Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 32
Tallooze steenmassa’s, rotskegels en blokken noodzaken den Nijl zich uit te breiden; een chaos van steen en water, zooals nergens elders aanschouwd wordt, verwart het oog. Bij hoogen waterstand overstemt het gebrul der dwarrelende, tusschen de rotsen wegsnellende golven het geluid der menschelijke stem; het dreunt en dondert, ruischt en bruist, spat en sist, dat de rotsen bijna sidderen. Boven de hier onafgebroken aan elkander geregen stroomversnellingen en draaikolken ligt de hoogopgestuwde Nijl als een stille zee voor het oog des beschouwers; dit vriendelijke, door eenige groene eilandjes omhoog geheven beeld is echter eng begrensd. Verder opwaarts wordt het stroombed nogmaals door tallooze klippen verdeeld; want nu begint eigenlijk de „Batte el Hadjar” of het rotsdal der schippers, waarin nog tien naamdragende stroomversnellingen liggen. Dit is het meest woeste gedeelte van Nubië en in ’t algemeen van het geheele Nijldal. Gewoonlijk ziet men er niets dan lucht, water, rotsen en zand. Steil, soms loodrecht, stijgen de uit steen gebouwde rivieroevers uit het stroombed omhoog; tusschen deze en tusschen de in het water gelegen eilanden wordt de Nijl zoo samengeperst, dat hij in den tijd van den hoogsten waterstand van twaalf tot achttien meter hooger staat dan gedurende den laagsten stand. De oeverwanden zijn spiegelglad, evenals waren zij gepolijst; zij weêrkaatsen schitterend het licht en zijn des daags zoo gloeiend heet, dat men zou meenen zij waren eerst vóór weinige dagen uit de ingewanden der aarde opgeweld.
De vruchtbare stroom ruischt schier doelloos langs deze rotsen, want slechts op zeer weinige plaatsen kan hij van zijn goddelijk privilege gebruik maken. In inspringende bochten of achter voorgebergten, die den sterken stroom afleiden, laat hij zijn vruchtbaar slib vallen, en voert hij meteen de zaden aan. Op zulke plaatsen kiemt, groeit, groent en bloeit het ook in deze wildernis. Op alle eilanden, in welker rotskloven het slib bleef hangen, in alle door den sterken stroom niet bereikte bochten, verheffen zich wilgen en mimosa’s, als getuigen des levens in het rijk des doods. Wortel na wortel, spruit na spruit zond de eerste wilg uit, die hier vasten voet erlangde, en zoo bekleedde zich de kale grond weldra met een levendig groen. In de maanden van lagen waterstand doet het allengs ontstane kreupelboschje nieuwe twijgen ontspruiten; is de rivier gezwollen dan overstroomen de wateren eiland en hout. Hooger en hooger rijst de vloed; heviger woedt de golfslag; de wilgen buigen zich voor hem, maar klemmen zich steeds vaster tegen de rotsen. Maanden lang blijven zij, op enkele takken na, die nog boven de schuimende en sissende watermassa uitsteken, onder de golven bedolven; hare wortels echter houden zich vast, en met nieuwen levensmoed ontbotten wederom de struiken, zoodra het water is gevallen. Op zulke plaatsen der huiveringwekkende wildernis heerscht hetzelfde dierlijk leven, dat men waarneemt op andere plaatsen van het Nijldal. In het wilgenloof hebben enkele paren van de levendige en schreeuwlustige Nijlgans post gevat, en op de naburige rotsen is een sierlijke kwikstaart gezeten; van de oeverwanden weêrklinkt het lied eener blauwmerel of van een rouwtapuit; om de bloeiende mimosa’s fladdert de eerste tropische vogel, dien men op dezen tocht ontmoet, een prachtige honigzuiger; nu en dan stoot men misschien op een koppel sierlijke rotshoentjes. De hier genoemde vogels met nog eenige andere soorten vormen de spaarzame bevolking van het rotsdal, en alleen op den trek verschijnen daarneven nog dikwijls zeer talrijke troepen van andere vogels, die den stroom, hunne heerbaan naar Centraal-Afrika, volgen, om dan bij tijd en wijle in het dal uit te rusten. Zij vliegen echter zoo spoedig mogelijk van daar, omdat het rotsdal niet in staat is hen zelfs maar voor weinige dagen te voeden; het valt dan ook bezwaarlijk te begrijpen dat die anderen hier hun dagelijksch brood vinden.
En toch vormen zij niet de eenige bewoners dezer waterwoestijn. Er zijn menschen, die deze hun vaderland noemen.
Mijlen ver van elkander verspreid, bevinden zich hier enkele armoedige stroohutten, waarin een Nubiër met zijn gezin een ellendig leven leidt. Een kleine, met vruchtbaar slib gevulde inham tusschen de rotsachtige oevers, wellicht slechts een tegen deze aangeplakt slijkbed vormt de arme bezitting, die hij de zijne noemt. In het eerste geval is hij een rijk man, vergeleken met de geringen, die slechts over zulk een slijkbed beschikken. Met levensgevaar zwemt de laatste naar zulke van de bergzijde ongenaakbare plaatsen, alwaar de vallende stroom slib afzette, om de pas van water bevrijde laag met boonen te bezaaien; eenige dagen later, wanneer de rivier nog meer is gevallen, herhaalt hij zijn bezoek en zijn arbeid, en telkens weder, zoolang het water blijft vallen. En zoo ziet men op zulke met het vallende water zich steeds vergrootende velden boonen in alle perioden van den groei; tevens kan men opmerken dat onze weinig eischende landman tegelijkertijd oogst en zaait. Onder zeer gunstige omstandigheden veroorlooft een dieper inspringende, met Nijlslib gevulde inham het plaatsen van een scheprad ter bevloeiing van enkele aren bouwgronds, en in dit geval is de gelukkige bezitter in staat eene koe te houden; zoo iemand leeft nog eenigszins dragelijk, ofschoon hij nog altijd als zoo arm wordt beschouwd, dat zelfs eene Egyptische regeering geen belasting van hem durft vorderen. Zulke plaatsen zijn evenwel zeldzame oasen in deze ijzige wildernis. De stroomopwaarts zeilende schipper begroet elken struik, elken palmboom met zichtbare vreugde, een boonenveld, het doel wellicht van dagen lange hoop, met gejubel, een scheprad met dank jegens den Albarmhartigen. Want niet slechts vrees kan zijn moedig hart in dit rotsdal bevangen, maar ook bitter gebrek kan zijn deel worden, ja zelfs de hongerdood kan hem tegengrijnzen, tenzij hij een voorraad voedsel medenam, voldoende om hem eenige maanden te voeden. Stroomafwaarts schiet de boot pijlsnel voort om dit land der verschrikking—althans de eenzaamheid en armoede—te ontvlieden; stroomopwaarts zeilende ligt de boot dikwijls uren, ja dagen lang onder bescherming van een rotsblok beneden eene stroomversnelling als vastgemuurd. Wachtende op een gunstigen wind, door het onophoudelijk op en neêr schommelen van het vaartuig aan zeeziekte lijdende, kan de schipper soms mijlen ver wandelen of zwemmen, alvorens hij menschen of bebouwde akkers ontmoet.
Het rotsdal gaat in het zuiden bijna onmiddellijk over in de vruchtbare landstreek van Midden-Nubië. Een door twee woestijnen ingesloten smal waterbekken, met vele groote eilanden in ’t midden der rivier, door deze met slib bedekt, gelijk ook de eilanden daaruit werden opgebouwd, neemt den reiziger op. Het wijst wel is waar nog niet den vollen rijkdom der tropen aan, maar laat toch derzelver frischheid en krachtig leven in sommige planten en dieren doorschemeren. Dichte palmbosschen, die de heerlijkste dadels doen rijpen, begrenzen aan den kant der woestijnsteppen deze liefelijke oase, die den arbeid des landmans met een rijken oogst beloont; Christusdoorns en onderscheidene mimosa’s, die zich tot hiertoe niet lieten zien, verkondigen ons, dat wij den keerkring overschreden. Behalve den straks genoemden honigzuiger bemerken wij nog andere vogels van Centraal-Afrika. In het eerste doerrha-veld, dat men scherper in ’t oog vat, verkwikt men zich aan een even zoo kleurigen als levendigen, tusschen de stengels verblijfhoudenden vuurwevervogel. Het schijnen vuurvlammetjes te zijn, die zich nu en dan op den top eener aar neêrlaten om van dezen hoogen zetel een eenvoudig, sjirpend of spinnend liedje voor te dragen, dat alle soortgenooten aanspoort om hetzelfde te doen. In de spleten en scheuren der leemen hutten hebben zich andere leden derzelfde familie verzameld, bij name de staal- en bloedvinken, terwijl in de tuinen om de huizen Kaapsche duiven hare nesten hebben opgeslagen. Op de zandbanken der rivier groeven schaarbekken hunne napvormige nesten; nachtzeezwaluwen van eene bijzondere soort, die eerst tegen de schemering op roof uitvliegen, strijken dicht langs de oppervlakte der golven om deze met hun snavel te doorploegen, ten einde de kleine, in de bovenste waterlagen zwemmende dieren te bemachtigen.
Maar ook dit heerlijk plekje gronds is eng begrensd. Reeds beneden de bouwvallen van den tempel van Barkal nadert het nog altijd woeste en onvruchtbare gebergte den stroom en verdringt zoowel het vruchtdragend land als de woestijnsteppe. De laatste stroomversnelling ligt voor ’t oog des stroomopwaarts trekkenden reizigers. Zoo onbeschrijfelijk arm als het rotsdal was, is het gebied van de derde stroomversnelling niet; goed bebouwde, alhoewel niet zeer breede strooken gronds aan beide zijden van den stroom en kleine vruchtbare eilanden in de rivier geven een indruk van meerdere weelde. De rotsmassa’s aan den oever zijn minder samenhangend dan in het rotsdal zelf en rijk aan zoogenoemde steenmeren—grillig op elkander gestapelde heuvels en wallen van rotsblokken en rolsteenen, gelijk de groote stroomen deze achterlaten, wanneer zij hun bed dieper in het door hen uitgespoelde dal graven. Aan beide zijden der rivier, meest boven op de het naast den oever begrenzende hoogten, aanschouwt het oog rotsblokken van meer dan honderd kubieke meter inhoud; deze liggen zoo los op hunne betrekkelijk kleine onderlaag, dat zij bij een eenigszins hevigen wind beginnen te waggelen en met behulp van hef boomen gemakkelijk door een gering aantal menschenhanden zouden weggerold kunnen worden. Op vele plaatsen zijn deze rotsmeren zoo grillig gebouwd, dat het den schijn heeft alsof de luim van reusachtige kabouters deze kegels en pyramiden, muren en wallen, die in bonte mengeling de oeverbergen kronen, opeen had gestapeld. Meer evenwel dan al deze bouwgewrochten van den stroom, schenken die van den mensch aan de derde stroomversnelling een bijzonder karakter. Op alle daarvoor geschikte vooruitstekende oeverrotsen, vooral op de grootere rotseilanden, verheffen zich gebouwen, voorzien van ringmuren en torens met gekanteelde lijsten, gelijk men ze nergens anders in het Nijldal ontmoet. Het zijn vestingwerken uit vroegere tijden, burchten van voormalige hoofden der stroombewoners, opgericht om bescherming en veiligheid te verleenen, om lijf en goed tegen de aanvallen van naburige vijandelijke stammen te verzekeren. Uit ruw op elkander gestapelde, bijna uitsluitend met Nijlslib aaneengemetselde, onbehouwen steenen is het benedengedeelte der muren en omwallingen opgetrokken; dikke, nu grootendeels vervallen muren van uit Nijlslib vervaardigde en in de lucht gedroogde steenen vormen den bovenbouw dezer burchten, die meer door een trotsch voorkomen dan door schoonheid uitmunten. Uit het midden van den stroom b.v. verheft zich een kale, pikzwarte, glinsterende rots, op welker top zich zulk een vesting bevindt. Woest klotsen de golven tegen haar voet, maar rustig weêrstaat zij dien schok, en veilig steunt de haar toevertrouwde vesting op deze steenmassa. Aan de stroomafwaarts gerichte zijde is het water rustig en hier is de rots, dank zij de levenwekkende kracht der rivier, inderdaad heerlijk getooid. In het kalme, stille water werden in den loop der tijden dikke sliblagen afgezet, zoodat er allengs een eiland uit den vloed oprees; de mensch maakte zich daarvan meester, plantte er den palmboom en legde er akkers aan; en zoo ontstond er op en achter de rots een liefelijk beeld van veiligheid en bewoonbaarheid, dat juist door zijn tegenstelling met de omringende onrustige en woeste water- en rotsvlakten, aangrijpend op het gemoed werkt.
Aan de zuidelijke grens der derde stroomversnelling beginnen de steppen en wouden der keerkringslanden; slechts op enkele plaatsen bereiken nu voortaan de rotsen nog den breeder geworden stroom en zijne grootere bijrivieren. Over eene lengte van meer dan honderd geographische mijlen doorsnijden de Abiad en Asrakh, of witte en blauwe Nijl, vruchtbaar, bijna vlak land; dan eerst ontmoet men weder eenige stroomversnellingen. Dit gedeelte behoort echter niet meer in de lijst der schilderij, die ik trachtte te ontwerpen, want alleen Nubië is het land van de katarakten van den Nijl.
Het is moeilijk na te gaan in hoeverre de Nubiër door zijn woonplaats gemaakt werd tot hetgeen hij is; zooveel is zeker, dat hijzelf van zijn naburen, de Egyptenaren, evenveel verschilt als zijn land met dat van laatstgenoemd volk. Beiden hebben geen de minste overeenkomst, noch in lichaamsvorm, noch in huidkleur; evenmin in afstamming en taal, zeden en gewoonten. Zelfs in godsdienst verschillen zij, niettegenstaande beide volken tegenwoordig als eersten regel des geloofs erkennen: „Er is maar één God, en Mohammed is Zijn éénige profeet.”
De Egyptenaren zijn gesproten uit het gemengde bloed der oude Egyptenaren en dat van later ingekomen Arabische horden uit Yemen en Hedjas, die met de vroegere bewoners van het dal des beneden-Nijls ineensmolten; de Nubiërs zijn afstammelingen van de „wilde Blemyers,” tegen welke de Pharao’s van het oude, middelste en nieuwe rijk, alsmede de Egyptische Ptolemeeërs voortdurend, ofschoon niet altijd met gunstigen uitslag, krijg voerden. De Egyptenaren spreken de taal, waarin Mohammeds „openbaringen” werden opgeschreven, de Nubiërs eene in vele dialecten gesplitste taal van het oud-Ethiopisch; de eersten gebruiken een overoud schrift, de laatsten hebben ongetwijfeld nimmer schriftteekens gehad, die in hun eigen taal wortelen. De eersten hebben nog al den ernst bewaard der oude Egyptenaren, evenals de zonen der woestijn, van welke zij afstammen; zij zijn steeds, gelijk alle Oosterlingen, gedurende hun geheele leven met angst vervuld omtrent het „hier namaals” en regelen naar hunne droomen hierover hun zeden en gebruiken; de laatsten behielden de lustige levensvreugde der Ethiopiërs en leven, als kinderen, onbezorgd van den eenen dag op den anderen, het goede zonder dank, het kwade onder veel en luid geklaag ontvangende, terwijl zij het een zoowel als het andere onder den invloed van het oogenblik ras vergeten. Op beiden drukt in gelijke mate het juk der dienstbaarheid; de Egyptenaar draagt het kermend en weêrstrevend, de Nubiër gelijkmoedig en zonder morren; gene is een onwillige slaaf, deze een gedwee dienaar. Elke Egyptenaar acht zich boven den Nubiër hoog verheven, houdt zich, wat afstamming, taal en zeden betreft, voor hooger, praalt met zijn beschaving, ofschoon deze over ’t algemeen zeer gering is, en tracht den donkergekleurden broeder even zooveel te onderdrukken, als hijzelf in ’t bewustzijn zijner onmacht zich schikt in de hem opgelegde dienstbaarheid; de Nubiër erkent in ’t algemeen de lichamelijke meerderheid van zijn buurman, inzonderheid de geestelijke superioriteit van de meer uitstekende Egyptenaren, schijnt niet te weten, dat hijzelf die beschaving mist, maar is op zijne beurt weder geneigd den minder begaafden en zwakkeren bewoner van Centraal-Afrika onder ’t juk te brengen; toch stelt hij zich weder met den gekochten neger op een broederlijken voet en schikt zich oogenschijnlijk geduldig in het hem toebedeelde lot, na vergeefs gepoogd te hebben in den strijd tegen de overmacht overwinnaar te blijven. Hij is nog heden ten dage een natuurmensch in hart en nieren, terwijl de Egyptenaar ons het treurige beeld vertoont van een vervallen en steeds meer en meer vervallend volk. De Ethiopiër heeft zich op den onvruchtbaarsten bodem der aarde nog een zekere mate van vrijheid weten te veroveren, de Egyptenaar is op het rijkste plekje der wereld tot een slaaf geworden, die het moeilijk zal wagen zijn ketens af te schudden, niettegenstaande hij nog altijd met zelfverheffing van zijn roemrijk verleden spreekt.
En toch hebben de Nubiërs evenveel, zoo niet meer recht van de groote daden hunner vaderen te gewagen en zich daaraan te spiegelen dan de Egyptenaren. Want die voorvaderen hebben niet alleen met de Pharao’s en de Romeinen, maar zelfs met Turken en Arabieren, met de heerschers en beheerschers van het hedendaagsche Egypte wakker strijd gevoerd; dat zij overwonnen zijn is alleen daaraan toe te schrijven, dat zij van vuurwapenen verstoken waren. Toen ik voor de eerste maal de Nijllanden bereisde, leefden er nog ooggetuigen dier oorlogen, uit wier mond ik een en ander vernam, dat ik thans naar waarheid wil mededeelen, ten einde, althans in één opzicht, recht te laten wedervaren aan een volk, dat te vaak wordt miskend. De gebeurtenissen, die ik op het oog heb, vallen tusschen de jaren 1830 en 1840 onzer tijdrekening.
Nadat Mohammed-Aali, de even krachtige, als onrechtvaardige en wreede grondvester der tegenwoordige Egyptische dynastie, in Maart 1811 de door hem genoodigde hoofdelingen der Mamelukken trouweloos had overvallen en neêrgesabeld, scheen zijne heerschappij over den beneden-Nijl verzekerd te zijn. Maar nog was de trotsche krijgersstam, wier hoofden door dat schandelijk verraad waren gevallen, niet geheel onder ’t juk gebracht. Op wraak bedacht, kozen de Mamelukken uit hun midden nieuwe hoofden en trokken zich aanvankelijk naar Nubië terug, om zich hier te verzamelen en van daar uit den laaghartigen vijand opnieuw te beoorlogen, althans te bedreigen. Mohammed-Aali voorzag het gevaar en verzuimde niet dit, als ’t zijn kon, tegen te gaan. Zijn leger volgde de verstrooide Mamelukken op den voet. Deze, te zwak om een strijd in ’t open veld te wagen, wierpen zich in de vestingen, en stierven daar tot den laatsten man den heldendood. Gelijktijdig met hen werden ook de Nubiërs overwonnen, en omdat deze de zijde der Mamelukken hadden gekozen, als slaven behandeld. Enkel de dappere stam der in den strijd geharde Scheikiërs stond in het jaar 1820 bij bet dorp Korti tegenover de Turksch-Egyptische troepen; eene heldhaftige, maar ongeregelde, met lans, zwaard en schild gewapende schare tegenover geregelde, geoefende en met vuurwapenen uitgeruste soldaten, die gewoon waren te overwinnen. Naar oud gebruik schouwden de vrouwen met hunne kinderen het gevecht aan, om door gillende oorlogskreten tot moed aan te vuren, aan de strijdende vaders de omhooggebeurde kinderen te toonen en hen hierdoor met doodsverachting te bezielen. De Nubiërs streden met een moed, hunnen vaderen waardig; zij drongen door tot de kanonnen, die dood en verderf zaaiden onder hunne gelederen; zij hieuwen met hunne lange zwaarden op de ingebeelde monsters, diepe sneden achterlatende op de metalen buizen—maar de Egyptenaren zegevierden; niet de dapperheid, maar overmacht van wapenen besliste. Onder het gillend gehuil der vrouwen sloegen de bruine mannen op de vlucht. Wilde vertwijfeling greep de eersten aan; een roemvollen dood verkiezende boven smadelijke slavernij, drukten zij hare kinderen aan het hart en stortten zich bij honderdtallen in den door het bloed harer mannen roodgeverfden stroom. De vluchtelingen werden door de woestijn aan weêrszijden der rivier belet hun schuilplaatsen te bereiken en zoo bleef hun eindelijk geen andere keus dan zich over te geven, en den tot nog toe zoo trotschen nek te buigen onder ’t juk des overwinnaars.
Nog eenmaal flikkerde de oude heldenmoed weder op. Een der opperhoofden, de reeds nu door de sage verheerlijkte Melik el Nimmr, d.w.z. „koning der luipaarden” verzamelde zijn volk te Scheedi in zuidelijk Nubië, daar hem de onderdrukking van den wreeden overwinnaar onverdragelijk was geworden. Vol wantrouwen trok Ismaël Pacha, de zoon en legeraanvoerder van Egypte’s heerscher tegen hem op, en nog voor Melik Nimmr met zijn toebereidselen gereed was, verscheen Ismaël, alle booten in beslag nemende, voor Scheedi en stelde aan Melik Nimmr onmogelijke voorwaarden, ten einde dezen tot slaafsche onderwerping te noodzaken. Melik zag het dreigend verderf in en besloot handelend op te treden. Hij veinsde evenwel onderwerping, maar middelerwijl snelden zijn boden van hut tot hut om de overal onder de asch smeulende vonken van opstand tot eene flikkerende vlam aan te blazen. Door listige beloften wist hij Ismaël Pacha uit diens veilige boot in de rondom met doornheggen afgesloten ruime, maar armoedige koningswoning te lokken; om deze waren reusachtige bergen van stroo, opgehoopt, volgens het voorgeven van den koning der luipaarden om het door den Pacha verlangde kameelvoeder te leveren.
Een heerlijk feest, zooals Ismaël nog nimmer aanschouwde, wil Melik zijn heer en gebieder bereiden; daarom vraagt hij verlof om ook alle officieren van het Egyptische leger te mogen uitnoodigen, in welk verzoek de Pacha bewilligt. Legeraanvoerder, staf en officieren vereenigen zich aan het in de koninklijke woning aangerichte gastmaal. Voor de doornheg ruischt de taraboeka, die tot den dans noodigt, en dreunt de krijgslust inblazende inlandsche trom; het jeugdige geslacht, feestelijk met zalf besmeerd, oefent zich in den vroolijken dans. De lansen schieten door de lucht, met bewonderenswaardige behendigheid opgevangen door de schilden der tegenover elkaar geplaatste dansers; de lange zwaarden der beide in krijgsdans zich draaiende partijen bedreigen elkanders hoofd, maar worden behendig met kling en schild gepareerd. Ismaël schept een ongemeen behagen in de schoone, bruine jongelingen en de bevallige bewegingen hunner buigzame ledematen, in de koenheid der aanvallen en de zekerheid van afweer. Meer en meer zwaarddansers treden op het tooneel, dichter wordt het gedrang voor de feestzaal, heviger en woester worden de bewegingen en sneller roffelen de trommen. Daar slaat plotseling de taraboeka andere tonen aan; honderdvoud wordt dit geluid herhaald door geheel Scheedi en eveneens in de naburige dorpen aan deze en gene zijde des Nijls. Een gillend, in de hoogste tonen zich bewegend vrouwengeschreeuw doortrilt de lucht; vrouwen, tot op de lendenen naakt, met stof en asch in de gebalsemde haren, met brandende fakkels in de handen, stormen nader en slingeren den brand in de muren van het koninklijk paleis en in de omringende stroobergen. Eene ontzettende vuurzuil stijgt ten hemel, en in de vlammen, waaruit kreten van schrik en wee, van vloek en klacht weêrklinken, vliegen bij duizendtallen de doodaanbrengende lansen van hen, die zooeven den krijgsdans uitvoerden. Noch Ismaël Pacha, noch een enkele zijner feestgenooten ontgaat een wreeden dood.
Het is alsof de krijgslieden uit den grond te voorschijn komen. Wie de wapens kan dragen keert zich tegen de wreede vijanden; de vrouwen, haar geslacht vergetende, treden in de rijen der kampvechters; grijsaards en knapen worstelen met mannenkracht en mannelijke volharding ter bereiking van het ééne doel. Scheedi en Metamme worden in een enkelen nacht van alle vijanden bevrijd; slechts een gering aantal der in afgelegen dorpen liggende Egyptenaren ontkomen aan het bloedbad en brengen den tweeden, in Kordofan wachtenden legeraanvoerder de ontzettende tijding.
Deze, Mohammed-Bei el Defterdar, nu nog door de Nubiërs „el Djelad” den beul, bijgenaamd, ijlt met zijne geheele legermacht naar Scheedi, verslaat de Nubiërs ten tweeden male en offert alsnu meer dan de helft van de toenmalige bevolking des land aan zijne onverzadelijke wraakzucht op. Den koning der luipaarden gelukt het naar Habesch te ontvluchten; zijn onderdanen moeten zich evenwel voor den vreemdeling buigen, en hunne kinderen „groeien” om mij van de uitdrukking mijns zegsmans te bedienen, „in het bloed der vaderen op.” Sedert die ongeluksdagen zijn de Nubiërs de lijfeigenen hunner onderdrukkers gebleven.