Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 20

Chapter 203,459 wordsPublic domain

Wanneer ik spreek van de verhuizingen der zoogdieren, dan bedoel ik daarmede niet de gewone stroop- en zwerftochten, die ook al ter wille van het voedsel geschieden, evenmin zulke tochten, welke ten doel hebben den verbreidingsgordel te verruimen, maar alleen die gemeenschappelijke reizen, welke sommige zoogdieren, nu eens in meer regelmatige, dan weder meer onregelmatige volgorde, ver buiten de grenzen hunner woonplaats voeren, dus naar streken, alwaar zij eene hun vreemde levenswijze moeten aannemen, om deze even spoedig weder vaarwel te zeggen, zoodra hun dit mogelijk is geworden of mogelijk voorkomt. Zulke verhuizingen komen nog het meest overeen met het trekken der visschen en vogels, en hoe beter wij de eersten leeren kennen des te juister zal ook ons inzicht worden in ’t wezen van het laatstgenoemde.

Kleine uitstapjes buiten de grenzen der gewone verblijfplaatsen volbrengen alle zoogdieren, en zulks om verschillende redenen. Soms zijn de mannetjes en vooral de ouden, meer geneigd tot rondzwerven dan de wijfjes en de jongen; men ziet ze daarom dikwijls zonder bepaalde redenen een zeker gebied verlaten om een ander op te zoeken; de jonge mannetjes van gezellig bijeenlevende soorten worden wel eens door de oudere hoofden van een troep stelselmatig verdreven en tot verhuizen gedwongen; de moeders zwerven gaarne met haar kroost door het gebied, alwaar dit laatste geboren werd; beide seksen trekken en reizen om elkander op te zoeken. Bij gelegenheid van zulke tochten ontdekt het dier de een of andere geschikte verblijfplaats, eene streek, waar overvloed van voedsel is, of waar beschermend struikgewas groeit, of een geschikt hol; het toeft daar dan langer of korter tijd en betrekt eindelijk voor goed het beloofde land. Oude jagers weten bij ervaring, dat een afgejaagd distrikt van buiten af weder nieuwen toevoer erlangt, en onder gunstige omstandigheden zeer spoedig even sterk bevolkt kan worden als vroeger. Niemand, die niet weet, dat vossen- en dassenholen, die zoo moeilijk te vernielen zijn, altijd bewoond blijven, hoe sterk er op deze dieren ook jacht worde gemaakt. Andere zoogdieren, op wier doen en laten minder nauwkeurig acht wordt geslagen dan op het wild, gedragen zich niet anders. Er heeft ongetwijfeld een onophoudelijk reizen en trekken plaats. En zoo wordt dan ook, zoo niet de natuur zelf zulks belet, of roofdieren of menschen hier verhinderend optreden, het verbreidingsgebied der soorten steeds grooter.

Onze voorvaderen deelden hun woningen tot het eind der vorige eeuw met de huisrat, terwijl zij de bruine rat slechts kenden van hooren zeggen, of misschien zelfs in ’t geheel niet. De eerste was een rat met vele, ofschoon niet alle ondeugden van haar geslacht. Zij bewoonde de zolders onzer huizen, at van ons koren, van ons spek en allerlei anderen voorraad, knabbelde aan de deuren, planken vloeren en het huisraad, draafde des nachts onheilspellend door oude kasteelen en dergelijke spookgebouwen, veroorzaakte veel verdriet, menigen schrik en voedde het geloof aan spoken en het bijgeloof; maar met haar was het leven nog mogelijk, en men kon haar nog meester worden. Een flinke huiskat hield haar in bedwang, een goede kamerjager bond met haar den strijd aan. Daar verscheen plotseling haar gevaarlijkste vijand, en van nu aan begon haar licht te tanen. In het jaar 1727 zag men groote scharen bruine ratten, die òf rechtstreeks, òf over Perzië uit Indië moeten gekomen zijn, over de Wolga zwemmen, en spoedig daarna ervoer men door welke plaag Europa voortaan gekweld zou worden. Rivieren en kanalen volgende, bereikte de bruine rat de dorpen en steden; zij nam, in spijt van menschen en katten, onze woningen eerst van beneden in bezit en nestelde zich in de kelders en gewelven, steeg allengs omhoog naar de zolders en daken, verdreef na een langen, verbitterden strijd haar bloedverwant, maakte zich tot meesteres in ons eigen huis en toonde duizenden malen, wat een rat vermag; want deze bezit alle ondeugden der familie en legt ze daarbij onverholen aan den dag; zij spotte met alle pogingen om haar te verdrijven en behield tot op dezen dag overwinnend het veld, dat wij haar met behulp van honden en katten, met klemmen en vallen, met vergif en kruit te vergeefs betwisten. Bijna tezelfder tijd dat zij over de Wolga zwom, in 1732, bereikte zij Europa nog langs een tweeden weg, doordien zij op Oostindische schepen naar Engeland werd overgebracht. Van nu af begon zij hare reize door de geheele wereld.

In Oost-Pruisen verscheen zij reeds in 1750, in Parijs drie jaren later; Midden-Duitschland werd door haar veroverd ten jare 1780; eerst vestigde zij zich, evenals elders, in de steden, om van hier uit langzamerhand het platte land te bevolken; dorpen, die niet aan rivieren gelegen zijn en die zij dus minder gemakkelijk kon bereiken, betrok zij eerst in de laatste tientallen jaren dezer eeuw; toen ik nog een opgeschoten knaap was, kende men haar nog niet in mijn geboortedorp, het rijk behoorde daar nog toe aan de ook nu daar reeds door haar volledig verdreven zwarte rat.

Nog later verscheen zij in de afgezonderd gelegen gehuchten en eenzame boerenwoningen, echter niet voor het midden dezer eeuw, en nog altijd zet zij haar zegetocht voort. Niet tevreden met de ontdekking en verovering van Europa, toog zij, en zulks reeds op het einde der vorige eeuw, op nieuwe avonturen uit. In de bereids door haar bewoonde zeeplaatsen zwom ze van den oever naar de schepen, klouterde langs ankerkettingen, touwen, enz, aan boord, nam haar intrek in het veilige, donkere scheepsruim, doorreisde op dat vaartuig alle zeeën, landde aan alle kusten, en bevolkte van hier uit alle landen en eilanden, waar deze slechts in bezit zijn genomen door den beschaafden, in vaste woningen levenden mensch, haar onvrijwilligen beschermer en onderhouder. Tegen wil en dank hebben wij haar geholpen, het haar althans mogelijk gemaakt zulk eene groote uitbreiding te geven aan haar gebied. Aan geen ander, den mensch niet onderworpen zoogdier, is zulks ooit gelukt.

Een ander voorbeeld van soortgelijke verhuizingen biedt ons de ziesel, een in geheel Oost-Europa en West-Siberië veel voorkomend, en tot de familie der eekhoorns, meer in ’t bijzonder tot de onderfamilie der marmotten behoorend, schadelijk knaagdier, dat de grootte van een hamster bereikt. Albertus Magnus zag den ziesel in de omstreken van Regensburg, alwaar hij thans niet meer voorkomt; daarentegen is hij in den jongsten tijd Silezië weder binnengetrokken, alwaar hij voor veertig en vijftig jaren onbekend was; tegen het begin van 1850 ongeveer verscheen hij daar, zonder dat men kon nagaan, vanwaar hij gekomen was, en van nu aan drong hij langzamerhand naar het westen door.

Ook hier is het alweder de mensch, die deze verhuizingen in de hand werkt, omdat het dier, zoo al niet daaraan gebonden, althans in bebouwde velden, de het meeste voedsel belovende en dus voor hem gezegendste woonplaatsen vindt.

Geheel hetzelfde mag gezegd worden van nog andere muizensoorten, wier verdere verspreiding gelijken tred houdt met de vermeerdering van het aantal bebouwde velden. Aan den anderen kant wederom wordt door den mensch het woongebied van vele zoogdieren door ontwouding, droogleggingen en andere veranderingen in den toestand des bodems verkleind; hierdoor bewerkt hij en ongetwijfeld veel meer nog dan door rechtstreeksche verdelging, het wegtrekken van een aantal zoogdieren, die daar vroeger vaste woonplaatsen hadden opgeslagen. Want ook op de zoogdieren is de wet van toepassing, dat slechts zulke woonplaatsen vroeger of later worden bevolkt, die voor hen geschikt zijn, en zulks niettegenstaande de mensch dit soms op willekeurige, ruwe en wreede wijze gewelddadig tracht te beletten.

Verschillend van zulke tochten zijn die, welke de zoogdieren nu en dan ter wille van eene tijdelijke verbetering hunner positie volbrengen. Hieraan nemen waarschijnlijk, zoo niet alle soorten, dan toch enkele leden van alle familiën dezer klasse deel; zij duren langer of korter tijd, brengen de dieren in meer of minder afgelegen streken, kunnen daarom zelfs het karakter van werkelijke verhuizingen aannemen, maar eindigen toch na zekeren tijd en brengen het trekkende zoogdier eindelijk weder in zijn oorspronkelijke woonplaats terug. Het voornemen of de hoop zich betere weiden of jachtvelden te verzekeren, eene toevallig zich voordoende gelegenheid om een aangenamer leven te leiden, deze zijn zeer zeker de voornaamste beweegredenen voor zulke zwerftochten. Zij hebben dan ook jaar in jaar uit, op alle breedten en op alle hoogten plaats, zelfs in streken, die te allen tijde dezelfde levensvoorwaarden in zich sluiten. Het zoogdier begint en volbrengt die tochten nu eens afzonderlijk, dan weder in troepen, al naar het gewoon is eenzaam of gezellig te leven; dikwijls blijven de wegen dezelfde, en worden dezelfde plaatsen regelmatig op dezelfde tijdstippen bezocht; maar altijd zijn het toch toevallige omstandigheden, die het dier leiden en richten.

Wanneer de vruchten van de heilige vijgen- en andere boomen, die de tempels der Hindoes omgeven, op het punt zijn van rijp te worden, zien de Brahmanen, aan wie de zorg voor die tempels en boomen is toevertrouwd, met heilige ontroering de aankomst hunner vierbeenige goden te gemoet. En niet te vergeefs; want zij verschijnen wis en zeker, de tot goden verheven apen, de hulman en bonder, om zich te goed te doen aan de lekkere vruchten der voor hen alleen geplante en verzorgde boomen, tevens om daarbij nog te rooven en te plunderen in de naburige tuinen en plantages. En daarna verdwijnen ze weder, tot groote droefheid hunner vereerders, tot groote vreugde van alle andere bewoners, wier bezittingen zij op de brutaalste wijze beschadigden.

Wanneer in Centraal-Afrika de korrels van het inheemsche graan, de doerrha of het kafferkoren, rijpen, daalt een troep bavianen onder aanvoering van een ervaren, deftig opperhoofd, die vol waardigheid en trots zich van zijn ambt kwijt, van de bergen naar omlaag, ten einde te onderzoeken of hun neef, de mensch, zoo vriendelijk is geweest ook in dit jaar weder het graan voor hen uit te zaaien. Of eene bende meerkatten, nadert, onder even uitstekend geleide, den zoom der bosschen, om te juister tijd de akkers ongestraft, zoo zwaar mogelijk te brandschatten. Wanneer de vurige oranjeappelen op de plantages der Zuid-Amerikaansche boeren tusschen het donkergroene loof schitteren, dan trekken de rolapen er op los, ten einde die vruchten met den eigenaar te deelen. Ook andere plantenetende dieren worden door de begeerte om zich het dagelijksch brood met weinig moeite te veroveren, naar streken, plaatsen en velden gedreven, die zij anders vermijden; roofinsecten volgen andere, hier of ginds tijdelijk verblijfhoudende insecten; de groote roofdieren vormen steeds de achterhoede van de plantenetende soorten hunner klasse, in ’t bijzonder die onzer huisdieren. De leeuw trekt met den rondzwervenden Afrikaanschen herder van plaats tot plaats; aan de verzenen der verslagen, huiswaarts vluchtende legers van Napoleon hechtten zich de Russische wolven; tot midden in Duitschland achtervolgden zij de ongelukkige soldaten.

De vischotters ondernemen reizen te land om van de eene rivier in de andere te geraken; lynxen en wolven doorkruisen in den winter somtijds aanzienlijke oppervlakten lands. Door al deze reizen komt er eene wijziging in de woonplaatsen, het eene dier schuift het andere op; maar eene eigenlijke verhuizing kan zulks nog niet genoemd worden. Ook zijn nood en gebrek slechts bij uitzondering aanleiding tot en motief voor werkelijke verhuizingen; veeleer is het hier een oogenblikkelijk opkomend verlangen, dat tot zulke tochten aanzet.

Geheel anders verhouden zich die zoogdieren, welke telken jare, omstreeks denzelfden tijd, van woonplaats veranderen en onder omstandigheden tamelijk ver verwijderde oorden opzoeken, om van hier uit wederom op bepaalde tijden naar de oude woonplaats terug te keeren; dezen verhuizen, want zij grijpen niet eene toevallige gelegenheid aan, maar zij gehoorzamen bewust of onbewust aan eene dringende noodzakelijkheid.

Als grond en oorzaak van alle werkelijke verhuizingen der zoogdieren moeten wij in de eerste plaats beschouwen, duidelijk uitgedrukte wisseling van jaargetijden. In landen met eene eeuwige lente hebben geen verhuizingen plaats, daar de aanleiding er toe ontbreekt. Zomer en winter moeten scherp van elkaar gescheiden zijn, zij dan de laatste door ijs en sneeuw, of door gloeihitte en droogte gekenmerkt; gebrek en overvloed moeten met elkander afwisselen, wanneer het trage zoogdier tot heengaan zal besluiten.

Op kleinen maatstaf reizen reeds die dieren, welke gebergten bewonen. De gems, steenbok, alpenhaas en marmot trekken, wanneer de sneeuw begint te smelten, of iets later, zich over steilten en gletschers een weg banende, naar omhoog, alwaar de ontdooide grasvelden een even overvloedig als heerlijk voedsel aanbieden; vóór de winter is aangebroken keeren zij naar de lagere gedeelten van het gebergte terug.

De beer, van nature een omnivoor, door gewoonte een roover, onderneemt, ten minste in de gebergten van Siberië dergelijke tochten, en eindigt deze eveneens vóór de komst van den winter; ook de wilde katten en honden, die de gebergten bewonen, handelen eveneens. Plaatsveranderingen van dit genre zijn zelfs gewoon in de gebergten van meer zuidelijk gelegen landen, de tropen niet uitgezonderd. In Indië evenals in Afrika klimmen en dalen zekere apensoorten op bepaalde tijden geregeld op en af, zoeken de olifanten bij de intrede des winters de laagvlakten, bij den aanvang van den zomer de hoogten op. In de Andes van Zuid-Amerika vluchten de guanaco’s voor de sneeuw naar de dalen, voor den gloed der zomerzon naar de berghellingen. Door het gebergte zelf worden aan al deze tochten enge grenzen gesteld. Wij hebben hier te doen met een hoogteverschil van één tot drieduizend meter, met afstanden die in weinige uren, ten hoogste enkele dagen kunnen worden afgelegd. Kenschetsend voor deze tochten is evenwel de regelmatigheid, met welke zij geschieden, vooral in betrekking tot het tijdstip, waarop zij ondernomen worden, en niet minder in betrekking tot de wegen, langs welke zij plaats hebben.

Heuvelland en vlakte, zee en lucht schenken meerdere speelruimte dan het gebergte en daarom laten zich de hier wonende of zich tijdelijk ophoudende dieren gemakkelijker dan die, welke in het gebergte verblijf houden, op hunne tochten vervolgen en nagaan. In de toendra’s van Rusland en Siberië doet het rendier, dat in Skandinavië de gebergten niet verlaat, elken herfst groote tochten, om tegen het volgende voorjaar naar zijn zomerverblijven terug te keeren; altijd ongeveer in denzelfden tijd verlaat het Groenland om van hier over het ijs naar het Amerikaansche vasteland te verhuizen; daar blijft het den geheelen winter en zoekt eerst in April de fjielden van zijn geboorteland weder op. Zoowel in Rusland en Siberië als in Groenland schijnt het niet alleen de vrees voor den naderenden winter te zijn, die tot verhuizen aanspoort, maar hierbij komt nog als tweede aanleiding eene aan het hooge noorden gebonden plaag. De korte zomer n.l. roept eene ongeloofelijke hoeveelheid kleine insecten in ’t leven, inzonderheid eene onbeschrijfelijke menigte steekmuggen en horzels, die niet alleen den mensch, maar ook het rendier het leven verbitteren. Om dezen te ontvluchten verlaat het dier de moerassige toendra, boven welke gedurende den korten zomer dichte wolken van muggen zweven, en vlucht naar de minder door deze insecten geplaagde gebergten zijner woonplaats, die op gemeld tijdstip tevens zoo rijkelijk met geurige weiden bedekt zijn, als met klimaat en land bestaanbaar is. Die gewoonte wordt erfelijk en zoo is het mogelijk, dat telkens dezelfde wegen worden betreden en tevens die verhuizingen altijd weder op hetzelfde tijdstip plaats grijpen. Er ontstaan dientengevolge gebaande wegen, die duidelijk in ’t oog vallen, mijlen ver door de toendra verloopen en op bepaalde plaatsen de stroomen en rivieren doorsnijden. Tegen den aanvang van den tocht scharen zich de wijfjes met haar kalveren in kudden van tien tot honderd stuks bijeen, de spiesherten en smaldieren volgen, en daar achter voegen zich de oude herten. De eene troep volgt onmiddellijk op de andere, zoodat de waarnemer duizendtallen dezer dieren kan zien voorbijtrekken. Allen snellen steeds vooruit, laten zich noch door water, noch door bergen terughouden, en komen niet tot rust dan nadat zij de winterkwartieren betrokken hebben. Benden wolven, beren en veelvraten hechten zich aan hun voetzolen en leggen alzoo evenzeer een niet klein gedeelte van dien weg af. In het voorjaar trekken de rendieren ongeveer langs denzelfden weg terug, en weder in nagenoeg gelijke slagorde, maar in veel kleinere kudden, en ook langzamer en wat meer op hun gemak.

Nog grooter afstanden leggen de Amerikaansche wisenten of bisons, de „prairiebuffels” af. Hoe ver zij reizen weet men eigenlijk nog niet recht, maar men heeft trekkende troepen ontmoet van Canada tot Mejiko, van de Missouri tot het Rotsgebergte en zoo is men gerechtigd aan te nemen, dat een en dezelfde kudde zeer groote landstreken van het aangegeven gebied door trekt. Men heeft deze bisons in den zomer, over de eindelooze vlakten der prairiën verstrooid, aangetroffen, en in den winter op dezelfde plaatsen, maar tot duizenden vereenigd; men heeft gezien hoe zij reisden, want men heeft hen vervolgd op de door hen gebaande, honderden mijlen ver in meer of minder rechte richting, over gebergten en door de vlakten verloopende „buffelpaden”; men heeft zich door eigen aanschouwing er van overtuigd, dat de grootste stroomen hun geen hinderpaal in den weg leggen, dat zij, evenals eene lawine zich in deze wateren storten en ze met hunne donkere lichamen als het ware geheel opvullen; men heeft gezien, dat de dieren zich van elkander scheiden en zich weder vereenigen, dat de kudden zich vergrooten en zich oplossen in kleinere, dat oude, knorrige, heerschzuchtige en boosaardige stieren de gemeenschap met de andere bisons vermijden, misschien worden verdreven, en op deze wijze waarschijnlijk eerst na een langen, moeilijken strijd, gedwongen worden tot den volgenden zomer eenzaam rond te dolen; men heeft opgemerkt, dat zij in den winter, wanneer er veel sneeuw is gevallen, in de bosschen of tegen de hellingen der bergen beschutting zoeken tegen de ruwheid des weders. Reeds in de maand Juli vangen zij hun tochten van het noorden naar het zuiden aan. Weinig talrijke kudden, die tot op dit tijdstip een lui en gemakkelijk zomerleven leidden, sluiten zich aan anderen aan en samen vervolgen zij hun weg; andere troepen voegen zich bij hen en naarmate men vooruitdringt, groeit de menigte en wast het aantal, zoodat er eindelijk die groote massa’s uit zijn voortgekomen, die van nu af aan, als door éénen geest bezield, samen werken en handelen, totdat het voorjaar hen weêr scheidt. Zoodra de winter voorbij is, lossen de massa’s zich weder, misschien in omgekeerde volgorde, in kleinere kudden op, die zich al weder verdeelen, tot er niets dan kleine gezelschappen meer overblijven. Dit alles geschiedt op de terugreis. Zoowel op de uit- als thuisreis trekt steeds de eene kudde, op zekeren afstand van eene volgende verwijderd, na de andere; allen blijven evenwel nagenoeg op hetzelfde pad. Treffen zij eene gunstige plaats, b.v. eene met sappig gras begroeide laagte, dan grijpt hier eene tijdelijke opstuwing van den levenden stroom plaats. Onder zulke omstandigheden vereenigen zich op hetzelfde punt ontelbare scharen bisons; zij vertoeven dan eenige dagen achtereen op dezelfde plek en breken eerst dan weder op, wanneer al het gras is afgeweid en de honger tot verder trekken noodzaakt. Ook de bisons worden achtervolgd door wolven en beren, terwijl gieren en adelaars onheilspellend boven hun hoofden zweven.

Niet alleen vrees voor gebrek aan voedsel, maar ook het ontbreken van drinkwater kan de aanleiding zijn, die tot reizen aanspoort. Wanneer in het zuidoosten van Siberië, inzonderheid in de hooge steppe van Gobi, de winter nadert, worden alle zoogdieren, voor zoover zij geen winterslapers zijn, door de bijzondere gesteldheid van dat hoogland gedwongen in lager gelegen oorden een onderkomen te zoeken. De winter treedt in dit Middel-Aziatisch hoogland niet strenger op dan in de noordelijk of noordoostelijk daarvan gelegen streken, maar hij is hier meestal vrij van sneeuw en bedekt alle wateren, die bovendien wegens den weinigen neêrslag niet talrijk zijn, met eene dikke ijslaag. Zoodra nu die laatste zoo dik is geworden, dat geen der in de Gobi verblijf houdende dieren het ijs verbreken kan, zien zij zich tot verhuizen verplicht, en nu trekken zij niet naar zuidelijker, maar juist naar noordelijker streken, die het voorrecht bezitten van veel sneeuw te bevatten: de trekkende dieren toch kunnen beter hun dorst lesschen met de zachte sneeuw, dan met het harde ijs, en ook loopen zij gemakkelijker op de eerste dan op het laatste. Nu kan men ook begrijpen waarom de kropantilope, die veelvuldig in de genoemde steppe voorkomt, een land verlaat, dat met uitzondering alleen van de daar ontbrekende sneeuw, m.a.w. met uitzondering alleen van water, hetzelfde aanbiedt als het winterkwartier. Niet de honger, maar de dorst drijft het dier naar den vreemde. Is de winter in aantocht, dan verzamelt zich de overigens reeds gezellig levende antilope in grootere troepen van vele duizenden individuen; alle lager gelegen landstreken rondom het hooge geboorteland zijn met deze kudden opgevuld. Gezamenlijk verwijderen zij zich tot op honderden mijlen afstands van den geboortegrond, en leggen op dien tocht soms in een enkelen nacht tien à twaalf geografische mijlen af. De waarnemer, die hen volgt, ziet overal hun sporen en in zulk eene menigte, dat het schijnt alsof kort van te voren eene buitengewoon talrijke schaapskudde hier langs getogen is.