Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 37
Ernstig, zeer ernstig gestemd, bedreigd door het steeds sterker gevoelde gebrek trokken wij verder, wederom in de richting der Schtschoetschja. Sanda voedde op schrale wijze onze manschappen, ons jachtbedrijf onderhield even armoedig ons zelf. Toen het ons gelukte op zekeren voormiddag een geheele familie ganzen buit te maken, bovendien nog hoenders, snippen en plevieren te schieten, vierden wij feest; nu toch konden we eten zonder karig te zijn. Het was echter hoofdzakelijk te danken aan onzen waard, dat wij het er goed af brachten.
De Schtschoetschja werd bereikt, wij kwamen, bijna van alles ontbloot, terug bij onze boot, en sedert veertien dagen baadden wij ons voor de eerste maal weder in een wel is waar zeer beperkt, maar voor ons toch onuitsprekelijk genot. Van de toendra namen wij voor altijd afscheid.
Een Schaman, wel is waar, dien wij verder de Ob op met visschen bezig vonden, en wien wij verzochten ons een bewijs te geven van zijn kunst en wijsheid, kondigde ons—na door middel van het dof geluid zijner trom JAMAUL, den met hem bevrienden bode der goden te hebben opgeroepen—als eene boodschap des hemels aan, dat wij reeds in het volgende jaar naar het onherbergzame, zooeven door ons verlaten land weder terug zouden keeren, maar dat wij ons alsdan derwaarts zouden wenden, alwaar de Schtschoetschja, Bodarata en Ussa haren loop beginnen. Want twee keizers zouden ons beloonen, onze „oudsten” zouden over onze geschriften tevreden zijn en ons opnieuw uitzenden. Op deze reis evenwel zou geen enkel ongeluk ons meer bejegenen. Zoo had de bode der goden, alleen voor hem verstaanbaar, gesproken.
Het laatste gedeelte der voorspelling is uitgekomen. Langzaam, wel is waar, maar zonder ongevallen of stoornissen voeren wij drie en twintig dagen lang de Ob naar boven, drie dagen op een na lang wachten gelukkig bereikt stoomschip de golven van de Irtysch te gemoet. Zonder ongelukken, ofschoon niet zonder hindernissen, trokken wij het Oeral-gebergte over; snel gleden wij in een uitstekende stoomboot de Kama af; langzamer droeg het schip ons de Wolga op. In Nischni-Nowgorod, in Moskou, in Petersburg werden wij even vriendelijk ontvangen als de eerste maal, in het vaderland met vreugde verwelkomd. Onze „oudsten” schijnen ook met onze geschriften tevreden te zijn:—naar de Toendra keeren wij, keer ik ten minste nimmer weder terug.
XIII.
DE HEIDENSCHE OSTJAKEN.
Gemakkelijk en zonder inspanning is thans nog de strijd om het bestaan, dien de mensch in Siberië heeft te strijden, en hij zal zulks ook nog wel eeuwen blijven; gemakkelijk vooral in de zoo rijk door de natuur gezegende velden van het zuiden, maar ook evenmin hard en zwaar in die oorden, welke wij gewoon zijn te beschouwen als eene ijswoestijn, als eene ongastvrije wildernis, en die wij zelfs nog als zoodanig meenen te moeten kenmerken, wanneer wij die streken gedwongen doorreizen. Wel is het klimaat in het hooge noorden van West-Siberië ruw en streng; wel weigert hier de grond, die op geringe diepte onder het oppervlak het geheele jaar door bevroren is, iets tot voeding op te leveren, de zon het brood verstrekkende koorn tot rijpheid te brengen, maar ook hier schudde de milde natuur haar hoorn des overvloeds uit, en wat het land niet schonk, dat gaf het water. In onze oogen moge de daar reeds eeuwen verblijvende mensch arm en ellendig schijnen, in werkelijkheid is hij zulks niet. Ook hij kan er in zijn behoeften voorzien, ook hij omringt zich met gemakken en genietingen, die hem bevrediging schenken, en werpt zijn woonplaats meer af dan hij noodig heeft. Wel strijdt ook hij met meer of minder bewustzijn om een „menschwaardig bestaan,” maar geenszins met wrok in het hart tegenover de meer bevoorrechten, want hij is zelf meer bevoorrecht dan wij meenen, omdat hij bescheidener, meer voldaan, meer tevreden is dan wij zijn, en omdat hij datgene, wat wij hartstocht noemen, streng genomen, niet kent, omdat hij de vreugde, die voor hem opbloeit, met kinderlijke tevredenheid aanneemt, en het lijden, dat hem bezoekt, draagt met een wel diep gevoelde smart, maar het ook spoedig weêr vergeet evenals een kind.
Ook aan zijn leger treedt de zwarte zorg; hij wijst deze evenwel terug zoodra ook maar de minste schemering van vreugde weder doorblinkt, en hij is de rampspoed geheel vergeten, zoodra het zonnetje des geluks hem weêr vriendelijk toelacht. Ook hij prijst den rijkdom en klaagt over de armoede, maar hij vertwijfelt niet, wanneer de eerste hem begeeft, en hij verliest zijn verstand niet, wanneer de laatste in welvaart verkeert. Ofschoon volwassen, is hij een kind in al zijn denken, gevoelen, laten en handelen; hij is gelukkiger dan wij.
De Ostjak, met wien wij aan de beneden-Ob hoofdzakelijk hebben verkeerd, met wien wij het meest in aanraking kwamen, en dien wij het best hebben leeren kennen, behoort tot den Finschen stam; hij deelt met een andere loot van dien tak, den Samojeed, hetzelfde geloof, met bijna alle Finnen in engeren zin, dus ook met de Lappen, nagenoeg gelijke zeden en gewoonten, dezelfde levenswijze; hij is rendierherder en visscher, jager en vogelvanger, evenals ook de Samojeed en Lap zulks zijn. Afgezien van het godsdienstig geloof, misschien ook van de taal, gelijkt hij echter meer op dezen dan op genen; want hij is zoowel gezeten kolonist als nomaad, terwijl de Samojeed, zelfs wanneer deze zich met de vischvangst bezighoudt, althans in het door ons bereisde gedeelte van Siberië, slechts zeer zelden zijn verplaatsbare hut met een vast blokhuis verruilt.
Het kan zijn, dat de stam der Ostjaken vroeger talrijker was dan thans; een eigenlijk gezegd volk, naar onze begrippen, zijn zij nooit geweest. In sommige streken van het door hen bezeten of bereisd gebied zou het aantal inwoners bestendig af- in andere deelen daarentegen eenigszins toenemen; van veel belang is evenwel noch het een noch het ander. Men rekent hoog, wanneer men het totaal aantal zielen op vijftig duizend schat; in het geheele, groote ambtsgebied van Obdorsk, dat zich van den 65n graad Noorder-Breedte tot aan het noordelijk uiteinde van het Samojeden-schiereiland, en van den Oeral tot aan den bovenloop der Chasz uitstrekt, leven, naar luid van ons verstrekte, officieele opgaven, tegenwoordig niet meer dan 5382 mannelijke Ostjaken, waaronder niet meer dan 1376 werkkrachten, of wat op hetzelfde neêrkomt, schatplichtige mannen. Nemen wij aan, dat het aantal vrouwen en meisjes even groot is, dan bedraagt het geheele aantal nog geen 11000 zielen, en het bovengenoemde cijfer is misschien daarom nog eer te hoog dan te laag genomen, al moge men ook aannemen, dat het woongebied onzer lieden aan de Ob zich tot in de streek van Soergoet, aan de Irtysch tot in de nabijheid van Tobolsk uitstrekt. Alle aan de Irtysch, alsmede aan den boven- en middelloop der Ob verblijf houdende Ostjaken bewonen vaste, zeer eenvoudige, op die der Russen gelijkende blokhuizen, en slechts hier en daar, altijd zeer spaarzaam, treft men tusschen deze, reeds een hoogeren beschavingstoestand aanduidende vaste woningen, ook nog wel eens eene enkele tent van berkenbast aan, „Tschoem” geheeten, terwijl deze aan den benedenloop der Ob, inzonderheid tusschen Obdorsk en den mond des strooms bijna uitsluitend voorkomt; gelijk vanzelf spreekt maken deze Tschoems de eenige woningen der nomadisch levende Ostjaken uit. Zoo niet volkomen, toch bijna daarmede in harmonie is het feit, dat die Ostjaken, welke in dorpen wonen, leden zijn der orthodoxe kerk, althans door den doop daartoe behooren, terwijl die, welke nog in Tschoems huizen, hun overoud, geenszins van poëzie ontbloot en nog minder onzedelijk, maar door de Russische priesters en dier trouwe volgelingen als een blind heidendom betiteld geloof zijn getrouw gebleven; zij belijden echter dit geloof met meer innigheid en overtuiging dan de anderen hun zoogenaamd Christendom, welk laatste, onbevooroordeeld opgevat, en zooals het zich in werkelijkheid voordoet, veeleer een onzinnige afgodendienst kan genoemd worden dan eene veredelde plaatsvervangster van het oude, uit een kinderlijk gemoed opgeweld en op kinderlijke wijze zich uitend geloof. Met het in bezit nemen van blokhuizen en de aanneming des Christendoms ging hand aan hand gepaard, dat de Ostjaken van de middel- en beneden-Ob en beneden-Irtysch niet alleen in zekere mate hun kleeding met die van den Russischen visscher hebben verwisseld, maar ook diens zeden en gewoonten gedeeltelijk hebben overgenomen. In gelijke mate hebben zij van de hunne verloren, ten deele ook de zuiverheid van hun stam daarbij ingeboet, en eigenlijk niets meer behouden dan de niet te vervreemden kenmerken, de taal en de daardoor bewaarde eigenaardigheden, evenals misschien ook nog de handigheid, levendigheid en—zorgelooze goedhartigheid, die den ganschen stam kenmerkt. Maar in geen geval mag men nu ook gaan denken, dat met die meerdere beschaving ook de zedelijkheid, met het Christendom de reinheid des gemoeds is vermeerderd; in elk geval bevredigt het meer de heidensche Ostjaken te leeren kennen en met een nog oorspronkelijk volk in aanraking te komen, dan zich op te houden bij zulk een gedeelte, dat nog slechts een schaduw kan zijn van hetgeen het voormaals was en wat de eerstgenoemden nu nog zijn. Ik bepaal mij alzoo in mijne mededeelingen tot die Ostjaken, welke nog heden ten dage geloovig opzien tot den god Ohrt, die nog heden ten dage in veelwijverij leven, wanneer hun vermogen zulks veroorlooft, die nog heden ten dage hun dooden op dezelfde wijze begraven, gelijk hun vaderen dit deden; mijne voorstelling toch kan er niets bij verliezen, wanneer ik die anderen uitsluit, in eenheid daarentegen slechts winnen, wanneer ik mij uitsluitend tot de heidensche Ostjaken bepaal.
Van bijzondere stamskenmerken kan men hier moeielijk spreken, nog moeielijker is het deze te beschrijven. Ik heb herhaaldelijk getracht zulks te doen, maar steeds bevonden, dat het ondoenlijk is een gezicht in woorden af te beelden, of volledig de voor het oog waarneembare raskenmerken door middel der pen uit te drukken. Onze luidjes verschillen ten opzichte van gelaatsvorm, huidkleur, haar en oogen ten zeerste van elkander; men kan hun soms niet eens aanzien, dat zij Mongolen zijn, en wanneer men werkelijk eens meent dat men duidelijke en bepaalde trekken heeft kunnen opmerken, dan leeren een aantal andere individuen ons wederom, dat die trekken verre van algemeen zijn. Als ik alles wil samenvatten, wat ik van de door ons waargenomen Ostjaken heb kunnen afzien en opteekenen, dan blijkt daaruit het volgende:
De Ostjaken zijn van middelbare lengte, over ’t algemeen slank gebouwd, met vrij regelmatig gevormde handen, voeten en ledematen; de handen zijn eer groot dan klein te noemen, de kuiten zeer schraal; de vorm des aangezichts houdt het midden tusschen dien van andere Mongoolsche volken en de Noord-Amerikaansche Indianen; de bruine oogen toch zijn wel is waar klein, maar niet in ’t oogvallend sterk schuin geplaatst; de jukbeenderen steken niet bijzonder vooruit, terwijl het benedengedeelte des aangezichts zoo tegen de smalle en spitse kin is aangedrukt, dat het geheele gelaat een puntig voorkomen erlangt, daar ook de lippen scherp besneden zijn. Het gelaat krijgt door een en ander, vooral bij kinderen en vrouwen, iets katachtigs, alhoewel de neus in ’t algemeen weinig, bij velen bijna geheel niet afgeplat is. Het welige, sluike, maar niet stijve haar is meestal zwart of donkerbruin, zelden lichtbruin en nog zeldzamer blond, de baard dun, doch slechts ten gevolge van de gewoonte der jeugdige fatten, dezen, zoodra hij verschijnt, uit te trekken. De wenkbrauwen zijn zwaar, dikwijls geweldig zwaar. De huidkleur doet in blankheid voor die van een zich veel in de frissche lucht, in wind en weder bewegenden Europeaan, weinig onder en de geelachtige tint, die regel is, kan soms geheel ontbreken.
Wanneer het hier gezegde voor de meeste Ostjaken als geldend kan beschouwd worden, volgt daaruit toch nog niet, dat men bij eene nauwkeurige waarneming onzer luidjes in twijfel kan staan ten opzichte van het ras, waartoe zij behooren. Enkelen hunner doen zich reeds bij den eersten vluchtigen blik als Mongolen kennen. Zij zijn klein van gestalte, de bruine, levendige oogen staan schuin in het hoofd, en zijn lang gespleten, de jukbeenderen zijn dik, de stijve haren pikzwart en alle gewoonlijk ontbloote deelen des lichaams bepaald koperrood of lederbruin gekleurd.
Over de taal der Ostjaken kan ik niet oordeelen, maar wel kan ik zeggen, dat deze in twee, ook voor vreemde ooren duidelijk te onderscheiden dialekten vervalt; het eene dialekt wordt aan den middelloop der Ob gesproken en is zeer welluidend, ofschoon iets gerekt en zangerig, terwijl het tweede, dat aan den benedenloop der rivier gebruikelijk is, sneller wordt uitgesproken, alhoewel de afzonderlijke lettergrepen nog altijd duidelijk genoeg gehoord worden. De gewoonte der hier wonende Ostjaken, zich van de meer weeke Samojedentaal te bedienen, heeft op een en ander grooten invloed uitgeoefend.
Terwijl de Christelijke Ostjaken, gelijk ik reeds opmerkte, de kleederdracht der Russen naäpen en de vrouwen slechts hierin van die der Russische visschers onderscheiden zijn, dat zij haar kleedingstukken met bonte glasparels versieren, ook wel eens vreemdsoortige, op de stola van een Roomsch-Katholiek priester gelijkende, rijkelijk met parels opgetooide, in strikken gebonden linten dragen, gebruiken de heidensche Ostjaken uitsluitend rendiervellen—hertenvellen, gelijk de Russen zeggen; de huiden van andere dieren dienen soms tot bijzondere versiering der eerste. De kleeding bestaat uit een (tot over de knieën hangende) bij de mannen alleen op de borst, bij de vrouwen langs den geheelen voorkant gespleten en dan met leeren riemen vastgebonden, eng sluitenden pels met daaraan gehechte of althans daarbij behoorende monnikskap en aangenaaide handschoenen, een lederen broek, die tot onder de knie reikt en leeren kousen, die boven de knie bevestigd worden. De pels is bij de vrouwen van voren, langs de opening, met kleine, vierkante, kortbehaarde, bontgekleurde stukjes pels, van beneden met een breede strook van hondenvel omzoomd. Bij de mannen ontbreekt ook dit laatste tooisel niet. Een kap bevindt zich ook aan den pelsmantel der vrouwen. De leeren kousen der laatsten worden, als zij bijzonder mooi moeten zijn, vervaardigd uit met smaak aaneengenaaide repen der bonte huid, die de pooten der rendieren omgeeft, terwijl hieraan een lompe schoen wordt vastgenaaid, die met riemen verder om den voet wordt bevestigd. Eene breede, meestal met metalen knoopen bezette leeren gordel, waaraan het mes hangt, bindt den pels der mannen om het lijf vast; een bonte, met lange franjes versierde hoofddoek, die in den zomer de plaats der kap vervangt, valt over den pels der vrouwen naar beneden. Hemden kent men niet; daarentegen draagt de vrouw een gordel, dien wij niet kennen. Wil zij zich eens recht mooi maken, dan steekt de Ostjaksche dame zooveel eenvoudige koperen, soms zilveren ringen aan alle vingers, als zij er met mogelijkheid maar aan kan rijgen, zoodat de hand als het ware in een metalen pantser zit opgesloten; ook hangt zij zich eene meer of minder zware ketting van glasparels om den hals en zeer zware, uit glasparels, draadsnoeren, of metalen knoopen samengestelde kwastvormige versierselen in, of eigenlijk over de ooren. Het haar wordt in twee, tot op de kuiten neêrhangende vlechten gedeeld, welker einden met gedraaide wollen snoeren omwoeld worden. Hetzelfde doet ook de Ostjaksche saletjonker, een bewijs, dat alle gekken der aarde op elkander gelijken. De mannen dragen gemeenlijk het haar lang, maar los.
Eenvoudiger nog dan de wel is waar niet zeer schoone, maar voor winter en zomer beide vrij geschikte kleederdracht, en even doelmatig als deze, is de woning der Ostjaken, de „Tschoem”. Hieronder verstaat men eene verdraagbare, kegelvormige, met berkenschors omkleede hut, die zoowel den visschers als nomaden tot verblijf dient. Van twintig tot dertig dunne, glad gemaakte, van boven en beneden spits toeloopende, vier tot zes meter lange, in een cirkel opgestelde palen, vormen het geraamte; twee dier palen zijn dicht bij het boveneind aan elkander vastgeknoopt, de overige dienen tot steunpunten. Vijf à acht uit kleine, vooraf gekookte en daardoor week gemaakte stukken berkenschors gevormde platen, wier vorm in overeenstemming is gebracht met dien des kegels, maken het buitenbekleedsel uit, terwijl eene van de windzijde afgekeerde opening gesloten wordt met een plaat van gelijk materiaal; dit is de deur. De hut blijft van boven open om aan den rook vrijen doortocht te verleenen. Van de deur naar den tegenovergestelden wand der hut loopt een gang, in welks midden het vuur wordt aangelegd; hierboven zweven twee horizontale stokken, die aan de buitenpalen zijn vastgebonden, en welk toestel deels dient om er den kookketel aan op te hangen, deels om een en ander te drogen. Rechts en links van straks genoemden gang zijn planken of matten over den grond gelegd, over welke men zich beweegt, en die meteen de slaapsteden afpalen, wier hoofdeneind naar den wand is gekeerd. Uit carexstengels gevlochten matten, langharige, zachte rendierhuiden, en met rendierhaar of gedroogd watermos opgevulde kussens dienen tot bedden, pelzen tot dekens; eene muggentent, waaronder in den zomer de geheele familie kruipt, beschermt de slapenden oneindig beter tegen de gevleugelde kwelgeesten dan het aan den ingang van de Tschoem voortdurend brandende, met wilgenloof gevoede, smeulende vuur. Een kook-, thee- en drinkketel, schalen, lederen meelzakken, andere ter bewaring van het hard gebakken roggebrood, kleine, sluitbare kistjes, ter berging van de kostbaarste goederen, inzonderheid ook van het theeservies, een bijl, een boor, een leerschaaf, een komvormig naaikistje, bogen, buksen, sneeuwschoenen, alsmede verschillende jachtgereedschappen, voltooien het huisraad; in de plaats der heiligenbeelden, die in de hutten der Christelijke Ostjaken bijna nooit ontbreken, prijkt hier een afgodsbeeld.
Tegen de koude en stormen van den winter beveiligt men de Tschoem door er eene, uit afgedragen pelzen saamgenaaide deken van buiten over heen te spreiden, of, wat nog beter is, door een tweeden mantel van berkenschors.
Is de eigenaar der Tschoem een visscher, dan ziet men buiten de hut een droogtoestel voor de netten en droogstaken voor de visschen, zeer net bewerkte, ongemeen lichte en kunstige fuiken, een aantal bijzonder kleine booten, benevens nog ander vischgereedschap; is hij tevens jager, dan allerlei jagerstuig, b.v. stelbogen en automatisch werkende handbogen. Is de Tschoembaas een rendierherder, dan een aantal met zorg bewerkte sleden en daarbij behoorend tuig, alsmede eene ook voor hem onmisbare boot.
Iedere Ostjak is een kundig visscher, bijna iedereen tevens jager of vallensteller, maar niet ieder is een trekherder. Rendieren te bezitten beteekent zooveel als welgesteld te zijn, veel rendieren zijn eigendom te noemen is gelijkluidend met rijk zijn. Hij, die alleen van de vischvangst moet leven is arm. Paarden en runderen worden zeldzaam, dan nog alleen in zeer gering aantal gevonden, en zulks enkel in de nederzettingen aan den middenloop der rivier; ook houdt men eene enkele maal schapen, misschien wel soms eene kat; de ware huisdieren evenwel zijn het rendier en de hond. Zonder deze, in elk geval zonder het rendier, kan de welgestelde man, naar hij meent, niet leven; zij alleen verschaffen hem wat hij levensvreugde noemt. Even gelijk de Bedoeïn, de trekkende herder van Centraal-Afrika, zich verheven waant boven zijn stamgenoot, die het veld bebouwt, even gelijk de Kirgies minachtend neêrziet op hem, die de aarde bewerkt, zoo grijpt ook de rendierhouder, zelfs de rendierherder alleen dan naar net en angel, wanneer hij persoonlijk trek heeft in visch, terwijl de visscher niet enkel voor zich zelf, maar ook als knecht voor anderen het net uitwerpt en de fuik stelt. Naar het aantal rendieren berekent de Ostjak allen menschelijken rijkdom en zijn persoonlijk geluk. Daarom verliest hij niet alleen dien rijkdom en dat geluk, wanneer de worgende ziekte zijn kudde vernietigt, maar nog veel meer: aanzien en rang, zelfbewustzijn en vertrouwen, ja, het is niet te sterk uitgedrukt, wanneer men er bijvoegt, zijn geloof, zijn zeden, zijn gewoonten, zijn eigen persoonlijkheid. „Zoolang de ziekte nog niet onder onze kudden woedde”, zoo zei ons eens de bestuurder eener gemeente, Mamroe, de verstandigste Ostjak, dien wij ooit leerden kennen, „leefden wij blijmoedig, en wij waren rijk; sedert wij onophoudelijk door verliezen worden getroffen, worden wij allengs tot arme visschers; wij kunnen zonder rendieren niet bestaan, zonder hen niet leven.” Arme Ostjaken! In deze woorden ligt uw lot besloten. Reeds op dit oogenblik zijn de eens bij honderdduizenden te tellen rendieren tot vijftigduizend ingesmolten, en nog steeds woedt het miltvuur onder de geweidragende kudden voort. Wat zullen de gevolgen zijn? De Russische popen zullen meer Christenzieltjes winnen, de Russische visschers steeds meer knechten, maar Ostjaken zullen er slechts in naam meer bestaan,—en deze tijd ligt in geen zeer ver verschiet.
Het Noord-Aziatische rendier is een schepsel, dat veel afwijkt van zijn Laplandschen soortgenoot; het is niet alleen grooter en edeler, maar in den waren zin des woords een huisdier. Wij meenden het goed te kennen, want wij hadden het in Lapland gezien en met het nauwkeurig oog des natuurkenners gadegeslagen; maar in Siberië kwamen wij tot de overtuiging, dat wij nog geen juiste denkbeelden over dit merkwaardig dier hadden gewonnen. Ginds in Lapland hadden wij een hert leeren kennen, dat zich slechts met tegenzin boog onder het juk van den kleinen man, een hert, dat oogenschijnlijk elk oogenblik bedacht was op het herwinnen zijner vrijheid; hier in Siberië kwam ons een dier onder de oogen, dat volgzaam was en gewillig, den mensch genegen en zich aan dezen toevertrouwend. De Ostjak weet er dan ook voortreffelijk mede om te gaan. Hij behandelt het wel niet met die innigheid, waarmede hij den hond streelt, maar in geenendeele onvriendelijk, en slechts bij hooge uitzondering ruw en hard. In tegenstelling met de gewoonte der Lappen melkt hij het niet, maar gebruikt het veel meer voor de slede dan genoemde volken. Het moet hemzelf en zijn gezin, de Tschoem met alle toebehoor, en alle overige op de reis mede te nemen lasten, zoowel in den zomer als in den winter, van de eene plaats naar de andere brengen, terwijl de Lap slechts in den winter van het rendier als trekdier gebruik maakt. Van de geslachte rendieren gebruikt hij, evenals de Lap, alle deelen, met uitzondering alleen van maag en darmen. Het vleesch dient hem tot voedsel, van de beenderen en het gewei maakt hij verschillende voorwerpen, uit de pezen naaigaren, de huid en haren gebruikt hij zoo, of hij bereidt er leer uit; zelfs de tanden vinden eene nuttige toepassing. Met het rendier rijdt de Ostjak in zijn lichte slede, ’s winters en ’s zomers, van plaats tot plaats, naar de woning der bruid, naar zijn feesten, ter jacht, en naar de begrafenis zijner vrienden; het rendier vervoert zijn dooden naar de laatste rustplaats; het rendier wordt door hem geslacht en ter eere zijner gasten en dooden opgegeten; in de rendierhuid hult hij dezen en zich zelf. Zeer zeker, hij kan zonder het rendier niet bestaan, niet leven.