Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 1

Chapter 13,496 wordsPublic domain

VAN DE NOORDPOOL NAAR DEN AEQUATOR. BLIKKEN IN HET GROOTE RIJK DER SCHEPPING,

DOOR Dr. A. E. BREHM.

Met Illustraties van R. FRIESE, G. MÜTZEL, ALBERT RICHTER, FR. SPECHT e.a.

Uit het Hoogduitsch DOOR R. E. DE HAAN, Directeur der R. H. B. S. te Winterswijk.

SCHOONHOVEN, S. & W. N. VAN NOOTEN. 1894.

VOORBERICHT.

Toen nu wijlen Dr. A. E. Brehm in de voornaamste steden van Duitschland zijne voordrachten hield over de Vogelbergen van Lapland en de boomlooze Toendra van Siberië, over de maagdelijke wouden van Afrika en de bannelingen in den Oeral, en over zoovele andere onderwerpen meer, voornamelijk ontleend aan het leven der hoogere dieren, ging er telkens een storm van toejuichingen op uit de gehoorzalen, waar Brehm’s machtig woord weêrklonk. En door inhoud, èn door vorm alles overtreffende, wat ooit op dit gebied geleverd was, oefenden deze voordrachten eene betooverende werking uit. Nooit sprak iemand op zulk eene boeiende, aangename en aanschouwelijke wijze; nimmer wist een redenaar zoo zijn hoorders als aan zijn lippen te ketenen. Zoo ging Brehm’s lof van mond tot mond, van gewest tot gewest, van land tot land, en elke stad rekende het zich tot eene eer den gevierden spreker althans éénmaal gehoord te hebben. Zelfs het wufte, op schouwburg-vermaak verzotte Weenen gevoelde zich gestreeld door de komst van den grooten natuurvorscher, die, met de reine kleuren der natuur op zijn palet, en een hart vol innige liefde voor al wat daar leeft in de ruime schepping, een tooneelstuk schetste en maalde, zoo rijk van inhoud, zoo schoon van vorm, zoo warm van kleur, dat zich een onbeschrijfelijke geestdrift meester maakte van de onder zijn gehoor zittende menigte. Ademlooze stilte heerschte, hier en elders, de twee volle uren lang, die gewoonlijk elke voordracht duurde; in gespannen verwachting volgde men den redenaar van woord tot woord, hangende aan de lippen, aan welke slechts de zuiverste klanken ontwelden, die als eene electrische ontroering werkten op de zinnen en gemoederen van het verrukte auditorium. Waar hij de Vogelbergen van Lapland beschrijft, daar waant men zich verplaatst te midden der scheren en fjorden van Skandinavië en ziet men de millioenen gevederde bewoners der klippen en stranden, daar hoort men het ruischen hunner vleugelen; dan verduistert het eigen oog, en met moeite ontworstelt zich de geest aan de begoocheling en den tooverkring, dien het bezielende woord van Brehm om zijn hoorders trok, om terug te keeren tot de werkelijkheid,—de werkelijkheid, dat het slechts een panorama is geweest, dat ons voorbij trok.

Een panorama, ja! maar onvergelijkelijk schoon!

Staat reeds het geschreven woord verre beneden het gesprokene, eene gewaagde onderneming mag het schijnen, Brehm’s voordrachten, uit de taal, waarin zij werden uitgesproken, te willen overbrengen in eene andere.

Ik ontveins mij geenszins, dat hieraan gewichtige bezwaren verbonden zijn, dat hierbij groote moeilijkheden te overwinnen zijn. Toch heb ik niet geaarzeld die taak op mijn schouders te nemen, omdat ik daarbij rekende op eene bondgenoot, die bij dat werk mij, naar ik meende, gewichtige diensten zou kunnen bewijzen. Een sprank van de liefde voor de bezielde en onbezielde schepping, die Brehm’s hart doorgloeide, en waaraan hij zijn talent van opmerken en schilderen ontleende, mag ik het mijne noemen. En dat gevoel zal, naar ik vertrouw, mij in staat stellen op eenigszins getrouwe wijze terug te geven, wat er in Brehm’s hoofd en hart omging, toen hij den aardbol doorkruiste „Van de Noordpool naar den Aequator”.

Winterswijk. R. E. de Haan.

ALFRED EDMUND BREHM.

Christian Ludwig Brehm, een der meest beroemde vogelkenners van Duitschland, van wien een aantal ornithologische geschriften het licht zagen, was predikant, laatstelijk te Neustadt a/d Orla, alwaar hij den 23. Juni 1864 overleed.

Den 2. Febr. 1829, toen Christian Brehm nog te Renthendorf (bij Neustadt) woonde, werd hem een zoon geboren, de later zoo beroemd geworden reiziger en natuurkundige, Alfred Edmund Brehm. Dat deze in de studiën zijns vaders al vroeg aanleiding vond zich aan zoölogische waarnemingen te wijden, dat de liefde des vaders voor de levende schepping ook al spoedig ontkiemde in de borst des zoons, wie zal zulks vreemd vinden?

Nog vóór Alfred de universiteit bezocht, had hij reeds verschillende reizen gedaan, en op deze tochten gelegenheid gevonden de dieren in hun natuurstaat na te gaan en te verzamelen. Op achttienjarigen leeftijd ondernam hij in gezelschap en op kosten van Baron Johan Wilhelm von Müller een zwerftocht door Egypte, Nubië en het oostelijk gedeelte van Soedan. Na vijf jaren afzijns keerde hij in zijn geboorteland terug en studeerde daarna zoölogie aan de hoogescholen te Jena en Weenen. Vervolgens begaf Alfred Brehm zich weder op reis, bezocht Spanje, Noorwegen en Lapland.

In 1862 ondernam hij een tocht naar Abessinië, steeds zijnen reeds rijken schat van kennis en ervaring op dierkundig gebied vermeerderende.

In gezelschap van Hertog Ernst van Saksen-Koburg-Gotha bezocht Brehm het noorden van laatstgemeld land, terwijl de in navolgende bladen beschreven reis naar Siberië werd ondernomen op aansporing en kosten van het „Verein für die Deutsche Nordpolfahrt” te Bremen. Een gedeelte der kosten van dien tocht werd bestreden door den heer Sibiriakoff te Irkutsk, die daarvoor 16000 gulden beschikbaar stelde.

Wanneer hij niet uitlandig was, woonde Brehm meestal te Leipzig, alwaar hij zoowel als onderwijzer werkzaam was, als door schrijven in zijn onderhoud trachtte te voorzien.

In het jaar 1863 aangesteld tot direkteur van den pas opgerichten zoölogischen tuin te Hamburg, bleef hij in deze betrekking evenwel slechts vier jaren werkzaam. Gedurende dit korte tijdvak echter wist hij die inrichting tot een van de beste der wereld te maken. Het gunstig bekend aquarium van Berlijn heeft Brehm helpen stichten.

Het meest beroemd evenwel is Brehm geworden door zijn voorlezingen, gehouden in de voornaamste steden van Duitschland, en vooral door zijne vele geschriften. Bovenaan staat in deze rij: „Illustrirtes Thierleben”, een werk, eerst in 8, daarna in 10 lijvige boekdeelen uitgegeven, eene boeiende beschrijving bevattende van den bouw, het voorkomen, de zeden en gewoonten, in den wilden zoowel als in den tammen staat der hoogere en lagere diersoorten.

Behalve dit standaardwerk,—in vele opzichten tevens een vraagboek voor vakgeleerden,—schreef Brehm: „Das Leben der Vögel”, „Die Thiere des Waldes”, enz. Een aantal opstellen in de „Gartenlaube” en andere tijdschriften zijn mede van zijne hand.

Den 11den November 1884 stierf de groote reiziger en dierenkenner in dezelfde plaats, alwaar hij eens het levenslicht aanschouwde.

R. E. de Haan.

EEN WOORD VOORAF VAN Dr. HORST BREHM.

Reeds zes jaren dekt de koele aarde van Renthendorf het stoffelijk hulsel van mijnen onvergetelijken vader, die voor allen, die hem liefhadden en vereerden, te vroeg de oogen sloot. Het was eene wonderbare beschikking van het lot, dat hetzelfde, weinig beteekenende plaatsje in het groene Thüringerwoud, alwaar hij het levenslicht aanschouwde, ook den man zag sterven, die gedurende zijn werkzaam, veel bewogen leven vier werelddeelen had gezien en onderzocht.

Slechts vijf en vijftig jaren mocht hij tellen, toen zijn welbespraakte mond zich voor altijd sloot, en de pen ontviel aan de hand, die haar zoo meesterlijk wist te voeren. Hij was nog vervuld met groote plannen, en te betreuren is het, dat de bouwstoffen, door hem nagelaten, meerendeels zoo fragmentarisch zijn, dat geen vreemde hand daaruit een geheel zou kunnen opbouwen. Toch bevatten de nagelaten schrifturen nog zooveel merkwaardigs, dat ik het mij tegenover mijn vader zoowel als tegenover alle vrienden eener ernstige natuurbeschouwing, ten eereplicht rekende, die schatten voor de lezende wereld toegankelijk te maken. De volgende bladen zijn daarvan de eerste en ongetwijfeld de beste proeve; zij bevatten Alfred Edmund Brehms overal met graagte genoten en zoozeer gewaardeerde voordrachten, in zooverre deze door hem op schrift zijn gebracht. Ik meen daarmede velen een dienst te bewijzen en heb het niet noodig geoordeeld de uitgave dier voordrachten met een woord van aanbeveling vergezeld te doen gaan; zij mogen voor zich zelf getuigen, en doen zulks reeds, hetgeen bewezen wordt door de talrijke aanvragen van buitenlandsche boekhandelaren, die het vertalingsrecht wenschen.

Wel is waar kan het geschreven woord het levende niet geheel vervangen, en mijn vader, die steeds voor de vuist sprak, zal naar den eisch van het oogenblik veel van ’t geen in deze bladen voorkomt, in een anderen vorm hebben uitgesproken, hier verkortende, daar iets langer bij stil staande,—maar wie hem gehoord heeft, dien zal ongetwijfeld het beeld van den overledene weder duidelijk voor oogen staan, en het zal hem wellicht zijn, als hij deze bladen leest, als hoorde hij weder Alfred Brehms krachtige stem. De eigenaardige persoonlijkheid van den schrijver van „Illustrirtes Thierleben” en van het „Leben der Vögel” vinden wij in deze voordrachten weder terug, ja wij leeren haar van eene nog nieuwe en aantrekkelijke zijde kennen. Want meer nog dan in zijne andere werken spreekt daaruit mijns vaders veelheid van ervaringen, zijn alzijdige kennis, zijn ongewoon waarnemingsvermogen, en niet het minst de met zijn dichterlijken aanleg zoo nauw samenhangende eigenaardige opvatting der levende en levenlooze natuur, alsmede zijn gunstige, blijmoedige humor.

En zoo zend ik dan deze bladen de wereld in, vol vertrouwen, dat zij ’t aantal vrienden, waarin de schrijver zich bij zijn leven verheugde, nog zullen vermeerderen. Mochten zij ook aan de dierenwereld, die hij zoo innig lief had, en die hij zoo door en door kende, nieuwe onbevooroordeelde, hartelijke beschermers verzekeren! Mochten zij tevens in elk huis, waar de zin voor goede letteren en alzoo voor schoonheid in ’t algemeen wordt aangekweekt, ook voor de schoonheid onzer aller moeder, de Natuur, meer en meer hart en oogen openen—dan zou tevens de hoogste en edelste bedoeling in den geest des schrijvers bereikt zijn!

En zoo zij dezen bladen op hun weg heil gewenscht; een vroolijk welkom begroete hen, en waar zij eens vriendelijk werden ontvangen blijve hun voor lang eene eereplaats verzekerd!

Berlijn, September 1890.

INHOUD.

Bladz. Voorbericht van den Vertaler V Alfred Edmund Brehm, door R. E. de Haan VII Een woord vooraf van Dr. Horst Brehm IX

Hoofdstuk.

I. De Vogelbergen van Lapland 1 II. De Toendra en hare Dierenwereld 28 III. De Aziatische Steppe en hare Dierenwereld 50 IV. Woud, Wild en Jacht in Siberië 78 V. De Steppe en Dierenwereld van Centraal-Afrika 121 VI. Het Oerwoud en de Dierenwereld van Afrika’s Binnenland 150 VII. De Verhuizingen der Zoogdieren 181 VIII. De Liefde en het Huwelijk der Vogels 204 IX. De Apen 226 X. Karavanen en Woestijnreizen 257 XI. Het Land en de Bevolking tusschen de Stroomversnellingen van den Nijl 293 XII. Een Reis in Siberië 327 XIII. De Heidensche Ostjaken 352 XIV. De Nomaden en Kudden der Steppe 381 XV. Het Volks- en Familieleven der Kirgiezen 409 XVI. De Kolonisten en Bannelingen van Siberië 435 XVII. Onderzoekingstochten op den Donau 461

Wetenschappelijke Naamlijst 485

I.

DE VOGELBERGEN VAN LAPLAND.

„De Schepper der wereld had zoo even Zijn lievelingsster, de aarde, voltooid en verheugde zich over het goed geslaagde werk. Daar viel het den duivel in dit werk te vernietigen. Toen nog niet uit den hemel verbannen, woonde de booze te midden der aartsengelen, en in de ruimten, alwaar de zaligen verblijf houden. Hij vloog omhoog naar den zevenden hemel, greep een ontzaglijken steen en slingerde dien met kracht naar de aarde, die daar beneden in jeugdige schoonheid prijkte. Maar nog bijtijds bemerkte de Schepper dit roekeloos bestaan en zond onmiddellijk eenen aartsengel af om het onheil te keeren. Sneller dan de steen vloog de engel omlaag, en slaagde er in het land te vrijwaren. Donderend stortte de reusachtige steen in de zee; kokend spatten de golven omhoog en overstroomden het naburige land, mijlen ver. Door den geweldigen schok werd het buitenste hulsel van den steen verbrijzeld, en duizenden splinters ploften ter weêrszijden in de zee, hier in de diepte verdwijnende, ginds boven de wateren uitstekende, naakt en kaal, evenals de kern des steens zelve. Toen werd God met medelijden vervuld, en in zijn oneindige barmhartigheid besloot hij ook dien dorren rotsklomp met leven te bezielen. Maar de vruchtbrengende aarde was reeds meerendeels verbruikt, en slechts een weinig was in Gods hand overgebleven, nauwelijks voldoende, om hier en daar iets op den steen uit te strooien.”

Aldus luidt eene oude sage, die nog op den huidigen dag onder de Lappen rondgaat. De steen, dien de duivel wierp, is Skandinavië; de splinters, die ter weêrszijden in de zee vielen, zijn de scheren, die in bonten krans het schiereiland omringen; de barsten en spleten zijn de fjorden en de dalen van het binnenland; de brokjes levenwekkende aarde, die uit de milde hand des Scheppers daarop nedervielen, vormen de weinige vruchtbare plekjes, die Skandinavië rijk is.

Men moet zelf in Skandinavië, vooral in Noorwegen geweest zijn; men moet zelf de boot tusschen de scheren hebben gestuurd en het land van de zuidelijkste punt tot het hoogste noorden zijn omgevaren, om de kinderlijke sage in haar volle diepte en beteekenis te verstaan. Ja, vreemd is het land; vreemd zijn deszelfs fjorden, maar de grootste verwondering wekt de krans van eilanden en scheren, die het omgeven!

Skandinavië is een Alpenland, evenals Zwitserland en Tyrol, maar toch, welk verschil! Evenals onze Alpen heeft het zijn hooggebergten en gletschers, zijn wildbeken en heldere, stille Alpenmeren, zijn donkere dennenbosschen in de diepte, zijn lichtgroene berkenwouden in de hoogte, en uitgestrekte, hier in toendra’s veranderde moerasvenen op den breeden rug der bergen, zijn blokhuizen op de hellingen en zijne senhutten in de hoogste dalen.

Maar niettemin is in Skandinavië alles anders dan in de Zwitsersche Alpen, en het onderscheid valt duidelijk een ieder in het oog, die in de gelegenheid was beide landen te zien. Dit verschil spruit daaruit voort, dat hier twee groote en majestueuse gebieden der aarde, hooggebergte en zee, op verwonderlijke wijze zijn vereenigd en verbonden.

Ernst en vroolijkheid vormen het algemeen karakter van Skandinavië. Gestrengheid paart zich aan zachtheid, somberheid aan opgewektheid, en onder het doodsche en angstverwekkende mengt zich het levendige en verhevene. Zwarte rotsmassa’s rijzen loodrecht uit de zee omhoog, terwijl zij de diep ingesneden fjorden omgrenzen; op menigvuldige wijze gekloven en verdeeld, stapelen zij zich steil boven elkander op, terwijl ginds een overhellend blok dreigend neêrblikt in de diepte; op hare kruinen torschen ze ijsmassa’s, die zich uren ver uitstrekken en gansche landschappen bedekken. Geen leven wordt hier vernomen; alleen de wildbeek, die er haar oorsprong neemt, stoort de doodsche stilte. Als een zilveren lint kronkelt zij over den zwarten grond; terwijl zij het oog boeit, laat zij in haar ruischen de verheven melodie weêrklinken van het hooggebergte. Uit elke spleet breken deze stroomen te voorschijn, langs elke kloof bruisen zij omlaag, in dollen dans tuimelen zij van de rotsen, waterval op waterval vormende, wier geklater door de naburige berghelling wordt teruggekaatst.

Deze ruischende beken, die langs elke insnijding dalwaarts spoeden, de glinsterende waterstrepen, die tegen elken rotswand hangen, de als rook opstijgende damp, die de aanwezigheid der meest verborgen watervallen verraadt, zij zijn het, die het leven oproepen in de ijzigste wildernis, op plaatsen, waar het oog overigens niets ontwaart dan rots en lucht, terwijl zij tevens wijzen op het daarachter gelegen land.

Maar, hoe betooverend ook hunne schoonheid zij, hoe overweldigend de fjorden met haar rotswanden, kloven en dalen, voorgebergten en vooruitstekende punten ook zijn mogen, eigenaardiger indruk nog geven de eilanden en scheren daar buiten in de zee; de klippen, die van het zuiden tot het noorden zich langs het land gelegerd hebben en een chaos van bochten, sonten en straten in ’t leven roepen, gelijk geen tweede plekje op de gansche aarde misschien weet aan te wijzen.

De groote eilanden zijn min of meer een getrouw spiegelbeeld van het vaste land; de kleinere eilanden en de scheren bewaren onder alle omstandigheden een eigendommelijk karakter, dat evenwel met elken hoogeren breedtegraad eenige wijziging ondergaat. In het noorden mist men den rijkdom van het zuiden; zulks geldt niet alleen voor de eilanden, maar ook voor de zee.

Toch is ook hier alle schoonheid niet buitengesloten, en vooral in de zomermaanden, wanneer de middernachtszon groot en bloedrood langs den horizon strijkt en haar half omsluierden glans tegen de met ijs bedekte toppen der bergen en de oppervlakte der zee weêrkaatst, dan is de betoovering inderdaad overweldigend. De overal verspreid liggende boerenwoningen hebben hierin haar aandeel; hutten, uit houten planken opgetimmerd en met zoden gedekt, prijkende met het levendigste rood, dat scherp afsteekt bij ’t groene dak, den zwarten bergwand en het ijsblauw der gletschers op den achtergrond.

Niet zonder bevreemding neemt de reiziger, die voor ’t eerst dit land bezoekt, waar, dat die woningen grooter, deftiger en ruimer worden, naarmate men noordelijker komt. Ofschoon niet meer door akkers omgeven, bezit nog elke woning een tuintje, en wat grootte, ruimte en inrichting betreft, winnen zij het van de armoedige gebouwen in de meer zuidelijke streken van Skandinavië; ja, de deftigste en grootste bevinden zich juist op de kleinere eilanden, waar niets dan een veenlaag den rotsgrond dekt, en welker ondankbare bodem zelfs de gift van een klein tuintje weigert.

Dit schijnbaar raadsel wordt evenwel opgelost, wanneer men zich herinnert, dat in Norland en Finland niet het land, maar de zee de akker is, die beploegd wordt; dat men niet in den zomer zaait en de zeis zwaait, maar dat de oogsttijd valt in den herfst, en daaraan geen zaaitijd is voorafgegaan; dat juist in die maanden, waarin de lange nacht onbeperkt zijn scepter zwaait en de maan in plaats van de zon de aarde beschijnt, wanneer het gloeiende noorderlicht treedt in de plaats van het morgen- en avondrood, alsdan daar ter plaatse de mensch der zee haar rijken buit ontrooft.

Wanneer de herfstnachtevening is ingetreden, maken zich alle krachtige mannen van Noorwegen op om den noordelijken oogst in te zamelen. Iedere stad, ieder vlek, ieder dorp zendt een of meer voldoend bemande schepen naar de eilanden en scheren aan gene zijde van den poolcirkel, om voor eenige maanden in alle daarvoor passende bochten het anker uit te werpen. Op de schepen zoowel als in de woningen reppen zich alle handen om den zegen des oogstes te bergen.

Midden in den zomer is het land daar ginds stil en onbewoond; gedurende den winter wemelen de inhammen, eilanden en straten van bedrijvige mannen; dag en nacht zijn deze onverpoosd bezig. De woningen mogen ruim zijn, toch kunnen zij alle hier bijeengestroomde menschen niet bevatten; daarom worden er nog dicht bij de schepen eenvoudige, met plaggen gedekte hutten opgeslagen om tot tijdelijk verblijf te strekken.

Omstreeks den winterzonnestilstand, wanneer wij ons Kerstfeest, de Noren hun Joelfeest vieren, is de drukste tijd aangebroken. Reeds sedert weken heeft de zee haar zegen uitgestort. Beheerscht door de machtigste aandrift, die levende wezens bezielt, geleid door den onweêrstaanbaren aandrang zaden uit te strooien voor volgende geslachten, stijgen ontelbare scharen van visschen, zooals kabeljauwen en schelvisschen, uit de diepten des Oceaans omhoog; zij naderen de kusten, dringen in alle straten, sonten en fjorden, en bedekken mijlen in ’t rond de oppervlakte der zee. Zoo dicht zwemmen deze, slechts door één gevoel bezielde, en als het ware van hun zinnen beroofde wezens bijeen, dat de booten zich letterlijk door deze scholen een weg moeten banen, dat het overgevulde net onder zijn last breekt, of spot met de reuzenkrachten der visschende mannen, terwijl een roeispaan, die loodrecht tusschen de opeengehoopte visschen wordt gestoken, eenigen tijd in deze richting blijft staan, alvorens om te vallen. Alleen de hoogere gedeelten der eilanden, alwaar eene veenlaag den kalen rotsgrond dekt, en de onmiddellijk aan de zee grenzende randgedeelten, tot waar de vloed nog reikt, uitgezonderd, is de bodem bedekt met gespouwen, hier ter droging neêrgelegde visschen. Daarboven zijn staken in den grond geplant, waaraan duizenden anderen worden opgehangen, die voor hetzelfde doeleinde aan den kouden, maar uitdrogenden wind worden blootgesteld. Van tijd tot tijd ledigt men de rotsen en staken, bindt de gedroogde visschen in bundels, bergt ze tijdelijk in daarvoor ingerichte schuren, maar de ledige plaatsen worden op hetzelfde oogenblik weder door versch gevangenen aangevuld.

Maanden lang duurt deze bezigheid, maanden lang de hieruit voortspruitende handel; het zuiden en noorden ruilen hier hunne schatten tegen elkander in. Eerst wanneer omstreeks den middag een helder licht in het zuiden de terugkomst der zich nog schuil houdende zon aankondigt, of deze zelf een korten blik werpt op het land, eindigt van lieverlede de rijke vangst. De gedroogde stok- of klipvisch wordt uit de magazijnen naar de schepen gedragen, de geheele ruimte van de kiel tot aan het dek daarmede opgevuld. De schipper keert huiswaarts, of vaart naar elders; het eene vaartuig na het andere hijscht de bruin geteerde zeilen en wendt den steven.

Stiller wordt het in het noorden, eenzamer wordt het land, verlaten is de zee. Is de lentenachtevening aangebroken, dan hebben bijna alle vreemde vaartuigen het oogstveld verlaten en zijn de visschen wederom naar de diepten des Oceaans teruggekeerd. Maar reeds zendt de zee nieuwe kinderen uit, om nogmaals de sonten, bochten en fjorden, en nu niet deze alleen, maar ook de scheren en eilanden met leven te bezielen; weldra glinsteren hier millioenen heldere vogeloogen en gluren deze van de hoogten der klippen, aan wier voet het zoo even geschetste winterleven heerschte, naar beneden op de zee.