Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 2

Chapter 23,873 wordsPublic domain

Het is een diep ingrijpende levenstrek van alle eigenlijke zeevogels, dat slechts twee oorzaken hen bewegen kunnen het land te bezoeken; het blij gevoel der allengs opnieuw ontwakende liefde en het somber voorgevoel van den naderenden dood. Het is niet de winter met zijn langen nacht, zijn koude en stormen, die hen drijft naar het land; zij zijn bestand tegen de ruwheden van het noordsche klimaat, en gewoon hun leven door te brengen op of onder de golven; ook is het niet de vrees voor de dreigende tanden van roofzuchtige visschen, die hen jaagt naar het strand; zij bezoeken het land, b.v. een eenzaam eiland, slechts voor korten tijd om het gevederte weer eens voor goed van vet te voorzien, beter dan zulks in het water kon geschieden. Maar wanneer met de eerste stralen der nieuwe zon de liefde in dien kleinen vogelboezem ontwaakt, dan ijlt jong en oud weder naar de plek, waar zij het levenslicht voor ’t eerst aanschouwden, al scheiden ook duizenden mijlen lucht en water hen van deze plaats, die vliegende of zwemmende na korter of langer tijd bereikt wordt. En wanneer te midden van den ijzigen winter, nadat de broedplaatsen reeds sedert maanden verlaten zijn, een zeevogel den dood in het hart voelt, dan spoedt hij zich, zoo lang zijn krachten hem niet begeven, voor ’t laatst naar de plek, waar eens zijn wieg heeft gestaan.

De jaarlijksche bijeenkomsten van tallooze scharen dezer vogels op de broedplaatsen schenken aan deze maanden lang eene onbeschrijfelijke bekoorlijkheid en levendigheid. Evenals de vogels zelf onderling verscheiden zijn, heerscht er ook in deze vereenigingen het grootste verschil. Ook is er verschil in de plaatsen, die zij bevolken. De Noorman noemt ze vogelbergen. Terwijl sommige soorten alleen zulke scheren uitkiezen, welke zich maar weinig boven den hoogsten waterstand verheffen, en waar eene armoedige vegetatie schaars voldoende is om het in een kuil van opgeworpen zeewier toebereide nest een weinig te bekleeden, moeten anderen zulke eilanden voor lief nemen, die tot eene hoogte van honderden meters steil uit de zee oprijzen en, of rijk zijn aan uitstekende rotsen, lijsten, holen, spleten en dergelijke schuilhoeken, of door eene dikke laag half vergane plantendeelen worden bedekt.

De lage scheren dragen in den volksmond, naar de daarop voorkomende en door de Noren met bijzondere liefde beschermde vogels, voor hen de nuttigste, den naam van „Eiderholme” d.i. eidereendheuvels. Onder vogelbergen begrijpt men gemeenlijk de hoogere, steil uit de zee oprijzende, voornamelijk door alken en meeuwen bewoonde eilanden.

Hoe verleidelijk het ook voor den onderzoeker zijn moge, elken afzonderlijken broedvogel der zee nauwkeuriger in ’t oog te vatten en uitvoerig te schilderen, de rijkdom van de bevolking der vogelbergen in het hooge noorden gebiedt hem eenige beperking. Ook ik moet mij, met het oog op den tijd mij gegund, het genoegen ontzeggen, een volledig beeld te ontwerpen van al die verschillende bergvogels; alleen acht ik mij verplicht, van enkelen hunner de levenswijze vluchtig te schetsen, ten einde eenige hoofdmomenten uit het leven der zeevogels onder de aandacht te kunnen brengen. Hoe moeilijk de keuze ook zij, er is een onder de vele vogels, die ieder jaar naar dezelfde broedplaats terugkeeren om aan deze en de omgeving een ongemeenen luister bij te zetten, die niet onopgemerkt mag blijven; ik bedoel den eidervogel.

Drie verschillende soorten dezer prachtige eenden bewonen of bezoeken Europa’s kusten; een dezer, de eidereend zelf, bezoekt elken zomer zelfs de noordelijkste eilanden van Duitschland, vooral Sylt. Het gevederte van al deze soorten is eene getrouwe weerspiegeling van de noordelijke zeeën. De kleur is eene mengeling van zwart en rood, van aschgrauw, ijsgroen, wit, bruin en geel. De eigenlijke eidereend, alhoewel nog altijd een prachtige vogel, is echter de minst bedeelde, wat schoonheid betreft. De nek en rug zijn wit, evenals het schuim der zee; daarboven loopt een witte band over de vleugels en op de zijden wordt ook nog een witte vlek aangetroffen. Krop en hals zijn als met een rooskleurig waas overtogen, dat herinnert aan den gloed der middernachtszon; een streep op de wangen bootst het teêre groen na van gletscherijs; de borst, buik, vleugels, staart, onderrug en stuit zijn zwart als de diepten des Oceaans. Echter bezit alleen het mannetje zulk een pronkgewaad; het wijfje kleedt zich, evenals zulks het geval is bij alle andere eendensoorten, veel eenvoudiger; toch ziet zij er in hare huisjapon voornaam genoeg uit. Op een roestkleurigen, nu eens meer dan eens minder in bruin overgaanden grond, zijn ontelbare overlangsche en dwarse vlekken, strepen en krullen van zulk eene teederheid en verscheidenheid uitgegoten, dat men geen woorden kan vinden om deze teekening naar behooren te omschrijven.

Geen andere eendensoort is zoo in den vollen zin des woords zeebewoonster als de eidereend; geene waggelt moeilijker op het droge, geene vliegt minder goed, geene zwemt vlugger, duikt beter en dieper dan zij. Wel vijftig meter diep duikt zij, ter verkrijging van voedsel, beneden ’t oppervlak der zee, en wel vijf minuten, een verbazend lange tijd, zou zij onder water kunnen vertoeven. Vóór den aanvang van den broeitijd verlaat zij de volle zee of in ’t geheel niet, of slechts bij zeldzame uitzondering, meer hare luimen dan de noodzakelijkheid volgende. Reeds tegen ’t einde van den winter hebben de scharen, waarin ook deze soort zich vereenigt, zich verdeeld in afzonderlijke paren, terwijl nog alleen die mannetjes, wien ’t niet gelukte zich een wijfje te verwerven, in kleine troepen blijven rondzwemmen.

Onder de beide echtgenooten heerscht de gelukkigste eendracht. Slechts één wil, ongetwijfeld die der eend, geeft den toon aan voor beider doen en laten. Verheft zich het wijfje boven den waterspiegel om al vliegende eenige honderden meters af te leggen, zoo volgt haar onmiddellijk de woerd; duikt de eerste, terstond verdwijnt ook de laatste; waarheen ook het wijfje zich begeven moge, het mannetje volgt getrouw; al wat zij doet strookt ook met zijn inzichten en begeerten. Nog steeds toeft het paar daar buiten op de zee, al zij het dan ook enkel op zulke plaatsen, alwaar de diepte die van vijftig meter niet te boven gaat, en altijd slechts daar, waar de gewone en andere soorten van mosselen in rijke menigte de rotsen of den zeebodem bedekken. Deze weekdieren toch vormen bijna uitsluitend het voedsel onzer eenden, en om die mossels te bemachtigen duiken zij zoo diep; maar ook vrijwaren deze weekdieren haar voor het gebrek, dat zoo dikwijls het deel is van vele andere soorten.

In April, allerlaatst in ’t begin van Mei naderen de paren al meer en meer den gordel van klippen en daarmede ook de kust. In het hart der eend ontkiemt de moederzorg, en aan deze wordt nu alles ondergeschikt. Daarbuiten in de open zee was het paartje zoo schuw, dat het nimmer de nadering van een vaartuig afwachtte, en den mensch, waar deze zich ook mocht vertoonen, meer vreesde dan elk ander schepsel; nu, in de nabijheid der eilanden heeft er eene algeheele omkeering in dat gedrag plaats. Slechts gehoor gevende aan haar moederlijk gevoel, zwemt de eend op een der eilanden af; zonder verder op den mensch te letten waggelt zij landwaarts. De woerd volgt, echter niet zoo onbezorgd als zij, en gedurig klinkt zijn waarschuwend „ahoea, ahoea”; nu en dan houdt hij zijn tred in, soms stilstaande als om na te denken, en dan weder voorwaarts zwemmende. De eend daarentegen bekommert zich om niets en marcheert moedig over het eiland om zich eene geschikte broedplaats uit te zoeken. Eigenzinnig als zij is, stelt zij zich niet tevreden met den eersten den besten hoop wier, dien de vloed op het strand wierp, of met den kleinen vlierstruik, wiens langs den grond kruipende twijgen eene veilige schuilplaats aanbieden, of met de halfgebroken kist, die de eigenaar des eilands opzettelijk daarheen bracht om tot beschutting te dienen, of met de takkenbosschen, die hij, om de vogels te lokken, bijeendroeg; zij nadert, zonder van vrees te doen blijken, evenals een huisdier, zelfs de woning van den eigenaar, gaat binnen, meet den vloer, maakt het der huisvrouw lastig in keuken en woonvertrek, en kiest wellicht, grillig en koppig, juist het binnenste van den oven voor nestplaats uit, en dwingt daardoor de huisvrouw maanden lang haar brood op een ander eiland te bakken. Met zichtbaren angst volgt haar de trouwe woerd zoover mogelijk; wanneer zij echter naar zijne meening alle veiligheidsmaatregelen geheel uit het oog verliest, en zich verstout met de menschen onder één dak te willen wonen, tracht hij niet langer hare luimen te bestrijden, maar laat haar eenvoudig begaan en vliegt zelf naar de veilige zee, om hier met kloppend hart hare dagelijksche bezoeken af te wachten. Onze eend laat zich daardoor niet van streek brengen, maar sleept wat rijshout bijeen en staat gaarne toe, dat de Noorman haar hierbij helpt; de stoffen, waaruit het nest zal bestaan, takjes en zeewier, worden laagsgewijze gerangschikt; met behulp der zwempooten wordt er een kuil in gegraven, en deze, terwijl de eend onophoudelijk de gladde borst daarin ronddraait, effen en rond gemaakt. Thans kan er begonnen worden met het bekleeden. Alleen om haar kroost bedacht, plukt de eend zich de zoo uitermate weeke donsveêren uit de borst en maakt hiervan een bed, dat den geheelen kuil vult. Van boven wordt langs den rand insgelijks een krans van hetzelfde materiaal gelegd, dat over de eieren zal gespreid worden, wanneer de eend het nest soms een wijl moet verlaten. Nog vóór het nest inwendig geheel gereed is, begint zij hare betrekkelijk kleine, gladschalige, vuil- of grijsgroene eieren te leggen, wier aantal van zes tot acht, een enkele maal meer of minder bedraagt.

Dit oogenblik heeft de Noorman afgewacht. Eigenbaat, zelfzucht, maakten hem tot den vriendelijken gastheer der eend.

De gastheer verandert nu in een roover. Zonder bedenken maakt hij zich meester niet alleen van de eieren, maar zelfs van het dons.

Vier en twintig tot dertig nesten leveren een kilogram dons, ter waarde van minstens achttien gulden, daar ter plaatse.

Deze cijfers geven voldoende opheldering van het gedrag des Noormans.

Met een treurig gemoed aanschouwt de eend deze vernietiging harer verwachtingen voor dit jaar; ontsteld en verschrikt vliegt zij naar de zee terug tot den haar wachtenden echtgenoot. Of deze haar nu ook nog waarschuwende woorden toevoegt, kan ik niet zeggen; wel weet ik, dat hij zijne gade spoedig troost in ’t hart stort. Nog is beider borst vol lentelust en lentemoed; na weinige dagen waggelt het wijfje, als ware er niets gebeurd, wederom over het land, ten einde opnieuw een nest te bouwen. Waarschijnlijk vermijdt zij dezen keer de vorige plaats en vergenoegt zich met den eersten den besten, nog niet geheel door anderen ingenomen hoop zeewier. Opnieuw fatsoeneert zij een kuil, opnieuw begint zij haar toilet te onderzoeken, ten einde de donsbekleeding op te sporen. Helaas! hoeveel moeite zij zich geeft, hoe zij den hals ook uitrekt en in allerlei slangvormige wendingen buigt—de voorraad is uitgeput. Wanneer evenwel is eene moeder, al wandelde zij ook in de gedaante eener eend over de aarde, ooit radeloos geweest, waar het gold de zorg voor haar kroost? Ook onze eend verliest hare bezinning niet. Heeft zij zelf geen dons meer, haar echtgenoot zal haar bijstaan; deze heeft er nog genoeg aan borst en rug. Daarvoor dient hij hier te zijn. En hoezeer hij misschien moge tegenstribbelen, hoe levendig hem de herinnering aan vroegere jaren ook is bijgebleven, hij is de man en zij de vrouw, d.w.z. hij moet gehoorzamen. Onbescheiden plukt de bezorgde moeder hem in de veêren, en binnen weinige uren, althans in minder dan twee dagen heeft zij hem even kaal geplukt als zij zelf is. Dat na zoodanige behandeling de woerd, zoodra hij kan, de volle zee opzoekt om nu eenige maanden alleen met zijns gelijken te verkeeren, en zich om de broedende gade en het wordend kroost in ’t geheel niet meer bekommert, vind ik zeer natuurlijk. En wanneer men werkelijk, zooals op alle broedplaatsen het geval is, een woerd naast eene eend ziet staan, dan is deze er ongetwijfeld een, die nog niet geplukt werd.

Onze eend broedt van nu aan zeer ijverig. En nu wordt het duidelijk, dat hare huisjapon het meest geschikte, ik durf zeggen, het eenig mogelijke gewaad is, dat zij dragen kan. In het wier, dat het nest omgeeft, verdwijnt zij volkomen; zelfs voor het oog van valken en zeearenden is zij onzichtbaar. Niet alleen harmonieert de algemeene kleur van haar toilet met die van het uitgedroogde zeewier, maar elk streepje, stipje en puntje is daarmede in overeenstemming. Ja, zoo volkomen, dat de broedende vogel, zoodra hij zijn hals heeft ingetrokken, en de vleugels een weinig heeft uitgespreid, als het ware in de omgeving wordt opgenomen. Vele malen is ’t mij gebeurd, dat ik, terwijl mijn geoefend jagers- en waarnemersoog over de eiderholmen gleed, niet eer eene eidereend ontdekte, alvorens ik door het pikken aan mijn laarzen er opmerkzaam op gemaakt werd. Wie de toewijding kent, met welke eene eend broedt, zal er zich niet over verwonderen, dat men de op het nest zittende vogels zoo nabij kan komen; maar wel wekt het de verbazing, zelfs van den meest ervaringrijken onderzoeker, wanneer hij hoort, dat de eidereend, zonder weg te vliegen, toelaat, dat men de onder haar liggende eieren met de hand betast, ja, dat zij ongestoord blijft voortbroeden, nadat men haar van het nest heeft afgenomen en daarna er weder opgezet, of een eind van daar op den grond, om zich het genot te verschaffen, haar weder naar het nest te zien waggelen.

De moederlijke toewijding en de moederweelde der eend blijken uit meer. Elke vrouwelijke eidereend, misschien iedere eend in ’t algemeen, streeft niet enkel naar het geluk kinderen op te voeden, maar zij wil haar moederoog doen rusten op een zoo talrijk mogelijke schaar. Deze aandrift heeft ten gevolge, dat zij andere, dicht bij haar broedende eenden zooveel benadeelt als zij maar kan.

Hoe ijverig zij ook broedt, eenmaal elken dag moet zij het nest verlaten, vooreerst om zich van voedsel te voorzien, en tevens om haar gevederte, dat tengevolge van de warmte, die zich onder het broeden ontwikkelt, niet weinig lijdt, te reinigen, in te vetten en op te strijken. Terwijl zij een wantrouwenden blik werpt op haar buurvrouwen, staat zij in de eerste voormiddaguren op,—misschien werd zij reeds geruimen tijd door een fellen honger gekweld,—plaatst zich aan den rand van het nest en schuift met den snavel den krans van dons over de eieren. Is dit geschied, dan vliegt zij ijlings naar zee, duikt herhaalde malen in de diepte, vult haastig krop en slokdarm tot de keel met mosselen, baadt en poetst zich, smeert zich de veêren in, keert naar het land terug, terwijl zij onderweg nog gedurig de veêren droogt en glad strijkt, en bereikt haar nest. De twee buurvrouwen zitten oogenschijnlijk even zorgeloos en onschuldig op het nest als straks, maar hebben ondertusschen diefstal gepleegd. Zoodra de eerste uitgevlogen was, was een der anderen opgestaan, had het donzen dek opgelicht en met de beide roeipooten snel één, twee, drie, vier eieren uit het vreemde nest naar haar eigen gerold; daarna heeft zij het eerste nest weder zorgvuldig toegedekt, en gelukkig in haar onrechtmatig bezit, zich weer te broeden gezet. De teruggekeerde eend heeft ras ontdekt wat er in haar afwezigheid gebeurd is, doch laat niets merken; zij zet zich weer rustig aan ’t broeden en denkt ondertusschen: „wacht maar buurvrouw, je zult ook wel eens uitvliegen en wat je mij nu hebt gedaan, doe ik jou dan.” En zoo wandelen de eieren der eidereenden gedurig van het eene nest in het andere. Of echter haar eigen kinderen of vreemde onder de gelukkige moederborst tot rijpheid komen, zulks schijnt der eidereend onverschillig te zijn;—het zijn immers toch kinderen!

Zes en twintig dagen broedt de eend, alvorens de kuikens uitkomen. De Noorman, die verstandig te werk gaat, laat haar ditmaal begaan en stoort haar niet alleen niet, maar helpt haar zooveel hij kan, door alle vijanden en onruststokers zooveel mogelijk van het eiland af te houden. Hij kent zijn eenden, zoo niet persoonlijk, dan toch in zooverre, dat hij weet, wanneer ongeveer deze of die met broeden gedaan heeft en met hare kuikenschaar den weg naar zee zal aanvaarden. Die weg strekt velen jongen eenden, op wie geen genoegzaam toezicht wordt gehouden, onverwachts ten verderve.

Niet alleen de op het eiland broedende of daar toevallig aanwezige valken, maar ook en nog meer raven, roofmeeuwen en groote zeemeeuwen beloeren den eersten uitgang der eendenkuikens, overvallen deze op dien tocht en rooven er velen weg.

De patroon van het eiland tracht zulks te verhinderen en wel op eene wijze, die kenschetsend is voor de anders zoo wilde en schuwe, maar onder het broeden bijna in huisdieren veranderde eidervogels. Tegen het einde van den broedtijd wandelt hij elken morgen over het eiland om de moeders behulpzaam te zijn en den tweeden donsoogst in te zamelen. Op zijn rug hangt een draagkorf, aan den eenen arm een wijde handkorf. Zoo wandelt hij van het eene nest naar het andere, beurt elke eend op, en onderzoekt of de kuikens uit den dop zijn en voldoende droog zijn geworden. Is zulks het geval, dan pakt hij het geheele krabbelende gezelschap in zijn handkorf, ontdoet het nest van het dons en bergt dit in den draagkorf, om daarna verder te gaan. Vertrouwelijk waggelt de eend meê en volgt haar piepende jongen. Een tweede, derde, tiende nest wordt insgelijks geledigd en zoolang wordt de arbeid in ’t algemeen voortgezet, totdat de handkorf vol is. De eene moeder na de andere sluit zich aan het gevolg aan, onderweg van gedachten wisselende met hare medelijderessen. Aan het strand gekomen schudt de man den inhoud der mand eenvoudig in de zee uit. Dadelijk storten alle eenden in het water, haar kroost na; roepende en alle teederheid der moederliefde ontvouwende, zwemmen zij te midden der kleine schare, en ieder zoekt zooveel kinderen mogelijk te bemachtigen. Met blijkbaren trots zwemt er hier eene, die een lang gevolg na zich sleept; maar reeds zwemt een tweede dwars door dien keten om er zich sommigen van toe te eigenen, terwijl een derde eend nadert met het doel ook voor zich zooveel kuikens machtig te worden, als zij maar kan. Zoo zwemmen alle moeders snaterend, roepend, kwakend en lokkend dooreen, tot eindelijk ieder harer een troep kuikens achter zich heeft; of deze haar eigen kinderen of vreemden zijn, wie zal het zeggen? De eend zelf weet het ongetwijfeld evenmin, maar haar moederweelde lijdt er niet onder; het zijn immers allen kinderen, die achter haar zwemmen.

In elk geval, eene op deze wijze bijeenverzamelde schare volgt reeds in de eerste levensuren getrouw het voorbeeld der moeder of pleegmoeder. Deze brengt de kuikens al dadelijk naar zulke plaatsen, alwaar de mosselen tot op de hoogte der laag-waterlijn op de rotsen zitten, plukt er zooveel als voor haar zelf en haar gezin voldoende is, breekt de kleinste schalen open en zet den inhoud haar kinderen voor. Deze kunnen reeds dadelijk zwemmen en duiken, en in één opzicht overtreffen zij zelfs hunne ouders, n.l. hierin, dat zij zich veel gemakkelijker en vlugger op het land bewegen. Worden nu de kuikens in de nabijheid van een eiland vermoeid, dan geleidt de moeder hen naar het land; zij rennen nu als jonge patrijsjes voort, verstaan echter meesterlijk de kunst om, als zich de noodkreet der moeder laat hooren, neêr te hurken en zich daardoor zoo onzichtbaar te maken, dat zij zelfs voor het scherpstziend oog verborgen blijven; worden zij vermoeid, wanneer zij zich al te ver van de scheren verwijderd hebben, dan breidt de oude haar vleugels uit en biedt deze, alsmede haar rug den kleinen tot rust- en zitplaats. Daar gebrek hun onbekend is, groeien zij verbazend snel, en na verloop van twee maanden hebben zij bijna de grootte en in elk geval alle bekwaamheden en talenten der moeder erlangd.

Nu komt ook de vader weder te voorschijn, om van nu aan met de familie vereenigd, meestal in gezelschap van meerdere families, soms een schaar vormende, uit duizenden individuen samengesteld, gezamenlijk den winter door te brengen.

De hooge, ieder jaar nog stijgende prijs van het prachtige dons, maakt den eidervogel tot den meest kostbaren van alle bergvogels. Duizend paar eidereenden zijn een niet te versmaden rijkdom. Op de meeste eiderholmen broeden echter minstens drie à vier duizend paar, en de eigenaar van nog drukker bezochte broedplaatsen trekt van deze vogels een inkomen, dat menig grondeigenaar ten onzent hem benijden zou.

Behalve eidereenden broeden op de holmen ook nog oestervisschers of scholeksters en zeekoeten, aan welke vogels men insgelijks de eieren ontrooft, die maanden lang op allerlei wijzen als voedsel worden gebruikt en naar oost en west verzonden.

Een enkele maal worden de jongen ingezouten om in den winter tot voedsel te dienen, en zoo zijn, gelijk men ziet, de holmen te vergelijken met akkers, die een rijken oogst opleveren; zij staan diensvolgens onder streng toezicht en worden door bijzondere wetten beschermd.

Eigenaardig en boeiend tevens is het tooneel, dat een door eidereenden en andere zeevogels bewoond eiland oplevert. Een meer of minder dichte wolk van verblindend witte meeuwen omhult het eiland. Zonder tusschenpoos vliegen troepen en zwermen dezer broedvogels af en aan, nu naar het eiland toe, dan weder in de richting der zee. Ook bezoeken zij wel de naburige scheren en schenken dan een ongemeenen tooi aan de in groene grasvelden omgevormde moerassen, waarachter zich de roode blokhuizen verheffen. Met billijken trots wees eens een bewoner der Lofoden op eenige honderden stormmeeuwen, die in dichte troepen vlak voor zijn huis naar insecten zochten. „Ons land is te arm, te koud en te ruw dan dat wij er, evenals in het zuiden, huisvogels op na kunnen houden. De zee schenkt ons echter duiven en ik vraag u hebt gij wel ooit iets schooners gezien?” Ik moest een ontkennend antwoord op deze vraag geven; want de blinkend witte en fijn blauwgrijze meeuwen teekenden zich te midden van de grootsche omgeving eener noordelijke bergstreek zoo heerlijk tegen het mollige, groene gras af, dat dit schouwspel inderdaad aantrekkelijk mocht heeten. Deze meeuwen zijn het, die bovenal de broedholmen reeds van verre als zoodanig in het oog doen vallen, waardoor deze zich onderscheiden van andere, overigens er eveneens uitziende scheren. Van de overige gevederde bevolking merkt men weinig, ofschoon haar aantal duizenden bedraagt.

Eerst wanneer men in een dier lichte, onverbeterlijke booten van dit land van den bewoonden oever stoot en naar den holm toestuurt, dan verandert het stille leven der vogels. Eenige scholeksters, die onmiddellijk boven het hoog waterpeil hun voedsel zochten, hebben de boot bemerkt en vliegen er ijlings heen. Want deze vogels, die op geen der grootere eilanden, zelfs bijna op geen enkele scheer ontbreken, zijn de veiligheidsbeambten, de politie-agenten onder de vreedzaam vereenigde bergvogels. Nieuwsgieriger en bedrijviger dan alle andere, mij bekende strandvogels, zelfbewust, voorzichtig en bedachtzaam, vereenigen zij alle eigenschappen in zich om tot toongevers te worden in gemengde koloniën. Elke nieuwe, ongewone gebeurtenis wekt hen op een onderzoek in te stellen. Zoo vliegen zij elke boot te gemoet, omzwermen deze van vijf tot zes malen in steeds nauwer wordende kringen, laten daarbij een onafgebroken geschreeuw hooren, lokken hierdoor andere individuen hunner eigene soort en wekken de opmerkzaamheid van alle verstandige vogels der kolonie.