Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 40

Chapter 403,801 wordsPublic domain

De graven bevinden zich steeds in de toendra, op hooge plaatsen, gewoonlijk op den rug van lange heuvelrijen; zij bestaan uit min of meer kunstig saamgevoegde bakken of laden, die boven op den grond worden geplaatst. Heeft men geen stevige planken, dan zaagt men een boot in stukken en legt daarin het lijk; alleen zeer arme lieden delven een ondiep graf en begraven daarin hunne dooden.

Het lijk wordt niet gewasschen, maar in feestgewaad gestoken; het haar wordt gekamd en het aangezicht met een doek bedekt. De overige kleederen worden den armen geschonken. Een vreemde doode wordt niet met de handen aangeraakt, een beminde bloedverwant wel, ja dezen kust men zelfs met tranen in de oogen het aangezicht.

Op eene slede, of in eene boot, onder geleide van alle bloedverwanten en vrienden wordt de doode naar zijn laatste rustplaats vervoerd. Een rendierhuid wordt in den bak of het graf uitgespreid, om hierop den doode te leggen, wien men tabak, pijpen, en allerlei zaken, die hij in ’t leven gebruikte, medegeeft. Daarna schuift men touwen onder het lijk, legt het op het leger, spreidt een tweeden doek over het aangezicht, en sluit den bak met een stuk berkenschors, terwijl over de rijken nog vooraf kostbare huiden en katoenen stoffen worden uitgespreid. Daarna legt men nog over de berkenschors het eigenlijke deksel der kist of althans eenige zware, nauw aaneensluitende boomstammen, en hierop, en om en onder den bak verder al die gereedschappen, voor welke daarbinnen geen ruimte was. Vooraf echter heeft men ze stuk geslagen of op andere wijze onbruikbaar gemaakt, of gelijk de Ostjaken meenen, tot eene schaduw van datgene, wat zij eens waren.

Middelerwijl heeft men in de nabijheid der grafplaats een vuur ontstoken, een of meer rendieren geslacht, welker vleesch nu door de begravers, rauw zoowel als gekookt, gegeten wordt. Na het lijkmaal steekt men de schedels der gedoode rendieren op puntige palen, omwikkelt deze of de nabijstaande boomen met het rendiertuig, hangt de belletjes, die gelijk bij andere feestelijke gelegenheden ook nu gebruikt zijn, aan de bovenste jukken van de lijkkist zelf op, slaat eindelijk de slede stuk, gooit deze in de nabijheid van het graf om en daarmede is de laatste plechtigheid verricht en de laatste versiering aangebracht. Men trekt huiswaarts, de klaagtonen verstommen, het leven eischt wederom zijn dagelijksche rechten.

In de schaduw van den nacht echter begint de schaduw van den afgestorvene, uitgedost met de tot schaduwen geworden werktuigen, haar geheimzinnig schaduwleven. Wat zij gedaan heeft, toen zij nog onder de levenden verkeerde, doet zij nog. Onzichtbaar voor de menschen, weidt deze schaduw haar rendieren, of stuurt hare boot door het water, gespt zich de sneeuwschoenen onder de voeten, spant den boog, stelt het net, doodt de schaduwen van gestorven dieren, vangt de schaduwen van gestorven visschen. In de schaduw van den nacht treedt zij de Tschoem binnen en brengt haar nagelatenen goed en kwaad. Het loon van den doode bestaat hierin, dat hij zijn eigen bloedverwanten weldaden bewijst, zijne straf daarin, dat hij hun kwalen op den hals haalt.

Deze zijn de hoofdwaarheden van het geloof der Ostjaken, een volk, dat door de rechtgeloovige Christenen als heidenen wordt beschouwd en veracht. Eene billijke waardeering van een eerlijk menschenhart met een kinderlijk gemoed zou evenwel den wensch bij ons doen opkomen: och mochten zij altijd heidenen, altijd blijven, wat zij nu zijn!

XIV.

DE NOMADEN EN KUDDEN DER STEPPE.

Hoe rijk de Middel-Aziatische steppe ook zijn moge, hoe afwisselend zij vooral zich voordoet aan hem, die haar in het voorjaar bezoekt, hoeveel vruchtbare landen zij ook moge insluiten,—zetelvastheid, wonen en hangen op een en dezelfde plaats veroorlooft zij slechts op enkele, meer dan elders begunstigde gedeelten. Trekken en reizen, komen en gaan, verschijnen en verdwijnen verlangt zij van al hare kinderen, van den mensch zoowel als van de dieren, die in haar wonen en leven. Sommige gedeelten moge de landman zich ondergeschikt maken, op enkele plaatsen moge men steden en dorpen grondvesten, het grootste gedeelte der steppe zal wel altijd verblijven aan den rondzwervenden herder, die geleerd heeft zich te plooien naar alle omstandigheden.

Onder de Nomaden der steppe bekleeden de Kirgiezen de eerste plaats, zoowel wat hun aantal als hunne volkseigenaardigheden betreft. Hun gebied strekt zich uit van de Don en Wolga tot aan het Thian-Schangebergte en van den middelloop der Irtysch tot de zuidelijke streken van het Balkaschmeer, ja bijkans tot Chiwa en Boechara; dit volk is verdeeld in horden en stammen, in steppenherders en bergherders, maar deze allen zijn één in afstamming, taal, geloof, zeden en gebruiken, niettegenstaande het verschil, dat de afzonderlijke stammen schijnt te kenmerken. In de Orenburger steppe weidt en zwerft de kleinste of jongste horde, in de steppen tusschen de Wolga en de rivier de Oeral, dus in de gouvernementen Toergai en Oeral, een daarvan afgescheiden tak, die zich de Boekaische horde noemt; in de steppen en gebergten van het gebied van de Irtysch en het Balkaschmeer huist en trekt de middelste of oudere horde, aan gene zijde van de Illi eindelijk, tot in de nabijheid van Boechara en Chiwa moet men de wisselende woonsteden der Berg-Kirgiezen zoeken, die zich de groote of oudste horde noemt. Kirgies noemt zich overigens geen enkele tak van het geheele volk; die naam is een scheldnaam, die zooveel als „roover” beteekent; de eigenlijke naam dier volken is Kaisak of Kasak, wij zouden zeggen „Kozak”, ofschoon zelfs de Russen onder Kozakken tegenwoordig geheel andere menschen begrijpen dan onze steppenbewoners.

De Kirgiezen, gelijk ik ze wil blijven noemen, behooren tot een der Turksche stammen, eene volkerengroep, over wier plaats in de rij der menschenrassen men verschillend oordeelt. Vele, zoo niet de meeste reizigers, verklaren de Kirgiezen voor echte Mongolen, terwijl anderen, en zeker met meer recht, hen beschouwen als van gemengd ras te zijn, dat wel is waar in sommige opzichten aan de Mongolen herinnert, maar over ’t geheel meer overeenkomst bezit met de Indogermanen en nog de meeste gelijkenis vertoont met de Turkomenen. De Kirgiezen, die ik gezien heb, allen behoorende tot de middelste horde, zijn middelmatig groot van gestalte, soms vrij klein, goed gevormd, met wel is waar niet schoone gelaatstrekken, maar toch ook niet met het karakteristieke, Mongoolsche apengezicht; zij hebben fraaie handen en voeten, eene lichte, of doorschijnend lichtbruine, naar ’t geel trekkende huidkleur, bruine oogen en zwarte haren. De jukbeenderen zijn zelden zoo vooruitstekend, de kin is zelden zoo smal, dat het aangezicht hoekig wordt of een katachtig uiterlijk verkrijgt. Het middelmatig groote oog is gewoonlijk in het midden het meest gewelfd en aan den buiten ooghoek horizontaal uitgerekt, dus wel amandelvormig, maar niet schuins gespleten; de neus is recht, zelden gebogen, de mond van middelmatige grootte en meestal scherp besneden, de baard dun, maar niet zwak. Echt Mongoolsche gezichten worden voorzeker ook aangetroffen, en zulks voornamelijk bij de vrouwen en de kinderen van arme lieden; maar, evenmin als ik veel werkelijk schoone Kirgiesische vrouwen heb aangetroffen, zag ik er zulke apentronies als onder de echte Mongolen. In elk geval, de stempel van een gemengden stam is scherper op de Kirgiezen afgedrukt dan die van een scherp bepaald, zelfstandig ras. Ik heb mannen gezien, die men zonder voorbehoud tot de Indo-Germanen zou hebben gerekend, indien men niets naders omtrent hen wist, en ik heb daarentegen weer anderen ontmoet, aan wie ik met geen mogelijkheid iets Mongoolsch kon ontdekken. De leden van oude geslachten zijn doorgaans personen, die alle wezenlijke kenmerken der Indo-Germanen bezitten, die van lagere her- en afkomst herinneren min of meer, soms geheel aan Mongolen. De macht van den Islam, die aan den tot de heilsleer bekeerden slaaf de rechten van den stam toekent, zal in den loop der tijden uit vele heidensche Mongolen Kirgiezen hebben gemaakt, en op het raskenmerk der laatsten grooten invloed uitgeoefend.

Ofschoon in hoofdtrekken Turksch, is de kleeding der Kirgiezen toch niet zeer geschikt om hun lichaamsbouw voordeelig te doen uitkomen. In den winter vooral verbergen pelsmutsen, pelsjassen en hooge laarzen alle afzonderlijke lichaamsdeelen, en zelfs in den zomer is dit nog min of meer het geval. De arme Kirgies draagt behalve zijn pelsjas en de onontbeerlijke pelsmuts alleen nog maar een hemd, een kaftan en wijde broek; de rijke daarentegen, evenals de Oosterling, een aantal kleedingstukken over elkander; beiden evenwel steken alle, het benedenlichaam omhullende gewaden, den pelsmantel alleen uitgezonderd, in wijde broekspijpen, ten einde in ’t rijden niet belemmerd te worden, maar juist daarom ziet een Kirgies er dan ook des te bespottelijker uit, naarmate hij voornamer en dus rijker gekleed is. Donkere kleuren zijn meer gezocht dan lichte, ofschoon men deze daarom nog niet geheel versmaadt; is men in een bont gewaad gestoken, dan overlaadt men dit met borduursels en tressen. Alle Kirgiezen dragen in den gordel een sierlijk, met ijzer- of zilverwerk afgezet taschje en een insgelijks prachtig mes; behalve den onmisbaren zegelring echter verder geen andere versierselen, tenzij een door den keizer geschonken gedenkpenning.

Over de kleeding der vrouwen kan ik weinig mededeelen, vooreerst omdat de bescheidenheid mij verbood naar meer te vragen dan uiterlijk zichtbaar was, en in de tweede plaats, omdat ik de vrouwen der rijke en voorname Kirgiezen in ’t geheel niet, anderen slechts in feestgewaad te zien kreeg. Behalve een pelsmantel, laarzen en schoenen, geheel gelijk aan die der mannen, dragen de vrouwen broeken, die al mede weinig afwijken van hetzelfde kleedingstuk der mannen, verder een hemd en daarover als bovenkleed een soort van kiel, die tot beneden de knie reikt en om den middel dichtgeknoopt wordt; op het hoofd, òf een tulbandsgewijs gewonden doek, òf eene nonnenkap, die over het hoofd, den hals, de schouders en de borst afhangt.

De kleederen der mannen zoowel als die der vrouwen, worden, de sierlijke rijlaarzen en schoenen alleen uitgezonderd, vrij lomp bewerkt; in goede harmonie met de eischen des klimaats zijn de onmatig lange, ver over de handen vallende en deze bijna geheel bedekkende mouwen van het oppergewaad bij beide seksen.

Het trekkende leven der Kirgiezen, die onophoudelijk nieuwe weiden moeten opzoeken voor hunne talrijke, veel eischende kudden, maakt eene behuizing noodzakelijk, die gemakkelijk op de eene plaats kan worden afgebroken om even spoedig op eene andere te worden opgericht, en die bovendien voldoende beschutting verleent tegen de ruwheden des klimaats. Aan zoodanige vereischten beantwoordt de Joerte beter dan eenige andere nomadenwoning, en het is niet te veel gezegd, wanneer wij beweren, dat de Joerte de volmaaktste tent is die er bestaat. De ervaring van duizenden jaren heeft ze gemaakt tot hetgeen zij nu is; eene in hare soort onverbeterlijke woning voor den rondzwervenden herder, voor een reizend mensch in ’t algemeen. Licht van gewicht en gemakkelijk uit elkaar te nemen, waterdicht en warm, af te sluiten tegen den storm en tegen tocht, voor elken zonnestraal toegankelijk, behagelijk en geschikt, eenvoudig en toch zich leenende tot in- en uitwendige versiering, vereenigt de Joerte zooveel heerlijke eigenschappen in zich, dat men haar te meer leert waardeeren, naarmate men langer in haar vertoeft. Zij is samengesteld uit een uit elkaar te nemen en weder in elkaar te zetten, voor verwijding vatbaar traliewerk, waaruit de benedenste loodrecht oprijzende, cylindervormige wand bestaat, en een koepelring, die het bovengewelf vormt; uit daartusschen geplaatste sparren en eene in het eerste gedeelte aangebrachte deur, luchtige matten van Tschigras, groote doelmatig gesneden en op zeer zinrijke wijze aangebrachte vilten platen, die met de matten de buitenbekleeding uitmaken, terwijl de bodem belegd wordt met vilten tapijten. Zij wordt, met uitzondering alleen van de ineengelaschte deurpaneelen en de aan het boveneind in gaten van den koepelring gestoken sparren, enkel bijeengehouden door touwen en strikken; zulks maakt, dat de tent in een aantal stukken kan worden uiteengenomen, terwijl de cirkelvormige dwars-doorsnede en de koepelvormige lengte-doorsnede haar in staat stellen den hevigsten storm het hoofd te bieden. In weinig meer dan een half uur heeft men haar opgebouwd, in nog minder tijd breekt men haar af, en niet meer dan één kameel wordt er vereischt om haar te vervoeren. Het bouwen evenwel en versieren eischt veel tijd, tevens veel bekwaamheid van de zijde der huisvrouw, aan wie grootendeels de taak der vervaardiging is opgedragen, en tevens uitsluitend het werk der oprichting is toevertrouwd.

De Joerte vormt een belangrijk gedeelte van de bewegelijke bezitting van den Kirgies. Rijke lieden hebben er van zes tot acht, maar zij besteden liever meer geld voor de versiering eener enkele tent dan voor den bouw van vele Joerten, omdat de te betalen belasting wordt berekend naar ’t aantal hunner Joerten en niet naar de sterkte van hun veestapel. De voorname man pronkt wel is waar ook met zijne Joerte, die hij zoo rijk mogelijk inricht, uit het kostbaarste vilt bouwt, en uit- en inwendig met allerlei sieraden uit bonte stoffen laat behangen, maar meer prijs nog stelt hij op kostbare tapijten, en zijden, kunstig genaaide en gestikte dekens, waarmede hij op feesttijden het inwendige van zijne woning opsiert. Zulke tapijten gaan door erfenis over van den vader op den zoon en worden op evenveel prijs gesteld als metallisch zilver.

Toch beoordeelt men het fortuin onzer trekkende herders niet naar deze bijkomende zaken, maar eenig en alleen naar hunne kudden. Ook de armste Joertenbaas moet, om in ’t algemeen den strijd om het bestaan te kunnen voeren, eene talrijke kudde bezitten; het vee, dat hij weidt, is zijn levensvoorwaarde, alleen zijn huisdieren beschermen hem tegen de ellende. De kudden der rijkeren tellen bij duizenden en nog eens duizenden individuen, de armen bezitten er slechts honderden. Maar ook de rijkste man kan arm worden, wanneer besmettelijke ziekten in zijne kudde uitbreken, en de arme kan verhongeren, wanneer gelijk lot dezen treft. Zulke ziekten kunnen zoodanigen omvang erlangen, dat de welvaart van geheele stammen vernietigd wordt, dat duizenden menschen een prooi worden van den hongerdood. Geen wonder dus, dat alle gedachten en handelingen der Kirgiezen betrekking hebben op het vee, dat zijn zeden en gewoonten daarmede in harmonie zijn, m.a.w. de mensch is afhankelijk van zijn vee.

Niet het nuttigste, maar wel het edelste en meest gewaardeerde huisdier der Kirgiezen is bij hen het paard.

Dit dier stelt in de oogen zijns bezitters het inbegrip voor van alle schoonheid en is de maatstaf, naar welken gerekend, rijkdom en armoede bepaald worden. Het paard is het dier bij uitnemendheid, en in plaats van het woord paard te gebruiken, spreekt de Kirgies alleen van „huisdier.” In plaats van links en rechts bezigt hij de uitdrukking „de zijde, waar men op het paard stijgt” en „de zijde, waar men den knoet draagt.” Het paard is de trots des jongelings en van de jonge dochter, van den man en den grijsaard, van de vrouw en het oude moedertje; men prijst of smaalt den ruiter zelf, wanneer men zijn paard prijst of smaalt: de slag, dien men een paard geeft, dat men zelf niet berijdt, geldt niet het paard, maar zijn eigenaar.

Een groot gedeelte van de liederen en gezangen der Kirgiezen heeft betrekking op het paard; zij vergelijken bij dit dier den mensch; diens waardij, diens schoonheid bij het paard:

„Bruid, o Bruid, gij lief bruidje, Gij veulen der donkere merrie”

zoo roept de dichter de bruid toe, wanneer zij naar de Joerte des bruidegoms wordt geleid:

„Zegt, waar is het spel der witte vlokken, Het spel van het schaken der veulens? Al is de schoonvader mij zeer genegen, Zooals mijn vader is, zoo is niet hij.”

Zoo antwoordt de bruid den jongelingen, die haar het „Dschar-Dschar” het troostlied der „scheidende maagd” toezingen met de woorden „spel van het schaken der veulens” den tijd harer eerste liefde gedenkend.

In paardenkoppen wordt de rijkdom der voornamen uitgedrukt; in paardenprijs berekent en betaalt men den bruidsschat; op honderd merries bepaalt men de waarde eener maagd, die het loon zal zijn van een wedren. Men geeft elkander paarden ten geschenke; met paarden betaalt men moord en doodslag, gebroken ledematen of een uitgeslagen oog, misdrijf en misdaad; honderd paarden lossen den moordenaar van een man, vijftig dien eener vrouw, dertig dien van een kind. In paarden betaalt men de boeten, die opgelegd worden wegens beschadiging aan lijf en bezitting van den stamgenoot, om een paard verlaagt zich zelfs de aanzienlijke tot een dief. Het paard draagt den minnaar naar zijne geliefde, den held naar het gevecht, het zadel en de kleeren van een gestorvene van de eene legerplaats naar de andere; het paard draagt den man en de vrouw, den grijsaard en het in den zadel vastgebonden kind, of den jeugdigen ruiter, die voor het eerst vrij in het zadel zit, van de eene Joerte naar de andere. Naar den prijs der paarden meet de eigenaar de waarde zijner kudde; zonder paard is de Kirgies, wat bij ons een man zonder dak is, zonder paard veracht hij zich zelf als de armste onder de zon.

De Kirgies heeft den levensaard en de levenswijze van het paard tot in de kleinste bijzonderheden uitgevorscht; hij kent de zeden en gewoonten van dit dier, diens deugden en gebreken, weet wat goed voor hem is en wat hen schaadt, eischt er nu en dan het ongelooflijke van, maar nimmer buiten noodzaak, behandelt het wel is waar niet met de teederheid van een Arabier, maar ook nooit met de ongevoeligheid van andere volken. Van eene oordeelkundige fokkerij van dit edele dier, gelijk deze bij de Arabieren en Perzen, ook bij sommige Europeesche volken, zooals o.a. de Engelschen, gedreven wordt, is bij de Kirgiezen geen sprake; toch zorgen ook zij voortdurend voor eene veredeling der bij hen gezochte rassen, want steeds worden de beste hengsten voor de merries behouden en de andere gecastreerd. Te betreuren is het, dat hij ten aanzien der hengsten enkel let op de gedaante, niet op de kleur, zoodat men een groot aantal leelijk geteekende nakomelingen verkrijgt. De africhting laat ook veel te wenschen over; onze herder toch is veel te rijk aan paarden om daarop bijzonder te letten.

Ook in onze oogen is het paard der Kirgiezen een lief, aanvallig schepsel, ofschoon het geenszins in alle opzichten aan onze begrippen van schoonheid beantwoordt. Het is niet meer dan middelmatig groot, slank gebouwd. De kop is wel niet onfraai, maar toch wat te groot, sterk ramsneuzig en door de uitstekende onderkaakstakken tamelijk dik. De hals is van middelmatige lengte en krachtig, de romp lang, de pooten zijn dun, het haar is zacht. Het heeft groote, vurige oogen, eer groote dan kleine, maar goed gevormde ooren. Manen en staart zijn fijn- en langharig, daarbij vrij dicht, de staartharen zelfs zoo weelderig ontwikkeld, dat zij langs den grond slepen; de pooten zijn goed gebouwd, wellicht iets te schraal, de hoeven meestal steil, en ook wat te hoog. Lichte kleuren ziet men het veelvuldigst, terwijl vele soms zeer leelijke vlekken het oog beleedigen.

Het meest ziet men bruine, lichtbruine, vossen, vale en Izabel, zelden donkerbruine of moorpaarden, nog minder vaak schimmels. Manen en staart staan alle licht gekleurde paarden daarom zoo bijzonder goed, omdat deze lichaamsdeelen òf zwart òf veel lichter van tint zijn dan het haar op de overige deelen des lichaams.

Het karakter van dit dier is allen lof waard. Het is vurig en toch zachtzinnig, moedig tegenover alle gevaren, waarmeê het vertrouwd is, en alleen dan angstig en schuw, wanneer iets ongewoons het voor een oogenblik in verwarring brengt; het is eerzuchtig en vol levenslust, maar even volgzaam als gehoorzaam, gewillig, werklievend en taai; toch is het hoofdzakelijk rijdier en eerst na langdurige oefening is het ook als trekdier te gebruiken, maar uitstekend als zoodanig wordt het nooit. Onaangenaam trof mij de slechte gewoonte van dit paard, die echter meer te wijten is aan zijn meesters dan aan het dier zelf, van altijd onderweg te willen eten, althans te snuffelen en te snoepen, zelfs in de moeilijkste omstandigheden, zooals bij het doorwaden van steenachtige, sterk stroomende bergbeekjes, en bij het bestijgen van steile rotsen. Licht te bevredigen is het evenmin als elk ander aan eene vrije weide gewoon steppendier; in den omgang met zijns gelijken, zoolang de almachtige liefde niet in het spel komt, even verdraagzaam als tegenover zijn meester gehoorzaam en onderdanig.

Arme Kirgiezen bezitten slechts zooveel paarden als voor de rijbehoeften der familieleden en voor den aanfok noodig zijn; rijke en voorname steppenbewoners daarentegen vier-, vijf-, ja, zooals men mij van verschillende kanten verzekerde, zelfs van tien- tot twaalfduizend, die in afzonderlijke troepen en op afzonderlijke plaatsen weiden, en, wat zeer natuurlijk is, beter gedijen dan die der armen. Elke troep bestaat uit ten minste vijftien, ten hoogste uit honderd koppen, in ’t laatste geval uit een volwassen hengst, negen moedermerries, even zooveel jonge veulens, acht tweejarige, zes tot acht driejarige en vijf tot zes vierjarige veulens, benevens eenige oudere dieren of „wallachen.” De hengst is onbepaald alleenheerscher en gebieder, aanvoerder, leider en beschermer van den troep; hij laat zich door den wolf geen veulen ontrooven, maar valt den laffen roover moedig aan en velt dien, als hij zich wil verdedigen met de voorpooten ter aarde; hij duldt geen medeminnaars en verdrijft daarom onverbiddelijk alle manbaar wordende hengsten uit zijn troep; hij verjaagt bovendien, zoodra hij de heerschappij heeft aanvaard, zijn eigen moeder en later zijn eigen dochters. Die trotsche overmoed noopt den herder tot de grootste waakzaamheid, vooral als de bronsttijd aanbreekt, en hij de verdreven, naar andere sultans zoekende merries en de weggejaagde, naar eigen zelfstandigheid strevende hengsten niet wil verliezen. Niet voor het vijfde jaar neemt de jonge merrie den hengst aan; in het volgende voorjaar, gewoonlijk in Maart, brengt zij haar eerste veulen ter wereld. Ook nu scheidt men haar nog niet van den troep, maar brengt haar, liefst niet voor Mei, met haar veulen in de nabijheid der Joerte, om haar nu vier maanden aaneen te melken, om uit de opbrengst den beroemden koemys of melkwijn te winnen. In den herfst voert men moeder en kind naar den troep terug. Beiden worden gewillig opgenomen en genieten de teruggeschonken vrijheid met volle teugen.

Het nuttigste en daarom ook belangrijkste huisdier onzer Nomaden is het schaap, een zeer groot, goed gebouwd, alleen door den vetbult op den achterrug soms zeer ontsierd schepsel. Het stevige lichaam rust op hooge, krachtige pooten; de kop is klein, de neus smal en op die eens rams gelijkend, de ooren zijn hangend of recht overeindstaand, de hoorns zwak, het vel is hard, maar dicht, de uier is sterk ontwikkeld, de vetstaart dikwijls in die mate, dat het dier dit lichaamsdeel niet meer vermag te dragen, maar met ingezakte achterpooten op den grond na zich zou moeten slepen, indien de herder den armen lastdrager niet te hulp kwam, door onder den staart een klein tweewielig wagentje aan te brengen en daarin dit werktuig te leggen. Bij kruising van Kirgiesische rammen met vetstaartlooze schapen verkrijgen de nakomelingen in het tweede of derde geslacht dit vreemdsoortig aanhangsel weêr terug, terwijl omgekeerd bij de kruising van rammen zonder vetstaart met vetstaartige schapen genoemd lichaamsdeel verdwijnt.