Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 36
Ik benutte den tijd van ons verblijf aldaar voor eene jacht op „oelaren”, eene soort van hoenders uit het hooggebergte, van den vorm van patrijzen, maar ter grootte van auerhoenders, en leerde daarbij niet alleen de woestheid van het Manrakgebergte, maar tevens ook het herdersleven der arme Kirgiezen van eene nieuwe zijde kennen, zoodat ik hoogst voldaan van mijn succesvol uitstapje terugkeerde.
In den namiddag van den 31 Mei beklommen wij wederom onzen reiswagen en rolden naar de zwarte Irtysch, om gebruik te maken van een rendez-vous, ons in het Altaï-gebergte aangeboden door Generaal Poltoratski. Door een rijk steppenland, over pikzwarten grond, later door droge hoogsteppen, ging de snelle vaart, tot wij de rivier bereikten, wier hooggezwollen golven ons den volgenden dag naar het Saisanmeer brachten. Hoe vervelend ons tot nog toe alle rivieren en stroomen van Siberië ook waren voorgekomen, de zwarte Irtysch was zulks niet; heerlijke vergezichten op twee reusachtige hooggebergten, den Saur en Altaï en de hiermede samenhangende ketens, verrukten ons oog; een frissche, groene oever, waaruit ons een vroolijk vogelengezang, een opgewekt vogelenleven tegenklonk en tegenblikte, streelde ons. Het fluks uitgeworpen net bracht een grooten voorraad van visschen uit de diepte te voorschijn, en bewees ons dat de stroom niet alleen schoon is, maar tevens schatten verbergt. Nadat wij den 2 Juni het vlakke, troebele, zeer vischrijke, maar slechts door zijn vergezichten schoone meer waren overgevaren, trokken wij op den daaraanvolgenden dag door het meest woeste gedeelte der steppe, dat wij tot nog toe hadden gezien, maar leerden juist hier de drie merkwaardigste dieren der steppe kennen, t.w. den koelan, een wild paard, de steppenantilope en het steppenhoen. Onze Kirgiezen vingen van het eerstgenoemde een veulen, terwijl tevens een steppenhoen werd geschoten. Tegen den avond hielden wij halt in de Altaïsche voorgebergten, daags daarna ontmoetten wij op de afgesproken plaats onze vroegere gastheeren en reden nu onder hun geleide verder.
Het was een heerlijke reis, in weêrwil van storm, sneeuw en regen, waardoor de vriendelijke Joerte, die mede reisde, veel van hare behagelijkheid verloor, niettegenstaande de bergstroomen aan onze paarden den doortocht versperden, en steil afhangende rotsen ons op paden brachten, die in Europa wel door de gemzenjagers, niet door ruiters worden betreden. Een Russisch Gouverneur reist geenszins gelijk gewone stervelingen, het allerminst wanneer hij door onbewoonde streken trekt. Alle districtshoofden vergezellen hem, alsmede de onder dezen staande ambtsmannen, de oudsten der gemeente, de gemeentesecretaris, de voornaamste lieden van de geheele streek, die hij bereist, een troep Kozakken met hun officieren tot den overste toe, zijn eigene bedienden en die van het geleide. En wanneer het land, gelijk thans het geval was, gedeeltelijk vreemd is, en er vergaderingen moeten gehouden worden met Kirgiezische gemeenten, dan wordt het gevolg tot in het oneindige vermeerderd. Dan moeten niet alleen Joerten en tenten medegebracht worden, gelijk steeds bij steppenreizen het geval is, maar zelfs heele schaapskudden worden vooruitgezonden om de honderden menschen in deze wildernis te voeden. Sedert wij het Saisanmeer hadden verlaten, bevonden wij ons weder in het Chineesche Rijk, en eene reeks van dagen hadden wij te reizen, alvorens te durven hopen, in de thans alleen in de diepere dalen bewoonde deelen van het gebergte wederom menschen aan te treffen.
Meer dan tweehonderd personen reisden aanvankelijk mede, meest Kirgiezen, die opgeroepen waren om een keizerlijk bevel, betrekkelijk de opheffing van hun recht om in het keizerlijk domein Altaï te weiden, in ontvangst te nemen, en uit dien hoofde met elkander in overeenkomst te treden omtrent hunne daarmede in verband staande te wijzigen verhuizingen; maar ook nadat die beraadslagingen ten einde waren, telde ons reisgezelschap nog over de honderd paarden en zestig ruiters. In den vroegen morgen werden ons de Joerten boven het hoofd afgebroken en vooruitgezonden; dan volgden wij in grootere en kleinere gezelschappen, langzaam voortrijdende, tot ook de dames, de vriendelijke gemalin des Generaals en hare schoone dochter ons weêr hadden ingehaald; wij namen het ontbijt op eene geschikte plaats, lieten de laatste pakpaarden voorbijtrekken, volgden, haalden ze weder in, kwamen meest gelijktijdig met de schapen, wier aantal dagelijks verminderde, op de halteplaats aan, en hadden zoo elken avond gelegenheid het oog te laten weiden over het schilderachtig tooneel eener legerplaats. Heerlijke, frissche, groene, met voorjaarsgeuren doortrokken dalen namen ons op; hooge, steile, grootendeels nog met sneeuw bedekte bergen schonken de schoonste vergezichten over het hooggebergte, en in de doorgetrokken steppe tot op den Saur en Tarabagatai, totdat wij eindelijk het Markakoel, dien parel der Altaïmeren, voor ons zagen liggen en daarmede het hooggebergte zelf waren ingetrokken. Drie dagen lang reisden wij onder slecht weder, opgehouden door een Chineesch gezantschap, langs den oever des meers, reden toen door werkelijk dichte wouden, over moeilijk te beklimmen passen, bergop, bergaf, naar de Russische grens en op halsbrekende wegen het bloeiende dal der Buchtarma door, om in de nieuw gegrondveste Kozakkenkolonie Altaiskaja-Stanitza nogmaals van de Russische gastvrijheid en comfort te genieten, te rusten en uit te rusten.
Door de officieren der Stanitza vereerd met allerlei geschenken, voortbrengselen der streek, zetten wij op den 12 Juni de reis voort. Helder en vriendelijk lachte de zon ons tegen van den blauwen hemel en keek zij neder op het grootsche, heden voor ’t eerst niet benevelde landschap. Onafzienbare, parkachtige dalen, omlijst door steil opeengestapelde, met sneeuw bedekte, heden met de schitterendste kleuren overgoten hooggebergten, heerlijke boomen op de weilanden, bloeiende boschjes op de hellingen, duizendvoud verschillende, boven alle beschrijving schoone, als in ’t lang ontbeerde zonnelicht herlevende bloemen, frisch bloeiende heideroosjes in alle schakeeringen van kleur, het geroep van den koekoek en ’t gejubel der vogelen, Kirgiezen Auls in de breede dalen aan den voet der bergen, en Russische, in groen verscholen dorpen, grazende kudden, vruchtbare akkers, ruischende beekjes, getande rotsen, de zachte lucht en specerijachtige voorjaarsgeuren,—dit alles omstrikte de zinnen gedurende den ganschen tocht. Weldra trokken wij over de grenzen van het keizerlijk domein Altaï—een kroongoed, zoo groot bijkans als geheel Frankrijk! Een dag later en wij bereikten het bergstadje Serianoffsk met haar zilvermijnen. Nadat wij ook hier, gelijk overal elders, vriendelijk waren ontvangen, alle werken hadden bezichtigd, sloegen wij wederom de richting in naar de Irtysch, lieten ons op hare, tusschen hooge, schilderachtige rotsen snel voortijlende wateren, voorbij Buchtarminsk naar Ustkamenogorsk drijven en togen van hier uit weder per wagen door het veelbelovend domein des Keizers.
Steppenachtige vlakten palen aan de liefelijke dreven van het voorgebergte; uitgestrekte wouden wisselen met het bewoonde land af. Groote, rijke dorpen, kostbare, vruchtbare, in gitzwarte aarde aangelegde akkers, goed gebouwde, zich van hunne welvaart bewuste mannen, schoone, schilderachtig gekleede vrouwen, kinderlijk nieuwsgierige en kinderlijk gezinde menschen, voortreffelijke, krachtige paarden, goed gebouwde runderen, die in groote, weldoorvoede kudden de dorpen omgeven, enorme wagenkaravanen, die op goede wegen erts en kolen vervoeren, marmotten op de berghellingen, ziesels in de vlakten, keizerarenden op de grenspalen aan de wegen, bekoorlijke dwergmeeuwen aan de wateren, dorpen en gehuchten verlevendigen al te zamen het landschap, dat onze weg doorsnijdt. Als vliegend doortrokken wij het land, als in de vlucht bezochten wij het zeer naar waarheid zoo genoemde stadje van smelthutten „Slangenberg”; een korte rust slechts veroorloofden wij ons in de hoofdplaats Barnaul. Daarna ging het verder naar het bergstedeke Salair en toen naar de groote gouvernementsstad Tomsk.
Reeds voor Barnaul hadden wij de Ob bereikt en te Barnaul zelf waren wij deze rivier overgestoken, terwijl wij ons te Tomsk inscheepten om haar te bevaren. Zes en twintig honderd werst, d.i. bijna vierhonderd geographische mijlen voeren wij, na door de Tom er in gekomen te zijn, dezen stroom af, die een grooter gebied beheerscht dan alle stroomen van West-Europa te zamen,—en zoo naderden wij meer en meer het noorden. Vier etmalen lang stoomden wij in de richting naar de IJszee, met eene, bij den gezwollen stand der rivier dubbel zoo snelle vaart als zulks stroomopwaarts zou kunnen geschieden; elf volle dagen en nachten hadden wij noodig om het stuk, begrepen tusschen de inmonding der Irtysch en de uitmonding der Schtschoetschja af te leggen, ofschoon wij in Samarowo en Bereosoff slechts enkele uren rust namen, en ongerekend de beide dagen, die wij te Obdorsk, het laatste Russische dorp aan den stroom, doorbrachten. Boven alle beschrijving grootsch is deze stroom, hoe eenzaam en eentonig hij ook moge heeten. Door een dal van tien tot dertig kilometer breed vervolgt hij zijn loop, in ontelbare armen verdeeld, die eene menigte eilanden insluiten. Hier en daar verbreedt hij zich tot een groot meer, terwijl hij bij zijn mond een hoofdarm heeft, waarin het water gemiddeld acht en twintig meter hoog staat. Bosschen, waar bijna geen licht door kan dringen, in welker diepten nog geen inboorling ooit den voet zette, strekken zich langs zijn oevers uit; wilgenbosschen, in alle phasen van den wasdom dezer boomsoort, bedekken de telkens door den vloed afgeknaagde en weder in anderen vorm opgebouwde eilanden. Armer en armer wordt het land, armer en schraler de wouden, armoediger de dorpen, naarmate men verder stroomafwaarts komt, ofschoon de rivier zelf dichter bij haar monding te rijkelijker schenkt, wat aan het arme land onthouden werd. Reeds een weinig beneden Tomsk, iets lager dan Tobolsk, loont de aarde den veldarbeid niet meer; nog verder naar het noorden houdt ook de veeteelt op, maar ontelbare scholen van de heerlijkste visschen en een rijk jachtveld in de oerwouden langs de beide oevers schenken rijke vergoeding voor dat gemis. De visschers en jagers treden in de plaats van den landbouwer, de rendierherder in de plaats van den veeboer. Zeldzamer worden de Russische volkplantingen, talrijker de woonsteden der Ostjaken, en eindelijk zijn het slechts de verplaatsbare, kegelvormige hutten uit berkenbast, hier „Tschoem” genoemd en enkele daartusschen verspreide, vreeselijk armoedige blokhuizen, de tijdelijke woningen der Russische visschers, die nog getuigenis afleggen van het bestaan van den mensch.
Wij hadden het plan opgevat ook eene toendra of mossteppe door te reizen en daarvoor het oog geslagen op het tusschen de Ob en de Karische golf gelegen schiereiland der Samojeden, te meer daar in dit nog bijna niet door Europeanen betreden deel van den grooten en breeden boomloozen gordel der om de Pool zich legerende woestenij, ook sommige, voor den handel gewichtige vragen op te lossen waren. Wij huurden ten behoeve dezer reis in Obdorsk en iets lager stroomafwaarts verschillende personen, als Russen, Syrjenen, Ostjaken en Samojeden, en vingen den 15 Juli onzen tocht aan.
Op de noordelijke hoogte van den Oeral, hier het karakter niet alleen van een werkelijk gebergte, maar zelfs van hooggebergte aannemende, ontspringen dicht bij elkander drie rivieren: de Oessa, die in de Petschora, de Bodarata, die in de Karische golf en de Schtschoetschja, die in de Ob uitmondt. Het gebied van de beide laatstgenoemde stroomen wilden wij bereizen. Hoe het land er uitzag, hoe wij het zouden hebben, of wij rendieren zouden kunnen krijgen of den weg te voet zouden moeten afleggen, niemand wist ons zulks te zeggen.
Tot aan den mond der Schtschoetschja reisden wij nog op de gewone wijze, bij elke kolonie van Ostjaken onze gehuurde roeiers betalende, om nieuwe aan te werven; op de Schtschoetschja zelf traden onze eigen lieden in dienst. Acht dagen lang voeren wij langzaam den stroom op, ieder zijner vele windingen getrouw volgende, altijd door de ijselijk eentonige, ja doodelijk vervelende toendra, nu eens den Oeral naderende, dan weder ons van dit gebergte verwijderende. Gedurende acht dagen zagen wij geen enkelen sterveling, alleen diens sporen, zijn op sleden gepakte winterbehoeften en zijn graven. Niet te doorwaden moerassen aan beide zijden der rivier beletten ons elk uitstapje, milliarden op bloed beluste muggen kwelden ons zonder ophouden. Op den zevenden dag zagen wij een hond—eene ware gebeurtenis, zoowel voor ons zelf als voor onze manschappen; op den achtsten dag stieten wij op eene bewoonde Tschoem en daarin op den eenigen mensch, die ons eenige inlichtingen aangaande het voor ons liggende land kon geven. Wij namen dezen als gids mede en vingen met hem drie dagen later een tocht aan, die even moeilijk als gevaarlijk zou worden.
Negen volle dagreizen van ons verwijderd, op de weide Saddabei in den Oeral, zouden zich rendieren bevinden; aan de Schtschoetschja was op dit tijdstip geen enkel op te jagen. Wij moesten dus wel onzen tocht te voet aanvangen en alle bezwaren op ons nemen aan zulk een tocht door een ongebaand, met muggen gevuld, den mensch vijandig, niet het minste voedsel opleverend, en wat het ergste was, ons ten eenenmale onbekend gebied, verbonden.
Omzichtig, niet dan na lange beraadslagingen met de inboorlingen, maakten wij onze toebereidselen; met zorg werd de mede te voeren last, die ieder op zijn rug zou laden, afgewogen; dreigend toch stond het hongerspook voor ons. Wij wisten, wel is waar, dat alleen de trekkende herder, en geenszins de jager in staat is zijn leven in de toendra te onderhouden; bij ervaring kenden wij alle moeite, die de ongebaande wegen, de kwellingen, die de scharen muggen bereidden, de ongestadigheid des weders, de onherbergzaamheid der toendra in ’t algemeen, en namen met het oog hierop onze maatregelen en voorzorgen: maar te voorzien en te voorkomen, wat wij niet kenden, niet konden vermoeden, en ons toch trof, zulks was onmogelijk. Terugkeeren wilden wij niet, maar hadden wij alles vooruitgezien, wij zouden zulks zeker gedaan hebben.
In korte pelzen gehuld, zwaar beladen, behalve den door de niet lichte schietbenoodigdheden bezwaarde rugtasch nog geweer en een reiszak over den schouder dragend, braken wij den 29 Juli op, onze boot onder de hoede van twee mannen achterlatende. Vermoeid, zuchtende onder den zwaren last, dag en nacht zonder ophouden gekweld door de muggen, liepen wij door de toendra, telkens na een uur, een half uur, eindelijk na elke duizend schreden rust vragende en wegens de muggen deze niet kunnende vinden.
Wij klommen over heuvels, trokken door evenveel dalen, en staken een bijna even groot aantal moerassen en drassige velden over; honderden meren zonder naam togen wij voorbij, kreken en riviertjes moesten wij doortrekken.
Onvriendelijker wel kon de toendra ons niet ontvangen. De wind zweepte ons een fijnen regen in ’t aangezicht; in doorweekte pelzen legden wij ons op een doorweekten grond neder, zonder dak boven ons hoofd, zonder een koesterend vuur naast ons, en nog altijd gekweld door de muggen. Doch de zon droogde onze kleeren weder op en schonk nieuwen moed en nieuwe krachten; wij gingen voorwaarts. Een vroolijk bericht versterkt meer dan zon en slaap; onze mannen ontdekten twee „Tschoems”, en door middel van onze kijkers onderscheidden wij duidelijk de daaromheen gelegerde rendieren. Tot in ons binnenste gelukkig zien wij ons reeds in de verbeelding uitgestrekt in het eenige, hier mogelijke voertuig, de slede, en het voor deze slede gespannen rendier. Wij bereiken de Tschoem en de rendieren; een afgrijselijk gezicht treft ons oog. Onder de weidende kudde woedt het miltvuur, de vreeselijkste, ook voor den mensch zoo gevaarlijke aller veeziekten, de onverbiddelijke, zonder genade en keus vernietigende engel des doods, tegenover wiens woeden de mensch als machteloos staat, die hier te lande de volken doet verarmen en onder de menschen even goed door niets te redden slachtoffers maakt als onder de dieren.
Zes en zeventig doode rendieren telde ik in de onmiddellijke omgeving van de Tschoem; werwaarts het oog schouwde ontmoette het lijken, gevallen, in doodstrijd verkeerende herten, wijfjes en kalveren. Andere komen met den dood in het hart op de reeds voor de afreis gereed staande slede aanloopen, als zochten zij bij den mensch hulp in hun lijden; zij zijn niet van hier te verdrijven, blijven met holle oogen en over elkaar geslagen voorpooten een paar minuten staan, waggelen heen en weder, steunen en vallen neêr; een witte, schuimende slijm vloeit uit mond en neus—nog enkele stuiptrekkingen en een lijk meer ligt ter aarde. Zoogende moeders scheiden zich met haar kalveren van de kudde; de moeders sterven onder dezelfde verschijnselen, de kalveren aanschouwen met verbazing de zich zoo vreemd aanstellende moeders, of gaan onbezorgd grazen naast het sterfbed van haar, die hen ter wereld brachten, keeren dan naar de eersten terug en vinden in plaats van de liefhebbende voedster een lijk, beruiken dit, schrikken achteruit, ijlen weg, dwalen blatend in ’t rond, beruiken nu eens het eene volwassen dier, naderen dan een ander, worden door allen verjaagd, blaten en zoeken verder, en vinden wat zij niet zochten: den dood, door een pijl uit den boog huns meesters, die althans nog iets tracht te redden, n.l. de huid. De dood woedt met gelijke verschrikking onder de oude zoowel als onder de jonge rendieren; de sterkste en schoonste herten vallen even goed in handen van den worger als de eenjarigen van beiderlei kunne.
Tusschen de stervende en gestorven dieren wandelen en roeren zich de menschen, de bezitter der kudde Schoengei en zijne aanhoorigen en knechten, om in radeloozen ijver te redden, wat nog te redden is. Ofschoon zij niet onbekend zijn met het vreeselijk gevaar, dat zij loopen, wanneer slechts een enkel bloeddroppeltje, een enkel stofje van het schuim zich met hun eigen bloed vermengt, ofschoon genoegzaam vertrouwd met het feit, dat reeds honderden van hun volk een offer zijn geworden van de pijnlijke, akelige ziekte, arbeiden zij toch met alle kracht om het vergiftigde dier de huid af te trekken. Een slag met den bijl maakt een eind aan het leven der stervende herten, een pijlschot aan dat der kalveren, en eenige minuten later ligt de huid, die nog weken lang eene bron van besmetting blijft, bij de anderen, doopen de bloederige handen het van de kalveren afgenomen vleesch in het bloed, dat de borstholte van het gedoode dier vult om het rauw te verslinden. Beulsknechten gelijken de mannen, afschuwelijke heksen de vrouwen, in aas woelende, van bloed druipende, met bloed bevlekte hyena’s gelijken beiden; zij letten niet op het zwaard, dat niet aan een paardenhaar, maar aan een spinrag boven hun hoofd is opgehangen, en zoo woelen zij steeds voort, geholpen door de kinderen, door half volwassen knapen en van bloed druipende, nauwelijks gespeende meisjes.
De Tschoems werden afgebroken en op een nabijzijnden heuvel weder opgeslagen; de ongelukkige kudde, die, twee duizend stuks sterk, uit het Oeralgebergte was opgebroken, en tot op tweehonderd ingekrompen was, die den geheelen weg van daar tot hier door doode dieren had gekenteekend, verzamelt zich opnieuw om de Tschoem; op den anderen morgen liggen er echter weder opnieuw veertig lijken in de nabijheid der rustplaats.
Wij kenden het gevaar, aan hetwelk ook de mensch door aan miltvuur lijdende dieren is blootgesteld, doch wij kenden het nog niet in zijn geheelen omvang. Daarom kochten wij eenige, oogenschijnlijk gezonde rendieren, bespanden daarmede drie sleden, belaadden deze met onze goederen, en trokken, verlicht en ontlast daarnaast loopende, verder. Rendierenvleesch te eten, zooals wij gehoopt en waarop wij gerekend hadden, zulks verbood de vreeselijke ziekte; met te meer zorg en angst speurden wij daarom in ’t rond naar een of ander klein wild, ’t zij een moerashoen, eene wulp, eene goudplevier, of eene eend. Om onzen geringen voorraad zoo lang mogelijk te sparen, hurkten wij, in geval de geringste aller Diana dienende nymphen ons goedgunstig was geweest, om het moeilijk te voeden vuur, ten einde ieder persoonlijk zoo goed mogelijk een onbeduidend wild aan het spit te braden. Ons werkelijk verzadigen ging niet meer.
Wij bereikten, nadat wij den door Schoengei getrokken doodenweg dwars waren overgestoken, het eerste doel, de Bodarata; wij hadden het onuitsprekelijk geluk nog eenmaal Tschoems aan te treffen, nog eenmaal rendieren te ontmoeten; wij trokken met de hulp dezer dieren naar de zee, en moesten terugkeeren zonder den voet op het strand gezet te hebben. Voor ons strekte zich een onbegaanbaar moeras uit en bovendien een onafzienbare hoop rendierlijken; wij bevonden ons nog eenmaal op den weg, langs welken Schoengei huiswaarts gevlucht was, en onze nieuwe kennis, de herder Sanda, waagde het niet dien weg te kruisen.
Want ook onder zijne kudde maaide de dood; ook in zijn huis, en in nog meerdere mate in dat van zijn buurman had het verderf zijn intocht gehouden. De man, die tot nog toe met hem had gereisd en geweid, had gegeten van een aan miltvuur lijdend rendier, dat hij kort voor den dood nog spoedig had geslacht, en hij had die zonde met zijn eigen leven en dat zijner familieleden moeten boeten. Driemalen had de herder Sanda zijn Tschoem verplaatst en driemalen een graf tusschen de lijken der gevallen rendieren gegraven. Eerst stierven twee kinderen, daarna stierf de knecht van den lichtzinnigen man en op den derden dag overleed hij zelf. Een ander kind lag nog ziek en kermde van pijn, toen wij de reis naar zee aanvingen; toen wij tot de Tschoem terug waren gekeerd kermde het niet meer, want een vierde graf had het kinderlijk opgenomen. En ook dit zou niet het laatste zijn.
Een onzer manschappen, de Ostjak „Hadt”, een gewillig, altijd vroolijk, ons lief geworden man, klaagde en wrong zich sedert eergisteren onder steeds toenemende pijnen; hij klaagde voornamelijk over een steeds sterker wordend gevoel van koude. Wij hadden hem op een rendierslede gelegd, toen wij op den terugweg waren naar de Tschoem des herders; wij vervoerden hem op dezelfde wijze toen de hut ten vijfdemale werd verplaatst. Onder en tusschen ons lag hij weeklagend en bevend bij het vuur. Van tijd tot tijd hief hij zich op, ontblootte zijn lichaam om dit door het vuur te koesteren. Eveneens bracht hij zijn verkleumde voeten bij het vuur, zonder er op te letten, dat hem de voetzolen verbrandden. Eindelijk sliepen wij in, misschien ook hij; toen wij echter den volgenden morgen ontwaakten, was zijne plaats ledig. Buiten evenwel, voor de Tschoem, tegen eene slede geleund, het gezicht naar de zon gekeerd, welker stralen hij had opgezocht, zat hij rustig en stil, zonder te steunen, zonder te klagen. „Hadt” was dood.
Wij begroeven hem eenige uren later naar zede en gebruik zijns volks. Hij was een eerlijk „heiden” geweest en moest dus insgelijks op heidensche wijze begraven worden. Onze „rechtzinnige” begeleiders weigerden zulks te doen; onze „heidensche” metgezellen verrichtten daarom dat, wel is waar niet christelijk, maar toch den mensch waardig werk met onze hulp. In het vijfde graf lag het zesde offer.
Zou dit graf het laatste zijn? Onwillekeurig vroeg ik mij zulks af, want het werd ons in dit gezelschap des doods al te akelig. Tot ons geluk was Hadts graf het laatste op dezen weg.