Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 3

Chapter 33,767 wordsPublic domain

Hebben zij zich overtuigd, dat er wezenlijk gevaar bestaat, dan vliegen zij schielijk terug, en geven door een waarschuwend geluid zulks te kennen aan alle bergvogels, die dit begeeren te weten en die er dan ook werkelijk notitie van nemen. Eenige meeuwen besluiten thans zich in elk geval door een persoonlijk onderzoek van de oorzaak der stoornis te overtuigen. Vijf of zes dezer vogels vliegen de boot tegemoet, stellen zich in de lucht evenals valken op, stooten misschien reeds nu stoutmoedig op de indringers en keeren sneller dan zij gekomen waren naar den holm terug.

Net alsof men geen vertrouwen in deze boodschappers stelde, verheft zich nu een dubbel, drie-, vier-, tienvoudig aantal om eveneens te handelen zoo als de eerste verspieders hebben gedaan. Reeds strijkt eene dichte laag vogels over de boot. Deze wolk wordt al dichter en dichter en neemt een steeds dreigender aanzien aan, daar de vogels niet alleen met steeds aangroeiende koenheid op de schepelingen stooten, maar daarbij stoffen op hen laten vallen, die aangezicht en kleedingstukken een minder sierlijk uiterlijk verleenen. In de nabijheid van het eiland klimt de opgewondenheid tot eene zinnelooze razernij, het geschreeuw van enkelen wordt tot een geloei van duizenden. Nog voor de boot geland is, zijn de mannelijke eidervogels, die een bezoek aan de (broedende) wijfjes hebben gebracht, naar het strand teruggewaggeld en zwemmen thans onder een waarschuwend geroep van: „ahoea, ahoea,” in zee. Aalscholvers en zaagbekken volgen; de scholeksters, plevieren, alken, eidervogels, meeuwen en zeezwaluwen, alsmede de rotspiepers en kwikstaarten, voor zooverre deze aanwezig mochten zijn, kunnen evenwel niet besluiten het eiland te verlaten. Maar de loopvogels rennen als door den duivel vervolgd, in groote troepen het strand op en neêr: de alken, die al schuivende tegen hellende rotsblokken zijn opgeklauterd, leggen zich plat neder en kijken, van geen kwaad bewust, den vreemdeling verwonderd aan; de eidereenden maken zich gereed om zich op het rechte oogenblik op de haar eigenaardige wijze onzichtbaar te maken.

De boot landt. Men betreedt den holm. Duizenden krijschende stemmen gaan gelijktijdig op; de uit vliegende vogels gevormde wolk wordt elk oogenblik dichter en ondoorschijnender; honderden van broedende meeuwen vliegen krijschende op om zich bij de vliegende soortgenooten te voegen; dozijnen scholeksters laten almede een luid gegil hooren, en de verwarring der zich bewegende, het geschreeuw der krassende, roepende vogels wordt zoo oorverdoovend, dat men meent op den Bloksberg verplaatst te zijn te midden van het gewoel en gejoel van den heksendans.

Hoort gij stemmen in de hoogte, Stemmen in de verte en van nabij? Langs den geheelen berg Trillen de woeste tooverliederen.

Die woorden van Mephisto worden tot waarheid. Het alarm en geraas, de toovercirkel van vormen en tonen vermoeien alle zintuigen; het wordt groen en blauw voor de oogen, het suist en bruist in de ooren, men kan eindelijk geen tonen en kleuren meer onderscheiden en wordt zelfs ongevoelig voor den meest doordringenden reuk.

Werwaarts men zich wenden moge, op het geheele eiland is men aan allen kant omgeven door dezelfde wolk; men ziet niets dan vogels, en wanneer duizenden zich neêrzetten om te rusten, zijn weder duizend anderen opgevlogen, terwijl hunne bezorgdheid en angst om hun kroost hen hun eigen hulpeloosheid vergeten doet en hun moed schenkt tot een aanval op de indringers, voor dezen wel is waar niet gevaarlijk, maar toch lastig.

Geheel verschillend van dit onschuldig spel op de holmen is het tafereel, dat een met zilvermeeuwen, haringmeeuwen of mantelmeeuwen bezet eiland aanbiedt.

Ook deze vogels betrekken, als zij broeden willen, bij groote troepen bepaalde eilanden; honderdtallen van paren voegen zich bij andere honderdtallen, zoodat een enkel eiland soms bevolkt wordt door drie tot vijfduizend paren. Zulk een eiland levert voor het oog een even schoon en imposant schouwspel op als een eiderholm. De groote, schitterend witte, of helder en donkergrijs gekleurde gedaanten teekenen zich sierlijk tegen de omgeving af en hare bewegingen worden gekenmerkt door de gewone bevalligheid, aan alle meeuwen eigen. Maar toch, deze sterke, krachtige en roofzuchtige vogels zijn wel gezellige, maar geenszins vredelievende geburen. Het eene lid der kolonie vertrouwt het andere niet. Ieder afzonderlijk paar leeft op zich zelf, paalt zich een eigen, hoewel bescheiden, broedgebied af, en duldt daarin geen ander; ook verlaten mannetje en wijfje nimmer gelijktijdig het nest, en wordt dit door een overmachtigen vijand bedreigd, dan keert het uitgevlogen lid van ’t echtpaar zoo spoedig mogelijk naar huis en hof terug, om deze tegen den aanval van eigen stamgenooten te verdedigen.

Minder rumoerig, maar geenszins minder grootsch is het leven op de eigenlijke „vogelbergen”, daar, waar alken, lommen en papegaaiduikers broeden, en hoogstens een enkele meeuw of aalscholver zich hier of daar heeft genesteld. Het zij mij vergund een dezer vogelbergen te schilderen.

In het noorden der groote, tot de groep der Lofoden behoorende eilanden liggen, ongeveer driehonderd meter van het strand verwijderd, drie koepelvormige rotseilanden, de Nyken, die steil uit de zee omhoog rijzen, zich zoowat honderd meter boven den zeespiegel verheffen en door een kring van kleine scheren omgeven worden. Een dezer rotskegels is een vogelberg, die in majesteit zijns gelijken niet heeft.

Het was op een heerlijken zomerdag, toen wij ons gereed maakten dit eiland te bezoeken; de zee was effener en kalmer dan ooit, de hemel helder en blauw, de lucht warm en aangenaam. Krachtige Noormannen roeiden onze lichte boot dwars tusschen tallooze scheren door. Werwaarts het oog schouwde, overal trof het op vogels. Bijna elke steen, die boven de wateren uitstak, was bezield. Sommige waren wit van den drek der aalscholvers, die daar geregeld enkele uren van den dag vertoefden om te rusten. In rijen opgesteld, evenals soldaten, zaten zij bij tientallen, twintigen en honderden bijeen, in de wonderbaarlijkste houdingen, met uitgestrekten hals en uitgespreide vleugels, als om elk gedeelte des lichaams aan de weldadige zonnewarmte bloot te stellen; klapwiekende als wilden zij elkander koelte toewaaien, terwijl zij daarbij het opmerkzaam oog naar alle kanten richtten. Met dof gehuil stortten zij zich bij onze aankomst op plompe wijze in zee, nu al zwemmende en duikende den spot drijvende met onze pogingen om hen nabij te komen. Andere scheren waren bedekt met meeuwen, altijd in troepen van honderden en duizenden van dezelfde soort, eveneens van mannelijke vogels, die van het een of ander eidereiland waren afgedwaald om zich naar mannenaard te vermaken, terwijl de wijfjes daar ginds ijverig zitten broeden. Om andere rotseilanden hadden de schitterende eidereenden, misschien wel geplukte mannetjes, zich geschaard, plaatselijk kringen vormende, te vergelijken bij de groote, witte waterlelies onzer stilstaande poelen.

In de matig diepe sonten zag men visschende zaagbekken en zeeduikers, die beurtelings een gillenden kreet lieten hooren, een geschreeuw, zoo lang gerekt en zoo verschillend geuit, dat men het bijna een zingen zou kunnen noemen, ware het niet een wilde melodie, zooals alleen een kind der Noordelijke zeeën kan voordragen, dat het huilen en bruisen der winterstormen heeft beluisterd en den dreunenden golfslag. Trots als een vorst op zijn troon, zat hier en ginds een zeearend, de schrik van alle gevleugelde wezens des Oceaans, misschien wel een geheel gezelschap dezer roovers, uitrustende van een overvloedigen maaltijd; pijlsnel doorvloog de jachtvalk, die zijn nest bevestigt aan een der steilste rotswanden, zijn mijlenlang gebied; jolige stormmeeuwen en drieteenige meeuwen, visschende zeezwaluwen vlogen heen en weder; scholeksters begroetten ons met hunne trillende tonen; alken en lommen verschenen en verdwenen, duikende en weder boven komende, om ons heen.

Te midden van dit gezelschap roeiden wij verder. Nadat wij ongeveer tien zeemijlen afgelegd hadden, kwamen wij in het bereik van de zwermen der Nyken. Werwaarts wij ook onzen blik wendden, overal zagen wij eenige der tijdelijke bewoners van het eilandje visschen, duiken, door onze boot verschrikt, opvliegen, en zoo dicht over de oppervlakte der zee strijken, dat hun pooten de toppen der golven raakten. Wij zagen vluchten van dertig, veertig, tot honderd stuks, die of van den „berg” afkwamen of er naar terugkeerden, zoodat wij er niet aan konden twijfelen, of wij naderden een sterk bevolkt rijk. Maar men had ons van millioenen broedende vogels gesproken.... en van millioenen was nog niet veel te ontdekken.

Eindelijk, na een vooruitspringende rots omgeroeid te zijn, lag de Nyke voor ons. Rondom ons trof het oog in de zee op zwarte, aan den voet des „bergs” op witte punten. De eerste waren ordeloos verspreid, de laatste in rijen of scherp begrensde troepen geschaard; die in de zee waren zwemmende, met kop, hals en nek boven de oppervlakte uitstekende, die op den „berg” zittende, met de witte borst naar zee gekeerde alken. Hun aantal bedroeg duizenden, maar geen millioenen.

Nadat wij op het tegenover ons liggende eiland geland waren en ons in het huis van den eigenaar hadden versterkt, voeren wij naar het andere over, sprongen op eene niet te zeer door de branding geteisterde plek op de klip en klauterden nu zoo spoedig mogelijk naar het veendek omhoog, dat de geheele Nyke, uitgezonderd enkele spleten, uitsteeksels en hoeken, bedekt. Hier ontdekten wij al aanstonds, dat de veenlaag overal vol was van broedkuilen, niet ongelijk aan onze konijnenholen, terwijl er op den geheelen „berg” geen enkel plaatsje ter grootte van een tafelblad zonder zulk eene opening was.

In eene schroeflijn trokken wij, meer klauterende dan loopende, naar den top. De omgewoelde veengrond trilde onder onze voeten. En uit alle holen keken, kropen, gleden en vlogen de van boven leikleurige, op borst en buik schitterend wit getinte, met fantastische snavels en gezichten, korte, smalle, spitse vleugels en korte staartjes voorziene vogels, die allen de grootte hadden eener tamelijk groote duif. Uit alle gaten kwamen zij te voorschijn; uit alle scheuren en spleten der rots. Waarheen men den blik wendde, het oog zag vogels en niets anders dan vogels, terwijl een zacht, dreunend geknars, het tot één geluid vereenigde gezamenlijk geschreeuw dezer vogels onze ooren trof. Bij elke schrede kwamen nieuwe scharen uit de ingewanden der aarde te voorschijn. Troepen verheffen zich in de lucht en vliegen van den „berg” naar zee; nog grootere troepen ijlen van de zee naar den „berg.” De dozijnen worden tot honderden, de honderden groeien aan tot duizenden, en honderdduizenden ontgroeien voortdurend aan den bruinen grond. Eene wolk, niet minder dicht als die, welke wij op den holm aanschouwden, omhult ons, omhult den ganschen berg, zoodat deze, als door een tooverstaf aangeraakt, in een reusachtigen bijenkorf is herschapen, omzwermd door niet minder reusachtige, gonzende, kweelende, dartelende bijen.

Naarmate wij verder gingen nam het schouwspel steeds grootscher karakter aan. De geheele berg leefde. Honderdduizendtallen van oogen keken ons indringers aan. Uit alle verstekken en hoeken, uit alle reten, holen, uitstekende punten en gaten rollen zij te voorschijn; overal, aan de rechter- en linkerhand, boven en beneden ons, in de lucht en op den grond wemelt het van vogels. Van de hellingen zoowel als van den top des „bergs” storten zij zich bij duizendtallen in de zee; hun aantal is zoo groot, dat zij voor het oog een vaste massa schijnen. Duizenden kwamen, duizenden gingen, duizenden zaten, duizenden huppelden, door vleugelslagen gesteund, op de vreemdste wijze vooruit; honderdduizenden vlogen, honderdduizenden zwommen en doken, en nieuwe honderdduizendtallen wachtten slechts op onze voetstappen, die ook hen verschrikt zouden doen opvliegen.

Het wemelde, kweelde, ruischte, danste, vloog, kroop om ons heen, dat ons hooren en zien verging, en zelfs de geoefendste schutter was niet in staat onder deze duizenden vogels een welgelukt schot te doen. Als verdoofd en buiten ons zelf gingen wij verder, totdat eindelijk de top bereikt was. Onze hoop, hier tot ons zelf te komen, hier de rust te herwinnen, werd aanvankelijk niet bevredigd. Ook hier hetzelfde gewoel, hier op den top gelijke beweging als daar beneden, ook hier zijn wij omgeven door eene dichte wolk, die ons nauwelijks toestaat de zee in de verte in een dommelig, nevelachtig licht te zien oprijzen.

Daar verandert plotseling het tooneel; een paar jachtvalken, die hun nest aan gindschen rotswand hadden opgehangen, hebben gespeurd wat hier voorvalt. Voor ons koesterden de alken, lommen en papegaaiduikers geen vrees, maar niet zoodra bemerken zij den hun welbekenden en onweêrstaanbaren vijand, of bliksemsnel scheurt de wolk, daalt in zee, en de blik is vrij. Ontelbare zwarte stippen, de koppen der zwemmende vogels, die scherp zich afteekenen tegen het water, verbreken den groenen sluier, die de golven dekt. Hun aantal is zoo groot, dat wij van den 100 meter hoogen top, waar wij staan, niet kunnen zien, waar de zwerm ophoudt, of waar de zee vrij is van vogels. Ten einde dat getal eenigszins te schatten, vatte ik een kleine vierkante ruimte in ’t oog en begon de stippen te tellen; ik verkreeg er meer dan honderd. Nu schikte ik in mijn gedachten schielijk dergelijke vierkanten aan elkaar en kwam tot duizenden. Maar ik had vele duizenden dezer kwadraatjes kunnen vormen en dan was de ruimte, welke de vogels innamen, nog niet bezet. De millioenen, waarvan men mij gesproken had, waren werkelijk voorhanden. Enkele oogenblikken vertoonde het aanschouwde tooneel het beeld der rust. Maar kort daarop begonnen de vogels weer op te vliegen, en gelijk te voren stegen weder honderdduizenden op hetzelfde tijdstip uit het vloeibare element omhoog, om den „berg” op te klauteren; gelijk te voren werd alles omgeven door eene dichte wolk, en gelijk straks verloren wij weder onze bezinning. Niet in staat om nog iets te zien, verdoofd door het onbeschrijfelijk gedruisch om mij heen, wierp ik mij op den grond; de vogels kwamen van alle kanten aanstroomen. Nog altijd kropen er nieuwe uit de holen en keerden anderen daarin terug, die vroeger door ons waren opgeschrikt; zij streken naast mij neder; met levendige verbazing aanschouwden zij de vreemde gedaante beneden zich; schommelend traden zij nader en waren nu zoo dicht bij mij, dat ik de hand kon uitstrekken om ze te grijpen. Schoonheid en levenslust straalde uit elke beweging der afzonderlijke vogels. Met verbazing zag ik, hoe stijf en koud zelfs de beste afbeeldingen zijn, want ik bemerkte eene bedrijvigheid en eene levendigheid in deze vreemde gedaanten, die ik niet bij haar verwacht had. Geen oogenblik zaten zij stil en althans kop en hals werden zonder ophouden heen en weer bewogen, en hare omtrekken verkregen waarlijk architectonische lijnen. Het was alsof de onbezorgdheid, waarmede ik mij aan mijn waarnemingen overgaf, door onbepaald vertrouwen van de zijde der vogels beloond werd. Ik verkeerde met de duizenden om mij heen, alsof zij huisdieren waren, en de millioenen verwaardigden mij ten laatste met niet meer opmerkzaamheid dan wanneer ik huns gelijke ware geweest.

Achttien uren toefde ik op dezen vogelberg, ten einde het leven der alken te leeren kennen. Toen de middernachtszon groot en bloedrood aan den hemel stond en haar rooskleurig licht ook op de hellingen onzer bergen wierp, brak de tijd van rust aan, die ook in het hooge noorden den middernacht vergezelt. De zee, die de „bergen” omspoelt is verlaten; alle vogels, die daarin vischten en zwommen, zijn naar de „bergen” verhuisd. Hier zaten zij nu, waar nog maar een plaatsje te bemachtigen viel, in rijen van tien, honderd, duizend, honderdduizend stuks, in schitterend witte rijen, daar allen de borst naar zee hebben gericht. Hun „arr” en „err”, dat in weerwil van de weinige kracht der afzonderlijke stemmen, onze ooren verdoofde, was nu verstomd, en slechts de branding, die daar beneden tegen de klippen brak, ruischte en klonk voortdurend naar ons omhoog. Eerst nadat de zon weder hooger was gestegen, begon het oude, verwarde bedrijf opnieuw, en toen wij eindelijk, op onze terugreis, langs denzelfden weg daalden, dien wij straks waren opgeklommen, werden wij nogmaals ingesloten door de dichte wolk der opgeschrikte dieren.

De alken boeien niet enkel door hunne talrijkheid; ook hun leven, hun doen en laten heeft veel aantrekkelijks.

Hunne sociale deugden ontwikkelen zich gedurende den broedtijd tot eene ongekende hoogte. Als volmaakte zeevogels leven alle alken tot den aanvang van dat tijdstip uitsluitend op de hooge zee, ongeacht den strengsten winter en den woedendsten storm.

Ook in den langen winternacht verlaten zij, hetzij dan hoogst zeldzaam, hunne noordsche woonplaats niet, maar zwerven bij scharen en vluchten van eenige honderden of duizenden van het eene vischwater naar het andere en weten alle opene plaatsen tusschen het ijs even zeker te vinden als ander voedsel aanbiedende plaatsen verre in den Oceaan. Wanneer echter de zon weêr hooger rijst, dan wordt er een machtig gevoel in hen gewekt: het gevoel der liefde, om zoo spoedig mogelijk den „berg” te bereiken, waar eens hun eigen wiegje heeft gestaan. Ongeveer tegen Paschen trekken allen, meer zwemmende dan vliegende, naar den „berg.” Nu zijn er echter onder de alken alweder meer mannetjes dan wijfjes, zoodat niet elk der eersten zoo gelukkig is eene echtvriendin te verwerven.

Bij andere vogels geeft deze wanverhouding aanleiding tot een voortdurenden strijd; onder de lommen wordt de vrede niet gestoord. De beklagenswaardige wezens, die wij onder de menschen oude vrijers noemen, wandelen samen met de gelukkige, onderweg elkander liefkoozende paren naar den „berg,” vliegen met deze naar de hoogte en trekken met hen op de jacht naar de naburige zee. Zoodra het weder zulks toelaat beginnen de paartjes de oude holen weder te herstellen, te ruimen, te verdiepen; de kamers worden vergroot en zoo noodig worden er nieuwe broedplaatsen uitgegraven. Is alles gereed, dan legt het wijfje op den kalen grond der aan het achtereind uitgeholde broedkamer haar eenig, maar zeer groot, tolvormig, bontgestippeld ei en begint nu afwisselend met het mannetje te broeden. Voor de arme jonggezellen breekt nu een treurige tijd aan. Ook zij zouden zoo gaarne vaderzorgen op zich nemen, wanneer zij slechts de gade konden vinden, die hen daarmede zou willen belasten. Maar alle wijfjes zijn weg, en aan vrijen valt dus niet meer te denken. Toch zullen zij hun goeden wil toonen, en nemen daarom de vrijheid zich als huisvrienden bij de gelukkige paartjes aan te bieden. Wanneer in de uren om middernacht het wijfje op of eigenlijk in het nest zit te broeden, terwijl het mannetje daar buiten de wacht heeft, houden zij dit laatste gezelschap, en wanneer het mannetje het wijfje aflost, wanneer dit in zee gaat visschen, houden onze ongetrouwde jongelui daar buiten de wacht, evenals vroeger het mannetje zulks deed. Maar, wanneer beide ouders tegelijk naar zee zijn gevlogen, dan haasten zij zich althans eenig loon voor hunne moeite in te oogsten. Onverwijld glijden zij in het nest en houden het ei, dat verlaten daar ligt, warm.

De arme schepsels, die tot den ongehuwden staat zijn veroordeeld, willen ten minste ook eens een oogenblik broeden!

Deze onbaatzuchtige liefde heeft een gevolg, waarom wij menschen de alken zouden kunnen benijden. Op de „bergen,” welke deze dieren bewonen, kent men geen weezen.

Verongelukt er een mannetje, de weduwe heeft er terstond een weder, en mocht het zeldzame geval zich voordoen, dat beide ouders tegelijk hun leven verloren, dan zijn de goedhartige overtolligen terstond bereid het ei goed uit te broeden en de jongen op te voeden. Deze laatsten bieden nogal menig punt van verschil aan met die der meeuwen en eenden. Het alkenkuiken is nestvast.

Het komt in een dicht, grijsachtig donskleed gehuld uit het ei, en moet nu nog eenige weken in de nestholte doorbrengen, alvorens het in staat is voor ’t eerst naar zee uit te vliegen. En, zooals de vele lijken op de klippen aan den voet der „bergen” bewijzen, deze uitgang is zeer gevaarlijk en strekt velen ten verderve. Door de ouders geleid, angstig de nog ongeoefende beenen, en niet minder vreesachtig de pas ontwikkelde vleugels gebruikende, volgt het jong zijn opvoeders, die het voorzichtig bergafwaarts voeren of althans naar eene plaats brengen, alwaar de eerste sprong in zee aan het minste gevaar is blootgesteld. Op zulk een vooruitstekend gedeelte toeven ouders en kind soms geruimen tijd, alvorens het den eersten gelukt het laatste tot den sprong te bewegen. Vader en moeder houden eene deftige aanspraak tot het kind, maar dit, ofschoon overigens, evenals alle vogeljongen, zijnen ouderen zeer onderdanig, slaat geen acht op hun woorden. De vader besluit voor de oogen van zijn talmende spruit zich naar beneden in de zee te storten; de onervarene blijft waar hij is. Nieuwe pogingen, nieuwe bemoedigende woorden; het wordt een bidden en smeeken. Daar waagt het kuiken eindelijk den vreeselijken sprong, het valt als een steen diep in het water, werkt zich, door een onbewusten aandrang gedreven, weer naar de oppervlakte omhoog, kijkt in ’t rond, ziet over de eindelooze zee—en is nu een zeevogel geworden, die van stonden aan geen gevaar meer kent.

Wederom verscheiden is het leven op die vogelbergen, welke door driebeenige meeuwen als broedplaatsen zijn uitgelezen.

Zulk een „berg” is het voorgebergte Swärtholm, hoog boven in het noorden tusschen de Laxen- en Porsangerfjord, dicht bij de Noordkaap. Ik wist reeds hoe het daar toegaat. Faber, de uitstekende kenner der vogels in het hooge noorden, heeft dat meeuwenleven, op zijn gewone wijze, in de volgende weinige woorden geschetst.

„Zij verbergen de zon, als zij opvliegen, zij bedekken de scheren, als zij zitten; zij overstemmen den donder der branding, wanneer zij schreeuwen; zij verven de rotsen wit, wanneer zij broeden.”

Ik geloofde, nadat ik de holmen der eidereenden en de „bergen” der alken had gezien, onzen voortreffelijken Faber gaarne, maar, zooals het iederen natuuronderzoeker past, ik twijfelde toch en daarom rustte ik niet voor ik Swärtholm zelf gezien had. Een vriendelijke Noorman, de kapitein van het poststoomschip, waarmeê ik de reis deed, vervulde na onze eerste kennismaking gaarne mijn verzoek om dicht langs eene broedplaats voorbij te varen.

Zoo naderden wij dan laat in den avond het voorgebergte. Reeds op een afstand van zes tot acht zeemijlen ontmoetten wij voortdurend vluchten van dertig tot honderd stuks, somtijds zelfs van tweehonderd stuks drieteenige meeuwen, die zich gezamenlijk naar de nestplaats begaven. Hoe meer wij Swärtholm naderden, des te sneller volgden deze vluchten elkander op en uit te meer individuen was elke vlucht samengesteld. Eindelijk kregen wij de kaap in ’t gezicht; het was een bijna loodrecht in de zee afvallende, met ontelbare spleten en holten voorziene rotswand, ongeveer achthonderd meter lang en misschien tweehonderd meter hoog. Uit de verte gezien was hij grijs van kleur; met den kijker gewapend kon men een ontelbare menigte witte puntjes en streepjes onderscheiden. Men kon zich verbeelden eene reusachtige lei te zien, waarop door een spelend reuzenkind allerlei figuren waren gekrast: de klip scheen als met een wonderbaarlijk versiersel, uit kettingen, ringen en sterren bestaande, behangen. Uit den donkeren achtergrond der grootere en kleinere holten straalde een wit licht; tegen de uitstekende kanten stak dit nog levendiger en scherper af. Het waren de broedende of in de nesten zittende vogels, die deze teekening veroorzaakten; zij bewaarheidden het woord van Faber: „de meeuwen bedekken de rotsen, wanneer zij gezeten zijn.”