Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 14
Menschen en dieren kwijnen, evenals gras en bladeren verwelkt zijn; en menschen en dieren zinken neder om nooit weêr op te staan. Tevergeefs worstelen fierheid en moed tegen den last dier dagen; zuchtend en klagend bezwijkt zelfs de krachtigste wil. Elke inspanning mat af, elke beweging; het lichtste dek is te zwaar en de geringste wond verkeert in eene boosaardige zweer.
Maar ook deze winter moet voor de lente wijken. Maar ook deze brengt door haar winden schrik en verderf. Dezelfde wind, die in de woestijn tot samoem wordt, roert als heraut der lente zijn vleugels, woelt in de spleten van den grond, om zelfs daaruit nog stof te vegen, dat in dichte massa’s omhoog dwarrelt, bouwt er op muren gelijkende wolken van en zweept deze huilend en bruisend over het land, werpt ze door de getraliede vensters van de woningen in de steden en door de lage deuren van de hutten der inboorlingen om nieuwe kwellingen te voegen bij de bestaande.
Hij alleen heeft eindelijk de volle heerschappij ontvangen en oefent deze onbeperkt uit, als wilde hij alles vernietigen, wat nog stand hield; maar hij ook is het, die in het verre zuiden van regen zwangere wolken opeenstapelt, om deze naar de verbrande streken te voeren. Reeds schijnt het alsof bij het toenemen zijner kracht de drukkende zwoelheid wordt getemperd, alsof zijn adem bij tijd en wijle niet meer zoo gloeiend is, maar frisch en verkwikkend.
Het is geen misleiding: de lente rust zich uit tot den intocht, en op de vleugelen van den zuidenwind rukken de wolken ruischend aan. Nog een korte tijd en zij verdonkeren in het zuiden het gewelf des hemels; nog weinige dagen en flitsende bliksemstralen verlichten allengs de donkere wolkenlaag; nog eenige weken en een verwijderde donder kondigt den leven aanbrengenden regen aan.
Bedrijvigheid begint te heerschen in en aan alle stroomen, die uit het zuiden komen. Zij zijn wel is waar nog helder als kristal, maar zij zijn levendiger geworden, want zij wassen van nu aan voortdurend en zenden door alle spleten en scheuren der slijkerige oevers het levenwekkend vocht naar het binnenland. Ook de trekvogels zijn bereids weder teruggekeerd, terwijl hunne aantallen nog dagelijks aangroeien. In de streken van den boven-Nijl verscheen de ooievaar, om wederom bezit te nemen van de oude nesten op de kegelvormige stroohutten der inboorlingen; met hem verscheen de heilige ibis, om ook heden nog zijn sedert duizenden jaren bekleed ambt waar te nemen: n.l. tot bode, heraut en waarborg te zijn, dat de oude Nijlgod wederom de bron zijner genade zal laten vloeien en den hoorn des overvloeds over de hem onderworpen landen uitstorten.
Eindelijk komt het eerste onweêr opzetten. Een benauwend warme lucht drukt op het doode, verbrande veld, zoo mogelijk nog erger dan te voren.
Huiveringwekkende stilte beangstigt mensch en dier. Elk gezang, bijna elk geluid der vogels is verstomd; zij zelf hebben zich in het dichtste gebladerte der altijd groene boomen verborgen.
Maar ook het leven in het leger der trekherders, in het dorp, in de stad, schijnt uitgestorven. Vreesachtig kruipen de anders zoo levenslustige honden naar een stil, verborgen hoekje; alle overige huisdieren hebben een angstig en schuw voorkomen; men maakt de paarden vast en drijft de runderen binnen de omheining.
In de stad sluit de koopman zijn kraam, de ambachtsman zijn werkplaats, de regeeringspersoon zijn diwan, want een ieder zoekt een schuilplaats in zijn woning. En toch laat zich nog geen windje hooren, en verneemt men zelfs niet het minste geritsel aan de weinige nog bladdragende boomen. Maar toch kan men bespeuren hoe het onweder zich vormt en nadert.
In het zuiden pakt zich eene donkere en als vlammende wolkenlaag samen, die doet denken aan de vuur- en rookwolken boven eene brandende stad, of aan een ver afgelegen boschbrand. Vuurrood, purper, donkerrood en bruin, vaalgeel, grijs, donkerblauw en zwart schijnen in die wolkenlaag een kleurendans uit te voeren; die kleuren mengen zich dooreen, scheiden zich van elkaar af, verliezen zich in het donker en flikkeren plotseling weder met schrille tinten op. De bank rust op den horizon en klimt naar den hemel omhoog; zij schijnt nu eens stil te staan, maar ijlt straks met de snelheid van den storm verder, omsluit den gezichteinder hoe langs hoe meer en hult alles in een ondoordringbaren sluier. Een fluitend en suizend geluid schijnt uit haar voort te komen; waar de waarnemer staat is alles evenwel nog doodstil.
Daar breekt plotseling een windstoot los. De sterkste boomen buigen onder den geweldigen storm als zwakke rijsjes; de slanke palmen neigen haar kronen diep ter aarde. Een tweede stoot volgt op den eersten, een derde op den tweeden; de wind groeit aan tot een storm, de storm wordt orkaan en deze woedt met ongehoorde kracht. Het loeien des orkaans is zoo vreeselijk, dat het eigen woord de ooren des sprekers niet meer bereikt, en elk geluid wordt overstemd en gesmoord. Het ruischt en beruist, loeit en suist, fluit en huilt, dreunt en ratelt in de lucht, op den grond, in de kruinen der boomen, alsof alle elementen met elkaar in strijd zijn, de hemel zou willen invallen, de grondvesten der aarde wankelen.
Onweêrstaanbaar treft de geweldige storm de kronen der boomen, sleurt de helft der bladeren, die er nog aan hangen, mede, breekt stammen van eene mansdikte als glas, maakt zich zelfs van de kronen meester, om ze als een speelbal over de vlakten te rollen, te draaien en omhoog te doen dwarrelen, en ze eindelijk met de takken, als breedste basis, naar beneden, met de weemoedig omhoog starende brokstukken van den stam naar boven, diep in de aarde of het zand te begraven; de termieten zullen het werk der vernieling verder aan hen voltooien. Gulzig woelt de wind in alle spleten en barsten der aarde, veegt er het stof, zand en grind uit, voert deze omhoog naar de wolken of sleept ze met zulk een kracht voort, dat zij, tegen harde voorwerpen stootende, met een hoorbaar geratel en geknetter terugspringen; hemel en aarde worden er door aan ’t gezicht onttrokken, de dag wordt tot nacht en de sidderende mensch ontsteekt de lamp in zijne met stof gevulde woning, om bij ’t schijnsel van dat licht te herademen en tot rust te komen.
Maar het geloei van den wind wordt overstemd door andere geluiden. Ratelende donderslagen laten zich dreunend hooren en smooren het gehuil en gebruis van den storm. Nog altijd zijn de stofwolken zoo dicht, dat men den bliksem niet kan zien; spoedig evenwel mengt zich een tot nog toe niet vernomen geratel onder de verwarde mengeling van tonen en geluiden, en daarmede begint de onnatuurlijke nacht te wijken voor een dagend licht. Het is alsof zware hagelbuien de aarde treffen, en toch zijn het slechts regendroppels, die neêrvallen, om onder het vallen zand en stof meê te voeren. Nu ook kan men het bliksemen zien. De eene straal volgt zoo onmiddellijk op de andere, dat men de oogen voor dit verblindend licht sluit en het onweder slechts kan volgen door den onafgebroken rollenden donder. De regen verandert in een wolkbreuk, het water ruischt van de bergen neder, de beken nemen het op en zenden het naar de laagten, alwaar de meren het verzwelgen; in stroomen golft het door de dalen. Uren lang houdt de regen aan, maar de storm heeft zijn kracht verloren en eene verkwikkende koelte laaft weder mensch en dier en plant. Ook de bliksemslagen verminderen in aantal, de donder verzwakt, de wolkbreuk wordt weder regen, de regen verandert in druppelen; de hemel wordt helder, de wolken scheuren en het stralend aangezicht der zon breekt door. Jubelend verlaat de bruine jeugd, naakt gelijk zij ter wereld kwam, huizen en hutten, om zich in het lentewater te baden; niet minder gelukkig ontworstelen zich de reptielen, kikvorschachtigen en visschen aan den slijkerigen bodem, en reeds in den eersten nacht na den regen klinken uit duizend kelen de heldere stemmen der kleine vorschen, van welke dieren men vroeger niets bespeurde, omdat zij, gelijk sommige krokodillen, vele schildpadden en alle visschen der periodiek uitdrogende meren in de diepte der aarde een winterkwartier hadden opgezocht; de eerste voorjaarsregen doet hen tot een nieuw leven ontwaken.
Overal ontwikkelt zich datzelfde verjongde, krachtige leven. Gretig zwelgt de aarde het haar geboden vocht in; maar de hemel opent na weinige dagen nogmaals zijn sluizen om, wat nog bleef sluimeren, te wekken. Een tweede onweder doet de knoppen open springen van alle boomen met wisselend blad en het gras ontluiken; een derde regenbui roept bloesems en bloemen op en bekleedt het geheele landschap met malsch groen. Even tooverachtig als de lente kwam is haar werking. Wat bij ons te lande een maand tijd vereischt, wordt hier afgespeeld binnen ’t verloop eener week; wat in gematigde landen zich zoo langzaam ontwikkelt, ontplooit zich hier binnen weinige dagen en uren.
Slechts een gering aantal weken duurt deze lente en de weinig van haar verschillende zomer heeft thans zijn intocht gehouden; en even snel wordt deze weder opgevolgd door den korten herfst, zoodat men eigenlijk slechts van een eenig jaargetijde kan spreken, dat èn lente, èn zomer èn herfst in zich bevat. En nogmaals staat de moordende winter voor de deur en belet een ongestoord ontkiemen, groeien en gedijen, zooals in andere aequatoriale landen, die eenen grooteren watervoorraad rijk zijn, mogelijk is. Toch is de hoeveelheid regen hier nog voldoende om dit land tot geen barre woestijn te maken, en overal daar, alwaar zij zich anders zou doen gelden, een meerder of minder weelderig plantentapijt over de aarde te spreiden, of, m.a.w. in plaats van eene woestijn eene steppe te scheppen.
Ik gebruik het woord steppe om daarmede aan te duiden die eigenaardige streken van Centraal-Afrika, welke de Arabier „Chala” d.w.z. „frissche, groene planten voortbrengende landen” noemt. De Chala is wel is waar niet hetzelfde als de steppe van Zuid-Rusland en Middel-Azië; evenmin komt zij geheel overeen met de prairiën van Noord-Amerika of de pampas en llanos van Zuid-Amerika, maar zij heeft toch zooveel punten van overeenkomst met de eerste, dat ik mij genoegzaam verontschuldig reken wanneer ik de voorkeur geef aan een bekend woord. De steppe strekt zich uit over geheel Centraal-Afrika, van de woestijn tot aan de Karroe [1], van de oostkust tot de westkust; zij omgeeft alle hooggebergten des lands, en sluit alle oerwouden in, die zich zoowel op deze als in de komvormige, meer waterrijke laagvlakten bevinden; zij omvat alle landen in het hart van Afrika, begint weinige honderden schreden aan gene zijde van de huizen der dorpen, neemt de velden der ingezetenen in zich op, en voedt en onderhoudt de kudden der trekherders. Waar in het zuiden de woestijn eindigt, waar het woud ophoudt, waar een gebergte daalt, daar begint haar heerschappij; waar een brand het bosch vernielde, daar maakt zich de Chala van de uitgebrande plek meester; waar de mensch het dorp verlaat, daar dringt zij in diens jurisdictie binnen, om dit in weinig jaren tijds gansch en al onkenbaar te maken; waar de landman zijn akkers prijsgaf, daar drukt zij binnen het tijdsverloop van een jaar weder hare beeltenis af.
Onvriendelijk, eentonig, zonder afwisseling doet zich de steppe voor aan hem, die haar voor het eerst betreedt. Eene uitgestrekte, dikwijls onafzienbre vlakte ligt voor ons; slechts bij uitzondering rijzen enkele kegelvormige bergen uit haar op; noch zeldzamer scharen deze zich aaneen tot ketens. Vaker ziet men lage heuvelklingen de vlak komvormige dalen afbreken; soms vereenigen die heuvelrijen zich tot netvormig door elkaar gevlochten ruggen, die diepe keteldalen insluiten of omgeven, waarin gedurende den regentijd poelen, vijvers en meren worden gevormd, terwijl de leemachtige grond in den winter veelvuldig gebarsten en gekloven is. In de diepste en langste dalen bevindt zich in plaats van zulk een stilstaand water een „chòr” of regenstroom, d.i. een waterbed, dat eveneens slechts in het voorjaar gedeeltelijk, onder bijzonder gunstige omstandigheden ook wel eens en dan binnen weinige uren tot aan den rand gevuld wordt, en nu niet meer stroomt, maar als een bewegelijke muur bruisend en donderend naar de laagte stort, zonder evenwel in eene eigenlijke rivier uit te monden. Zulke verzamelplaatsen van water uitgezonderd, dekt overal een betrekkelijke rijke vegetatie den grond. Grassen van allerlei soort, van lage, langs den grond kruipende plantjes tot meer dan manshooge korenachtige halmen vormen het hoofdbestanddeel dezer steppen-flora; boomen en struiken, vooral vele soorten van mimosa’s, adansonia’s, dompalmen, Christusdoorns en andere, vormen hier en elders, vooral aan de oevers der genoemde wateren, dichte heggen en boschjes; overigens zijn zij zoo spaarzaam over de uitgestrekte, met een dicht graskleed overtogen vlakten verspreid, dat zij slechts op weinige plaatsen tot een werkelijk en dan nog ijl bosch worden. Nergens groeien deze boomen zoo weelderig als in de ware stroomdalen, die de zegeningen van de lente in zich sluiten; zij zijn daarentegen dikwijls dwergachtig, althans laag; hun kronen zijn ijl, en niet dan hoogst zelden ziet men eene klimplant tot aan hun top opstijgen. Zij allen lijden te veel onder den invloed van den langen, gloeienden winter, die hun ternauwernood veroorlooft, hun eigen leven te behouden en die alle woekerplanten uit hun nabijheid weert. De grassen daarentegen schieten in de wel is waar korte, maar toch aan water rijke lente welig omhoog, bloeien er doorheen, en doen hun zaden rijpen, zoodat hier alle voorwaarden voor een gunstig gedijen rijkelijk vervuld zijn. Maar ook door de grassen voornamelijk erlangt de steppe haar eentonig uitzicht; want, hoe klein zij ook zijn, zij wisschen vele tegenstellingen uit en brengen, inzonderheid door hun gelijke kleur, een afmattende uitwerking teweeg. Zelfs de mensch is niet in staat eenige afwisseling in dit eeuwig eenerlei te brengen, daar ook zijn akkers, die hij midden in het graswoud aanlegt, uit de verte beschouwd er evenals deze uitzien, zoodat men koren en gras niet van elkander kan onderscheiden; de ronde, met een koepelvormig dak voorziene hutten, die hij met dunne palen stut en met steppengras bekleedt, steken althans in het droge jaargetijde zoo weinig tegen de omgeving af, dat men ze eerst in de onmiddellijke nabijheid gewaar wordt. Het is alleen de wisseling der jaargetijden, die verandering brengt in dit eentonig tooneel, en ook deze verandering is nog van weinig beteekenis.
Onvriendelijk is ook de begroeting, waarmede de reiziger door de steppe wordt ontvangen. Op hooge kameelen gezeten, rijdt men door het landschap. Het een of ander wild wekt den jachtlust op en men wordt verleid tot het binnendringen van het graswoud. Daar wordt men plotseling gewaar, dat er tusschen de oogenschijnlijk zoo gladde grashalmen planten groeien, die nog meer te vreezen zijn dan de doornen der mimosa’s.
Op den grond woekert de „tarba,” wier zaadhulsels zoo scherp zijn, dat zij de zolen van niet al te dikke ruiterslaarzen doorsnijden, daar boven groeit de „essek,” wier klitten zich hechten aan alle mogelijke kleedingstukken, en dat zoo vast, dat men ze er niet meer uit kan krijgen; nog iets hooger verheft zich de „askaniet,” de verfoeilijkste plant van alle drie, omdat haar stekels bij de lichtste aanraking los laten, door alle kleedingstukken heen boren, in de huid dringen en daar etterbuilen doen ontstaan, die wel is waar elk op zich zelf klein zijn, maar wegens de ontelbare menigte tot een ware plaag worden.
De drie genoemde planten maken een lang oponthoud en een verder doordringen in het grasland onmogelijk; zij zijn eene kwelling voor mensch en dier, en wij kunnen nu begrijpen waarom de inboorlingen steeds een kleine nijptang als onmisbaar wapen bij zich dragen, en dat de grootste liefdedienst, welken men elkander kan bewijzen, evenals bij de apen, daarin bestaat, dat men elkander de fijne, ternauwernood zichtbare, maar naaldscherpe dorens uit de huid trekt. Dat ook meest alle andere planten der steppe, inzonderheid bijna alle boomen en struiken, met meer of minder lastige dorens bezet zijn, is begrijpelijk voor een ieder, die ooit in Afrika een bosch trachtte door te dringen, of ook maar een boom naderde.
Nog onaangenamer is de steppe des nachts. Daar men dagen lang door de steppe kan trekken zonder een dorp te ontmoeten, is men dikwijls verplicht onder den blooten hemel te overnachten.
Men spoort dan eene plek op, die van genoemde lastige planten vrij is; het rijdier wordt van zijn last ontheven en vastgebonden; eene eenvoudige legerplaats wordt ingericht, n.l. men spreidt een tapijt op den grond en ontsteekt een groot vuur om de roofdieren verre te houden. De zon gaat onder, en weinige minuten later heeft de nacht haar donker kleed over de aarde geworpen; het vuur verlicht de legerplaats en hare omgeving. Plotseling wordt het van verre en nabij zeer levendig. Aangelokt door het stralend vuur loopt en kruipt alles daarnaar toe, een voor een, bij tweeën, bij tienen, bij honderden. Eerst laten zich reusachtige spinnen zien, die met haar acht uitgespreide pooten evenveel plaats innemen als een man met zijn hand kan beslaan; onmiddellijk daarop, soms op hetzelfde oogenblik als de spinnen, komen de schorpioenen aanloopen. Driftig rennen beide diersoorten op het vuur af, over tapijt en dek heen, tusschen de schotels van den eenvoudigen avondmaaltijd door, keeren, door het heete vuur genoodzaakt, weer terug, laten zich nogmaals door de vlam verleiden, en vermeerderen daardoor het akelig gewemel; want deze spinnen zijn wegens haar zoo niet gevaarlijken dan toch zeer pijnlijken beet weinig minder te vreezen dan de schorpioenen, en de laatsten zijn elk oogenblik gereed met hun giftangel verwondingen toe te brengen. Verstoord neemt men zijn toevlucht tot een tweede, niet minder nuttig werktuig, dat op raad van den kundigen gids werd meêgenomen, n.l. eene langpootige vuurtang, pakt daarmede zooveel dezer ongenoode gasten als men maar machtig kan worden, en werpt ze boosaardig in het knetterende vuur. Dank zij de vereenigde pogingen van alle reisgenooten, zeer spoedig heeft het meerendeel van het helsche gebroed zijn dood in de vlammen gevonden; de aankomelingen worden minder talrijk en ook deze worden even onbarmhartig als de vorigen in ’t vuur geworpen; men herleeft—maar te vroeg!
Nogmaals naderen nieuwe en nog guurder gasten het vuur: vergiftige slangen, die evenals de spinnen en schorpioenen door het vuur gelokt worden. De natuuronderzoeker herkent in hen, althans in de soort, die het talrijkst is, hoogst belangrijke dieren, die ten zeerste zijn aandacht trekken; want het is de zandkleurige hoornadder, de beroemde, liever misschien, de beruchte „Cerastes” der ouden, de op vele Egyptische monumenten afgebeelde „Fi,” dezelfde giftslang, door wier beet Cleopatra zich doodde; de vermoeide reiziger wenscht dit dier evenwel in den diepsten afgrond der hel.
Het gansche leger staat op zoodra de naam dier slang door den een of anderen reiziger wordt uitgesproken; ieder grijpt, en nu veel spoediger en angstiger dan straks, zijne tang, sluipt, zoodra hij het ondier in ’t gezicht krijgt, voorzichtig er op af, pakt het van achter in den nek, knijpt de tang stevig dicht, zoodat de slang niet kan ontsnappen, werpt haar midden in ’t flikkerende vuur en bespiedt met boosaardige vreugde haar dood.
Er zijn plaatsen in de steppe, waar de slangen iemand in stille wanhoop brengen. Daar de kleur dezer wezens volkomen gelijk is aan die van het zand, en zij tevens de gewoonte hebben zich des daags, of wanneer zij slapen, geheel onder het zand te begraven, terwijl alleen de beide kleine, boven op den kop staande voelhoorns daaruit steken, zoo valt het moeilijk deze dieren op te sporen; de nacht is evenwel ternauwernood aangebroken, of de slangen komen weêr te voorschijn; zij trekken op het schijnsel des vuurs af en kronkelen en sissen om den armen reiziger heen. Soms dagen zij in massa’s op, om hem tot middernacht uit den slaap te houden; alle individuen, die zich in de nabijheid der legerplaats ophielden, of op hunne nachtelijke excursies deze nabij kwamen, schijnen op het vuur af te gaan. En wanneer men eindelijk, afgemat en slaapdronken de tang uit de hand en zichzelf ter ruste heeft gelegd, dan is men er nog niet van verzekerd, dat er in den nanacht nog niet enkelen over ons heen zullen kruipen; en dat zulks wel eens gebeurt blijkt o.a. daaruit, dat men des morgens bij het oprollen van het tapijt dikwijls een of meer dier gedrochten in de plooien vindt gewikkeld; ijlings nemen zij dan evenwel de vlucht en begraven zich in het zand. Hier, in deze steppe, heb ik de ervaring opgedaan, dat op weinig uitzonderingen na, de vergiftige slangen nachtdieren zijn; zulks is ten minste het geval met alle adders en groefadders.
De opgenoemde dieren zijn niet de eenige steppenbewoners, die den mensch overlast veroorzaken. Zoo is er b.v. een klein diertje, dat wel is waar volstrekt niet levensgevaarlijk is, maar dat toch onnoemelijk veel schade kan toebrengen aan de bezittingen der menschen, die de steppe bewonen of deze doortrekken; ik bedoel de termiet. Dit insect gelijkt zeer veel op eene mier; in weerwil van zijn geringe lichaamsgrootte richt het meer schade aan dan de sprinkhaan, ofschoon ook de verschijning van dit vraatzuchtig beest nog heden ten dage een ware plaag kan genoemd worden. Eene kudde olifanten is zelfs nog minder te duchten.
De termieten zijn alomtegenwoordig; zij vernielen alles. Wat het plantenrijk oplevert verdwijnt onder haar scherpe kaken, wat de kunstvlijt der menschen opbouwt, wordt onmeêdoogenloos vernield. Hoog boven het gras der steppe verheft zich de kegelvormige, uit aarde gebouwde woning; overal in het rond, op den grond en op de boomen ziet men hun gangen, loopgraven en verbindingswegen. Het is in den nacht of als het duister is, dat zij hun verwoestenden arbeid aanvangen en voltooien.
Het eerste werk der termiet bestaat daarin, dat zij de voorwerpen omgeeft met een laag aarde, die elken lichtstraal afsluit en nu gaat zij aan den arbeid, welks einddoel door dit ééne woord „vernietiging” kan worden weêrgegeven. Op den grond liggende of tegen aardwallen hangende voorwerpen zijn het meest aan gevaar blootgesteld. Een onnadenkend reiziger, door de hitte gekweld, legt een of ander kleedingstuk naast zich op den grond, die hem tot rustplaats strekt; den volgenden morgen vindt hij dit terug als een met tallooze gaatjes doorboorde zeef,—onbruikbaar gemaakt, vernield; een nog niet met de omstandigheden vertrouwd natuuronderzoeker sluit zijne zoo moeilijk verkregen schatten in eene kist, maar verzuimt deze op steenen of andere voorwerpen te plaatsen, die den bodem der kist van den grond verwijderd houden; hij ziet zich binnen weinige dagen van zijn verzameling beroofd; een jager hangt zijn geweer aan een leemen muur; hij bemerkt tot zijn verdriet, dat de vernielzieke insecten in korten tijd in kolf en loop loopgraven hebben aangelegd; in den kolf zelf zijn ze reeds tot diepe groeven geworden. Elke boom, dien de termieten tot doelwit kozen, is onherroepelijk verloren; de daken der woningen zijn aan vernietiging prijsgegeven, zoodra de termieten zich daarin hebben genesteld. Van den grond tot de hoogste takken bouwen zij hare gangen; stam, twijgen, alles wordt doorboord, zoodat de eerste de beste storm den boom velt en het losse als een bijenraat er uitziende houtweefsel als kaf in den wind verstrooit; langs de leemen wanden of het paalwerk der hutten klimt de termiet omhoog, doorboort het houtwerk en alras valt het geheele gebouw ineen; onder den vastgestampten of geplaveiden vloer der meer aanzienlijke woningen graaft zij duizendvoudig vertakte gangen en kruipt nu en dan bij millioentallen hieruit te voorschijn om van stonden aan boven den grond het werk der vernieling aan te vangen. Op deze en nog veel andere wijzen wordt de termiet tot een der vreeselijkste plagen van Centraal-Afrika, inzonderheid van de steppe.