kan men niet loochenen, dat het vrije steppenleven, de groote tochten, die te volbrengen zijn, en de bezwaren, die daarbij overwonnen moeten worden, de lichamelijke en geestelijke vermogens ongemeen sterk hebben doen ontwikkelen, zoodat het steppenschaap in dezen boven het huisschaap van West-Europa staat. Toch is ook in de steppe de verstandige geit de aanvoerdster en leidster van het meer geestelooze schaap, en daarom is het meer dan tijd, dat ik thans haar gedenk.

De geit der Kirgiezen is van middelmatige grootte, zwaar van lijf, goed geproportionneerd, krachtig, kort van hals, klein van kop, met evenredig gevormde pooten, groote, levendige oogen, sprekende trekken, spitse, rechtopstaande ooren en betrekkelijk zwakke horens; het is welig behaard, vooral wat baard en staart betreft, draagt lang kroeshaar op het voorhoofd, en is meest zuiver wit van kleur, hier en daar met zwarte spikkels.

Schapen en geiten worden door de Kirgiezen geheel op gelijke wijze behandeld, en steeds in dezelfde kudden bijeengehouden. De arme Kirgiezen van een Aul vereenigen hun dieren in ééne kudde, de rijken, wier veestapel uit duizenden individuen bestaat, houden er omgekeerd meer dan ééne kudde op na. De schaapherder, in den regel een volwassen knaap, rijdt op een os om zijne kudde heen; hij weet dat rijpaard op zulk eene voortreffelijke wijze te besturen en in den draf te zetten, dat hij zelfs de vlugste geit inhaalt. Toen wij eens, van een jachtuitstapje terugkeerende, zulk een schaapherder ontmoetten, rende deze louter voor zijn genoegen ruim een kwartier lang naast onze, in gestrekten draf door de steppe ijlende paarden, zonder dat zijn vreemdsoortig rijdier van eenige vermoeienis blijk gaf. Alleen de schaapherders der Tartaarsche kuddehouders rijden op paarden. Bij gevaarlijke overgangen over sterk stroomende bergbeken of in het gebergte zelf, nemen de geiten de leiding der kudde op zich, en hier, gelijk overal elders, volgen de schapen blindelings.

Daar men slechts op de meest gunstige plaatsen hooi oogst en in hooibergen zet, zorgt men er voor, dat de schapen en geiten in den herfst geen jongen werpen; de geboorte der lammeren en sikjes valt steeds in het voorjaar, het gunstigste jaargetijde voor het voordeelig groeien en bloeien van het jongvee. De jonggeboren lammeren en geitjes worden in de eerste dagen huns levens in de Joerte opgenomen en zijn weldra in deze zoo te huis, dat zij de tent onder weegeklag verlaten, wanneer bijzondere omstandigheden zulks noodzakelijk maken. Later komen zij in den naast de winterwoning opgerichten stal, in de vrije steppe niets dan een in den grond gegraven kuil, over welken de koude wind zonder uitwerking heenstrijkt, en eindelijk aan de lijn, „Keugeum” genoemd, die voor elke Joerte tusschen sterke, in den bodem gedreven palen wordt uitgespannen. Zoodra zij beginnen te grazen, drijft men de dieren in afzonderlijke kudden in de vrije steppe, om ze des avonds naar de Joerte terug te brengen. Zoo worden de dieren van hunne jeugd af gewend aan het vrije steppenleven, gehard tegen weêr en wind, storm en regen.

In vergelijking met de paarden, schapen en geiten speelt het rund eene vrij ondergeschikte rol. Wel is waar ziet men in de nabijheid van elke Joerte ook eene kudde dezer dieren, maar hun aantal staat in geen verhouding tot die der anderen. Het rund is grooter en beter van vorm dan dat der Russische en Siberische boeren, maar moet voor dat der Chineezen onderdoen en kan zich in de verste verte niet meten met de goede rassen van West-Europa. Het is middelmatig groot en vleezig, het vel is kort- en gladharig, de horens zijn lang en naar buiten gericht, de kleur is gemeenlijk fraai donker roodbruin.

Men weidt het dier in vrij talrijke kudden, maar laat het zonder toezicht zijn voedsel zoeken, terwijl men de melkkoeien tot zich lokt door de bij de Joerte vastgebonden of gehoed wordende kalveren; de ossen daarentegen komen dikwijls gedurende vele dagen niet in de Aul terug.

Wel elke groote Aul, maar volstrekt niet elke Kirgies bezit kameelen, en zelfs de rijkste onder hen zelden meer dan vijftig stuks. Want het kameel geldt en met reden voor het zwakste aller huisdieren der trekherders in genoemde steppen; zijn eigenlijk vaderland ligt oostelijker en zuidelijker. In de door ons bereisde steppen fokt men alleen het tweebultige kameel, in de zuidelijk van het Balkaschmeer gelegen steppen, evenals in Midden-Azië daarentegen den dromedaris; men kruist ook dit laatste wel met den eersten, waaruit bastaarden geboren worden, wier beide bulten bijna tot een zijn versmolten. Het kameel der midden-steppen behoort tot een der lichtere rassen, en is dan ook lang niet zoo zwaar gebouwd als die exemplaren, welke wij in onze diergaarden te zien krijgen, wel even dicht behaard. Het verdraagt intusschen de winterkoude veel minder goed dan de andere huisdieren der Kirgiezen; het verlangt om neêr te knielen of om te rusten een vilten deken, waarop het zich nederlegt, maar vat ook nu nog dikwijls koû, zoodat het niet zelden bezwijkt. Wanneer het verhaart moet men het met vilten dekens omkleeden, in den zomer tegen de steken van muggen en bremsen beschermen, zoo men geen gevaar wil loopen, het dier te verliezen; in ’t kort, het is een voorwerp van gestadige zorg en dus niet geschikt voor den armen man, wien elk verlies dubbel treft. Evenals de dromedaris is het in zijn voedsel matig en weinig eischend; evenals gene in den bronsttijd gevaarlijk, zelfs voor zijn meester, wien hij overigens veel aanhankelijkheid betoont; het kameel onderscheidt zich echter de overige tijden des jaars zeer gunstig van den dromedaris, door zijn gewilligheid en zachtzinnigheid. Mij, die jarenlang met dromedarissen heb omgegaan, vielen deze voortreffelijke eigenschappen zeer in ’t oog; ik werd er schier door in de war gebracht, zoodat ik meende met een ander dier te doen te hebben.

Het kameel laat zich gewillig opvangen; wel is waar niet geheel zonder morren, maar toch zonder dat afschuwelijke, zenuwontstellende gebrul te laten hooren, dat den dromedaris kenmerkt, knielt het neêr, wanneer het belast moet worden, en zelfs in den draf draagt het zonder klagen niet te zware lasten, dertig tot veertig kilometer elken dag afleggende. Wanneer de last afzakt staat het dier uit eigen beweging stil. Onder den man kan het van vijftig tot zestig kilometer elken dag afleggen; met vierhonderd kilogram beladen, waardoor het tot langzame, maar wijde passen genoodzaakt wordt, legt het nog de helft van dien weg af. Het graast altijd in de nabijheid der Joerten, gemeenschappelijk met alle soortgenooten van den Aul en geldt in de oogen der Kirgiezen bijna voor een heilig dier.

De hond eindelijk, het minst geachte huisdier der Kirgiezen, is gewoonlijk een groot, maar geenszins altijd fraai dier, hoe bepaald gunstig hij zich ook overigens moge onderscheiden van de leelijke keffers, die men elders in Siberië en Turkestan te zien krijgt. De kop is lang maar plomp, de ledematen gelijken meer op die van een windhond dan van een herdershond, het haar is lang en wollig, de staart sterk behaard, de kleur zeer uiteenloopend.

Uiterst waakzaam en moedig, opgewassen tegen den wolf, een zich zelf bewust, oplettend beschermer van het zwakke vee, den vreemdeling wantrouwende, een trouw slaaf van zijn meester, voor den volwassene een ongezellige zonderling, voor het kind een aardige speelkameraad, vereenigt deze hond vele deugden van zijn geslacht in zich en ontbreekt om die reden in geen enkele Joerte, althans in geen enkele Aul.

Het geheele leven der Kirgiezen draait om de kudden, van welke men het meest mogelijke voordeel tracht te trekken en die daarom zorgvuldige oppassing en bewaking behoeven. De vrouwen zorgen voor het eerste, de mannen voor het laatste. Met uitzondering der beenderen, die achteloos worden weggeworpen, gebruikt men alle mogelijke deelen van deze dieren, evenals men ook alle soort van vee melkt en zulks zoolang het maar mogelijk is.

De hoeveelheid plantenvoedsel, die een Kirgies gebruikt, beteekent zoo goed als niets, vergeleken met zijn dierlijk voedsel; uit melk en vleesch bestaan onder alle omstandigheden zijn spijzen; plantaardige zelfstandigheden zijn slechts toevoegselen tot de eerste. Brood, in den eigenlijken zin des woords eet hij bijna geheel niet, en zelfs de kleine klompjes meeldeeg, die men tot het gebak zou kunnen rekenen, worden in vet gekookt en niet gebakken. Ook meel en rijst, het laatste alleen in de Joerten der rijken een meer dagelijksch gerecht, dienen alleen slechts om in het eeuwige eenerlei van melk- en vleeschspijs wat afwisseling te brengen. Geen wonder alzoo, dat de Kirgies bedreigd wordt door den hongerdood; en dat deze hem vaak maar al te dikwijls werkelijk bezoekt, wanneer eene algemeene veeziekte in de binnensteppe uitbreekt.

Rijke Kirgiezen houden de melk der schapen en geiten afgezonderd van die der koeien, merries en kameelen; arme lieden vermengen alle soorten van melk in hetzelfde vat en verkrijgen dus ook alleen de voortbrengselen der schapenmelk uit de uiers hunner nuttige dieren, terwijl eerstgenoemden zich nog hoogere genietingen kunnen verschaffen. Uit de melk van geiten en schapen, die men in denzelfden emmer opvangt en in denzelfden lederen zak verzamelt, bereidt men niet alleen verschillende gerechten, die zonder of met bijvoeging van meel worden gereedgemaakt en terstond genuttigd, maar daarenboven boter, en kleine, zandige, zuur of bitter, voor een Europeesch gehemelte walgelijk smakende kaasjes, verder den ook voor ons lekkeren, gelen „quark,” die evenals de kazen tot wintervoorraad dient, en in water opgelost, in den vorm van soep wordt opgedischt; uit de koemelk bereidt men hoofdzakelijk zure melk, zelden „quark,” kaas en boter; uit merrie- en kameelenmelk eindelijk koemys, den dikwijls beschreven, door vierdaagsche gisting onder voortdurend omschudden en kloppen verkregen melkwijn, de hooggeschatte en werkelijk goed smakende feestdrank van alle welgestelde Kirgiezen, die zich daaraan dikwijls dronken drinken.

In den zomer voedt ook de rijkste Kirgies zich bijna uitsluitend met melkspijs, want in dezen tijd slacht hij slechts bij feestelijke gelegenheden en gewichtige gebeurtenissen een zijner dieren. Met het begin van den winter daarentegen vallen schapen en geiten, paarden en runderen, ja zelfs kameelen onder het slachtmes. Als het lekkerste beschouwt men paardenvleesch, vooral dat der merries; het minst geacht is rundvleesch. Schapenvleesch neemt den tweeden rang in, kameelenvleesch houdt men voor bijzonder krachtig inwerkend op den geest, geitenvleesch is een bewijs van armoede, en den gast voorgezet, een teeken van minachting. Het beste stuk paardenvleesch is dat van het kruis, terwijl van schapenvleesch de borst de meeste waarde heeft; het buikvet van jonge paarden gaat door voor eene bijzondere lekkernij; daarom wordt het gezouten, in darmen gestopt, gerookt en bij gastmalen opgedischt nevens koemys.

Behalve datgene, wat tot voedsel kan dienen, benut de Kirgies nog daarenboven bijna alles, wat zijn fokbeesten opleveren. Uit de wol der schapen vervaardigt hij het voor hem onmisbare vilt; het kameelenhaar wordt gesponnen en uit het garen worden geweven stoffen bereid; in het donsachtig onderhaar legt de moeder haar pasgeboren kind. Het lange geitenhaar dient voor franjes aan de tapijten en lakens, voor kwasten en strikken, het korte wolhaar wordt gesponnen om er linten voor de Joerte uit te weven, uit de maan- en staartharen der paarden eindelijk vlecht men leidsels en touwen voor de Joerte. Uit de schapenvellen breit men de gewone winterpelzen, uit die van geiten en geitebokjes pronkpelzen, de in vlokken afgedeelde wol is een uitnemend opvulsel voor sommige kleedingstukken, terwijl uit de huid van alle dieren leder wordt bereid. Voor het te vele of niet gewaardeerde schapen- en rundervet, voor de verkochte schapen, runderen en paarden ruilt de Kirgies allerlei zaken op de wereldmarkt in; uit de opbrengst van het verkochte vee betaalt hij zijn belastingen, koopt hij zich ongemunt zilver om hiermede te pronken, het ijzer, dat hij bewerkt, de tapijten, kleederen en zijden stoffen, waarmede hij zich zelf en zijne Joerte tooit. Het vee is en blijft de eenige bron van voedsel, tevens de eenige bron, waaruit alle andere gaven opwellen; het beetje land, dat hij nu en dan beploegt, bezaait, bevloeit en oogst, beteekent, in vergelijking met zijne kudde, niets.

Niet de vrije wil, maar de noodzakelijkheid, de behoeften der kudden bepalen de woonplaats en de levenswijze der Kirgiezen, en dwingt hen heden hierheen, morgen daarheen te trekken, op deze plaats te verwijlen, van gene te scheiden. Dientengevolge is het trekken der Kirgiezen niet een doelloos heen en weêr zwerven door de wijde steppe, maar een overdachte plaatsverandering, die zich regelt naar het jaargetijde en naar den aard van het te weiden vee. Een doelloos omdwalen verbiedt de steppe zoowel in den zomer als in den winter, in den herfst zoowel als in het voorjaar; zulks zou de kudde in den winter aan de vreeselijkste stormen blootstellen, in den zomer doen versmachten, in het voorjaar haar wellicht in overvloed doen zwelgen, maar reeds in den herfst meer gebrek doen lijden dan wenschelijk is. Daarom begint de Kirgies zijne wandeling van de laagvlakte uit, klimt langzaam naar de hoogte op, zelfs tot in de hooggebergten, en daalt dan weder langzaam naar de laagte terug. De verschillende kudden hebben echter verschillende behoeften; schapen en geiten houden van harde, geurige kruiden, gelijk de zoutsteppe voortbrengt, de paarden beminnen het meest het vrije kruid der gebergten, vooral dat, hetwelk tusschen de steenen en rotsen groeit, terwijl de runderen het liefst op een mollig grastapijt grazen; de kameelen vinden behalve in de harde planten der zoutsteppe nog in doornen en distelen een welkom voedsel. Rijke lieden, die evenveel verschillende kudden kunnen vormen als zij verschillende dieren houden, laten dan ook deze allen afzonderlijk trekken en weiden, en alleen de armen reizen met hunne geheele kudde van plaats tot plaats. Eindelijk hebben ook de menschen invloed op elkander. Geen grenssteenen, maar wel eeuwenheugende rechten en verdragen regelen zelfs in de steppe het eigendomsrecht en de grenzen; elke stam, elke afdeeling van een stam, elke gemeente, ja zelfs iedere Aul maakt aanspraak op de reeds door de voorouders in gebruik genomen weiden en duldt daarop geen vreemde kudde, geen vreemden herder, en strijdt voor dat recht met de wapenen in de hand, tegen iederen indringer, zelfs tegen de broeders van denzelfden stam. Zoo wordt het begrijpelijk, dat de trekherder zijn eigen, dikwijls zeer nauw omschreven wegen bewandelt. Die wegen kunnen elkander kruisen, maar zij zijn nimmer dezelfde, want ieder heeft eerbied voor de rechten van anderen, of wordt door zijn stamgenooten tot zoodanigen eerbied gedwongen.

Een vaste woonplaats eerst krijgt de Kirgies in het graf; toch heeft hij een tehuis. In uitgestrekten zin is dit het gebied, dat hij bereist, meestal de laagte en het dal van een riviertje of beekje, in engeren zin het winterleger, van waar hij uittrekt en werwaarts hij steeds terugkeert. In de nabijheid van dit winterkwartier rusten, zoo niet alle, de meesten zijner dooden. Derwaarts zendt de regeering haar gezanten om de belastingen te innen of opnieuw te schatten; hier brengt hij wel is waar niet den schoonsten, maar wel den grootsten tijd zijns levens door; hier lijdt en doorstaat de over ’t algemeen vroolijke en onbezorgde Kirgies zijn zwaarste en ernstigste zorgen.

De winterwoning kan verschillend zijn, maar het winterleger moet aan bepaalde eischen voldoen. Deze zijn: het dal, in hetwelk het leger zal opgeslagen worden, moet zooveel mogelijk beschut zijn tegen de koude en de zoo verderfelijke noorden- en oostenwinden; men moet de Joerten aan de zonzijde kunnen opslaan en zonder bezwaar vaste woonhuizen kunnen bouwen; het water mag nooit kunnen ontbreken, en weiden moeten in de nabijheid liggen. Deze voorwaarden worden het best vervuld door een door den stroom diep in de omgeving ingesneden rivierdal, waar in de zomermaanden het gras niet verdort, zoodat het gelegenheid aanbiedt te gepaster tijde hooi te winnen, terwijl er toch nog wintervoeder overblijft; zooveel mogelijk moet men in de wilgen- en populierenboschjes langs de rivieroevers een voorraadschuur van brandstof kunnen vinden, om de gedroogde mest te vervangen. Daarom kiest men slechts dan ook nog andere plaatsen uit, wanneer men ook nog andere in den zomer om watergebrek gemeden streken, b.v. eene zoutsteppe, zich wenscht dienstbaar te maken, zoodra de sneeuw, die nu den grond bedekt, het water vervangen kan.

Is de winterwoning een vaststaand gebouw, dan bestaat deze uit een werkelijk ellendige, dompige, vochtige, donkere hut, die zoo licht is gebouwd, dat men reeds vooruit op de sneeuw moet rekenen, om de muren en het dak te dichten en tegen het weder te beschermen.

Die muren bestaan slechts bij uitzondering uit op elkander gestapelde boomstammen; meestal worden zij opgebouwd uit ruwe steenen, en nog vaker uit gevlochten wilgen teenen, of aaneengeschaarde rietbundels. Dak en bedekking bestaan altijd uit riet. Daarnaast vindt men een eveneens gebouwden stal voor het jongvee, en op eenigen afstand bevindt zich de omheining voor de oude dieren.

Met het begin van den winter betrekt de Kirgies deze woning, zoo hij niet, gelijk regel is, ook thans nog de voorkeur geeft aan de veel aangenamer Joerte. Voor de verwarming heeft hij reeds in het verloopen voorjaar gezorgd; toen heeft hij, of beter gezegd zijne vrouw, die in ’t algemeen belast is met alle onaangename en zware werkzaamheden, de mest met wat stroo vermengd en daaruit vierkante koeken gevormd, deze in de zon gedroogd en op hoopen gestapeld. Al het gras van den omtrek is gespaard gebleven om in de naaste omgeving der Joerte of van het huis voldoend voedsel voor het vee te hebben; het hooi werd op afgelegen plaatsen geoogst en herwaarts gebracht. Is de winter „goed” d.w.z. valt er niet veel sneeuw, dan vindt het vee ook nu nog voedsel genoeg; is de winter streng, dan verijdelt hij dikwijls alle voorzorgen van den herder en eischt meer levens dan de lente schonk. Daarom heerscht er in een goeden winter vroolijkheid in de donkere hut, terwijl in een strengen winter, die de kudden tot geraamten doet vermageren, verdriet en zorg zich woning maken in de vriendelijke Joerte; en daarom heerscht er in blokhuis en Joerte òf welvaart òf treurig gebrek in het gevreesde getijde des jaars.

Eerst tegen het einde van April, in vele jaren niet vóór het einde van Mei, verlaat de herder met het laatste gedeelte zijner kudden het winterkwartier en vangt de reis aan. De paarden, die hun eigen hoeders hebben, zijn reeds weggetrokken om het kleinvee niet te hinderen. De jonge, dartele veulens, die voor weinige weken, tegelijk met de sikjes geboren werden, zouden geen overlast veroorzaken, maar wel de jonge hengsten en merries, die in dit voorjaar geslachtsrijp worden. De laatstgenoemden springen in dartelen overmoed om de gansche kudde, ofschoon zij de intusschen rustig voortgrazende en nu en dan hen naziende moedermerries niet verlaten; de manbare jonge paarden daarentegen veroorzaken voortdurende onrust en eischen eene verdubbelde opmerkzaamheid van den kant der insgelijks verdubbelde herders. Op dit oogenblik vechten de jonge hengsten met den ouden, deftigen en heerschzuchtigen aanvoerder van den troep; straks dringen de jonge merries, telgen van zijn eigen bloed, zich tegen den vader en noodzaken dezen, haar door bijten te verdrijven; dan weder tracht hier of ginds een jong paard te ontvluchten en stormt met tegen den wind gerichten kop en wijd geopende neusgaten de steppe in. Oogenblikkelijk echter werpt zich de herder te paard en rent in vollen galop den vluchteling na, evenals deze over steg en heg, langs berg en dal vliegende. In zijne rechterhand houdt hij den langen herdersstok, met den daaraan bevestigden lasso; hij komt de vluchtende jonge merrie al nader en nader, reeds zweeft de gevreesde strik boven haar hoofd; daar zwenkt zij plotseling zijdelings af, werpt tergend de achterpooten hoog in de lucht, om dan als de stormwind zoo snel weêr verder te rennen; verder en verder voert de wilde jacht, totdat eindelijk de herder er in slaagt, de voortvluchtige in te halen en, aan den strik gebonden, langzaam naar de kudde terug te brengen. Hoe bekoorlijk dit schouwspel voor den niet belanghebbenden toeschouwer, misschien ook voor den paardenhoeder zelf moge zijn, voor het rustige, kalme trekken van het kleinvee zou zulks nadeelige gevolgen kunnen hebben, en daarom zendt men de paarden vooruit. De schapen en geiten zouden bovendien niet in staat zijn even snel te reizen als de paarden; zij zijn vooreerst door den boozen winter verzwakt, en in de tweede plaats zijn de lammeren en jonge geitjes nog niet sterk genoeg om snel te reizen. Splitsing der kudden is dus gebiedend noodzakelijk.

De Kirgies, die de schapen hoedt, legt aanvankelijk elken dag maar een kleinen weg af „een schaapsweg”, en toeft overal, waar gras genoeg is, zoolang het vee gretig vreet. Op zulk een tocht opent de op zijn os gezeten en tegen alle weêr en wind geharde schapendrijver den stoet. De schapen loopen vrij snel voort; nu eens dringen zij opeen, dan weer loopen zij uit elkander, telkens in den marsch stil houdende om van eene bijzonder lekkere plant te genieten, altijd vretende, ten minste altijd snoepende; de herder, gezeten op zijn almede altijd doorgrazend rijbeest, vergezelt hen. De lammeren en jonge geitjes volgen de ouden, maar op zulk een afstand, dat zij de ouden niet kunnen zien of hooren. De rammen trekken, indien er nog ouden over zijn of nieuwe worden aangefokt, langs andere wegen voort. Zijn alle dieren vertrokken, dan breken de vrouwen de Joerte af, beladen daarmede, alsook met het weinig huisraad de kameelen of trekossen, stijgen met de kinderen te paard, rijden langzaam het melkvee na, halen dit tegen den middag reeds in, melken, en trekken met de verzamelde, in lederen zakken bewaarde melk verder, om vóór zonsondergang de Joerte weêr op te bouwen. Zoo gaat het dag in dag uit. Brengt het voorjaar nieuw groen, dan verwijlt men eerst eenige dagen, daarna vele weken achtereen op dezelfde plaats, tot ook hier het gras begint te ontbreken, en verder trekken noodzakelijk maakt.