Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 38
Weinig minder diensten bewijst hem zijn tweede huisdier, de hond. Niet alleen de rondzwervende herders, maar iedere Ostjak houdt en verzorgt honden, de visscher zoowel als de jager, de gezeten man zoowel als de nomaad. De Ostjaksche hond behoort tot twee, voornamelijk door hun grootte van elkander afwijkende rassen. Of onze hondenminnaars hem fraai vinden durf ik niet beslissen; wat mij aangaat, ik moet dit dier reeds daarom fraai noemen, dewijl het, alleen de kleur uitgezonderd, nog alle kenmerken der wilde honden bezit. Hij komt het meest overeen met onzen „spits”, maar is gewoonlijk wat grooter, somtijds zoo groot, dat hij den wolf nabij komt; ook in slankheid van bouw wint hij het van den keeshond. De kop is lang, de snuit van middelmatige lengte, de hals kort, het lichaam lang, de pooten zijn dun, de staart is middelmatig van lengte, het gitzwarte oog schuins gespleten, het korte, spitse oor recht, het haar zeer dicht en lang, uit wol- en borstelharen bestaande, de kleur verschillend, meestal zuiver wit, of wit met zwarte, meest regelmatige teekening aan beide zijden van den kop, alsmede op de ooren, rug en flanken, of ook wel grijs gewaterd en gegolfd, maar nooit gestreept. De zwakbehaarde staart hangt meest naar beneden of is recht uitgestrekt, nimmer naar boven gekruld, waardoor de overeenkomst met een wilden hond nog meer verhoogd wordt.
De gedurige omgang met den mensch heeft den Ostjakschen hond tot een zachtaardig dier gemaakt. Hij is waakzaam, maar niet bijtachtig, moedig, maar niet strijdlustig, trouw en ijverig, maar niet boos tegen vreemden; wantrouwend, ofschoon niet bijzonder onvriendelijk, loopt hij op den vreemdeling af, maar niet zoodra ziet hij zijn meester met dezen spreken of met hem de Tschoem binnengaan, of hij nadert ook dezen vertrouwelijk. In geen enkel opzicht verwend, en gaarne de ruimte van de Tschoem met zijn meester of meesteres deelende, stelt hij zich toch ook, zonder van onlust blijk te geven, aan wind en weêr bloot, werpt zich zonder bedenking in het koude water der rivier en zwemt rechtstreeks over breede armen, of draaft zonder morren door de toendra onder de slede, aan welke men hem heeft vastgebonden, door poelen en moerassen, door struikgewas en water. Verstandig en slim, vindingrijk en vlug, weet hij zich het leven aangenaam te maken en zich door alles heen te slaan.
In de Tschoem ligt hij naast de lekkerste hapjes zonder ze aan te raken; buiten de hut zijns meesters is hij de snoepachtigste en brutaalste dief; in de toendra loopt hij geduldig door het dichte struikgewas der dwergberken onder de slede; in het gladde moeras of op andere goede wegen legt hij zich met vooruitgestrekte pooten op de boomen der slede en laat zich trekken; op de jacht vergezelt hij zijn baas als een trouw en nuttig metgezel; den vreemdeling evenwel kaapt hij het door hem bespeurde, door dezen geschoten wild, voor de oogen weg en eet dit met zulk een schuldeloos genot op, dat het onmogelijk is zich boos op dit dier te maken. De herten kent hij door en door in al hun eigenaardigheden en gebreken, zoodat hij bij het weiden der kudde goede diensten bewijst, maar zoo op hem vertrouwen als op den herdershond kan men toch niet, want hij volgt zijn eigen oordeel en doet dan alleen volgzaam zijn plicht, wanneer hem zulks bepaald noodzakelijk schijnt.
De hond der Ostjaken bewijst zijn diensten als speelkameraad, als bewaker van de Tschoem, als oppasser der kudde en als trekdier, terwijl hij ook nog na zijn dood nut afwerpt. In den winter alleen wordt hij voor de slede gespannen, en dan legt men hem dikwijls zulk een dwaas tuig op, dat hij, wanneer men al te veel van zijn krachten vergt, reeds na weinige jaren lam van lendenen rondhinkt. Na zijn dood moet hij zijn uitstekend vel afstaan, ja sommige Ostjaken houden alleen voor dit doel een overgroot aantal honden.
Voor hetzelfde of soortgelijke doeleinden strekken sommige uit het nest geroofde jonge zoogdieren en vogels, vooral vossen, beren, uilen, kraaien, kraanvogels, zwanen, enz. die men soms voor de Tschoems der visschers en trekherders, vastgebonden, aantreft. Zoolang deze dieren jong zijn worden zij vriendelijk bejegend en goed gevoed; zoodra zij volwassen zijn en huid of veêren waarde hebben verkregen, worden zij gedood; men eet op, wat eetbaar is en gebruikt huid en veêren; de huid wordt somtijds voor een verbazend hoogen prijs verkocht.
De hond schikt zich ook hier, even gelijk elders, naar den wil van den mensch, maar de mensch moet zich voegen naar de behoeften van het rendier. Deze behoeften en geenszins de luimen van den herder bepalen het nomadische leven der rondzwervende Ostjaken, even gelijk het komen en gaan der visschen op het doen en laten der gezeten stambroeders van grooten invloed zijn. De tochten der rendierherders en hunne kudden zijn de gevolgen van gelijke oorzaken en bewegen zich in dezelfde richting als die der Kirgiezen, doch zijn van de tochten der laatstgenoemden hoofdzakelijk hierin onderscheiden, dat zij ook in den winter niet worden afgebroken, maar zelfs in dit jaargetijde nog veelvuldiger en afwisselender worden. Wanneer de sneeuw begint te smelten trekt de Ostjaksche nomaad langzaam naar het gebergte; met het beginnen der muggenplaag klimt hij de berghellingen, of althans naar den rug der heuvelklingen omhoog; met het verdwijnen der muggen, van welke dieren ook de hoogten niet geheel en al bevrijd blijven, keert hij allengs naar de lage toendra terug, om hier, zoo mogelijk in de nabijheid van de rivier zijns geboortelands den winter door te brengen. Zoo is de kringloop, dien hij jaar in, jaar uit, volbrengt, zoo niet de verschrikkelijke ziekte, het besmettelijke miltvuur, hem overvalt.
Nog vóór de korte zomer in zijn onvriendelijk land aanbreekt, nog vóór het eerste voorjaarsleven ontwaakt, in den tijd, dat het sterke ijsdek nog onaangetast op den grooten stroom en diens nevenrivieren, op de ontelbare meren der toendra ligt, werpen de rendieren hun jongen. Nu vooral is het zaak eene plaats op te zoeken, die moeder en kroost genoeg voedsel oplevert. Te dien einde trekt onze herder niet naar de diepere dalen, maar naar de hoogte, van welker toppen de wind de sneeuw wegblaast, om hier zijn Tschoem op te slaan. Hier vertoeft hij geruimen tijd, totdat het rendiermos overal in ’t rond weggevreten is, en ook de breede hoeven van het rendier, waarmede het de sneeuw wegkrabt, om tot het daaronder verscholen plantendek te geraken, geen diensten meer kunnen bewijzen. Dan breekt hij nogmaals op en richt zich naar eene nabijzijnde plek, die gelijke voordeelen aanbiedt als de eerste. Ook deze wordt niet verlaten alvorens er geen voedsel meer is, want nog verheugt hij zich in een tijd, dien hij den goeden mag noemen. De kudden weiden thans in gesloten troepen; er heerscht volmaakte vrede onder de herten, wier gewei thans begint uit te spruiten; de ouden verliezen haar kalveren nog niet uit het oog; de kudde verstrooit zich niet, en dwaalt niet verder van de Tschoem af dan tot waar het geroep des herders reikt, dat hen tegen zonsondergang weêr bijeen en in de omgeving der hut verzamelt. Gedurende den nacht dwaalt wel de vratige wolf in ’t rond, dien de winter uit het gebergte naar de laag-toendra verdreef, maar de moedige honden houden scherpe wacht en weren den laffen roover; onze herder bekommert zich deswege even weinig om den wolf als om den winter, welk jaargetijde hij, evenals alle volksstammen van het hooge noorden als het beste beschouwt. Ook worden de korte dagen allengs langer, de nachten steeds korter, de gevaren voor zijne weêrlooze kudde dus kleiner. De rivier werpt haar ijskleed af; de verwarmde wateren van de zuidelijke steppen voeren lauwe winden naar het noorden; de eene heuvelketen na de andere wordt vrij van sneeuw, en hier zoowel als in het dal vinden de tegen het weder geharde dieren eene rijkelijk voorziene weide;—de laag-toendra is in de oogen onzer herders tot een waar paradijs geworden. Maar slechts kort duurt voor hem en zijn kudde dat heerlijke leven. De snel rijzende, altijd langer, steeds warmer stralende zon smelt ook in de vlakke dalen de sneeuw, op de breede meren het ijs, doet zelfs den bevrozen grond ontdooien en roept nevens de onschuldige kinderen van het voorjaar ook de milliarden kwelgeesten, de muggen, de brutale bremsen, wier larven eerst voor weinige weken uit de neusholten der rendieren gehoest werden, in ’t leven. Nu begint eerst voorgoed de verhuizing; nu trekt de herder, wel in korte dagreizen, maar zonder zich op te houden, naar het gebergte. Met het opdrogen van den morgendauw, die de mossen, korstmossen, grassen en jonge bladeren der dwergachtige struiken bedekte, breken de vrouwen de Tschoem af, die zij eerst gisteren opsloegen, en beladen de sleden, die zij op denzelfden tijd ontpakt hadden. Ondertusschen jaagt de herder op zijne lichte, met vier krachtige herten bespannen slede naar de verstrooide, nog grazende of in groepjes gelegerde kudde, drijft de dieren bijeen en naar de legerplaats, waar de familieleden reeds geheel gereed zijn. Een dun touw, waar de rendieren slechts zelden overheen durven springen, in de handen houdende, vormen zij samen een kring om de kudde; de herder begeeft zich met een vangsnoer of lasso in de rechterhand midden onder de kudde, werpt het daarvoor bepaalde hert zonder te falen den strik om den hals of om het gewei, maakt het touw vast, haalt het naar zich toe en geeft last, dat alle andere dieren zullen worden vrijgelaten; hij bestijgt daarna weder zijn slede en rijdt weg. Alle overige sleden, door de medeleden der familie bestuurd, volgen in lange rijen; blatend of brommend en bij elken stap een knetterend geluid latende hooren, zet zich ook de gansche vrije kudde in beweging; de honden eindelijk rennen en springen, onder voortdurend geblaf, om de kudde heen en houden de rendieren zoo goed mogelijk bij elkaar; toch kan zulks niet verhinderen, dat er nu en dan een afdwaalt of achterblijft. De kudde breidt zich meer en meer uit en tooit op schilderachtige wijze alle hoogten; door een of ander bijzonder lekker voedsel vastgehouden, verwijlt zij troepsgewijs hier en daar eene poos; door de kalveren aangezocht vervullen de moeders haar plichten, gaan wel eens ten gevalle van het door de melk verzadigde jong naast haar kind liggen, totdat de adelaarsblik van den heer der kudde dit misdrijf opmerkt, hij zijwaarts uitwijkt om door zijne krachtige stem, of met behulp der inmiddels opontboden honden de achterblijvers vooruit te drijven. Opnieuw laat zich een algemeen geloei hooren, de honden blaffen nog luider en de schare golft verder; een bosch van geweien dringt voorwaarts en zeker jagersvuur ontvonkt het hart van den toeschouwer uit vreemde landen.
De zon daalt; de trekdieren zuchten en steunen met ver uit den mond hangende tong; het wordt tijd hun rust te geven. Op geringen afstand, in de nabijheid van een der vele meren, verheft zich een zwak gewelfde kegel; de herder slaat die richting in; op de hoogte laat hij zijn geweidragend vierspan stilhouden. De eene na de andere slede komt aan; de losse kudde eveneens, om dadelijk met grazen aan te vangen, de uitgespannen trekkers volgen hen.
De vrouwen zoeken eene geschikte plaats uit om de Tschoem op te bouwen; zij plaatsen de stokken in een cirkel in den grond en omkleeden ze met den mantel van berkenschors; de herder echter begeeft zich met zijn voor het gebruik gereedliggend werptouw onder de kudde, kiest met kennersoog een jong en vet hert uit en werpt dit den strik om den hals en over het gewei. Tevergeefs spartelt het dier en tracht zich los te maken, nader treedt de herder en weêrloos volgt het dezen naar de inmiddels reeds opgerichte Tschoem. Een slag met een bijl op het achterhoofd doet het slachtoffer ter aarde storten, een messteek door het hart maakt een eind aan zijn leven. Twee minuten later is het dier reeds van de huid ontdaan, opengesneden en schoongemaakt; eene minuut later doopen alle, spoedig zich bijeen scharende familieleden de in repen gesneden lever in de met bloed gevulde borstholte, en de letterlijk „bloedige maaltijd” neemt een aanvang. In een kring gehurkt om het nog warme hert, snijdt elk der gasten ribstukken of stukken van rug- en dijspieren af; de lippen verven zich rood alsof zij geblanket waren; de bloeddruppels vloeien langs kin en borst; de handen worden almede geverfd en besmeerd met bloed, niet minder neus en wangen, en bloedige gezichten staren den onthutsten vreemdeling aan. De zuigeling maakt zich los van de moederborst om insgelijks aan den maaltijd deel te nemen, en van pret gilt hij het uit, wanneer hem de moeder nog een mergbeen stukslaat en dit om het uit te zuigen toereikt, nadat het wicht alvorens een stuk lever naar binnen heeft geslagen en ook daarbij zijn gezicht, wangen en handen en nog meerdere lichaamsdeelen met bloed rood heeft geverfd. De honden zitten in ’t rond en knagen de hun toegeworpen beenderen af. Verzadigd gaat de een na den ander opstaan, wischt zich de bloedige hand aan het mos af, reinigt het mes op dezelfde wijze en keert dan in de Tschoem terug om er behagelijk uit te rusten. De huisvrouw vult den kookketel met water, legt er zooveel vleesch van het half opgegeten dier in als deze bevatten kan, en maakt vuur aan om het avondeten te bereiden.
Ondertusschen heeft de herder zijn bovenkleed uitgetrokken en haastig, ofschoon nooit zonder succes onderzocht, en gaat nu zoo dicht bij het vuur liggen, dat de vlam hare volle werking op het naakte bovenlijf kan uitoefenen. Hij voelt zich meer dan lekker en denkt aan nieuw genot. Een vreemde snaak, die in zijn gezelschap naar het gebergte trekt, een Duitscher van herkomst, wellicht een medelid van de Bremer expeditie naar West-Siberië, heeft hem niet alleen tabak, een inderdaad afschuwelijk, maar zeer krachtig kruid vereerd, doch daarenboven ook nog een groot stuk papier, een geheele „Kölnische Zeitung” geschonken. Hij scheurt voorzichtig van deze laatste een vierkant stuk af, draait hieruit een klein spits peperhuisje, vult het met tabak, maakt in ’t midden een kneep, en het pijpje is gereed, brandt een oogenblik later zelfs prachtig en ruikt zoo heerlijk, dat zijn vrouw de neusgaten openspert en naar hetzelfde genot verlangt. Deze wensch wordt terstond bevredigd en het pijpje maakt zelfs een rondreis langs elk der familieleden.
Doch er is leven gekomen in den pot; de avondspijs is gereed en „allen roeren de handen voor het lekker bereide maal”. Daarna gaat de herder voor de deur der hut staan, stoot in langgerekte klanken een verdragend geroep uit, dat heden voor de laatste maal de onrustige kudde bijeenbrengt om nu gerustgesteld in de Tschoem terug te keeren.
Intusschen heeft de vrouw hier de muggentent opgeslagen en is nu nog bezig met den benedenrand onder de dekens te stoppen. Gedurende dit bedrijf pakt de man, die op zijn leger ligt te wachten een hond, waarmede hij speelt als ware het een kind, welke behandeling de hond zijnerzijds zich gaarne laat welgevallen, daar hij zich zulks als eene hooge gunst en eer toerekent. Hierop kruipt de man half naakt onder de muggentent, de vijftienjarige zoon volgt zijn voorbeeld, en diens kleine, dertienjarige vrouw doet hetzelfde; de zorgvolle moeder brengt ook de kinderen, den zuigeling in de wieg hieronder begrepen, mede in veiligheid, sluit de deur en begeeft zich naar de andere huisgenooten. Weinige minuten later en een diep gesnork verkondigt, dat allen den slaap des rechtvaardigen hebben gevonden.
Den volgenden morgen begint hetzelfde dagwerk en zoo gaat het voort, tot de hoogten der gebergten veroorloven, om langer rust te nemen en langer op dezelfde plaats te vertoeven. De hier, op deze hoogte zoo vroegtijdig vallende sneeuw dwingt reeds in Augustus tot opbreken, en wederom brengt de reis, thans wat langzamer en gemakkelijker, herder en kudde naar de laagte terug.
Met het verdwijnen van het ijs begint ook het visschersbedrijf aan de rivier. Vele Ostjaksche visschers werken voor loon of ook wel in vereeniging met de Russen, terwijl anderen slechts een gedeelte der vangst aan hen verkoopen en voor eigen rekening visschen. Dadelijk na den ijsgang richten eerstgenoemden hun Tschoem naast de hutten der Russen op, of betrekken hunne aan het water gelegen zomerverblijven, blokhuizen van de allereenvoudigste soort. Ter plaatse, waar een nevenrivier in den stroom uitmondt, paalt men haar of een der armen af door middel van eene omheining, die slechts ééne opening vrij laat; bij lagen waterstand stelt men fuiken en legt men grondangels; daarenboven vischt men nog met treknetten en sleepnetten.
Groote bedrijvigheid heerscht er op alle vischplaatsen, wanneer de vangst goed is. Halfvolwassen jongens zitten op eene schommelende stellage, in gebogen houding boven de opening der omheining en kijken met scherpe oogen naar beneden in het troebele water om te zien of er ook visschen loopen binnen het voor den doorgang gespannen en door hen vastgehouden kruisnet, beuren dit van tijd tot tijd met den gevangen buit op en ontlasten den inhoud in de kleine boot. De mannen visschen gezamenlijk met het treknet op de zandbanken of, op de ondiepe plaatsen der rivier, met het sleepnet. ’s Namiddags of tegen den avond keeren de visschers naar huis terug en verdeelen onder de huisgezinnen de vangst. Den volgenden morgen begint de arbeid der vrouwen. Afzonderlijk of in groepjes geschaard, hurken zij om de groote hoopen visch, ieder voorzien van eene plank en een scherp mes, om de visschen te ontschubben, schoon te maken, in stukken te snijden, in te kerven en op lange dunne stokken te steken, die dan op droogstellen ter droging worden gehangen. Eene vaardig uitgevoerde snede opent de buikholte van den visch en scheidt de zijspieren van de wervelkolom, terwijl enkele handgrepen de lever en de overige ingewanden van kop en geraamte en de kostbaarder zijdeelen des lichaams wegnemen. De eene lever na de andere glijdt over de gretige lippen, want de vrouwen hebben nog niet ontbeten en nemen dit al vast als voorspijs. Is men nog niet verzadigd, dan wordt er een visch ontschubd, schoongemaakt, in lange repen gedeeld, het eene eind van zulk een reep door het bloed gehaald, en dan in den mond gebracht; snelle, rakelings voorbij den tip van den neus gaande messneden verdeelen de reep in passende stukken, die een voor een in een afgrond verdwijnen. Ook de kinderen, die bedelend de moeders omringen, verkrijgen ieder naar hun ouderdom hun aandeel in lever en spiervleesch; vierjarige telgen hanteeren het mes reeds even vaardig als de ouden en snijden op gelijke wijze de mondbeten af. Dit is de gewone wijze van eten, en ook het rendiervleesch wordt op gelijke wijze genuttigd. Spoedig glimmen de aangezichten van moeders en kroost van visschenbloed en levertraan, de handen van schubben. Zijn alle visschen behandeld en opgehangen, dan verkrijgen ook de honden, die begeerig, ofschoon niet lastig, zich om de vrouwen hadden gelegerd, hun aandeel t.w. de schubben, die op een grasbosje worden geworpen, en gulzig woelen de zwarte snuiten in dit gras.
Het morgenwerk is verricht en men heeft recht op eene kleine uitspanning. De moeders nemen haar zuigelingen op den schoot, reiken dezen de borst en gaan nu over tot eene zekere verrichting, even noodzakelijk voor haar zelf als voor de kleinen: de jacht op parasieten. Het eene kind na het andere legt zijn kopje in den schoot der moeder, daarna legt deze zelf het hare in dien der oudste dochter of van eene buurvrouw, die op gelijken wederdienst hoopt; de jacht is meestal zeer voorspoedig. Het gevangen wild wordt, zoo niet opgegeten, dan ten minste tusschen de lippen genomen, en met de tanden verbrijzeld; voor een natuuronderzoeker, die de apen heeft waargenomen, is zulks niets nieuws, en het strekt hem, die in Darwins leerstellingen meer ziet dan enkel hypothesen, als bewijs te meer voor het „atavisme” of het terugkeeren tot de gewoonten der voorouders.
De zon daalt, en de mannen, jongelingen en knapen komen met nieuwen zegen aandragen. Zij hebben naar hartelust rauwen visch gegeten, thans verlangt de ziel naar warme spijs. Een groote, dampende ketel met gekookte visschen, kostelijke renken,—naaste bloedverwanten van den zalm—worden hun voorgezet; met vischvet doorweekt brood is de toespijs, terwijl de maaltijd besloten wordt met tegelthee, die met koud water op het vuur gezet en lang gekookt is geworden. „Wanneer evenwel de begeerte naar spijs en drank gestild is” verlangt ook de geest naar voedsel, en daarom is de kunstenaar hoogst welkom, die de door hem zelf vervaardigde harp of cither te voorschijn haalt, òf om deze te bespelen, òf om een der inlandsche, onbeschrijfelijk karakteristieke liederen, òf om den vreemden dans der vrouwen te begeleiden, bestaande in opheffingen en neêrbuigingen van het lichaam en het volbrengen van allerlei bewegingen met de armen, die nu eens om elkander worden geslagen, dan weder uitgestrekt, daarna naar het lichaam teruggetrokken. Deze feestelijkheden duren net zoo lang totdat men met het opslaan der muggentent gereed is, als wanneer jong en oud onder derzelver plooien verdwijnt.
De zomer is voorbij, en de korte herfst wordt opgevolgd door den winter. Nieuwe bedrijvigheid ontstaat met het trekken der vogels; met den winter ontwaakt een nieuw, ja het eigenlijke, rijke leven der Ostjaken. Het verraderlijke net wordt voor de wegtrekkende zomergasten gesteld; dit net bestaat uit een groot, licht verplaatsbaar kleef- of leeuwerikennet, dat aan den oever in de opengehakte deelen van de wilgenboschjes, op bekende strijkplaatsen tusschen twee groote watervlakten wordt uitgespannen, en waarin niet alleen eenden, maar ook ganzen, zwanen en kraanvogels vliegen, die meer dan welkom zijn om hun vleesch en veêren, want alle vogelsoorten verstrekken niet alleen den Ostjaken, maar in ’t algemeen aan alle rivierbewoners ten voedsel. Gelijktijdig met den vogelvanger trekt ook de nomaad op de jacht uit en stelt in de toendra zijn slagnetten voor den rood- en poolvos, of hij plaatst gemeenschappelijk met andere stamgenooten, in het bosch gelijke vangwerktuigen, stelbogen en automatische handbogen voor wolven, vossen, sabels, hermelijnen, veelvraten en eekhoorntjes. Is er sneeuw gevallen dan gespt zich de meer geoefende jager de sneeuwschoenen aan, zet den sneeuwbril op de oogen en begeeft zich met zijn honden naar het bosch in de toendra om den beer in zijn schuilplaats op te zoeken, de sporen van den losch te vervolgen, en den thans bemoeilijkten eland en het wilde rendier op het sneeuwdek na te jagen, dat wel den jager, maar niet deze dieren draagt. Hij heeft nooit gelogen, nooit valsch op een berentand gezworen, nooit onrecht gedaan, en derhalve is de beer tegenover hem machteloos, zijn eland en rendier tegenover hem niet vlug genoeg. Met den verslagen beer trekt hij vroolijk het dorp en de Tschoem binnen: buren en vrienden omringen hem jubelend, tot de algemeene vreugde ook hem zelf aantast, hij wegsluipt, zich vermomt en den berendans begint te dansen—bestaande in vreemdsoortige bewegingen, die den beer in alle toestanden des levens moeten voorstellen en verzinnelijken.