Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 21

Chapter 213,732 wordsPublic domain

Nog voor de trektijd der antilope is aangebroken, komt de koelan of dziggetai, de vermoedelijke stamvader van ons paard, en in elk geval het prachtigste en edelste wilde paard der aarde, in beweging. De veulens van den jongsten zomer zijn in den herfst reeds zoo krachtig geworden, dat zij eene lange reis kunnen meêmaken, snelle marschen uithouden en alle wederwaardigheden en gevaren van een ongeregeld leven met goed gevolg het hoofd kunnen bieden. Ook de jonge, vierjarige hengsten bevinden zich in de volle kracht des levens, verlaten reeds op het eind van September, vol moed, de ouderlijke kudde en dringen voorwaarts. De oude hengsten en merriën eindelijk worden aangegrepen door de zucht tot paring en worden onrustig en reislustig. Zoo begint het vlugge, ondernemende dier, reeds vóór de winter invalt, zijn tochten; daarom mist men in deze verhuizingen duurzaamheid en regelmaat, zoodat zij eenigszins het karakter verkrijgen van avontuurlijke zwerftochten. Ten einde het hun door den aanvoerenden hengst opgelegde juk af te schudden en vrij te zijn, om zich zelf tot gebieders op te werken, verlaten de jonge hengsten de moederkudde en zwerven nu zelfstandig door de zandsteppe. Alle jongere, geslachtsrijp geworden en zelfs sommige oudere merries schijnen door hetzelfde gevoel bezield te zijn als de op daden beluste jonge hengsten; ook zij pogen de tyrannie van hem, die haar tot nog toe gebood, te ontvlieden. Zij voegen zich bij de eersten—evenwel om nu onder het juk van dezen haar nek te krommen. Maar zonder strijd wordt de heerschappij niet verkregen, goedschiks geeft de oude gebieder zijn rechten niet op. Urenlang staat de jonge hengst op den top eens heuvels of van een bergrug en slaat van hier uit een onderzoekenden blik over het veld. Zijn oog doorloopt de woestijn, zijn naar den wind gekeerde neusvleugels zijn opengesperd, zijne ooren hebben zich gespitst. Strijdlustig, in gestrekten draf springt hij in elke kudde, die nadert, rent hij elken mededinger, dien hij ontwaart, te gemoet, en een woedend gevecht begint om de merries, die den overwinnaar alleen zullen volgen. Dit vechten en kampen brengt echter beweging in de kudden, scheidt ze van het gebied, alwaar zij den zomer hebben doorgebracht en is de voorbode van thans aanvangende, uitgestrekte en onafgebroken zwerftochten. Na of nog vóór het eindigen van de zooeven besproken gevechten, verzamelen zich de troepen koelans in elk geval tot steeds talrijker wordende kudden, totdat er eindelijk legers van meer dan duizend stuks ontstaan, die gezamenlijk optrekken en wel naar zulke streken, die overvloed van voedsel opleveren. Ook in de winterkwartieren scheiden de wilde paarden zich niet van elkander en zijn deswege genoopt, ter wille van het voedsel voortdurend rond te zwerven. Dreunend klinkt de hoefslag dezer aaneengesloten, gewoonlijk snel voortdravende kudden, en meermalen is het gebeurd, dat de Kozakken in de grensdistricten van het Russische Rijk, daardoor verschrikt, te wapen vlogen. Geen wolf zal het wagen zulk eene kudde aan te vallen, want de moedige hengsten weten te hunner verdediging zulk een goed gebruik van de hoeven te maken, dat de wolf alras van zijn aanval afziet; slechts zieke en vermoeide wilde paarden vallen het roofdier, dat deze tochten volgt, nu en dan ten offer. De mensch richt evenmin onder deze legers veel schade aan; de koelans toch zijn zeer schuw en voorzichtig, zoodat het moeilijk valt hen te naderen. In weêrwil van dit alles kan een strenge winter dezen dieren noodlottig worden, vooral wanneer er veel sneeuw valt. De reeds zoo schrale weide is dan spoedig uitgeput en dit te eerder, naarmate de kudden talrijker zijn. Dan azen de dieren zonder keus of smaak op alle planten, die zij kunnen vinden. Maandenlang moeten zij zich voeden met niets dan ontbladerde twijgen. De gladheid en ronding des lichaams gaat verloren; eerlang zijn het wandelende geraamten. Zelf gebrek lijdende, kan de merrie-moeder haar veulen niet meer het noodige geven; de uiers drogen op. Menig veulen, dat op zijn nog jeugdigen leeftijd de harde kost der ouden niet kan verteren, lijdt gebrek. Ook de ouden lijden onder deze winterplagen. Sneeuwstormen, die dagen lang kunnen aanhouden, waaien de weiden onder de sneeuw, verdooven den moed, terwijl de driestheid der wolven in gelijke mate toeneemt, welke dieren de krachteloozen neêrvellen en den sterkeren boozen overlast aandoen. Zoodra evenwel de omstandigheden zich ten goede keeren, keert ook weder bij deze taaie, tegen het weêr geharde schepselen de oude levenslust terug, en zoodra de sneeuw begint te smelten vangen zij den terugtocht weder aan, om binnen ongeveer eene maand het vroegere zomerverblijf weder terug te vinden; hier lossen zij zich weder op in taboenen, of afzonderlijke kudden, herstellen zich onder ’t genot van rijkelijk en geurig voedsel spoedig weder van de geleden schade, worden weer vet en glad, en zijn den kommer en de ellende van den winter geheel vergeten.

Hoe groot de afstanden ook mogen zijn, die alle tot nog toe behandelde zoogdieren afleggen, bij die der robben en walvisschen zijn ze echter niet te vergelijken. Het water begunstigt alle bewegingen van een daarin levend dier, biedt in hoofdzaak overal dezelfde levensvoorwaarden aan en stelt om deze reden, op gemakkelijker wijze en met minder moeite en gevaren in staat tot het volbrengen van verre tochten. En toch wekt het eenigszins onze verbazing te vernemen, dat vele zeezoogdieren, inzonderheid de walvisschen, tot de meest reislustige schepselen behooren, ja dat velen hunner, en misschien wel de meesten, ongeveer hun geheele leven lang op reis zijn. Strikt genomen heeft geen enkele walvisch gedurende het geheele jaar eene vaste verblijfplaats, maar trekt dit dier, of alleen, of paarsgewijs, met zijn jongen of in scholen vereenigd, onafgebroken van de eene wereldzee naar de andere, terwijl somtijds enkele oorden bijzondere lievelingsplekjes zijn, die bij voorkeur en op geregelde tijden worden opgezocht, ’s winters andere dan in den zomer. De zeeën, in welke dezelfde walvischsoort zich des zomers en des winters ophoudt, liggen dikwijls verder uiteen dan men gewoonlijk meent; enkele wallen doorreizen jaarlijks meer dan een vierde gedeelte van den ganschen aardbol. Men ontmoet ze des zomers aan de ijsmuren van de Noordelijke IJszee en in den winter niet zelden aan gene zijde des Evenaars. Gezellig in de hoogste mate en vol opofferende liefde jegens hunne jongen, verzamelen zich met name de vrouwelijke wallen tot soms verbazingwekkende aantallen, om onder aanvoering van enkele mannetjes langs bepaalde wegen en op bepaalde plaatsen door den wijden Oceaan te trekken; sommigen vervolgen daarbij hunne reis langs de kust, anderen door de hooge zee. Stormen en het niet verschijnen van zekere dieren, die hun tot voedsel verstrekken en waarin men de naaste aanleiding tot deze verhuizingen hebbe te zoeken, wijzigen soms richting en aanvang van den tocht; in ’t algemeen echter geschieden deze reizen zoo regelmatig, dat men zoowel in het noorden als in het zuiden de komst der walvisschen van bepaalde dagen afgerekend te gemoet ziet en wachten uitzet, ten einde dadelijk voor de vangst gereed te zijn. De kustbewoners hebben dikwijls dezelfde walvisschen, die zij herkenden aan bijzondere kenteekens, zooals b.v. verminkte vinnen, en die ze tevergeefs hadden nagezet, jaren achtereen juist op denzelfden tijd en juist op dezelfde plaats teruggezien, terwijl de jacht op deze winstgevende en daarom fel bestookte dieren met dezelfde regelmatigheid wordt uitgeoefend als op het vasteland de hazenjacht. Op andere tijden des jaars zou men tevergeefs naar wallen zoeken. „Na Driekoningen” zegt reeds de oude Pontoppidan, „zien de Noormannen van alle bergen naar walvisschen uit, wier komst door de haringen wordt aangekondigd.” Eerst maakt de springwal zijn opwachting, drie of vier, hoogstens veertien dagen later verschijnt de vinvisch, ofschoon de een naar het schijnt uit Straat-Davis, de ander uit Groenland opbreekt. Aan de zuidelijke kusten der Faroer, en wel hoofdzakelijk in de Qualbenfjord, ziet men jaarlijks omstreeks Sint-Michiel van drie tot zes anarnaks, heden ten dage zoowel als vóór honderd en negentig jaar.

In zekere golf van Schotland verscheen twintig achtereenvolgende jaren, steeds op denzelfden tijd, een walvisch, die onder den naam van „Hollie Pyke” algemeen bekend was, telken jare nagejaagd en eindelijk gevangen werd. Aan de kusten van IJsland kiezen jaarlijks enkele walvisschen dezelfde inhammen en baaien uit om hier eenigen tijd te verblijven, elk jaar dezelfde maanden en dezelfde weken, zoodat de kustbewoners ze persoonlijk kennen en aan ieder hunner namen hebben gegeven. Zekere, goed bekende moeder-wallen bezoeken elk jaar dezelfde baai, om hier haar jongen ter wereld te brengen; men spaart deze dieren zelf, doch zij moeten hun eigen leven duur genoeg, nl. met dat van hun kroost koopen. Uiterst zelden geschiedt het, dat de reizende walvisschen zich aan tijd noch richting binden; in het algemeen trekken zij met zulk eene regelmatigheid door den wijden Oceaan, dat het is alsof zij zich naar den stand der sterren richten en gebaande, van ter zijden begrensde wegen betreden. Geen ander zoogdier trekt met zooveel regelmatigheid; men kan dit trekken vergelijken met dat der vogels.

Evenals de walvisschen ondernemen ook de robben jaarlijks meer of minder verre, maar over ’t algemeen ook zeer regelmatige tochten. Die soorten, welke in binnenzeeën leven, kunnen deze wel is waar niet verlaten, maar zij trekken ze toch telken jare op gelijke wijze door; of zij zwemmen op bepaalde tijden de rivieren op, welke in genoemde zeeën uitmonden. Alle soorten daarentegen, die in de wereldzeeën verblijf houden, vangen elk voorjaar en elken herfst reizen aan, die in bepaalde richtingen verloopen, en naar bepaalde streken voeren. Alle robben uit het hooge noorden en die, welke om de zuidpool wonen, worden steeds door het zich in den winter uitbreidende ijs tot verhuizen gedwongen; zij trekken daarom met dat ijs naar gematigde breedten af, om met het smeltende ijs weder dichter de polen te naderen. Zij, zoowel als alle andere soorten der orde, waartoe zij behooren, worden nog door eene andere, niet minder gewichtige beweegreden tot reizen gedreven; zij kunnen nl. alleen op het vasteland of althans op groote, vast liggende ijsschollen hun jongen ter wereld brengen en zoo lang verzorgen, tot deze in staat zijn de ouden in zee te volgen om daar zelf in het levensonderhoud te voorzien. Zoo verschijnen dan telken jare duizenden en honderdduizenden robben op bepaalde eilanden of ijsschollen, welke geboortegronden van hun geslacht zij zoo geheel en al met hunne lichamen bedekken, dat elke beschikbare ruimte in beslag moest genomen worden om voor allen plaats te vinden; hier brengen zij hun jongen ter wereld, verwijlen weken, ja maanden achtereen op het land en het ijs zonder intusschen te jagen, in zee te dalen en voedsel tot zich te nemen, zogen de jongen, paren alsdan, lossen het verband weder op, verdeelen zich over den uitgestrekten Oceaan, om van nu aan weder op oude wijs te leven, of zij vangen met hunne nog veel zorg eischende jongen meer of minder ver zich uitstrekkende jachttochten, alzoo nieuwe reizen aan.

Van alle hier opgenoemde trekzoogdieren behoort geen enkel tot de winterslapers, die, goed beschut, in diepe, zorgvuldig toegestopte onderaardsche woningen, in schijndooden toestand den boozen winter doorbrengen. Deze dieren zijn dus niet genoodzaakt hunne woonplaatsen te verlaten. Evenwel, ook onder dezen zijn er, althans voor zooverre diegenen betreft, welke in de gematigde luchtstreek leven, enkelen, die gedurende hunne jeugd trekken, nl. de vleêrmuizen.

Hoe onvolkomen de vleugels der vleêrmuizen, vergeleken met die der vogels ook mogen schijnen, toch zijn het geschikte werktuigen ter plaatsverandering en zij stellen zelfs in staat tot het volbrengen van tochten, die tot de lichaamsgrootte van het dier in geen verhouding staan. Bovendien is er nog een andere omstandigheid, die der reislustige vleêrmuis ten goede komt, daarin bestaande, dat het dier door zijn jongen aan geen bepaalde plaats gebonden wordt, want deze klemmen zich van het oogenblik der geboorte af aan de borst der moeder vast om door deze, tot zij volwassen zijn, door de lucht gedragen te worden. Om al deze redenen behoort de vleêrmuis tot die dieren, welke te allen tijde tot verhuizen en reizen gereed zijn, en zij maakt dan ook van de voordeelen haar geschonken, bij tijd en wijle een uitgestrekt gebruik. In den regel zijn alle reizen, die de verschillende soorten van vleêrmuizen ondernemen, meer zwerftochten, die ten doel hebben op sommige tijden andere, meer voedsel belovende streken op te zoeken; toch kunnen deze tot werkelijke reizen worden, en althans enkele soorten worden daardoor naar ver afgelegen landen vervoerd, en zulks geschiedt met die regelmatigheid, welke ware verhuizingen kenmerkt. De grootste vleêrmuizen, de kalongs of vliegende honden, ondernemen elken avond, ten behoeve van haar hoofdvoedsel, dat uit vruchten bestaat, verre tochten; daarenboven vliegen zij soms over zeestraten van tien geogr. mijlen breedte, ja, naar men zegt, begeven zij zich wel eens van Zuid-Azië naar Oost-Afrika en omgekeerd. Waar is het dat zij in beide werelddeelen voorkomen.

De eigenlijke vleêrmuizen doen voor de kalongs niet onder. Ten einde jacht te maken op insecten, die in de verschillende tijden des jaars op verschillende hoogten verschijnen, stijgen deze dieren van de laagvlakten naar de bergen omhoog, om in den herfst weder naar beneden te dalen; zij volgen de kudden der nomaden van Middel-Afrika—al weder om de hier zich verzamelende insecten—maar zij reizen ook van het zuiden naar het noorden, en keeren van hier weder naar ginds terug, en omgekeerd. Zoo verschijnt de ombervleêrmuis eerst met het begin der heldere zomernachten in het noorden van Skandinavië en Rusland, om deze breedten, die men als haar eigenlijk geboorteland kan aanmerken, reeds in den nazomer weder te verlaten; zij begeven zich alsnu naar de Duitsche Middelgebergten en de Alpen, om daar te overwinteren. Zoo ziet men de meervledermuis des zomers geregeld in de Noordduitsche vlakten, maar ontmoet haar echter om dezen tijd slechts zelden in de gebergten van Middel-Duitschland, alwaar zij den winter in de rotskloven doorbrengt. Dat ook andere in Duitschland levende vleêrmuissoorten soortgelijke reizen volbrengen, is meer dan waarschijnlijk.

Bovenvermelde voorbeelden, die uit het rijkelijk voorhanden materiaal zoo maar te grijpen waren, zijn zoo vele bewijzen voor die soorten van verhuizingen, welke men op grond der regelmatigheid, waarmede zij geschieden, willekeurige zou kunnen noemen. Maar er is meer. Somtijds worden de zoogdieren door honger en dorst, armoede en tijdelijke onbewoonbaarheid van een of ander woongebied, zoo hard geteisterd, dat zij, schier tot wanhoop gebracht, besluiten moeten in de vlucht hun behoud te zoeken. Rijkelijk voedsel en gunstig weder bevorderen de vermenigvuldiging van alle dieren, maar inzonderheid die der planteneters, zoodat deze daardoor wel eens gedwongen worden hun verbreidingsgordel uit te zetten. Worden evenwel een of meer vette jaren, of zelfs enkele gunstige maanden opgevolgd door schrale, dan klimt de nood plotseling tot het uiterste; de hierdoor overvallen dieren worden dan niet alleen in de onmogelijkheid gebracht van zich verder het noodige levensonderhoud te verschaffen, maar de nood doet hun zelfs alle bezinning verliezen.

Onder zoodanige omstandigheden verlaten bij ons te lande de veldmuizen, in Siberië de wortelmuizen hare geboorteplaats en trekken, in ontelbare scharen vereenigd, naar andere streken; zij deinzen op zulke tochten nergens voor terug, zoomin voor het water als voor de hun vreemde bergen en bosschen; zij hebben daarbij onophoudelijk te kampen met honger en ellende, met ongesteldheden en kwaadaardige ziekten, die als de pest onder hen woeden en de millioentallen tot weinige honderden doen insmelten. Gelijke omstandigheden dwingen in Siberië de eekhoorntjes, die in gewone jaren ten hoogste kleine uitstapjes ondernemen, om zich tot groote legers te vereenigen en troepsgewijs van boom tot boom, van het eene woud naar het andere te trekken, rivieren en stroomen over te zwemmen, enz. Zij dringen alsdan de dorpen en steden binnen, verliezen bij duizenden het leven, maar laten zich zelfs dan niet terughouden of van den weg afbrengen, wanneer het doodsgevaar hen tegengrijnst. De voetzolen slijten af en worden ruw, de nagels zijn stomp geloopen, de haren van den anders zoo gladden pels worden borstelig en zitten verward dooreen; losschen en sabelmarters volgen hun spoor in de bosschen, veelvraten, vossen en wolven in het open veld, arenden, valken, uilen en raven zweven dreigend boven hunne hoofden, maar grooter verwoestingen nog dan de tanden en klauwen der roofdieren, of de buksen en stokken der menschen, richten boosaardige ziekten onder hen aan, en toch—zij trekken altijd verder, oogenschijnlijk zonder hoop op een mogelijke wederkomst. Volgens de mondelinge mededeelingen van een met mij bevriend Siberisch jager wierp zich in het jaar 1869 zulk een leger van eekhoorntjes midden in de Uralische stad Tapilsk. Deze individuën vormden echter nog maar eene enkele divisie van het hoofdleger, welks centrum op een afstand van ongeveer acht kilometer meer noordelijk door het bosch trok. De dieren volgden of individuëelsgewijs of in troepen van verschillende sterkte, onafgebroken elkander op; zij trokken even dicht aaneengesloten door de stad als door het naburige bosch; zij maakten zoowel van de straten als van de tuinen gebruik, klommen zelfs over de daken der huizen, vulden alle pleinen en open plaatsen, en veroorzaakten een algemeene opschudding, niet alleen onder de menschen, maar zoo mogelijk nog meer onder de honden, die er duizenden doodbeten en ten slotte de meest teugellooze, meest onverzadelijke moordlust aan den dag legden. Maar de eekhoorns schenen geen acht te slaan op de tallooze offers, die aan hunne zijde vielen, zich om niets te bekommeren en zij waren door geen enkel middel van den eens ingeslagen weg af te brengen. Drie dagen achtereen duurde deze doortocht, van den vroegen morgen tot den laten avond, en eerst tegen het aanbreken van den nacht kwam er stilstand in den stroom. Allen wandelden juist in dezelfde richting, van het noorden naar het zuiden, en de nakomenden trokken langs denzelfden weg als de eerst voorbijgekomenen. De bruisende Tschussoweia was hun geen beletsel; alle dieren, die aan den oever dezer snelstroomende rivier aankwamen, stortten zich zonder bedenken in het schuimende en draaiende water, en zwommen, bijna geheel ondergedoken, met over den rug gelegden staart, zoo snel mogelijk naar den anderen oever. Mijn zegsman, die den tocht voortdurend met klimmende belangstelling en opmerkzaamheid volgde, begaf zich in een boot midden onder de den stroom doortrekkende schare. Vermoeide zwemmers, wien hij eene roeispaan toereikte, maakten daarvan gebruik om er bij op en in de boot te klauteren; zij bleven, oogenschijnlijk zeer vermoeid, hier een poos rustig en vertrouwelijk zitten, klauterden, wanneer de boot naast een grooter vaartuig aanlegde, op dit laatste over, bleven nu hier weder rustig een poos zitten om ook dit te verlaten, zoodra het vaartuig aan wal was gekomen; dan sprongen zij er af en zetten de reis zoo goedsmoeds voort alsof zij door niets waren gestoord geworden.

Dezelfde oorzaken moeten het zijn, die de lemmingen aanzetten tot hunne, reeds eeuwen lang bekende verhuizingen. Jaren achtereen verleenen de gebergten der Skandinaafsche, Noord-Russische en Noord-Siberische toendra’s hun een geschikt verblijf en daarbij overvloedig voedsel, want de breede ruggen der fjielden evenals de hier tusschen gelegen uitgestrekte vlakten, het heuvelland en de laagten bezitten plaats en voedsel genoeg voor millioenen dezer dieren; maar niet elk jaar verheugen zij zich den geheelen zomer in overvloed. Volgt op een aan sneeuw rijken, dus op een voor hen, die onder het witte sneeuwkleed een veilige schuilplaats vinden, gunstigen winter een te rechter tijd aanvangend, warm, lang aanhoudend voorjaar, dan worden er aan hun ongemeene vruchtbaarheid geenerlei perken gesteld, en weldra wemelt de toendra letterlijk van lemmingen. Een hierop volgende, schoone en warme zomer doet het aantal nog meer toenemen,—maar verhaast tevens den levensloop van alle voedingsplanten, en nog vóór het einde van den zomer daar is, zijn die planten òf verdord, òf reeds gevallen onder de vraatzuchtige tanden dezer onverzadelijke woelmuizen. Het gebrek houdt zijn intocht en het lui, lekker leventje wordt vervangen door ellende. De vroolijke, brutale aard van den lemming is verdwenen, onrust bevangt hem en deze onrust stijgt eerlang tot radeloozen angst. Het hongerspook grijnst hen tegen. Nu scholen de lemmingen bijeen en vangen de reize aan. Dezelfde trek maakt zich tegelijkertijd van velen meester en de een sleept den ander mede. De troepen worden scharen, de scharen legers. Deze stellen zich in slagorde en als een bruisende stroom storten de lemmingen zich van de hoogten naar beneden in de dalen. Allen snellen in een bepaalde, naar plaats en gelegenheid verschillende richting vooruit. Allengs vormen zich lange rijen, in welke de eene lemming zoo dicht op den ander volgt, dat hij met zijn kop schijnt te rusten op den rug van zijn voorman. Hoe licht de tred dezer kleine diertjes ook zij, hun aantal snijdt in het moskleed der toendra diepe voren, die reeds van verre in ’t oog vallen. Hoe langer de tocht duurt des te onrustiger en koortsachtiger wordt de troep. Gretig vallen zij op alle planten aan, die zij op hun weg ontmoeten, alles verslindende wat maar eenigszins genietbaar is; en hebben de voorsten werkelijk nog eenig voedsel gevonden, zij, die volgen, vinden ook dit niet meer. De honger stijgt van minuut tot minuut en doet den tocht steeds meer verhaasten; geen gevaar wordt meer geacht, geen hinderpaal ontzien, en millioenen vallen dientengevolge als een offer des doods. Menschen, die hun in den weg treden, loopen zij tusschen de beenen door; tegen raven en andere roofvogels, die hen in kracht verre overtreffen, stellen zij zich onverschrokken te weêr; zij banen zich knagend een weg door de hooischelven, zij klimmen over bergen en rotsen, zij zwemmen over rivieren en zeeëngten, zelfs over wijde meren en groote golven en fjorden. Hetzelfde gevolg, dat achter de verhuizende eekhoorntjes natrekt, loopt en vliegt ook de lemmingen na: wolven en vossen, veelvraten, marters en wezels, de honden der Lappen en Samojeden, arenden, buizerden en sneeuwuilen, raven en bonte kraaien, deze allen gaan te gast aan de ontelbare offers, die zij aan het golvende leger, meeuwen en visschen aan die, welke zij aan de zwemmenden ontrooven, terwijl ziekten van allerlei aard wellicht nog de grootste slachting aanrichten, meer dan alle bovengenoemde vijanden te zamen. Duizenden lijken blijven ten prooi der verrotting langs de wegen liggen, duizenden anderen worden door de stroomen medegevoerd. Of er nog enkele individuën van deze massa’s ontkomen, en of deze vroeger of later weder naar de verlaten haardsteden terug keeren, of dat ten slotte allen, die de reize aanvingen te gronde gaan, niemand vermag zulks te zeggen. Wel kan ik persoonlijk verzekeren, dat ik uitgestrekte landen der Laplandsche toendra ben doorgetrokken, die ik overal doorkruist zag door de gangpaden der lemmingen, maar ik heb op dien tocht geen enkelen lemming zelf ontmoet. Zulke streken behouden, gelijk men mij mededeelde, dikwijls jaren achtereen hetzelfde uiterlijk en eerst na een lang tijdsverloop worden zij langzamerhand weder met deze kleine, nijvere knaagdieren bevolkt.