Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 34
Zes nieuwe booten uit het zware, in het water zinkende mimosenhout getimmerd, dat in Egypte zoo zeer gezocht en op prijs gesteld wordt, liggen op de zuidelijke grens der derde groep van stroomversnellingen, aan de rivieroevers vastgemeerd; de daarbij behoorende manschappen rusten op het zand tusschen de zwarte rotsblokken, alwaar zij den nacht hebben doorgebracht. Het is nog vroeg in den morgen en nog stil in het leger; de stroom alleen laat zijn ruischende taal in deze eenzaamheid hooren. De aanbrekende dag wekt de slapers; de een na den ander daalt naar de rivier af en verricht hier de voorgeschreven wasschingen voor het morgengebed. Nadat men het „voorgeschrevene” en het „bijgevoegde” van het gebed heeft uitgesproken, verkwikt zich de geheele bemanning aan een sober ontbijt. Dan ijlt jong en oud naar het graf van den een of anderen scheik of heilige, welker witte koepels tegen de lichtgroene mimosen van een donker dal helder afsteken, om hier onder aanvoering van den oudsten scheepsaanvoerder, die de plaats van Imam bekleedt, een afzonderlijk gebed om eene gelukkige vaart uit te spreken. Bij de booten teruggekeerd, werpt men nog, een oud voorvaderlijk, heidensch gebruik volgende, eenige dadels als offergave in den stroom.
Nu evenwel gebiedt elke gezagvoerder zijn manschappen ieder zijn post in te nemen. „Laat het zeil los! roeit o mannen, in den naam Gods des Albarmhartigen!” Zoo klinkt zijn bevel. Hierop begint hij te zingen, n.l. het refrein van een gedicht; een der roeiers neemt deze wijs over en zingt het eene vers van dat lied na het andere; de overigen begeleiden hem met de taktmatig voorgedragen woorden: „help ons o Mohammed, help ons o godsgezant en profeet!”
Langzaam beweegt zich de schuit naar het midden des strooms; sneller en altijd sneller drijft zij naar beneden; nog enkele minuten en, steeds den loop versnellende, schiet zij tusschen de rotseilanden boven de stroomversnelling door. „O Said, geef ons vreugde,” smeekt de „Reis” of schipper, terwijl de matrozen voortgaan met zingen. Sneller en sneller dompelen de roeiriemen in het zwarte water, en het zweet druipt van de bruine, gisteren weder frisch met zalf ingesmeerde, tot op de lendenen naakte lichamen der roeiers; elke spier is saamgetrokken en in werking. Lof en smaad, vleiende woorden en verwenschingen, beden en bedreigingen, zegenwenschen en vervloekingen wisselen in den mond van den „Reis” met elkander af, al naar de boot een met zijn wenschen meer of minder overeenstemmenden koers maakt. De met alle kracht aangebrachte riemslagen, ofschoon alleen tot sturen en richten bestemd, verhaasten den reeds zeer snellen loop van het vaartuig nog meer en verhoogen het gevaar dikwijls evenveel als zij het trachten te ontgaan; de Reis vindt hierin genoegzame verontschuldiging, waar hij alle hem ten dienste staande middelen aanwendt om zijn matrozen aan te vuren. „Legt u op uwe riemen, werkt, werkt mijn zonen! toont uwe kracht naneven en nakomelingen van helden; bewijst uwen moed, gij dapperen; geeft blijk van uwe kracht, o helden; prijst den profeet, gij geloovigen! Ja, de meriesa, de simbilgeurige meisjes van Dongola, de vertellingen van Kaïro, dat alles zal het uwe zijn! Bakboord zeg ik u, honden, hondenzonen, hondenneven, zonen en nakomelingen van honden, gij christenen, gij heidenen, gij joden, gij kaffers en vuuraanbidders! Wacht, gij spitsboeven, schelmen, dieven, gauwdieven, landloopers, wilt gij roeien! Eerste roeiriem stuurboord, hangen vrouwen aan uwen arm? Derde roeiriem bakboord, slinger de wijven in ’t water, die u leiden! Recht zoo, voortreffelijk, uitstekend, gij krachtige, knappe, lenige jongelingen! God zegene u, gij braven, en geve uwen vader vreugde en uwen kinderen heil en zegen! Beter, beter nog, gij bloodaards daar, gij krachteloozen, ellendigen, nietswaardigen! Verdoeme u Allah in zijn rechtvaardigen toorn,—help ons, help ons o Mohammed!” Zoo stroomt het onafgebroken uit den mond des gezaghebbers, en alles wordt met den meesten ernst gezegd, gesproken, geschreeuwd, geklaagd en nog daarenboven bekrachtigd door passende bewegingen met het hoofd, de voeten en de handen.
De boot heeft den bovensten trap der stroomversnelling bereikt. De rotsen aan beide zijden schijnen in het rond te draaien; het donderende water vloeit over dek en boord en overstemt elk ander geluid, zelfs de bevelen des stuurmans. Onophoudelijk wordt het ranke vaartuig van de eene rots naar de andere geworpen—vrees, angst, ontzetting staan op aller gezichten te lezen—daar ligt de gevreesde plaats reeds achter den spiegel der boot; de golven, die van de rotsen terugschuimden hebben ook het scheepje teruggeworpen; twee riemen slechts zijn gebroken, als broos glas werden zij door het gesteente in splinters geslagen. Maar dit verlies belemmert de boot de gewilde richting aan te nemen en zij drijft naar een der watervallen. Een algemeen geschreeuw drukt ontzetting en vertwijfeling uit; op een wenk van den met bevende knieën aan het roer staanden Reis werpen allen zich plat op het dek en houden zich hier krampachtig vast; een oorverdoovend gekraak volgt, terwijl de ziedende golven alles bedekken; een enkel oogenblik ziet men niets dan water, daarna springt de boot bliksemsnel omhoog—de doodsgevaren zijn voorbij, men heeft den waterval achter zich. „El hamdi lillahi”—God zij dank!—zoo luidt de kreet, aan ieders borst ontweld; dan snellen enkelen naar het ruim om mogelijke lekkages op te sporen en te dichten, anderen leggen nieuwe riemen op, en de tocht wordt vervolgd.
Achter deze eerste boot jaagt een tweede door de gevaarlijke stroomversnelling. Met onstuimige, steeds versnelde haast arbeiden de roeiers: daar worden allen plotseling tegen den grond gesmakt, en een hunner vliegt in een hoogen boog van zijne plaats door de lucht om in den stroom neêr te vallen. Hij schijnt verloren en in den afgrond begraven, maar neen! te midden van de draaiende en schuimende golven beneden de stroomversnelling duikt de meesterzwemmer weêr naar boven, terwijl zijn kameraads in hunne radeloosheid de handen wringen, en wanneer een derde boot de tweede, die op een rotsblok is gestrand, voorbijjaagt en in den maalstroom is gekomen, grijpt hij een der riemen en slingert zich behendig aan boord; hij is gered. Ook de vierde boot rukt nader; smeekende gebaren van de gestrande bemanning der tweede boot roepen om hulp—een wijzen naar den hemel is het antwoord. Inderdaad, menschelijke hulp schiet hier te kort, want de vaartuigen zijn hier niet in de macht der menschen, de stroom zelf moet helpen, wanneer hij niet vernietigen wil, en hij helpt. Grooter worden de slingeringen van het schip, welks voor- en achtersteven beurtelings onder het water verdwijnen en weêr daaruit omhoog rijzen, en plotseling jaagt het weder door draaikolk en stroomen. Eenige matrozen roeien, anderen scheppen water, zoo ook twee medereizende vrouwen; wederom anderen hameren, spijkeren en kalefateren in het ruim. Voor de helft met water gevuld, half drijvend, bereikt de boot den oever en wordt uitgeladen, maar de helft der lading, bestaande uit Arabische gom, is verloren; klagend, jammerend, weenend, op de met de mannen reizende vrouwen vloekende, rukt zich de eigenaar, een arm koopman, den baard uit. De beide vrouwen zijn van alles de schuld; hoe konden zij, die reeds in het paradijs het menschdom in het verderf stortten, een geloovigen Muzelman zegen aanbrengen! Wee, wee over de vrouwen en haar geheele geslacht!
De boot wordt den volgenden dag hersteld en opnieuw geladen; alsdan drijft zij met de anderen naar de volgende stroomversnelling, doorklieft deze zonder beletsel en men bereikt gezamenlijk het vruchtbare, rotsvrije stroomdal van Midden-Nubië, dat alle schippers gastvrij ontvangt en opneemt. Vergeten is alsnu alle zorg; de bruine mannen lachen en schertsen als kinderen en slurpen met wellust den palmwijn en den „meriesa.” Veel te snel drijft de stroom de booten door het gelukkige land.
Wederom schudt de woestijn haar goudgele zandmassa’s over de rotsen der Nijloevers; wederom vernauwen, verdeelen en verhoogen rotseilanden de bedding des strooms; de schepen hebben de tweede stroomversnelling bereikt. De eene gevaarlijke waterloop, de eene gevreesde maalkolk, de eene zorgverwekkende nauwte en kromming na de andere is achter den rug; men voer ze gelukkig door, maar de laatste en wildste stroomversnellingen scheiden de schepelingen nog van het palmendorp Wadihalfa en het van hier uit nog slechts eenmaal, beneden-Phile, met rotsen gevulde, maar overigens niet gevaarlijke benedenste stroomdal. Alle booten zoeken boven de waarlijk vreeselijke stroomversnellingen Gaskol, Moedjana, Aboe-Sir en Hambol een rustige bocht; alle schepen liggen hier stil tot den volgenden morgen, om zich te sterken tegen den arbeid, de inspanning, angst en zorgen van den volgenden dag. Op veêrende rustbedden leggen ook de Westerlingen zich neder.
De nacht schuift zijn sluier over het wilde land. In het rotsdal donderen de naar beneden stortende wateren; in den stillen inham weêrspiegelen de sterren; van het strand stijgt de geur van mimosen omhoog. Daar treedt een bejaarde, tusschen de stroomversnellingen geboren en grijs geworden Reis naar de Westerlingen toe. Zijn schitterend witte baard omlijst het edele aangezicht; zijn wijd opperkleed doet denken aan den tabbaard eens priesters. „Zonen der vreemdelingen, mannen uit Frankenland!” zoo vangt hij aan te spreken, „gij hebt met ons groote gevaren doorstaan, grootere staan u te wachten. Ik ben in het land geboren; zeventig jaren heeft de zon mijn hoofd beschenen; eindelijk heeft zij mijn haar gebleekt. Ik ben een oud man—gij kondt mijn kinderen zijn. Daarom let op de stem van hem, die u waarschuwt en laat af van uw voornemen ons morgen te vergezellen. Onwetend gaat gij het gevaar in, maar ik ken het. Indien gij, evenals ik de rotsen hadt gezien, die als poorten aan de golven den doortocht versperren, indien gij, evenals ik, hadt gehoord hoe deze golven toornig en dreunend toe- en doorgang eischen, hoe zij over de rotsen stroomen en brullend omlaag storten; indien gij bedacht, dat eenig en alleen de genade Gods, die wij bewonderen en aanbidden, ons armzalig scheepje kan sturen, dan zoudt gij aan mijn wensch voldoen. Zou het hart uwer moeder niet van kommer en verdriet breken, wanneer de barmhartigheid van den Albarmhartige ons verliet?—Gij wilt niet? Dan moge de genade des Almachtigen over ons allen heerschen!”
Vóór zonsopgang wordt het levendig aan het strand. Vuriger dan ooit verrichten de schepelingen hun morgengebed. Ernstige, met den stroom bekende stuurlieden, jonge, krachtige, waagzieke roeiers bieden den oude hun diensten aan. Bedachtzaam kiest hij de knapste stuurlieden en de krachtigste roeiers, drievoudig bemant hij het roer en geeft daarna het teeken tot opbreken. „Mannen en zonen des lands, kinderen des strooms, bidt de fatiha” beveelt hij. En allen spreken de woorden van de eerste soere des Korans: „Lof en eer den Heer der wereld, den Erbarmer, die daar heerscht ten dage des gerichts. U willen wij dienen, tot u willen wij bidden, opdat Gij ons den rechten weg zult wijzen, den weg dergenen, die zich in Uwe genade verheugen, maar niet den weg derzulken, over wie Gij toornt, en niet den weg der dwalenden!” „Amen, mijn kinderen; in den naam des Albarmhartigen! Maakt de touwen los en slaat de handen aan de riemen.” Gelijktijdig vallen deze in het water.
Langzaam drijft de opgestuwde stroom het vaartuig naar de eerste versnelling en nogmaals jaagt het, hierin gekomen, aan roer noch riemen gehoor gevende, in alle voegen krakende en steunende, door de over elkaar stortende golven en het kokend schuim, door draaikolk en maalstroom, door nauwten en gewonden vaarwaters, door de golven omspoeld en bedekt, rakelings langs de rotsen, en even rakelings over de met dwarrelende wateren bedekte rotstoppen naar eene tweede versnelling.
Van de hoogte der helling schouwt het oog vol ontzetting in eene met betrekking tot het geweld des waters afgrijselijke diepte; vlak voor den voet des vals verheft zich een rond rotsblok, omgeven door schuimende golven, een met witte haren omlijst reuzenhoofd, dat boven de wateren uitsteekt. Een afgeschoten pijl gelijk schiet het armzalig, hier niet meer te besturen scheepje op dien reuzenkop af. „In den naam des Albarmhartigen roeit, roeit, gij mannen, gij geweldige, dappere, koene mannen, gij zonen des strooms!” steunt de Reis; „bakboord, bakboord het roer, met alle kracht.” Maar roer en riemen weigeren. Niet zoozeer het rotsblok brengt nu het scheepje in gevaar, maar dit wordt door een nauw, in een chaos van rotsen voerend, aan stuurboordszijde der rotsen zich vertakkend vaarwater opgenomen, en tevergeefs zoeken aller oogen een uitweg uit dezen chaos. Reeds verlaten de matrozen de roeibanken om zich van de laatste kleedingstukken te ontdoen, ten einde, zoo de boot mocht stranden, in het zwemmen niet gehinderd te worden; daar doet een vreeselijk gekraak aller blikken weder rugwaarts wenden; het steenen hoofd heeft de volgende, langere, daardoor minder goed te zwenken boot als offer ontvangen, en houdt haar zwevend boven den daar beneden schuimenden vloed. Zulks vermeerdert de ontsteltenis. Alle schepelingen beschouwen de bemanning dier boot voor reddeloos verloren, en allen maken zich gereed voor den sprong in de diepte. Daar dreunt helder en luid de stem des grijzen stroomouden over de woelende wateren. „Zijt gij dan dol, zijt gij van God verlaten, gij kinderen der heidenen! arbeidt, arbeidt, gij knapen, mannen, helden, gij dapperen en geloovigen! In de hand des Almachtigen berust alle kracht en sterkte; Hem zij de eer; aan de riemen gij zonen van helden!” En hijzelf gaat naar het roer en voert binnen weinige minuten de boot uit den „weg der dwalenden” op den „rechten weg” terug. De eene boot na de andere verschijnt in het vrije water; toch niet alle booten ontgingen het gevaar. Nog altijd, en wel tot aan de volgende rijzing van den Nijl draagt het reuzenhoofd zijn last, terwijl de ongeluksboot, waarin de vrouwen waren gezeten, reeds bij de bovenste stroomversnelling in duizend splinters werd geslagen. Met de gelukkig geredde manschap bidden de schippers evenals vóór de afvaart: „Lof en prijs den Heer der wereld!”
Voor het door palmboomen beschaduwde dorp Wadihalfa liggen de geredde booten naast elkander; aan het strand, om flikkerende vuurvlammen, in schilderachtige groepjes geschaard, de schippers. Dikbuikige kruiken, gevuld met meriesa, noodigen tot drinken uit; in andere vaten derzelfde soort borrelt het vleesch der geslachte schapen, onder toezicht van ras toegesnelde, met ricinusolie gezalfde, voor Europeanen niet te naderen vrouwen en meisjes.
De klank der cithers en het geroffel der trom geven het teeken tot den aanvang der „fantasie” van het feest, smulpartij en drinkgelag. Een onuitsprekelijk welbehagen maakt zich van alle schippers meester; hun zaligheid is aan gelaat en bewegingen kenbaar. Eindelijk laat zich na den zwaren, angstigen arbeid van heden de vermoeidheid gelden. De taraboeka valt uit de slappe armen, de tamboera aan de vermoeide hand, en alle, zoo even nog luidruchtige stemmen zwijgen.
In hare plaats vangt thans de nacht aan te spreken. Daar boven klinkt nog steeds het gedonder van de watervallen; uit de kronen der palmen, met wier veêren de nachtwind speelt, daalt een zacht gefluister naar omlaag: aan het vlakke strand breken onder welluidend geklots de golven. En het gedonder der wateren en het spelen der golfjes, het geruisch van den wind en het gefluister der palmen vormen te zamen het heerlijkste wiegelied, dat allen doet insluimeren in het lichtrijk van gouden droomen.
XII.
EENE REIS IN SIBERIË.
Wij hadden de van menschen wemelende straten van St. Petersburg, de in de zon stralende gouden koepels van Moskow achter den rug, en de torens van Nischni-Nowgorod aan den anderen oever der Oka lagen voor ons. Met een dankbaar gevoel hadden wij afscheid genomen van de beide hoofdsteden van Rusland. Wij waren te Berlijn door Z. M. onzen roemruchtigen Keizer in een welwillend afscheidsgehoor ontvangen geworden, de Min. van Buitenl. Zaken had ons dringend aanbevolen, de Duitsche gezant in St. Petersburg had ons vriendelijk welkom geheeten, en zoo hadden wij ons eene goede opname in Rusland voorgesteld; de uitkomst beantwoordde aan onze verwachting, ja, overtrof deze ten zeerste. Z. M. de Czar had ons audiëntie verleend, bij Grootvorsten en Grootvorstinnen van het Keizerlijk huis hadden wij onze opwachting mogen maken; de Rijkskanselier, de Ministers en andere hooge staatsdienaren van Rusland waren ons tegemoet gekomen met die voorkomende vriendelijkheid en opofferende welwillendheid, welke een der karaktertrekken uitmaken van alle beschaafde Russen; de beste aanbevelingen, wier waarde wij later eerst recht zouden leeren kennen, vergezelden ons.
Tot Nischni-Nowgorod hadden wij gereisd met de verkeermiddelen van den nieuwen tijd; voortaan zouden wij ervaren hoe men in het Russische rijk reist, en op welke wijze men er afstanden van duizenden kilometer of wersten aflegt—aflegt in den winter zoowel als in den zomer, des nachts zoowel als over dag, in het hevigste onweder zoowel als in den fellen zonneschijn, in den kletterenden regen of in den ijzigen sneeuwstorm zoowel als wanneer de droogte het stof doet opdwarrelen, in de slede zoowel als in den wagen. Een groote, zware, in alle voegen beklampte, om ’t omvallen te voorkomen wijdbeenige, door een kap tegen regen en sneeuw beschutte, voor 3 paarden ingerichte reisslede, voorzien van tingelende klokjes, stond voor ons.
Het was op het kristallen ijskleed der Wolga, dat wij den 19 Maart de wel snel vorderende, maar toch niet onbelemmerde vaart aanvingen. Wij hadden op de reis van Duitschland naar Rusland dooiweêr gehad, de dooi had ons uit Petersburg naar Moskow verdreven, dooiweder bleef onze bestendige begeleider, als waren wij voorjaarsboden. Met water gevulde gaten, die dreigend herinnerden aan de gapende diepte daar beneden, doorweekten niet alleen slede en paarden, maar ook wijzelf werden doornat; soms werden wij genoodzaakt tot het nemen van groote omwegen, die wegens het kraken van het ijs gevaarlijker schenen, dan zij werkelijk waren, maar toch den koetsier en den postillon beiden zoo met bezorgdheid vervulden, dat wij na eene korte vaart de gladde ijsbaan verwisselden met den nog onbereden zomerweg. Deze weg, waarover niet alleen duizenden van vrachtwagens hun lasten vervoeren, maar langs welken eveneens duizenden veroordeelden naar het gevreesde Siberië trekken, is voor laatstgenoemden een weg der zuchten; hij werd zulks mede voor ons. De losse, met water gedrenkte sneeuw lag hier nog een meter hoog; rechts en links ruischten en stroomden tal van beekjes, overal waar deze slechts ruimte hadden om te stroomen en te ruischen; op beklagenswaardige wijze matten de nu voor elkander gespannen paarden zich af, om vasten voet te behouden; met sprongen trachtten zij de sporen van den voorganger te bereiken en tot aan de borst zakten zij bij iederen verkeerden sprong in de sneeuw en het ijskoude water. Daarachter schudde de slede, in alle voegen krakend, telkens als zij met een snellen ruk van de hoogte in de diepte werd geslingerd; uren lang bleef het voertuig, trots alle inspanning der paarden, in een gat steken, en weêmoedig klingelde het geschenk der raadselachtige Faldine, het wolvenverdrijvende klokje. Tevergeefs vermaande, bad, bezwoer, kraste, krijschte, schreeuwde, vloekte en zweepte de koetsier; meestal moest vreemde hulp ons uit dezen nood helpen.
De uren werden dagen van kwelling, de weg scheen steeds langer te worden. Het vergezicht schonk evenmin naar rechts als naar links eenige opbeuring, want zonder schoonheid, woest en eenzaam strekte zich het vlakke land voor ons uit; alleen de dorpen leverden eenige afwisseling op, maar alleen voor hem, die weet te zien en die wil waarnemen. De winter hield de menschen hier nog terug in hun kleine, sierlijk aangelegde, meest evenwel erg verwaarloosde blokhuizen; in pelzen gehulde knaapjes alleen liepen barrevoets door de met water gedrenkte sneeuw en den vuilen drek, terwijl de oudere jongens en meisjes met behulp van stelten deze hinderpalen trachten te overwinnen; oude, wit-gebaarde bedelaars belegerden de posthuizen en herbergen, voor een schilder evenwel bedelaars om te stelen; bedelaars, die, wanneer zij, om eene aalmoes smeekende, het hoofd ontblootten, met hun eerwaardige kale kruin en den langen golvenden baard, niet minder ook door hunne vuile lichamen en armoedige, gescheurde kleeding zoo getrouw het beeld weêrkaatsten van wereldverachtende heiligen, dat ik nimmer kon nalaten hun altijd weêr iets te geven, al was het alleen maar om hen te nopen tot dankbetuiging een kruis te slaan, welke ceremonie soms tot negenmalen herhaald werd—en met zooveel uitdrukking en overtuiging geschiedde, dat een ware heilige het niet beter zou hebben kunnen verrichten.
Ook de dierenwereld liet zich in de dorpen meer zien dan op de velden, zelfs meer dan in de bosschen, die wij doortrokken. Daar buiten hield de winter het dierlijk leven nog geheel in zijn boeien geslagen; daar was alles nog stil en dood; behalve eene bonte kraai en een geelgors, liet zich daar nog geen enkele vogel zien, en in de sneeuw bespeurden wij geen spoor van eenig zoogdier; in de dorpen werden wij ten minste verwelkomd door bekoorlijke kauwen, sieraden op de daken der blokhuizen, door den raaf, bij ons te lande de schuwe bewoner van bosschen en bergen, hier de vertrouweling der dorpsbewoners, door eksters en meer andere vogels, niet gerekend de huisdieren, onder welke de vrij rondloopende zwijnen vooral onze aandacht trekken.
Na een vierdaagschen, onafgebroken tocht, zonder ons eene enkele maal door een verkwikkenden slaap gesterkt te kunnen hebben, zonder eene werkelijke rust genoten te hebben, zonder behoorlijk voedsel, aan alle leden gebroken, bereikten wij, na het zeer gebarsten ijsdek der Wolga te voet te zijn overgetrokken, Kasan, de oude hoofdstad der Tartaren, welker zestig torens ons sedert den vorigen dag reeds vriendelijk hadden toegelachen. Ik dacht een oogenblik in het Oosten te zijn verplaatst. Van de minarets en de ettelijke boven alles uitstekende, met een puntig toeloopend dak voorziene houten torens klonk mij wederom in Arabische klanken de oproeping tot het gebed, door den Islam van zijn belijders geëischt, in de ooren; te midden der met een tulband omwonden mannen zweefden zwartoogige, voor dezen zich angstig bedekkende, voor ons zich nieuwsgierig ontsluierende vrouwen langs den weg; uit vrees hare fraaie, niet waterdichte, saffraankleurige schoentjes nat te maken, volgen zij voorzichtig de droge smalle paadjes langs de huizen; in de drukte van den bazar woelt jong en oud dooreen—even als in het Oosten. Alleen het groot aantal prachtige kerken, waaronder die van het klooster, genaamd: „de niet door menschenhanden gemaakte Moeder Gods van Kazan” door ligging en bouwwijze uitmunt, wilden niet recht in die Oostersche lijst passen, ofschoon hier blijkbaar Christenen en Mohammedanen eendrachtig samenwonen.
Op lichte sleden, op zoo mogelijk nog bodemloozer wegen, trokken wij verder, Perm en den Oeral tegemoet. De weg voert ons door Tartaarsche en Russische dorpen, bebouwde velden en groote, uitgestrekte bosschen. De Tartaarsche dorpen onderscheiden zich gunstig van de Russische, want niet alleen mist men er de voor onrein gehouden varkens, maar tevens vindt men bij elk dier dorpen een goed onderhouden, met hooge boomen beplant kerkhof; de Tartaar toch eert de rustplaats zijner dooden, de Rus ten hoogste die zijner heiligen. De bosschen ofschoon planmatig ingedeeld, zijn oerwouden, die groeien en gedijen, verouderen en afsterven zonder toedoen des menschen; zij liggen te ver verwijderd van bevaarbare rivieren om er een winstgevend gebruik van te maken.