Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 33

Chapter 333,665 wordsPublic domain

De Nubiërs, of gelijk zij zich zelf noemen, de Barabra zijn middelmatig groote, slanke, evenredig gebouwde menschen met betrekkelijk kleine, goed gevormde handen en voeten, en meerendeels aangename gelaatstrekken; de amandelvormige oogen, de hooge, rechte of gebogen, alleen aan de vleugels een weinig verbreede neus, de smalle mond, de vleezige lippen, het gewelfde voorhoofd en de lange kin drukken op het gelaat een bijzonderen stempel; verder hebben zij fijn, licht gekroesd, maar niet wollig hoofdhaar en eene verschillende, van metaalbruin tot in het donkerbruine spelende huidkleur. Zij hebben eene flinke houding, loopen licht, haast zwevend, bewegen zich in ’t algemeen vlug en bevallig, zoodat zij in dit opzicht zich voordeelig onderscheiden van de negers van den boven-Nijl, zelfs van de Fungis uit Oost-Soedan. De mannen scheren het hoofdhaar of geheel af of laten het alleen op de kruin staan; zij dragen een nauw sluitend wit mutsje, de takhie, op het hoofd, om hetwelk op feestdagen nog wel eens een witte doek, op de wijze van een tulband gewonden wordt. Een omslagdoek ter lengte van zes tot negen meter dient tot bekleeding van het bovenlijf; korte broeken en sandalen, op feestdagen een blauw of wit tabbaardachtig gewaad vormen de overige kleeding; een aan den linkerarm gedragen dolkmes, op reis de lans, zijn de wapenen, terwijl lederen rollen, in welke zich, naar men zegt, amuletten bevinden, en aan koorden om den hals gedragen zakjes de eenige versiering uitmaken. De vrouwen binden het hoofdhaar in honderden kleine, dunne vlechten en zalven deze rijkelijk met schapenvet, boter of ricinus-olie in, zoodat zij ver in ’t rond een ondragelijken reuk verspreiden; zij tatoeëeren het lichaam en aangezicht op vele plaatsen met indigo, kleuren dikwijls de lippen blauw en de handpalmen rood, versieren den hals met paarlen van glas, kettingen van barnsteen of karneool, amulettentaschjes enz. de hielen met ringen van ivoor of hoorn, de ooren, neusvleugels en vingers met zilveren ringen; in plaats van een broek dragen zij een tot de hielen afhangend schort om de lendenen, terwijl zij zich den omslagdoek in schilderachtige vouwen over borst en schouders slingeren. De jongens loopen tot hun zesde of achtste jaar naakt, terwijl de meisjes van haar vierde jaar af een aardig, uit dunne lederen strooken samengesteld, soms met schelpen en glazen parels versierd, gefranjed schort dragen.

Alle gezeten Nubiërs van het stroomdal huizen in vierhoekige, meer of min teerlingvormige woningen, die òf uit in de open lucht gedroogde tichelsteenen worden gebouwd, en dan naar boven schuins toeloopen, òf uit een met stroo bekleed houten geraamte worden samengesteld. Gewoonlijk bevatten zij inwendig maar één vertrek; ééne deur verleent toegang, en in plaats van vensters ziet men aan deze hoogst primitieve huizen enkele luchtgaten. Eene verhooging, overtrokken met ineengevlochten lederen strooken of repen boombast, vormt de ligplaats „Aukareb”; eenvoudige kisten, voortreffelijk bewerkte, zelfs waterdichte manden, lederen zakken, urnen om daarin water, doerrhabier of palmwijn te bewaren, handmolens of wrijfsteenen ter vermaling des graans, ijzeren of vlakke aarden schotels om brood te bakken, uitgeholde kalebassen, eene bijl, eene boor, eenige houweelen, enz. ziedaar het huisraad; matten, gordijnen, middelschotten en dekens, vormen andere huishoudelijke zaken; troggen, ondiepe, gevlochten schalen met deksels, die evenwel niet in elke hut voorhanden zijn, maken het eetgereedschap uit. Het voedsel onzer lieden bestaat voornamelijk, soms uitsluitend, uit plantaardige stoffen, melk, boter en eieren. Het meer gewreven dan gemalen koren wordt tot een deeg verwerkt en daarvan een half gaar brood gebakken, dat, òf zoo wordt gebruikt, òf onder toevoeging van allerlei zaken, zooals: melk, dikslijmige plantensappen, waaronder somtijds wat in de zon gedroogd vleesch wordt gemengd, en vele, scherpe kruiderijen. Meer dan op spijs is de Nubiër op drinken gesteld, want elke alcoholische drank, hij moge van vreemden of inheemschen oorsprong zijn, vindt in hem een begeerlijken, zoo niet onmatigen gebruiker.

De zeden en gewoonten van de bewoners van den middelloop des Nijls vormen een zonderlinge vermenging van overgeërfde en overgenomen gebruiken. Geduldig en lichtzinnig schikt hij zich even gemakkelijk in het vreemde als hij het oorspronkelijk inheemsche schijnt te kunnen vergeten. Hij is meer in naam dan in werkelijkheid een belijder van den Islam; gehechtheid aan geloofsregels kent hij even weinig als onverdraagzaamheid omtrent andersdenkenden. Voor hij op middelbaren leeftijd is gekomen, of zelfs vóór hij oud is geworden, volgt hij de geboden des profeets zelden of nooit met dien ijver op als de Arabieren en Turken.

Hij besnijdt zijn zonen, huwelijkt zijn dochters uit, behandelt zijn vrouwen en begraaft zijn dooden, viert zijn feesten, alles ingevolge de voorschriften van den Islam, maar hij meent genoeg gedaan te hebben als hij slechts de vormen in acht neemt. Gezang en dans, vroolijke gesprekken, scherts en drinkgelagen vindt hij aangenamer dan het vasten, aangenamer dan te luisteren naar de lessen en geboden van den koran, of naar de schriftgeleerde verklaring der heilige boeken, die hem nieuwe plichten zouden opleggen.

Toch zal niemand hem een besluiteloos, wankelmoedig, onzelfstandig, onvertrouwbaar of trouweloos, in ’t kort, een slecht mensch noemen. In Beneden-Nubië, alwaar hij jaarlijks met honderden, in zijn oogen rijke en milddadige menschen verkeert, wordt hij, wel is waar, dikwijls tot een onbeschaamden, onverdragelijken bedelaar, terwijl de vreemdelingen, die hij moet opzoeken, omdat zijn arm land hem niet genoeg voedsel oplevert, ook weinig er toe bijdragen om hem te veredelen; in ’t algemeen echter kan men hem een braaf mensch noemen. Wel ontbreekt hem heden ten dage al te veel de wilskracht zijner voorvaderen, maar daarom nog geenszins hun moed en dapperheid; wel schijnt hij veel zachter en goedaardiger dan de Egyptenaar, toch betoont hij zich niet minder vertrouwbaar en volhardend als deze, vooral waar het moeilijke of gevaarlijke ondernemingen geldt. Zijn arm, weinig voortbrengend land, waaraan hij met zijn geheele hart hangt, dat hij in den vreemde met eene roerende aanhankelijkheid gedenkt, voor hetwelk hij werkt, ontbeert en sterft, daar zijn streven er alleen op gericht is, zijn mannelijken leeftijd en ouderdom daarin door te brengen, legt hem een voortdurenden levensstrijd op, en staalt zijn lichamelijke en geestelijke krachten; de bruisende stroom, tegen welken hij een niet minder harden strijd voert als met het rotsachtig land, wekt en onderhoudt in hem den moed en het zelfvertrouwen, even gelijk die stroom hem bezielde met eene koele onverschilligheid voor het gevaar. Dank deze door hem verworven eigenschappen is de Nubiër een trouw dienaar, een voortreffelijk reisgezel, op wien men zich verlaten kan, een reislustige djellabi of koopman, en bovenal een ondernemend, onverschrokken schipper.

De ouders schijnen hun zonen reeds van de vroegste jeugd af op te leiden voor alle mogelijke diensten, die zij later als volwassenen zullen moeten vervullen. Evenals in Egypte worden ook in Nubië de kinderen der armen eigenlijk niet opgevoed, maar in beslag genomen voor allerlei werkzaamheden, juister gezegd, zooveel hun krachten toelaten geëxploiteerd. Hoe klein de jongen ook nog zij, iets moet hij doen, ’t een of ander ambt vervullen; hoe zwak het meisje ook zijn moge, zij moet haar moeder in alles bijstaan. Maar terwijl men in Egypte het kind nauwelijks tot verademing laat komen, begunstigt men in Nubië het vroolijk spel der kleinen zooveel men kan. In Egypte wordt de jongen tot een knecht, het meisje tot een slavin van dezen knecht, zonder dat men eene blijde jeugd heeft gekend; in Nubië zijn zelfs de halfvolwassenen nog altijd kinderen in hun zijn en wezen. Vandaar dat de eersten onnatuurlijk ernstig zijn evenals hunne vaders, dezen vroolijk evenals hunne moeders. Er bestaat bij de Nubiërs een algemeen geliefkoosd kinderspel, dat ieder reiziger kan leeren kennen en dat hij met welgevallen zal gadeslaan, omdat daarin meer dan in een ander behendigheid en sierlijkheid van bewegingen, volharding en ondernemingsgeest vereenigd zijn; ik bedoel het in de geheele wereld bekende „krijgertje spelen.” Na den arbeid vereenigen zich knapen en meisjes. De eersten verlaten het scheprad, welks trekossen zij van den vroegen morgen tot zonsondergang moesten aandrijven, of het veld, waarop zij hun vaders behulpzaam waren, of het jonge kameel, dat zij leerden draven; de laatsten hare kleinere broertjes en zusjes, die zij eer sleepten dan droegen, het brooddeeg, dat zij moesten laten gisten, den wrijfsteen, aan welken zij haar jonge krachten oefenden; allen spoeden zich naar de rivier. De jongens zijn geheel naakt, de meisjes dragen alleen het franjeschort. Lachend en pratend trekt het gezelschap voort, het wemelt in het goudgele zand en tusschen en op de zwarte rotsen als van bruine mieren. Bont dooreengemengd rangschikken zich de vangers, die den vluchteling moeten inhalen en grijpen. De laatste, die eenige schreden vooruit krijgt, geeft het teeken tot den aanvang der jacht en allen kleven aan zijn hielen. Vlug als een gazelle loopt hij over de zandige vlakte naar de naastbijgelegen rotsen en als jagende windhonden rent de schreeuwende schaar hem na; vlug als eene gems klautert hij de rotsen op en niet minder behendig klimmen ook de vervolgende speelgenooten naar boven; als een verschrikte bever stort hij zich in de rivier, om zich al duikende in ’t water te verschuilen, maar ook de vurige medespelers schuwen een bad niet, en knapen en meisjes scharrelen als zwemmende honden in ’t water, roepen en schreeuwen, snappen, lachen en jolen; drijvende, snaterende eenden gelijk, volgen zij hem in het natte element. Lang schommelt de naald der weegschaal, en soms wordt de geheele Nijl in zijne breedte overgezwommen, alsvorens de stoute voorspeler in handen zijner kameraden valt. De ouders der vroolijke schare staan aan den oever dit schouwspel aan te staren en verheugen zich over de behendigheid, den moed en de inspanning van hun kroost, en ook wij Europeanen moesten bekennen, dat wij nergens levenslustiger, opgewekter wezens gezien hebben dan deze slanke, schoone, fluweelbruine, glimmende kinderen der Nubische woestijn.

Uit zulke spelende kinderen groeien de mannen op, die het wagen de stroomversnellingen te bevaren, en in eene boot stroomafwaarts over de kokende, schuimende, ronddraaiende golven te roeien, zelfs tegen deze op te zeilen; groeien de mannen, die op zulke tochten zelfs geen boot behoeven, maar koen op kleine, uit doerrhastengels los saamgebonden vlotten, of opgeblazen lederen zakken reizen van ettelijke dagen ondernemen. Zoo onverschrokken zien deze Nubische schippers en zwemmers het gevaar onder de oogen, dat de golven hun zelfs geen sagen en sprookjes in ’t oor konden fluisteren. Zij weten van geen niksen en watergeesten, van geen booze of goede genieën, en hunne beschermheiligen, wien zij vóór of onder den gevaarlijken tocht om hulp en bijstand aanroepen, weren slechts het noodlot af, geenszins het kwaadwillig voornemen van booze geesten. De sage is stom gebleven in de stroomversnelling, in den „buik der rotsen”, in de katarakten en draaikolken van de „moeder der gesteenten”, van den „geschokten”, van den „kameelenhals,” van de „koralen” en hoe de stroomversnellingen nog meer mogen heeten. Toch zou hier een geschikte bodem gevonden worden voor sprookjes en sagen, en de meest geschikte aanleiding voor den schipper om het geloof aan de werkzaamheid van booze geesten in zich op te nemen.

De stroomversnellingen worden naar beneden bij hoogen en middelbaren, naar boven bij gemiddelden en lagen waterstand bevaren. Bij den laagsten stand des Nijls zou elke stroomafwaarts gaande boot verpletterd worden, terwijl bij hoogen waterstand zelfs het grootste zeil niet bij machte zou zijn een groot vaartuig stroomopwaarts te brengen. Bij dalend water moeten honderden menschen opgeroepen worden om eene middelmatig groote boot der almachtige regeering naar boven te trekken; op tijden, dat de Nijl is gezwollen, zou men op de enkele niet door het water bedekte eilanden, weêrszijds van het vaarwater, te weinig of in ’t geheel geen ruimte kunnen vinden om de voeten op te zetten. De hoogste waterstand is het meest geschikt om stroomafwaarts te gaan, een gemiddelde waterstand ook om die reden voor de vaart stroomopwaarts, daar alsdan de regelmatig waaiende noordenwind tevens een goede gelegenheid aanbiedt om de hulp van het zeil aan te wenden.

Alle booten, die uitsluitend dienen voor de vaart op de stroomversnellingen, onderscheiden zich zoowel door hare geringe grootte als door haar bouwtrant, alsmede door tuigage en zeilvorm van alle andere Nijlschepen. De romp bevat slechts een gering aantal ribben, de planken worden door schuins ingeslagen, de smalle zijden met elkaar verbindende spijkers vastgemaakt; het zeil is in plaats van driekant, ruitvormig en zoo aan twee ra’s bevestigd, dat men met behulp van de onderste ra meer of minder zeildoek kan opwinden of aan den wind blootstellen. Bouwwijze en tuigage blijken zeer doeltreffend te zijn; de geringe grootte, of althans lengte der boot veroorlooft snelle wendingen, de samenvoeging der planken verleent het scheepslichaam veêrkracht en buigzaamheid, die goede diensten bewijzen bij het dikwijls voorkomend stooten tegen de klippen; door eene naar de sterkte van wind en stroom te regelen drukking van het zeil eindelijk kan men den veelvuldig afwisselenden weêrstand gelijkmatig en voortdurend overwinnen.

Eene bergopwaarts trekkende flotille van booten verleent, wanneer zij zoo pas van de ladingsplaats of van de gedurende den nacht ingenomen rustplaats is opgebroken, een prachtigen, betooverenden aanblik. Op alle vaarwaters ontwaart men zeilen; somtijds ziet men er meer dan twintig tusschen de donkere rotsen blinken. Aanvankelijk blijven de vaartuigen op nagenoeg gelijke afstanden van elkaar; ras echter doen stroom en zeildruk de eerst ingenomen slagorde verbreken. Het eene scheepje na het andere blijft meer terug, het eene na het andere laat het hoofddeel der vloot achter zich en reeds na verloop van een uur ligt er een tamelijk groote afstand tusschen de voorste en achterste boot. De vaart vordert evenwel, zelfs bij een sterken en gestadigen wind, veel minder dan men zou meenen. Wel breken de golven met groot gedruisch tegen den boeg, maar het schip heeft met zulk een groot verval te kampen, dat het maar weinig vooruitkomt. Het is een ware kunst hier zoo te sturen, dat het vaartuig zoo weinig mogelijk krommingen maakt en toch niet tegen de klippen stoot; elke wending toch maakt eene verandering in de plaatsing van het onhandige zeil noodzakelijk en elke stoot veroorzaakt een lek. Kapitein en matrozen hebben daarom handen vol werk. Desniettemin begint eerst dan de eigenlijke arbeid, wanneer een der vele stroomversnellingen in ’t gezicht is, die men over moet steken. Het tot nog toe half ontrolde zeil wordt in zijn geheel aan den wind blootgesteld; de bark jaagt als een krachtige stoomboot door den chaos van rotsen en bereikt de draaikolk, die aan den voet van bijna alle watervallen te vinden is. Alle matrozen staan bij de uitgelegde riemen of aan de gereedliggende touwen, om, al naar zulks vereischt wordt, aan te grijpen, wanneer de boot, gelijk met opzet geschiedt, door de draaikolk wordt gegrepen en in een cirkel wordt rondgevoerd. Op het gegeven bevel van den stuurman dompelen aan deze zijde de riemen in het water, stooten aan de andere zijde lange staven op de rotsen, om het vaartuig daar van af te houden; verkleind of vergroot, draait of wendt zich het door de knapste matrozen gemanoeuvreerde zeil. Eenmaal, tweemaal, zesmaal, tienmaal poogt men tevergeefs de draaikolk over te steken,—eindelijk gelukt zulks en de boot bereikt het benedeneind van den val. Hier evenwel staat zij als vastgeklonken; de drukking van het zeil en van het water maken evenwicht met elkaar. De wind wordt sterker en het vaartuig rukt een of meer meter vooruit; de drukking op het zeil vermindert en de golven werpen het schip weêr terug. Nogmaals vangt de strijd tegen draaikolk en golven aan, en wederom behalen de laatste de overhand. Het komt er nu op aan het ingenomen en veroverde standpunt te handhaven. Een der matrozen grijpt het touw met de tanden, werpt zich in ’t midden van den hevigsten golfslag in den stroom en poogt al zwemmende, terwijl hij het zware touw achter zich aan sleept, een boven de golven uitstekend rotsblok te bereiken. De golven slingeren hem weêr terug en bedekken hem geheel, maar hij herhaalt zijn pogingen, totdat hij inziet, dat hij niet tegen den sterken stroom is opgewassen en een teeken geeft, waarop hij naar het schip wordt teruggetrokken. Nog eenmaal spelen, tot vernietiging in staat, draaikolk en golven met het bij hen vergeleken zoo brooze gebouw; nog eenmaal stuwt de wind dit laatste, in weêrwil van beiden, vooruit. Daar hoort men plotseling een angstverwekkend gekraak; de stuurman verlaat op hetzelfde oogenblik zijn plaats, en vliegt, een wijden boog beschrijvend, door de lucht en in den stroom,—de boot was op een door het water bedekte rots gevaren. Fluks bemachtigt zich een der matrozen van het roer, fluks werpt een ander den in het schuimende water spartelenden stuurman een opgeblazen, aan een touw vastgemaakten lederen zak toe en fluks vliegen de anderen met hamer, beitel en werk naar het scheepsruim om onmiddellijk het lek te dichten. De man aan het roer behoedt, zoo goed hij kan, het vaartuig voor een tweeden schok; de ondergedompelde stuurman klimt uit het donker nat, terwijl hij meer op klagenden dan biddenden toon de woorden uit: „El hamdi lillahi”—God zij geprezen!—de overigen hameren en stoppen, en keeren het indringende water. Een geeft zijn hemd prijs om een lek te dichten, dat reeds alle werk verslond. En wederom zeilt de boot door kolk en golven, schommelend, zuchtend, knarsend als een zeeschip in den storm; weêr bereikt het de stroomversnelling en weêr wordt het gekluisterd door wind en golven. Twee matrozen springen samen in den stroom, bereiken gelukkig het begeerde rotsblok, slingeren er het touw omheen en wenken de overigen om de boot aan te trekken. Zulks geschiedt en nu ligt de boot vastgemeerd aan de rots, in het midden van den hevigsten golfslag, waardoor ze zoodanig wordt geslingerd en zonder ophouden op en neêr bewogen, dat men er zeeziek van worden kan en zulks ook dikwijls werkelijk wordt. Een tweede boot nadert en vraagt hulp. Men werpt haar door middel van den opgeblazen zak een touw toe en bespaart de bemanning hierdoor tijd en moeite. Weldra ligt ook deze boot en daarna een derde en een vierde onder dezelfde rots en alle dansen gezamenlijk op en neêr. Nu evenwel is de vereenigde scheepsmanskracht talrijk en sterk genoeg om de overvaart geheel ten einde te brengen. Tweemaal zooveel matrozen als elk vaartuig voert, bezetten alle noodzakelijke posten van het eene; de anderen zwemmen, waden en klauteren, lijnen naar zich toe trekkende, naar een rotseiland boven de stroomversnelling en slepen de eene boot na de andere, hun krachten met die van het zeil vereenigende, over den schuimenden, bruisenden waterval naar boven. Hier en daar, en nu en dan is de kracht van het zeil alleen voldoende; onder zulke gunstige omstandigheden evenwel brengt windstilte niet zelden vaartuig en bemanning in gevaar. Dikwijls moet eene boot midden in de brandende golven uren, zelfs een dag lang blijven liggen om op een gunstigen wind te wachten. Dan kan het gebeuren, dat men aan elke rotspunt een scheepje ziet hangen, zonder dat men in staat is elkander hulp te bieden.

Meer dan eens was ik genoodzaakt mijn nachtleger op een der zwarte rotsen op te slaan, omdat de hevige beweging der in den waterval op en neêr slingerende boot den slaap onmogelijk maakte. Bezwaarlijk kan men zich een vreemdsoortiger slaapplaats denken. De grond, waarop men rust, schijnt te beven onder de daartegen brandende golven; het bruisen en ruischen, sissen en loeien, dreunen en donderen van het water verdooft elk ander geluid; zwijgend zit of ligt men op zijn tapijt, omringd door zijn lotgenooten. Evenals een dikke voorbijtrekkende nevel spreidt elke windvlaag een fijnen stofregen over het rotseiland. Het heldere legervuur werpt een wonderlijken lichtschijn op het gesteente, en de donkere, in alle vooruitspringende hoeken en kanten schuimende wateren, geven aan de in de schaduw verborgen draaikolken en watervallen nog spookachtiger voorkomen dan ze werkelijk hebben. Soms is het alsof zij honderd muilen openen om het arme menschenkind te verslinden. Doch deze heeft een vertrouwen even sterk als de grond, waarop hij rust. De geweldige stroom moge donderen, de branding woeden en schuimen, men rust hier veilig op de rots, die duizenden van jaren die woede doorstond. Wanneer echter het touw eens brak en de reddende boot tegen de nabijzijnde rots werd geslingerd en verbrijzeld? Dan zal een andere verschijnen om den schipbreukeling aan wal te brengen. Men kan slapen, rustig slapen, in weêrwil van dergelijke gedachten en in weerwil van het onophoudelijk gedreun, want het gevaar verleent moed en moed wekt vertrouwen; het donderen der golven wordt een wiegelied. Welk een ontwaken evenwel op den volgenden morgen! De hemel straalt in ’t oosten van een donzig rood, de oude rotsreuzen hebben een purperen mantel omgeslagen en schitteren straks in een oogverblindend licht, als waren zij gebouwd uit gepolijst staal. Licht en schaduw weven op de zwarte rotsen en in de met een goudgeel zand opgevulde kloven het onbeschrijfelijk heerlijke tooverkleed der woestijn; duizenden en nogmaals duizenden waterpaarlen fonkelen en schitteren daar tusschen; en de stroom ruischt ons daarbij zijn machtige, eeuwig dezelfde en eeuwig verschillende melodie in de ooren. Zulk een schouwspel en zulke muziek vervult elk mannenhart met verrukking. In stille aandacht brengt men den morgen op zijn verheven schouwplaats door, want eerst tegen den voormiddag verheft zich de altijd naar het zuiden stroomende wind. Met dezen beginnen wederom arbeid en gevaar, moeite en strijd, vermetelheid en vrees; en zoo verloopt de eene dag na den anderen, en verdwijnt de eene stroomversnelling na de andere achter den schipper.

De reis stroomopwaarts is gevaarlijk en tijdroovend, de reis stroomafwaarts een waagstuk zonder wederga, een doldriftig jagen door vloed en versnelling, draaikolk en maalstroom, watervallen en rotsnauwten, een moedwillig spel met het leven.

Men onderneemt zoodanige reizen door het gebied van alle stroomversnellingen alleen in booten, die in Soedan gebouwd zijn en voor den benedenloop bestemd werden. Ongeveer een tiende gedeelte wordt op de reis verbrijzeld; dat niet een betrekkelijk even groot aantal schepelingen verongelukt is alleen toe te schrijven aan de ongeëvenaarde zwemkunst der Nubische schippers, die zelfs dan nog niet altijd verdrinken, als zij door de golven tegen de rotsen geslingerd worden; gewoonlijk laten zij zich als eenden op het water drijven om eindelijk toch weder aan vasten wal te geraken.

Ik zal trachten u zoo getrouw mogelijk enkele tafereelen te schetsen van zulk eene vaart stroomafwaarts.