Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 19
Bij hoogen rivierstand bespeurt men weinig van de dieren, welke in en bij het water leven. Alle eilanden liggen dan diep onder het water bedolven, de oevers zijn eveneens overstroomd en de vogels, die hier gewoonlijk huizen, zijn verdwenen. En als werkelijk eens een krokodil zijn kop en een paar rugschilden boven de oppervlakte verheft, wordt men zulks dan eerst gewaar, wanneer men met de boot tot op korten afstand genaderd is. Er blijven dus eigenlijk alleen nijlpaarden, die op sommige plaatsen zeer talrijk zijn, eenige boven het water vliegende vogels en misschien enkele duikers over om het zichtbare bewijs te leven, dat er in en bij de rivier ook hoogere gewervelde dieren leven. Wanneer nochtans na het eindigen van den regentijd de waterspiegel daalt en alle eilanden, zandplaten en oevers droog zijn geloopen, dan verandert het stroombeeld eveneens ten opzichte van de dierenwereld. De nijlpaarden trekken zich naar de diepste plaatsen van het water terug, om hier gezellig bijeen te leven en troepen te vormen van soms aanzienlijke sterkte; daar zij voor iedere ademhaling boven het water moeten komen en dan telkens met veel geraas de ingeademde lucht uitblazen, ziet en hoort men deze dieren zeer gemakkelijk. Ook komen zij ’s daags wel eens buiten het water om zich op de eilanden of zandbanken te legeren en van de warmte der zonnestralen te genieten; op een afstand van een kilometer en nog meer vallen zij daar den reiziger reeds in het oog; nu halen ook de krokodillen de schade in, die zij tijdens den hoogen waterstand hebben geleden, en koesteren zich op ’t heetste van den dag in de zon. Daartoe kruipen zij reeds in de voormiddaguren op de vlakke, zandige eilanden, vallen onder luid geplof op den grond neer, sperren den met vreeselijke tanden gewapenden muil wijd open en slapen, ten getale van tien, twintig en dertig bijeen, in de meest verschillende houdingen, naast en zelfs boven op elkander liggende, tot aan den avond door; groote zwermen vogels bedekken thans de eilanden, zandbanken en beide stroomoevers, en brengen door hun aantal een machtigen indruk te weeg. Tegen dezen tijd toch hebben de meeste inheemsche strand- en zwemvogels het broeden geëindigd en zijn zij met hun jongen het water gaan opzoeken, om hier, onder ’t genot van rijkelijk en gemakkelijk te verwerven voedsel, te ruien; tezelfder tijd hebben de trekvogels uit het noorden, die hier overwinteren, zich bij hen gevoegd. Laatstgenoemde vogels bevolken nu ook alle deelen van het oerwoud, doch vallen hier niet zoo sterk in ’t oog als aan het water, waar de geheele oever en alle eilanden met groote en dus duidelijk zichtbare trekvogels bedekt zijn. Soms is hier zelfs geen plaats genoeg en het voedsel, hoe overvloedig overigens ook voorhanden, wordt dan voor de menigte schaarsch. Een gevolg hiervan is, dat elke plaats bezet wordt, ja overladen; dat ieder voedselbeloovend plekje door duizend mededingers bezocht, ja om elke eetplaats gevochten wordt.
Drie achtereenvolgende dagen zeilde ik bij goeden wind en in eene voortreffelijke boot op den Witten Nijl, en gedurende deze lange en verre vaart waren beide oevers van den stroom onafgebroken met een bonte en levendige, uit de meest verschillende strand- en zwemvogels samengestelde schare getooid. In de oerwouden van den Blauwen Nijl kan men een dergelijk schouwspel genieten. De uitgestrekte zandbanken worden door gewone en jufferkraanvogels volledig in bezit genomen; zij dienen echter den hier in winterkwartier verblijvende vreemdelingen slechts tot rust-, rui- en slaapplaatsen, van waaruit zij elken morgen naar de steppe vliegen om voedsel te halen, en werwaarts zij reeds vóór het middaguur teruggekeerd zijn om er te drinken en te baden, hun gevederte te poetsen, en eindelijk, bestendig door de krokodillen bedreigd, te slapen. ’s Middags mengen zich geregeld eenige gekuifde kranen in dat gezelschap, hetgeen eene groote opschudding te weeg brengt; de gekuifde zijn n.l. zoo niet beter dan toch ijveriger dansers en beginnen dadelijk na hunne aankomst hunne kunst uit te oefenen, waardoor de gewone kraanvogels insgelijks tot dansen worden aangezet.
Op dezelfde banken verschijnt ook de nimmerzat of tantalus, eene ooievaarachtige, in een wit, met rozengloed overgoten, op de vleugels helder rozerood gekleurd vederkleed prijkende vogel, die de buitenste zoomen van het eiland of de aanliggende ondiepe plaatsen in beslag neemt; valt het licht voordeelig op deze vogels, dan prijken zij met een gloeiend rood, zoodat zij heerlijk afsteken bij de grijze kraanvogels en aan het landschap een ongemeenen tooi verleenen. Op den oever stappen prachtige reuzen-ooievaars of jabiroe’s rond, wandelen de leelijke, wonderlijk gevormde maraboe’s vol statie op en neêr, staan schitterende lepelaars, waden reuzen- en zilverreigers in het water om visschen te vangen, staan en zitten, zwemmen en duiken, weiden en snateren en kweelen duizenden spoor-, nijl- en lapganzen, nonnetjes, pijlstaarten, slangenhalsvogels, ibissen, wulpen, oever-, strand- en waterloopers en andere meer, die te zamen een bonten zoom van vogels vormen, wellicht nog sierlijker dan de tantalussen. Boven den waterspiegel echter zweven, behalve de opgenoemde vogels, die afwisselend aan- en afvliegen, ook nog zeezwaluwen en meeuwen, oeverzwaluwen en bijenvreters, terwijl hoog in de lucht een prachtige zeeadelaar zijn kringen beschrijft.
Enkele soorten dezer in alle opzichten zoo belangrijke, gevederde rivierbevolking moeten den laagsten waterstand afwachten om te kunnen broeden, omdat het haar tijdens den hoogen waterstand aan goede nestplaatsen ontbreekt. Tot dezen behoort een even bevallige als fraai geteekende, een even verstandige als wakkere moerasvogel, nl. de reeds bij de ouden bekende krokodillenwachter, de trochilus van Herodotus, van welken vogel deze schrijver en na hem ook Plinius ons verhaalt, dat hij in vriendschap met den krokodil leeft. Deze vertelling der ouden is geen fabel, zooals men geneigd zou zijn te denken, en ik kan persoonlijk voor de waarheid er van instaan. De krokodillenwachter, wiens afbeelding men zoo dikwijls op de Egyptische gedenkteekenen terugvindt, en die in hiëroglyphenschrift de oe voorstelt, leeft ook in Egypte en Nubië, oefent echter heden ten dage eerst in Soedan zijn ambt uit als wachter en beschermer van den krokodil; aan dat ambt was hij bij de volken der oudheid zijn roem verschuldigd. Hij bewijst evenwel niet alleen diensten aan genoemd gedrocht, maar in ’t algemeen aan alle dieren, die van de waakzaamheid van dezen vogel partij weten te trekken. Opmerkzaam en nieuwsgierig, prikkelbaar en schreeuwlustig, daarbij met een opvallend geluid begaafd, is hij een voortreffelijk waarschuwer voor andere, minder voorzichtige schepselen. Evenmin het naderende roofdier als een menschelijk wezen van verdacht voorkomen ontgaat zijn opmerkzaamheid; reeds elke zeil- of roeiboot trekt zijn aandacht en nooit laat hij na door een luid geschreeuw zijn waarneming aan anderen bekend te maken. Zoo worden alle met hem tezelfder plaatse toevende dieren aangespoord om een nader onderzoek in ’t werk te stellen en zich te overtuigen of er werkelijk gevaar aanwezig is of niet. In ’t eerste geval hebben zij tijd en gelegenheid om te vluchten. Daarin bestaat zijn ambt als wachter. Zijn vriendschappelijke verhouding tot den krokodil kan men moeilijk wederkeerig noemen; want van een krokodil vriendschap te eischen is wel wat veel van zulk een dier gevergd. Niet omdat het reptiel eenig welwillend gevoel jegens den vogel koestert, maar omdat hij hem nauwkeurig kent en volkomen juist beoordeelt, behandelt hij hem als een lief, onschuldig schepsel. De vogel van zijn kant, van zijn jeugd af met het monster vertrouwd, een bewoner der zandbanken, waarop het eerste zich te slapen legt, altijd in deszelfs nabijheid, gaat met het dier om, alsof hij zelf de heer en meester, het andere de knecht ware. Onbevreesd klimt hij op den rug van het slapend ondier, onbezorgd nadert hij den opengesperden muil om te onderzoeken of misschien ook een bloedzuiger zich daar vasthechtte, of tusschen de tanden een brok bleef hangen, om het een zoowel als het ander weg te nemen. De krokodil laat zich dit alles welgevallen, zeker omdat hij bij ondervinding weet, dat hij den altijd opmerkzamen, behendigen, slimmen, kleinen schelm toch niet snappen kan. Ik zag eens een krokodillenwachter gelijktijdig met een schreeuw-zeearend van denzelfden visch eten, dien de arend gevangen en naar een zandbank gebracht had. Terwijl de laatste, die met beide pooten den buit vasthield of er op stond, een en andermaal naar den schuimlooper hapte, hield deze zich op eerbiedigen afstand van de tafel des grooten heers; telkens echter als deze den kop oplichtte om de spijs door te slikken, liep de ander snel toe, kaapte schielijk een door den arend reeds losgemaakt stuk visch en ijlde zoo snel mogelijk naar de eerste plaats terug, om daar het geroofde te verteren. Even bewonderenswaardig als dit driest bestaan is ook de slimme wijze, waarop de krokodillenwachter zijn eieren voor onbescheiden oogen verbergt. Ik had reeds langen tijd tevergeefs naar het nest van dezen vogel gezocht. De ontleding van een geschoten vogel had mij den legtijd van den krokodillenwachter leeren kennen. Dat hij slechts op zandbanken kan broeden volgt onvermijdelijk uit de levenswijs. Tevergeefs echter onderzocht ik op het zorgvuldigste al zijn lievelingsplekjes—ik kon geen nest uitvindig maken. Eindelijk zag ik een paartje, van hetwelk een der echtgenooten op den grond zat, terwijl de andere om de eerste heen scharrelde. Ik nam mijn kijker en liep, den vogel steeds in het oog houdende, recht op hem af. Toen ik in zijn nabijheid was gekomen, richtte hij zich op, schraapte ijlings wat zand op een bepaalde plaats bijeen en liep nu, wel is waar onder het gewone geschreeuw, maar toch zonder eenig ander bewijs van onrust met den ander weg. Ik liet mij niet foppen, hield de plek goed in het oog en kwam er bij. Maar ook nu kon ik nog geen spoor van het nest ontdekken, en eerst, toen ik eene weinig in ’t oog vallende oneffenheid in het zand waarnam en hier aan ’t graven ging, vielen mij twee, als zand gekleurde eieren in de hand. Had de moeder meer tijd gehad, dan ik haar gunde, zeker had zij deze kleine oneffenheid ook nog glad gemaakt, zoodat zij in ’t geheel niet meer in ’t oog kon vallen.
Een zoo mogelijk nog rijker, in elk geval veelsoortiger dierlijk leven als te dezer tijd aan den stroom heerscht, kan men gadeslaan aan de oevers en op het watervlak der meren en groote plassen in ’t midden des wouds, welke bekkens gevoed worden deels door het bijeenstroomende water der voorjaarsregens, deels door den buiten zijn oevers getreden stroom. Overal door het bosch ingesloten, dikwijls zoo dicht, dat men in ’t geheel niet of althans niet dan onder veel bezwaren deze meren kan nabijkomen, binnen de oevers bijna even sterk begroeid als daar buiten, uitgestrekte riet- en biesbosschen insluitende, terwijl ook thans nog papyrus en lotus daarin groeien, vormen deze regen-meren of „foelat”, gelijk de inboorlingen ze noemen, even zooveel goede verblijfplaatsen als broedplaatsen voor de meest verschillende vogels, en zelfs ook voor andere dieren. De veiligheid, die deze afgelegen oorden aanbieden, schijnt zelfs het nijlpaard aan te trekken, dat ze tegen den tijd, dat het jongen zal werpen, opzoekt; hier dreigt geen schaarschte van voedsel, hier houden zich geen gevaarlijke vijanden op, en zoo kan het in deze oorden ongehinderd zijn kroost zoogen, verzorgen en de eerste opvoeding geven. De dicht begroeide oevers, de moerassige inhammen lokken zwijnen en buffels aan; het stille water wordt met voorliefde opgezocht door de dorstige antilopen. Op den spiegel zelf verzamelen zich duizenden pelikanen, om, alvorens op de naburige boomen hunne legersteden op te zoeken, nog eens duchtig ter vischvangst te gaan; ook de slangenhalsvogel brengt hier een goed deel van den dag duikende door; tevens zwemmen er alle mogelijke ganzen- en eendensoorten en strijken er de uit het noorden gekomen trekvogels neêr, om hier een gastvrije winterherberg te vinden; in de bochten en op de ondiepe oevers vinden de reuzenreigers en sierlijke woudaapjes zonder veel moeite het rijkelijkste voedsel; de welige, groene oevers herbergen tallooze kleinere vogels, de boomen van ’t omgevende woud verschillende, op boomen rustende en nestelende strand- en watervogels. Geen wonder, dat het bij tijden in en om deze meren wemelt van vogels, maar even verklaarbaar is het tevens, dat zulk een rijkdom ook allerlei vijanden lokt. Valken en uilen vervolgen de kleinere vogels, de adelaar en de oehoe maken jacht op meer groote, de vos en jakhals, leeuw en panter vervolgen de zoogdieren. Somtijds valt een uit de steppe getogen heirleger van vraatzuchtige treksprinkhanen in den frisschen woudzoom dezer streken, om in een oogwenk alles kaal te vreten en ’t geboomte geheel te ontbladeren. Maar nu ook vermenigvuldigt zich het vogelenheir tot in het oneindige. Van verre en van nabij verschijnen valken en uilen, raven en Duitsche papegaaien, frankolijnen en parelhoenders, ooievaars en ibissen, waterhennetjes en eenden, om zich aan de sprinkhanen te goed te doen. Iedere vogel, die bij tijd en wijle insecten nuttigt, voedt zich thans uitsluitend met deze reizigers. Honderden gewone en kleine torenvalken, die zich op dit tijdstip toevallig in hun winterkwartier bevinden, verzamelen zich bij scharen boven het bezochte bosch, stooten op elken opvliegenden zwerm sprinkhanen, grijpen ze en verslinden ze al vliegende; raven, Duitsche papegaaien, neushoornvogels, ibissen en ooievaars nemen ze van de takken weg en schudden ze er bij honderden af; deze vallen de onder de boomen loerende makkers, parelhoenders en eenden als buit ten deel; wouwen en zingsperwers vliegen in vele wendingen om de boomen, op welke de ontbladerende insecten alras de plaats der bladeren zelf innemen; zelfs de deftige maraboe’s en jabiroe’s versmaden het wel is waar kleine, maar daarentegen zoo rijkelijk voorhanden voedsel niet. Een en ander schenkt nog meerder leven aan het reeds zoo drukke water, dat op zulke tijden nog meer dan gewoonlijk de verzamelplaats wordt van de meest verschillende dieren.
Aan zulk een meer, een ware schatkamer voor den verzamelaar, hadden wij een aantal dagen gejaagd, waargenomen, verzameld, genoten van de weelderige planten- en dierenwereld, gevochten met nijlpaarden, onzen haat gekoeld aan de krokodillen, in één woord, wij hadden in volle mate de genoegens gesmaakt, aan ’t leven van den jager en natuuronderzoeker verbonden, en daarbij al het overige, zelfs den tijd des jaars, vergeten. Maar toen op zekeren dag de zon lager daalde en gouden draden vlocht tusschen het groen des wouds; toen het geschreeuw der papegaaien was uitgestorven en alleen het droomend gezang van een lijster nog tot onze ooren doordrong; toen de zeearend aan gindschen oever, nog vóór weinige oogenblikken bloeiende te midden van het omringende groen, slaapdronken zijn witten kop tusschen de schouderveêren verborg; toen zelfs het gegorgel van een troep meerkatten, die in de hooge kruin van een nabijstaande mimosa haar nachtleger had opgezocht, was verstomd; toen de nacht aanbrak, schemerhelder en vriendelijk, koel en zacht, klankrijk en geurig, gelijk steeds omstreeks dezen tijd des jaars; toen was het alsof alle kleurenpracht, alle glans en heerlijkheid van de heden en gisteren in onze ziel opgenomen beelden eensklaps verbleekten. Onze gedachten vlogen naar het lieve vaderland en door een smartelijk heimwee voelden wij ons aangegrepen—want daar ginds vierde men op dit oogenblik het Kerstfeest. Wij hadden punch gemaakt en onze pijpen gevuld met de heerlijkste tabak der aarde; onze Albanezer reisgenoot zong een roerend lied; de nacht omgaf als met een tooverwaas hart en zinnen; maar de glazen werden niet geledigd, de rookwolken namen de wolken der droefgeestigheid niet weg, het lied vond geen weêrklank in onze ziel en de nacht tooverde tevergeefs. Wij smeekten om een Kerstgeschenk—en wij ontvingen het!
De nacht in het oerwoud is altijd majestueus en verheven; dan, wanneer de hemel in vuur wordt gezet door den bliksem, terwijl rollende donderslagen daarbij weêrklinken van het eene einde naar het andere; dan, wanneer de stormwind er giert, en ook dan, wanneer aan het eindeloos gewelf ver verwijderde zonnen stralen en blad noch halm zich beweegt. Weinige minuten reeds na zonsondergang hult de nacht het woud in zijn grijzen mantel. Wat in het daglicht duidelijk zichtbaar was wordt nu omfloersd; wat in het zonnelicht nog te omvatten omtrekken aannam, wordt thans tot een reuzengestalte. Bekende boomen worden tot spookgedaanten; de heggen van struikgewas tot zwarte muren. Het duizendstemmige alarm verstomt, diepe stilte vervangt het geraas. Maar een nieuw leven vangt aan, in het woud en op het water. Honderden cikaden doen een geluid hooren, dat eenigszins te vergelijken is met het verwijderd geklingel van kleine, onzuiver gestemde klokjes; duizenden, thans uit den slaap ontwaakte kevers, waaronder zeer groote soorten, snorren om de bloeiende boomen en laten een luid gegons hooren, dat eigenaardig past bij genoemd klokgelui. Kikvorschen, die slechts een enkelen, maar, de geringe grootte dezer dieren in aanmerking genomen, vrij luiden kreet voortbrengen, mengen zich daarin, en al deze stemmen, die doen denken aan den klank van een langzaam geslagen Chineeschen gong, weêrklinken ver door het woud.
Een groote uil begroet den nacht met dof gehuil; een kleinere soort antwoordt met een honend gelach; een geitenmelker herhaalt telkens opnieuw een enkele strophe van zijn snorrend, rochelend gezang. Van de zijde der rivier klinkt het weeklagend geroep van den nachtvogel, van de meeuwenfamilie, of van een schaarbek, die, dicht over de oppervlakte des waters strijkende, de golven half doorploegt; van de zandige eilanden en banken weêrklinkt het luide, ietwat krijschend geschreeuw van den griel, alsmede de toonrijke, klankvolle, gevoelige trillers van een waterlooper of plevier; boven het riet van het nabijgelegen meer krast een nachtreiger. In het dichte struikgewas of rondom de kruinen der boomen flonkeren duizenden glimwormen; een reusachtige krokodil, die reeds vóór zonsondergang de tegenoverliggende zandbank verlaten en het door de zon gegloeide pantser in de lauwe golven afgekoeld heeft, zwemt, half onder, half boven den waterspiegel drijvend, door den stroom, een spoor nalatende, dat in den maneschijn als zilver, in het sterrelicht als een snoer glimmende paarlen schittert. Boven de hoogste boomkruinen zweven met onhoorbaren vleugelslag oehoe’s en andere uilen; langs den oever vliegen in bevallige kronkellijnen langstaartige geitenmelkers; tusschen de kronen der boomen beschrijven vledermuizen hunne zigzagbanen; van den eenen kant der rivier naar den anderen trekken, soms bij scharen, vliegende honden of kalongs. En nu is ook de tijd gekomen, dat de overige zoogdieren des wouds zich laten zien of hooren. De een of andere jakhals vangt aan, beurtelings, nu eens treurige, dan meer vroolijke melodieën aan te heffen, die met evenveel gevoel als volharding worden voorgedragen; een dozijn soortgenooten valt terstond in en opent een zangwedstrijd, in welken ieder dingt en kampt om den eereprijs; enkele hyena’s schijnen slechts op deze voorzangers gewacht te hebben, om nu een koor aan te heffen van huilende, lachende, klagende en juichende stemmen; de panter bromt; de leeuw brult, en zelfs het nijlpaard, dat nog den stroom niet heeft verlaten, verheft knorrend zijn armzalige stem.
Zoo spreekt en openbaart zich de nacht in het oerwoud; zoo boeide hij op dien voor mij onvergetelijken dag mijn oogen en ooren. De kevers, cikaden, uilen en geitenmelkers hadden aangevangen; daar schetterden schrille, krachtige, dreunende tonen door het bosch, als trompetgeluiden uit ongeoefende monden. Oogenblikkelijk verstomden de liederen van onzen Albanees, verstomde het gesprek onzer bedienden en matrozen, en allen luisterden evenals wij. Nogmaals schetterde en dreunde het aan den overkant. „El fioel, el fioel!” riepen de inboorlingen: „olifanten, olifanten!” jubelden ook wij. Het was voor het eerst, dat wij de reusachtige dikhuiders, op wier paden wij tot nog toe bijna altijd hadden gewandeld, wier sporen wij zoo dikwijls hadden achtervolgd, vernamen, beluisterden. Aan den tegenoverliggenden oever daalden op gemakkelijke en zekere wijze, reusachtige, in ’t schemerlicht van den nacht met genoegzame duidelijkheid waarneembare gedaanten naar het water af, om uit de rivier te drinken en zich daarin te baden. De een na den ander stak zijn lenigen tromp in het water, om dien te vullen en daarna den inhoud òf in den wijden bek, òf over hals en schouders en rug uit te storten; de een na den ander daalde in de rivier af om hier een verkoelend bad te nemen. En even alsof het straks gehoorde trompetgeschal een krijgsroep was geweest, zoo rumoerig werd het nu in het woud. Vroeger dan gewoonlijk verhief de koning der wildernis zijn donderende stem; een tweede en derde leeuw beantwoordde dien koninklijken groet. Verschrikt vliegen de van slaap dronken apen op en laten een luid geschreeuw hooren; van angst jammeren de antilopen mede. Daar rekt in de onmiddellijke nabijheid onzer boot een nijlpaard zijn monsterkop boven het water uit en begint te brullen, evenals meende hij een wedstrijd aan te vangen met de donderende stem van den leeuw; ook de panter waagt het zich te doen hooren; jakhalzen vangen het afwisselend lied aan, dat wij reeds kennen, de gestreepte hyena’s huilen, de gevlekte doen hun helsch, merg en been doordringend gelach hooren; alleen de kikvorschen en cikaden, onverschillig omtrent de roepstem van den koning en die van de grootwaardigheidsbekleeders van het woud, gaan voort, de eersten met hun eentonig geschreeuw, de laatsten met hun klokgelui.
Dit was het „Eere zij God in den hooge” dat het oerwoud ons toezong.
VII.
DE VERHUIZINGEN DER ZOOGDIEREN.
Reislust, in de beteekenis des woords, welke wij menschen daaraan hechten, wordt bij de dieren niet gevonden, zelfs niet bij de vogels, die benijdbare wezens, wien de goddelijke gave werd geschonken vliegende de landen door te trekken en zeeën te overbruggen. Onbezorgd en vrij, zooals de handwerksgezel uittrekt om vreemde landen, vreemde zeden en vreemde kunst te leeren kennen, trekt geen enkel dier; want meer nog dan wij is dit gebonden aan een bepaalde plek, en sterker dan het heimwee der menschen ketenen gewoonte en traagheid het aan de plaats der geboorte. Maakt het zich gereed deze te verlaten, dan gehoorzaamt het aan een wet van dringende noodzakelijkheid, en het trekt alleen uit om het gebrek te ontloopen, dat in ’t verschiet dreigt. Nood en ellende echter zijn maar al te vaak het deel en lot, hetwelk de vreugdelooze vreemdelingschap aan het dier bereidt, dat in dit geval slechts reisverdriet ondervindt.
Een en ander is evenzeer van toepassing op de trekkende visschen als op de trekkende vogels, maar in ’t bijzonder geldt zulks voor de vele zoogdieren, welke nu en dan wandeltochten ondernemen. Weinigen doen zulks zoo regelmatig als de vogels en visschen, doch de aanleiding tot de verhuizingen is bij allen dezelfde. De dieren verhuizen, omdat gebrek aan voedsel in uitzicht is, of omdat de schaarschheid zich reeds eenigermate doet gevoelen; zulke reizen zijn dus meer te beschouwen als een ontvluchten van naderend gebrek, dan wel als eene begeerte om een gelukkiger land op te zoeken.