Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 4
Terwijl ons vaartuig dicht langs de rotsen voer, werden de vogels opgeschrikt, en nu ontvouwde zich voor mijn oog een tafereel, evenals dat hetwelk ik op vele eiderholmen en op andere meeuweneilanden had gezien. Daar donderde de knal van een door mijn vriend, den kapitein, tegen den rotsmuur gelost schot.
Even gelijk bij een woedenden winterstorm, wanneer deze door de lucht giert en de van sneeuw zwangere wolken tegen elkander jaagt, om ze, in millioenen vlokken verdeeld, naar beneden te doen vallen,—zoo stoven thans de vogels als sneeuwvlokken omlaag. Men zag geen berg meer, geen lucht en geen afzonderlijken vogel meer, maar een tooneel van onbeschrijfelijke verwarring verbijsterde het oog. Een dichte wolk omgaf den geheelen gezichtseinder en vervuld werd het woord: „Zij verbergen de zon, wanneer zij vliegen.” Hevig woei de noordenwind en woest brandde de ijszee aan den voet der klip, maar luider nog klonk het krijschend geschreeuw der meeuwen en zoo werd ook het laatste woord van Faber bewaarheid: „Zij overstemmen het geloei der branding, wanneer zij schreeuwen.”
De wolk daalde eindelijk neder op de zee en de zoo lang door haar omsluierde omtrekken van Swärtholm werden weder zichtbaar; een nieuw schouwspel echter boeide nu den blik.
Op de rotswanden schenen ook even zooveel meeuwen te zitten als straks en duizenden vlogen daarbij af en aan. En toen een tweede kanonschot de scharen weêr op deed schrikken, daalde er ten tweeden male eene sneeuwwolk op de zee neder, maar nog altijd was de klip bedekt met honderdduizendtallen van vogels. Op de zee evenwel dreven, zoover ons oog reikte, de meeuwen, die, klompen schuim gelijk, met de golven op en neêr dansten. Hoe zal ik dit heerlijk panorama beschrijven? Moet ik zeggen, dat de zee millioenen en nog eens millioenen schitterende paarlen in haar donker golvenkleed had gevlochten? Of zal ik de meeuwen met sterren en de zee met het hemelgewelf vergelijken? Ik weet het niet, maar dit weet ik, dat ik nooit iets schooners op de zee aanschouwd heb. En als ware de betoovering nog niet groot genoeg, plotseling wierp de middernachtszon, die eenigen tijd zich verscholen had, haar rooskleurig licht over rots en zee en vogels; zij verlichtte de toppen van alle golven, zoodat het scheen alsof er een wijdmazig gouden net over de zee geworpen was, terwijl de eveneens met een rozengloed bestraalde meeuwen nog meer schitterden dan te voren. Wij staarden dit schouwspel sprakeloos aan! En allen, die getuigen waren van dit tooneel, zelfs de bemanning van het schip, stonden langen, langen tijd roerloos daar, diep getroffen door het majestueuse tafereel voor ons, tot eindelijk een onzer het stilzwijgen verbrak, en, meer om door het geluid zijner eigene stem weder tot bezinning te komen, dan wel om eene hoorbare uitdrukking te geven aan zijn gevoel, het woord des dichters over de lippen liet glijden:
„Bloedrood verhief zich over de bergen De middernachtszon. Was het dag, of was het nacht? Een vreemdsoortig schemerlicht dekte de aarde.”
II.
DE TOENDRA EN HARE DIERENWERELD.
Een breede gordel onherbergzaam land slingert zich om de Noordpool der aarde. Het is eene woestenij, waar niet de zon, maar het water zijn stempel heeft ingedrukt. Hoe meer men de pool nadert, des te meer gaat deze woestijn over in een ijsveld, meer naar het zuiden in wouden, gevormd door dwergachtig geboomte; zij verandert zelf echter in een sneeuw- en ijsveld, wanneer de lange winter er zijn intocht houdt, tegen wiens heerschappij het schrale geboomte alleen in de diepste dalen en op de zonnigste hellingen met eenigszins goed gevolg den levensstrijd kan bestaan. Dit gebied is de „Toendra.”
Het is een eentonig beeld, dat ik moet schilderen, wanneer ik de toendra ga schetsen, eene schilderij vol grijs op grijs, maar toch niet zonder alle schoonheid; wij hebben hier te doen met eene wildernis, doch met zulk eene, waarin in weerwil van het maanden lange sluimerende, bijna uitgestorven leven, zich nu en dan dat leven toch nog in wonderlijken rijkdom openbaart.
Onze taal bezit geen synoniem voor het woord toendra, omdat er in ons vaderland dergelijke streken niet voorkomen. Want de toendra is geen heide en geen veen, geen moeras en geen poel; toendra’s zijn geen geesten en geen duinen, alhoewel zij plekken bevatten, die nu eens aan het eene, dan weder aan het andere doen denken. Men heeft ze wel eens met den naam van „mossteppen” betiteld, doch deze uitdrukking mag dan alleen juist genoemd worden, wanneer men het woord steppe in den uitgestrektsten zin opvat. Volgens mijn meening gelijkt de toendra nog het meest op zulke moerasvenen, als men op de breede zadelruggen onzer hooggebergten aantreft, en vermijdt; toch verschilt zij in vele en belangrijke kenmerken van deze moerassige vlakten, daar haar voorkomen in alle opzichten zoo geheel anders is. Men zou de toendra kunnen verdeelen in laag- en hoogtoendra; het verschil tusschen het land beneden en boven de honderd meter volstrekte hoogte bestaat in de toendra echter meer in schijn dan in werkelijkheid.
Zacht golvend strekt zich de laagtoendra voor ons uit; de dalen zijn ondiepe kommen, de hoogten, die uit de verte gezien, zich voordoen als bergen, ja ons zelfs doen denken aan werkelijke gebergten, zijn tot vlakke heuvels geworden, zoodra men haar voet genaderd is. Vlak, eentonig, zonder uitdrukking is de toendra over ’t algemeen, alhoewel eene zekere afwisseling in sommige deelen niet te loochenen valt. Wanneer men eenige dagen achtereen door de toendra wandelt, wordt men dikwijls geboeid door aardige, zelfs aanvallige détails; maar zeer zelden ontvangt men een duurzamen indruk, omdat bij nadere beschouwing het eene toch wederom in alle bijzonderheden, door omgeving en omlijsting, omtrekken en kleuren, te zeer op het vroeger geziene gelijkt, dan dat men het zou kunnen vasthouden. In weerwil dezer eentonigheid is toch het karakter der toendra niet overal hetzelfde, maar nog veel minder grootsch, zoodat men zich aan dit landschap niet kan verwarmen en het ons onmogelijk in de verrukking kan brengen, die andere landschappen bij ons opwekken, mogelijk zelfs niet in staat is om ons naar waarde te doen genieten van de werkelijke schoonheden, waaraan deze woestenij ook soms nog rijk kan zijn.
De toendra ontvangt haar grootsten tooi van den hemel, haar grootste bekoorlijkheid van het water. Geheel helder is de lucht hier zelden, al mag ook maanden lang de zon onafgebroken branden en drukkend stralen op de vlakke heuvels en in de ondiepe dalen. In den regel blinkt het blauw des hemels slechts op enkele plaatsen door de matwitte, dunne wolken; dikwijls worden deze evenwel verdicht tot stapelwolken, die aan allen kant, langs den geheelen gezichteinder zich vormen, elk oogenblik van gedaante veranderen, voortschuiven, ontstaan en verdwijnen, en wier afwisselend licht het oog zoo betoovert, dat men het beneden haar liggende landschap geheel vergeet. Wordt men na eenige dagen hitte door een onweêrsbui bedreigd, neemt de hemel hier en daar een donker-grijsblauwe tint aan, schuiven zich met damp beladen wolken onder de meer heldere, en schijnt de zon daar toch nog helder en glansrijk tusschen door—dan ziet het woeste, eentonige landschap er werkelijk tooverachtig schoon uit. Licht en schaduw teekenen zich thans op de heuvels en dalen af, en de anders zoo vermoeiende eenkleurigheid der verven verkrijgt afwisseling en leven. En wanneer in den zomer te middernacht de zon groot en donkerrood aan den hemel staat, wanneer alle wolken aan den onderrand met purper worden omzoomd, wanneer de bergen, waarachter de zon zich heeft verborgen, getooid worden met eene lichtkroon, die haar gloeiende stralen ver naar alle zijden uitzendt, wanneer een rooskleurige nevel zich over het bruingroene landschap spreidt, wanneer in één woord de middernachtszon de zee omvat met hare onweêrstaanbare betoovering, dan is deze woestenij omgevormd in wonderschoone dreven en eene heilige siddering grijpt het hart tot in zijn diepste binnenste aan.
Maar ook de kleinoodiën der toendra, de talrijke meren brengen afwisseling en leven in het landschap. Verspreid of in groepen bijeen, naast of boven elkaar gelegen, nu eens mijlen ver zich uitstrekkende waterbekkens vormende, dan weder tot onbeduidende poelen ineengekrompen, vullen zij het middengedeelte van elken ketel, versieren zij elk hoofddal, tooien zij bijna ieder zijdal. In het vroolijke zonlicht tintelen zij van leven; hoe grijs en kleurloos zij ook zijn mogen, van den top eens heuvels gezien, nemen zij een blauwe kleur aan, die hen doet gelijken op de Alpenmeren. En wanneer dan de zon op hun spiegelende oppervlakte tintelt en glinstert, of wanneer te middernacht ook zij door een rooskleurigen gloed worden bestraald, dan treden zij als levende lichten uit het duister der omgeving zoo heerlijk te voorschijn, dat het oog zich niet aan hun aanblik kan verzadigen.
Veel grootscher, alhoewel nog altijd sombere en eentonige landschapsbeelden ontvouwt de hoogtoendra voor den blik des reizigers. Ieder werkelijk gebergte siert zich hier met allen praal der hoogte. De bergen stijgen bijna zonder uitzondering steil omhoog, en de ketens, welke zij vormen, strekken zich als veelvuldig gebogen lijnen voor ons uit; het sneeuwdek, dat hen bekleedt, verijst overal, waar de omstandigheden dit toelaten, tot gletschers. Ware toendra ontwikkelt zich slechts daar, waar het water geen snellen afloop vindt; al het overige land schijnt van dat der laagte zoo te verschillen, dat slechts het plantendek, dat zich overal gelijk blijft, de toendra verraadt. De beneden in de diepte zich bevindende, en met dikke lagen afgestorven en in veen overgegane plantendeelen bedekte rolsteenen liggen hier bijna overal aan de oppervlakte; eindelooze, uit reusachtige blokken samengestelde hoopen zijn op de hellingen gelegerd of vullen de dalen; uit rolsteenen is de ondergrond gevormd van deze bijna effene vlakten, over welke de voet des wandelaars ook daarom langzaam voortschrijdt, omdat zich hier, zelfs voor den scherpzinnigsten geleerde, raadsels opdoen met betrekking tot de natuurkrachten, die deze blokken met bijna onveranderlijke regelmatigheid over eindelooze vlakten verdeeld hebben. Daartusschen sijpelt en glijdt, murmelt en stoeit, stroomt en ruischt, bruist en dondert het water overal naar beneden. Van de hellingen loopt het droppelsgewijs in parelsnoervormige draden, in aaneensluitende aderen, in murmelende beekjes; uit de gletscherpoorten breekt het met geweld te voorschijn als troebele beken, melkwit van kleur; drabbig stroomt het in de waterbekkens; uit de meren, waarin het geklaard werd, vloeit het verder in kristalheldere stroomen, en draaiend en schuimend, sissend en loeiend snelt het dalwaarts, waterval op waterval vormende, tot het eindelijk of de laagtoendra of een rivier of de zee heeft bereikt. De zon giet echter over deze eigenaardige bergwereld haar licht, zoo dikwijls zij door de wolken breekt en verft haar met heur toovergloed; de zon scheidt ook hier berg en dal, verlicht elk sneeuwveld, verleent elken gletscher en elke kloof glans en schoonheid, doet iedere spits, elken kam en iederen wand duidelijk uitkomen, elk meer stralen als een helder vriendelijk oog der bergen, legt in de morgen- en avonduren het blauwe waas van den horizon als een teedere sluier over den achtergrond van dit tooneel, en laat te middernacht haar diepste stralen vloeien over het geheele landschap, zoodat ook dit overtogen wordt met een rooskleurig licht. Ja waarlijk! zelfs de toendra mist niet elke bekoorlijkheid.
Op enkele, wel is waar zeldzame plekjes, verleent ook de plantenwereld haar vorm en schoonheid. Sparren en dennen, voor zoover zij niet in het zuiden zijn teruggebleven, komen slechts in de meest beschutte dalen voor. Zelfs de hier en daar nog optredende dennen, die er uitzien alsof een reuzenarm ze bij den top had gepakt, en schroefvormig omgedraaid, kunnen in de hoogere deelen der toendra niet gedijen. Ook de berken, die nog iets meer noordelijk voortdringen dan de dennen, leiden hier een kommervol leven en gelijken op grijs geworden dwergen. De larix alleen behoudt hier en daar het veld en groeit tot een waren boom uit; maar een karakterplant der toendra is de larix niet. Deze eer komt bovenal toe aan den dwergberk. Deze boom, die onder zeer gunstige omstandigheden de hoogte van een meter kan bereiken, heeft in verreweg het grootste deel der toendra de overhand, zoodat de andere struiken en struikjes als tusschen de berken ingroeiende kunnen beschouwd worden. Hij komt voor, overal waar hij maar wortel kan schieten, van den oever der meren en stroomen af tot aan den top der bergen, en vormt een zoo gelijkmatig dicht dek van overal dezelfde hoogte, dat geheele velden er uitzien alsof zij met eene schaar waren afgeschoren; hij verdwijnt alleen daar geheel of gedeeltelijk, waar de grond zoo met water is verzadigd, dat deze tot een poel of moeras wordt; hij kwijnt alleen daar, waar een vet, in de zon tot eene harde massa wordend leem, of onvruchtbaar grind de hoogten bedekt; hij worstelt echter nog met het veenmos, dat alle laagten inneemt, en met het rendiermos, dat alle hoogten bedekt, om de heerschappij. Vele vierkante kilometers oppervlakte naast en achter elkander worden zoo dicht door den berk omsponnen, eigenlijk met eene laag riet bedekt, dat slechts het onuitroeibare veenmos naast en zelfs onder den struik zijn aandeel op dien bodem nog durft handhaven, terwijl op andere plaatsen dwergberken, laurierwilgen en rozemarijnwilgen door elkaar groeien. Eveneens mengen zich daar somtijds verschillende besgewassen onder, zooals veenbessen, roode boschbessen, besheide en moerasbessen.
Wordt de grond, terwijl hij een kom vormt in de omringende vlakte, zeer vochtig, dan verkrijgt het veenmos allengs de overhand; ’t verdringt den dwergberk steeds meer en meer en vormt nu groote, ronde kussens of bulten, die tengevolge eener snelle vervening der afgestorven worteldeelen voortdurend in hoogte toenemen en ook in de breedte zich uitbreiden, tot eindelijk het water het verder voortdringen van het mos stuit of het kussen in kuifvormige heuveltjes stukscheurt. Is de kom zeer vlak, dan vormt het daarin verzamelde water slechts bij uitzondering een vijver of meer, meest niet eens een poel, maar het zakt tot onbepaalde diepte in den grond en geeft zoo aanleiding tot de vorming van een moeras, welks dun, maar taai, uit de ineengevlochten wortels van zeggegras gevormd dek, slechts zonder gevaar kan betreden worden door het breedhoevige rendier, ofschoon het ook onder diens voetstappen trilt als eene gelei, en golft en buigt onder den last eener door rendieren getrokken slede.
Wordt de laagte tot een kleine, meer diepe kom zonder afwatering, en vloeit daarin, al zij het nog zoo langzaam, eenig water, dan gaat zulk een moeras over in een poel en verder naar beneden in drasland. In het eerste komt de zegge, in het laatste de wolwilg, een tweede karakterplant der toendra, tot weligen groei. Ofschoon slechts in het gunstigste geval tot manshoogte opgroeiende, vormt deze plant toch kreupelbosschen, die in den letterlijken zin des woords ondoordringbaar kunnen zijn. Meer nog dan bij de dwergdennen van het hooggebergte strengelen zich hier de takken en wortels dooreen tot een zelfs voor het oog niet te ontwarren vilten weefsel, dat als het ware uit alle bestanddeelen van den wilg is samengesteld. Het houdt den sterksten arm tegen, die het met moeite een weinig zijwaarts buigt; het belemmert den voet zoodanig, dat ook de volhardendste man eindelijk zijn pogingen opgeeft om verder te dringen, en hij zelfs dan terugkeert, wanneer de grond niet, gelijk gewoonlijk, een moeras is, of indien eene aaneenschakeling van modderkuilen, waarin men zich niet gaarne waagt, de ruimte tusschen de boschjes aanvult.
Wie door de toendra trekt bespeurt al ras, dat het geheele gebied uit eene voortdurende afwisseling, maar zichzelf steeds gelijk blijvende herhaling der geschetste bijzonderheden bestaat. Alleen op plaatsen, alwaar een groote, waterrijke rivier de laagtoendra doorsnijdt, kunnen de omstandigheden eenigszins veranderen. Zulk een stroom stapelt hier en daar de meêgevoerde zandmassa’s tot banken op; de schier onophoudelijk doorwaaiende, meestal vrij hevige wind doet daaruit duinen ontstaan, en zoo wordt er een landschap geboren, dat aan de toendra overigens vreemd is.
Op die duinen groeit zelfs in Siberië de larix nog tot een statigen boom omhoog, en deze, in vereeniging met boschjes van wilgen en dwergelzen schenkt aan het landschap tooi en schoonheid. Ja, het komt zelfs voor, dat de larix in de nabijheid van kleine meren in groepen optreedt en dan met genoemde boschjes natuurlijke parken vormt, die zelfs in meer bevoorrechte streken de aandacht zouden trekken, en dus, zooals men licht begrijpen kan, hier een onuitwischbaren indruk moeten achterlaten.
Onder beschutting der elzen staan nu overal, waar deze op de duinen groeien, ook andere hoogstammige planten op; spitsbladige wilgen, lijsterbessen, wegedoorn, en kamperfoelie; in het zand ontspruiten tevens bloemen, die men alleen in het zuiden zou zoeken. Hier schittert ons de roode bloemenpracht van de wederik tegen; hier klemt het aanminnige heideroosje zijn dunne twijgjes tegen de borst der moederaarde, om deze met haar takken en bloemen te versieren; hier lacht ons het vriendelijke vergeet-mij-nietje tegen, als bracht het een groet uit het vaderland, ginds in ’t verre zuiden; hier vinden het nieskruid en bieslook, de valeriaan en thijm, anjelieren en klokjes, vogelwikke en alpenerwten, boterbloemen, immortellen, kers, speerkruid, vingerkruid, de roode kool, en vele meer, een woonplaats in de woestijn.
Er groeien op zulke plaatsen veel meer planten, dan men verwachten zou; maar in de toendra is men immers ook bescheiden in zijn wenschen! Hier, waar men dagen en weken lang altijd dezelfde armoede om zich heen waarneemt, altijd niets dan dwergberken en wolwilgen ziet, rozemarijnheide en zegge, rendiermos en veenmos; waar men zich reeds te goed doet aan half uitgegroeide, half in ’t mos verscholen, half op den grond voortkruipende veen- en boschbessen, en de braambessen, die het mosdek sieren, voor bloemen moet nemen; wanneer men dagen lang over en door deze plantjes wandelt, altijd afwisseling verwacht en altijd teleurgesteld wordt! Elke uit het zuiden ons bekende plant herinnert aan een gelukkiger oord; men begroet ze als lieve vrienden, wier waarde men eerst op prijs leert stellen, wanneer men in de vrees verkeert hen te verliezen.
Schijnt het raadselachtig, waarom al deze en nog andere planten juist in dit dorre duinzand alleen ontkiemen, het vreemde van dit verschijnsel verdwijnt, wanneer men weet dat slechts het duinzand in voldoende mate door de warmte der maandenlang onafgebroken van den hemel stralende zon kan worden gekoesterd om genoemde planten daarin te doen groeien.
Elders in de toendra is zulks het geval niet meer. Moeras en poel en veen, zelfs de ettelijke meters diep met water gevulde meren vormen slechts een dun zomerdek over den eeuwigen winter, die in de toendra zijn doodende zoowel als zijn bederfwerende macht openbaart. Waar men ook in den grond tracht door te dringen, overal stuit men op ijs; reeds op een meter diepte onder de oppervlakte der aarde, soms nog minder, is de grond bevroren, en men zou meer dan honderd meters diep moeten graven alvorens men het einde van de ijskorst heeft bereikt. Die ijskorst is het, welke aan de hoogere planten den wasdom ontzegt en slechts aan haar het leven vergunt, die genoeg hebben aan de dunne in den zomer ontdooide laag. Eerst wanneer men graaft, ziet men wat de toendra eigenlijk is, n.l. een onmetelijke, eeuwige ijskelder, die reeds tientallen van eeuwen bestond en nog even lang in wezen zal blijven. Het eerste wordt bewezen door de overblijfsels van voorwereldlijke dieren, die in dezen bodem begraven werden en zoo voor ons bewaard zijn gebleven. Uit het ijs der toendra groef Adams in het jaar 1807 den mammoeth op, aan welks vleesch de honden der Jakoeten zich zat hadden gegeten, niettegenstaande er eeuwen en eeuwen sedert den dood van dit dier waren verloopen. De ijzige toendra had het lijk van den voorwereldlijken olifant in zich opgenomen en voor bederf bewaard.
Een aantal gelijksoortige en zeker ook andere dieren van het hedendaagsche tijdperk heeft zij in haar ijs begraven. Ook in vroegere dagen kon de toendra geen rijker dierenwereld voeden dan waartoe zij nu in staat is. De Europeesche bison en muskusos doortrokken deze velden, nog lang nadat de mammoeth had opgehouden te leven; het reuzenhert en het eland hebben hier eenmaal thuis behoord. Heden ten dage is de fauna der toendra even arm als hare flora, even eentonig. Zulks heeft echter meer betrekking op het aantal soorten dan op het aantal individuen; althans in den zomer kan het hier wemelen van dieren.
Eerst laat in het jaar wordt de toendra bevolkt. Van die soorten, welke haar ook in den winter niet verlaten, merkt men dan weinig. De visschen, die uit de zee de rivieren zijn opgezwommen, worden door het ijs aan het gezicht onttrokken, de zoogdieren en vogels, die hier overwinteren, door de sneeuw, waaronder zij leven of welker kleur hen tooit. Eerst wanneer op de zuidelijke hellingen de sneeuw begint te smelten, ontwaakt het dierlijk leven. Schoorvoetend houden de zomergasten hun intocht. De wolf volgt op het wilde rendier, het heirleger der zomervogels volgt de schotsen, die de rivieren afdrijven. Sommige dezer vogels verwijlen ook nu nog besluiteloos in de zuidelijker gelegen streken, houden zich alsof zij willen broeden, verdwijnen plotseling uit hun verblijf aan den weg, vliegen fluks naar de toendra, bouwen onmiddellijk na hun aankomst een nest, leggen eieren en beginnen vlijtig te broeden, alsof zij den tijd wilden inhalen, dien hunne in zuidelijke landen levende broedende soortgenooten op hen vooruit hebben. Tot weinige weken is hun zomerleven beperkt. Innig vereend, òf voor het gansche leven, òf slechts voor een enkelen zomer gepaard, met een van liefde kloppend hart, komen zij aan om zingende of althans jubelende den nestbouw aan te vangen. Onvermoeid vervullen zij hun ouderplichten, broeden de jongen uit, voeden deze op, onderwijzen ze, ruien en trekken weer naar vreemde landen.
Het aantal diersoorten, die de toendra als woonplaats mogen beschouwen, is gering, maar veel kleiner nog is het getal dergenen, die men als karakteristiek voor de toendra kan beschouwen. Zulk een karakterdier is in de eerste plaats de poolvos. Zoo ver de toendra zich uitbreidt, strekt zij dit dier tot toevluchtsoord, en althans in de zuidelijke deelen schenkt zij hem met den gewonen vos en nog andere leden zijner familie onderhoud en voedsel; hij draagt hare kleuren; in den zomer de kleur der rotsen, in den winter het sneeuwkleed, want grijs als de rotsen, of grijsachtig blauw is de kleur van zijn dicht haarbekleedsel, en wit verft dit zich in den winter. „Slecht en recht” naar vossenaard slaat hij zich door het leven, en toch is zijn doen en laten geheel verschillend van dat van onzen Reinaard en diens evenboortige familie. Men is niet onbillijk, wanneer men hem als het verbasterd lid eener ongemeen begaafde, schrandere, talentvolle familie beschouwt. Het vindingrijk verstand, de fijne list en de zich nooit verloochenende tegenwoordigheid van geest, die zijn bloedverwanten kenmerken, zijn bij hem weinig meer dan in de beginselen aanwezig. Plompdriest is zijn optreden, onbescheiden zijn aard, onverstandig zijn handelen.