Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping

Part 15

Chapter 153,700 wordsPublic domain

Ware deze niet de schouwplaats ook nog van andere tooneelen, ware zij niet een der rijkste gebieden, een der dichtst bevolkte en meest bezochte woonplaatsen van Afrika’s dierenwereld, de natuurkundige zou haar even graag mijden als de handelsreiziger, welke laatste slechts hare afstootende, niet hare aantrekkelijke zijde leert kennen.

Wie langer in haar verwijlt en haar werkelijk doorzoekt, wordt met de steppe verzoend. Zij is rijk en vol leven, oneindig rijk, en niet arm gelijk de woestijn; men kan haar veeleer vergelijken bij een oerwoud, daar ook in haar eene veelsoortige en talrijke dierenwereld huist, ja zij bij voorkeur die dieren herbergt, welke wij als meer in ’t bijzonder aan Afrika eigen plegen te beschouwen. Wij willen enkelen vluchtig de revue laten passeeren.

Tot de merkwaardigste steppendieren behooren ongetwijfeld de visschen, welke zich in de periodiek uitdrogende rivier- en meerbekkens ophouden. Reeds Aristoteles verhaalt van visschen, die zich, als het water is verdampt, in het slijk begraven; Seneca drijft hiermede evenwel den spot en vraagt of men nu voortaan maar niet met houweel en spade op de vischvangst zal gaan, in plaats van met het net. Aristoteles echter vermeldt feiten, die boven elke spotternij verheven zijn.

De in de steppenwateren van Centraal-Afrika levende salamandervisch is een aalvormig dier, ter lengte van ongeveer een meter, met een lange, in de staartvin overgaande rugvin, twee smalle ver naar voren ingeplante borstvinnen en twee lange, ver naar achteren staande buikvinnen; de belangrijkste bijzonderheid, die bij dezen visch valt op te merken, bestaat daarin, dat hij behalve de gewone kieuwen ook nog longzakken bezit, die voor de ademhaling zijn ingericht. Dit merkwaardige dubbelwezen tusschen amphibie en visch houdt zich ook bij hoogen waterstand meer op in het slijk dan in het vrije water en verbergt zich gaarne in holen, die hij waarschijnlijk zelf uitgraaft. Daalt de waterspiegel aanmerkelijk, dan woelt hij zich diep in het slijk, rolt zich zoo dicht mogelijk samen en vormt nu, door zich telkens om te draaien, eene van alle kanten gesloten en van binnen met slijm bekleede, luchtdichte woning, waarin hij den winter roerloos doorbrengt. Graaft men zulk een omhulsel voorzichtig uit, en pakt men dit zorgvuldig in, dan kan men den visch verzenden zonder zijn leven in gevaar te brengen, ook naar willekeur in het leven terugroepen door hem met zijn woning in lauw water te leggen. Eerst houdt het dier zich eene poos rustig, evenals ware hij nog slaapdronken; maar reeds na verloop van een uur is het geheel wakker geworden en eenige dagen later geeft het blijken van eene ontembare roofzucht. Maanden lang bespeurt men nu geen verandering in het gedrag van dezen visch, maar is de tijd genaderd, dat hij in Afrika zijn winterslaap aanvangt, dan maakt hij zich hiertoe eveneens gereed in het water, waarin hij zich nu bevindt; hij wordt tenminste onrustig en scheidt opvallend veel slijm af. Geeft men hem daartoe gelegenheid, dan graaft hij zich werkelijk in, en zoo hij dit niet kan, dan herstelt hij zich allengs van zijn onrust en blijft verder vroolijk in het water leven.

Evenals de salamandervisch verduren ook de meervallen den winter der steppe, en evenals deze beide dieren graven alle daar levende amphibieën, ja zelfs sommige reptielen, vooral waterschildpadden en krokodillen, zich in het slijk in, om slapend het eind van den winter af te wachten, en zoo het ongunstige jaargetijde het hoofd te bieden. Alle op het land levende reptielen daarentegen zijn gedurende den gloeienden winter het dartelst en dragen er alzoo niet weinig toe bij om de dorre steppe te verlevendigen; zij bewonen deze toch in ontzagwekkende aantallen. Behalve de adders, waarover ik reeds sprak, treedt nog eene andere vergiftige slang in de steppe op, n.l. de Aspis-, spuw- of Ureusslang, een der meest gevaarlijke kruipende dieren.

Deze slang, die nog meer beroemd, liever berucht is dan de hoornadder, is dezelfde, van welke Mozes zich bediende om zijn goocheltoeren voor Farao te verrichten, dezelfde, die de hedendaagsche slangenbezweerders nog gebruiken; dezelfde, wier gouden beeld de oude Egyptische koningen, als zinnebeeld des alvermogens, als diadeem op het hoofd droegen; dezelfde, waarvan zij zich als straf en wraakmiddel bedienden voor misdadigers en vijanden; dezelfde, van welke de oude geschiedschrijvers ons gruwelijke, maar soms zeer ware geschiedenissen opdisschen. In tegenstelling met andere slangen is zij over dag zeer lustig, en als zij niet getergd wordt zeer onschuldig; bewegelijk, toornig en moedig, vereenigt de aspis alle eigenschappen in zich, die eene giftslang gevaarlijk maken. Haar kleur, die van zand en verwelkt gras, maakt haar onzichtbaar en zoo schuifelt zij dikwijls akelig schielijk door het graswoud; zich bewust van haar vreeselijk wapen, stelt zij zich in aanvallende houding, zoodra zij zich bedreigd waant. Het voorste vijfde of zesde deel des lichaams richt zich op, de halsribben worden uitgebreid en zoo wordt er een schild gevormd, boven hetwelk de kleine kop met de levendige, bijna fonkelende oogen te voorschijn treedt; zij richt de laatste strak op haar vijand en maakt zich gereed tot den bliksemsnel uitgevoerden en bijna altijd doodelijken beet;—het is een schoon, maar ijzingwekkend schoon tafereel, dat mensch en dier met bewondering, maar tevens met ontzetting vervult.

Men beweert algemeen, dat zij ook dan nog gevaarlijk kan worden, wanneer zij niet bijt, maar enkel haar vergif op den aanvaller uitspuwt, en inderdaad haar sterk ontwikkelde giftklieren scheiden het helsche sap in zulk eene ontzettende hoeveelheid af, dat het in groote druppels aan het eind van het kanaal harer doorboorde gifthaken te voorschijn treedt. Geen wonder, dat inboorlingen en westerlingen haar veel meer schuwen en vreezen dan de trage hoornadder, die ons des nachts in ons leger opzoekt; verklaarbaar, dat de steppenbewoners onnadenkend op iedere, zelfs de onschuldigste slang het geweer afvuren, die hun onder de oogen komt; begrijpelijk, dat eindelijk elk geritsel in het gras of in het loof een plotselingen schrik, althans vermeerderde oplettendheid, opwekt. Zulk een geritsel hoort men echter elk oogenblik in de steppe, daar andere slangen, van de hiëroglyphen-slang af, een zes meter lange reuzenslang, tot kleine onschuldige ringslangetjes toe, er niet minder talrijk zijn dan de aspis, terwijl nog bovendien een talloos heer van hagedissen van allerlei soort overal te vinden is. Wie de slangen vreest, kan door de hagedissen met de klasse der reptielen verzoend worden; want aantrekkelijker verschijningen dan deze vlugge en schitterend gekleurde schepsels weet de steppe niet aan te wijzen. Over den grond snellen zij daarheen, tegen de takken van struiken en boomen klauteren zij omhoog, van de termietenheuvels zoowel als van de woningen kijken zij omlaag, en zelfs onder het zand banen zij zich een weg. Sommige soorten wedijveren in kleurenpracht en glans met de kolibries; anderen streelen het oog door de vlugheid en sierlijkheid hunner bewegingen; weer anderen boeien door haar zonderlinge gedaante. Zelfs nadat de zon, in wier stralen zij zich zoo gaarne koesteren, is ondergegaan en het meerendeel dezer bewegelijke diertjes de rust heeft gezocht, wordt de waarnemer nog door hen beziggehouden; want met het begin van den nacht komen de gekko’s opdagen, die des daags stil en rustig tegen de boomstammen en staken zaten gekleefd; zij laten luid en welklinkend hun geroep hooren, waaraan de naam is ontleend, om, zonder daarbij de minste vrees voor de menschen aan den dag te leggen, van nu af zich aan de jacht te wijden. Het volksgeloof stelde de gekko’s oudtijds voor als zeer vergiftige dieren, en ook nu nog spookt dit vooroordeel in de hersens van vele onverstandige lieden. Het zijn nachtdieren en als zoodanig zijn zij anders gevormd dan die, welke over dag bedrijvig zijn; inzonderheid zijn zij gekenmerkt door de verbreede, kussenvormige, aan den onderkant met dicht aaneengeschaarde blaadjes voorziene voetzolen, die als zuignapjes werken en bij het klimmen de uitstekendste diensten bewijzen. Hierin meende men giftklieren te zien, hoe ongerijmd deze opvatting ook al dadelijk mocht schijnen. Neen, de gekko’s zijn zoowel aantrekkelijke als geheel ongevaarlijke wezentjes, die binnen korten tijd zich de liefde verwerven van iederen onbevangen waarnemer. Huisdieren in den besten zin des woords, dewijl zij vlijtig en met goed gevolg de vervolging op zich nemen van allerlei lastig ongedierte, verlevendigen zij in den nacht elken hoek der uit leem of stroo gebouwde woning; zij klouteren met nimmer falende zekerheid, geholpen door hunne bladvormige voetplaatjes, overal zich vasthechtende, zoowel met den kop naar beneden als met den kop naar boven, langs horizontale en loodrechte muren; zij schijnen er vermaak in te vinden elkander te plagen en na te zetten, en verlustigen den mensch nog bovendien door hunne melodieuze stem. Kortom, zij doen nut en schenken genot—welk verstandig mensch zou dus niet van hen houden?

Toch—ook de gekko’s zijn en blijven kruipende dieren, en deelen als zoodanig in den vloek en afkeer van den mensch, en voorzeker! met de licht zwevende vogels zijn zij niet te vergelijken. En daarom mag men zeggen, dat eigenlijk de laatstgenoemden alleen den mensch, die in de steppe toeft, vroolijk tegemoet snellen en hem met de zooeven beschouwde dieren verzoent.

De vogelenwereld der steppe is even rijk aan soorten als aan individuen. Waar men zich ook moge bevinden, vogels ontbreken nergens.

Uit het dichtste halmenbosch laat zich het luid geroep van enkele trapganzen hooren; uit het struikgewas aan de oevers der waterbekkens het trompetgeluid van parelhoen of frankolijn; uit de boomen klinkt het gekir en gelach der duiven, het hameren der spechten, de volle loktonen van den baardvogel, het eenvoudig gezang der wevervogels en van sommige lijstersoorten; op uitstekende boomtakken of dergelijke voor uitkijk geschikte voorwerpen, zitten, loerende op eene prooi, slangen-buizerden, zingsperwers, Duitsche papegaaien, drongo’s en bijeneters; de secretarisvogel—door de inboorlingen noodlotsvogel genoemd—loopt in het halmenwoud of zweeft daarboven; in het luchtruim spelen de zwaluwen en andere vliegenjagers, nog hooger zweven arenden en gieren. Geen plaatsje is onbewoond, geen plekje onbezet, en wanneer in Europa de winter zijn intocht houdt, zendt hij nog een aantal onzer vogels, zooals torenvalken en wouwen, worgers en Duitsche papegaaien, kwartels en ooievaars en vele anderen naar de steppe, die hun gedurende het bange en arme jaargetijde een gastvrije schuilplaats verleent.

Karakteristiek voor de steppe zijn weinige daar levende vogels, en haar stempel is op bijna geen enkele zoo scherp en beteekenisvol afgedrukt, dat men er een als steppenvogel in den waren zin zou mogen beschouwen, gelijk zulks bij alle woestijnvogels wel het geval is. Desniettemin merkt de aandachtige waarnemer op, dat toch ook de steppenvogels tot in zekere mate het gelaat hunner woonplaats weêrspiegelen. Den secretaris, een grooten roofvogel van het voorkomen eens kraanvogels, den slangensperwer, een in een rijk, mollig, grootvederig gewaad gehulden, langzaam en traag vliegenden havik, een stroogelen geitenmelker, alsmede een wiens vleugels in pronkveêren zijn veranderd, een parel- of frankolijnhoen, een trap, of eindelijk den struisvogel is het wel aan te zien, dat zij in de steppe thuis behooren, en daarin hun waar verblijf vinden. De steppe is, wel is waar, geenszins kleurenrijker dan de woestijn, maar geeft toch oneindig meer bedekking en kan dus ook vrijer teekenen. Nochtans bevindt men, dat ook hier voornamelijk twee kleuren domineeren, een lichter of donkerder stroogeel en een moeilijk te omschrijven staalgrijs, welke beide kleuren zoowel de veêren van de roofvogels als die der hoenders versieren, zonder dat daarom alle andere, donkere, of meer levendige en zelfs heldere kleuren buitengesloten zijn. De meerdere vrijheid in kleur en teekening valt m. i. opmerkelijk genoeg ook bij zulke vogels in ’t oog, wier geslacht of familieleden uitsluitend in de steppe thuis behooren.

Wil men, met het doel daardoor het gebied zelf te kenschetsen, enkele steppenvogels meer uitvoerig beschrijven, dan wordt de keuze moeilijk, omdat bijna iedere vogel eene meer bijzondere vermelding waard is. De mij toegestane ruimte legt mij beperking op, weshalve het voldoende zij, wanneer ik als voorbeelden neem een bewoner der hoogere luchtlagen, een grondbewoner en een nachtvogel; deze zullen den lezer in staat stellen het beeld, dat hij zich reeds van de steppe heeft gevormd, nog iets vollediger te maken.

Wie langen tijd in de steppe heeft verwijld, moet meermalen een grooten roofvogel hebben opgemerkt, die in zijn vlucht ten zeerste afwijkt van iederen anderen gewiekten roover, vooral door den prachtig golvenden buitenrand der lange en spitse vleugels, den ongemeen korten staart en de alles overtreffende snelheid. Hoog in de lucht vliegt, zweeft, zwemt, tuimelt, goochelt, danst en buitelt deze vogel, die de grootte bereikt van een adelaar; nu eens breidt hij zijne vleugels wijd uit, om ze minuten achtereen roerloos in dezelfde houding te laten, dan weder slaat hij ze met kracht tegen elkaar, om ze straks te draaien en te wenden, of ze zoo aan te trekken, dat hij naar de laagte dreigt te storten; maar hij heeft ze reeds weêr even krachtig gebogen, en weinige minuten later hebben de hoogste luchtlagen hem wederom opgenomen.

Nadert hij den grond, dan vallen de scherp tegen elkander afstekende kleuren van den fluweelzwarten kop, van hals, borst en buik, de zilverwitte onderzijde der vleugels en van den licht kastanjebruinen staart duidelijk in het oog; buitelt hij, dan ziet men de heldere, met die van den staart overeenkomende kleur van den rug, alsmede een lichte streep over de vleugels; nadert hij nog meer, dan blinken ons de koraalroode snavel en de eveneens gekleurde teugels en pooten tegen. Vraagt men een trekkenden herder, die gewoon is de dierlijke bevolking der steppe opmerkzaam gade te slaan, naar dezen zoo merkwaardigen, meestal eenzaam rondzwervenden roofvogel, dan hoort men uit zijn mond het volgende zinrijke, beteekenisvolle sprookje:

„De genade des Albarmhartigen verleende aan dezen vogel de rijkste gaven, bovenal hooge wijsheid. Want hij is een heelmeester onder de vogelen des hemels, der ziekten kundig, door welke de schepselen van den Alformeerder gekweld worden, en een kenner van kruiden en wortels, die genezing brengen. Uit ver afgelegen landen ziet gij hem de wortels aandragen, maar tevergeefs poogt gij te doorgronden werwaarts hij geroepen werd om met die kruiden de zieken te genezen. De uitwerking zijner middelen is onfeilbaar; hun gebruik schenkt het leven, en wie ze versmaadt is eene prooi des doods. Zij zijn als de hebjab, door de hand van Gods gezant geschreven, een gebod Mohammeds, wiens naam geprezen zij. Het is den arme voor ’t aangezicht des Heeren, den zone Adams niet verboden zich van die geneeskrachtige kruiden te bedienen. Ziet toe waar de arts-adelaar zijn huis bouwt, neem u in acht zijn eieren aan te raken, wacht totdat uit de veêren zijner kinderen geen bloed meer vloeit; ga dan heen en bezoek de woning des adelaars en wond een zijner kinderen. Dan zult gij zien, dat de vader naar het oosten vliegt, daarhenen, waar gij uw aangezicht naar toe keert in het gebed. Wacht zonder morren en geduldig tot hij terugkeert. Hij zal verschijnen met een wortel in zijn handen; verschrik hem, opdat hij dien u late en maak er u zonder vrees meester van, want hij komt van den Heer, in wiens handen het leven is, en geen tooverij rust er op. Ga dan heen en genees uwe zieken; zij zullen allen genezen, indien het de wil is van den Albarmhartigen.”

De vogel, die deze dichterlijke bloesems opwekte, is de goochelaar, gelijk wij, de „hemelaap” gelijk de Abessyniërs hem noemen; het is een slangenarend; de wortels, die het sprookje hem laat aandragen, zijn de slangen, die hij vangt. Zeer zelden ziet men hem rusten; gewoonlijk vliegt hij op de geschilderde wijze rond tot eene door hem gespeurde slang hem drijft bruisend omlaag te schieten en den strijd met deze aan te vangen. Evenals alle slangendoodende roofvogels door de dikke hoornbekleeding zijner pooten en zijn dicht gevederte tegen de gifttanden genoegzaam beschut, deinst hij zelfs voor de gevaarlijkste soorten niet terug en wordt zoo tot een weldoener der steppe. Evenwel, niet zijn werkzaamheid in dit opzicht, maar alleen zijn meesterlijke vlucht, vestigde zijn roem onder alle volken zijner woonplaats.

De scherpste tegenstelling met den goochelaar vormt de aan den grond geketende struisvogel. Ook deze is de held geworden van een Arabisch sprookje, ofschoon niet om hem te verheerlijken, integendeel, om hem tot in het stof te verlagen. Dat sprookje bericht van den struis, dat deze eens uit hoogmoed naar de zon wilde vliegen en toen jammerlijk verbrand werd, zoodat hij in zijn tegenwoordigen toestand naar beneden viel.

Voor ons biedt het leven van dezen vogel veel wat de aandacht waard is, en te meer dewijl nog steeds zooveel onjuiste voorstellingen omtrent den struis worden gekoesterd.

Ofschoon hij niet geheel ontbreekt in de begroeide laagvlakten van de Afrikaansche en West-Aziatische woestijnen, komt echter de struisvogel meer bepaald en in grooter getale voor in de aan voedsel rijke steppe. Bijna elken dag kruist men hier zijn duidelijke, karakteristieke voetstappen; den vogel zelven aanschouwt men evenwel zelden. Hij is hoog genoeg om over het graswoud heen te zien; scherp van gezicht en schuw, onttrekt hij zich dientengevolge aan het oog der menschen. Gelukt het, hem uit de verte gade te slaan, dan merkt men dat hij, althans buiten den broedtijd, van een gemakkelijk leven houdt. In den vroegen morgen en in de schemering weiden de struisvogels bij troepen; tegen den middag liggen allen rustig op den grond, om zich te wijden aan het werk der spijsvertering, of zij gaan drinken, of nemen een bad, soms zelfs in de zee; later op den dag amuseeren zij zich met vreemdsoortige dansen, springen als zinneloos in een kring rond en klapwieken daarbij met de vleugelveêren, alsof zij zich in ’t vliegen wilden oefenen; tegen zonsondergang begeven zij zich ter ruste, zonder evenwel ook nu nog hunne veiligheid uit het oog te verliezen. Worden zij door een gevaarlijken vijand bedreigd, dan rennen ze in woeste vaart weg en laten dezen spoedig verre achter zich; sluipt een zwakker roofdier hen na, dan vellen zij dit met hun krachtige pooten ter aarde. Zoo vliedt hun leven bijna wolkenloos daarheen—althans, indien het hun niet aan voedsel ontbreekt. Voedsel toch hebben zij in groote hoeveelheid noodig. Men staat versteld over hunne vraatzucht en niet minder over de verduwingskracht der struisenmaag, die de veelsoortigste dingen in massa’s opneemt en, òf deze verteert, òf er in elk geval geen nadeel van ondervindt. Al wat eene plant oplevert, van den wortel tot de vrucht slokt deze spreekwoordelijk geworden maag in; al wat van kleinere dieren, zoowel gewervelden als ongewervelden bemachtigd kan worden, niet minder. Nog is hem dit niet genoeg. De struis verzwelgt al, wat verzwelgbaar is, steenen van een half kilo zwaarte, in gevangenschap stukken tichelsteen, werk, lompen, messen, sleutels en sleutelringen, spijkers, glasscherven en glassplinters, looden kogels, bellen en vele zaken meer; het is wel gebeurd, dat hij zich te goed deed aan ongebluschte kalk en daardoor zijn eigen moordenaar werd. Men vond eens in de maag van een in gevangenschap gestorven struisvogel de veelsoortigste voorwerpen tot een totaal gewicht van vier en een kwart kilogram. De vratige vogel eet in den hoenderhof jonge eenden en kippen op, net of het oesters waren, krabt de kalk van de muren om met die stukken zijn maag te vullen; in één woord, hij spaart en verschoont niets, wat maar verzwelgbaar en niet nagel- en muurvast is. In overeenstemming met de door hem verbruikte hoeveelheid voedsel, die overigens in geen wanverhouding staat tot zijn lichaamsgrootte en bewegelijkheid, is ook zijn dorst, en dientengevolge zijn verblijf gebonden, niet alleen aan plaatsen alwaar voedingsplanten voor hem aanwezig zijn, maar ook aan wateren of althans bronnen. Drogen deze uit, dan is de struisvogel genoodzaakt weg te trekken en in zoodanige gevallen kan hij soms groote afstanden afleggen.

Is het voorjaar gekomen, dan ontwaakt de liefde in het hart van den struisvogel, en nu ondergaat zijn levenswijze groote veranderingen. De kudden lossen zich op in kleinere troepen en de volwassen mannetjes beginnen langdurige gevechten om het bezit der wijfjes. In hoogen graad opgewekt, wat uitwendig zichtbaar is aan den levendig rood gekleurden hals en aan de eveneens roode pooten, plaatsen twee mededingers zich tegenover elkaar, klepperen met de vleugels, zoodat de volle pracht der uitgerafelde, witte slagpennen zichtbaar wordt; zij bewegen daarbij den hals op een moeilijk te beschrijven wijze, daar zij dit lichaamsdeel nu eens naar voren, dan naar de zijden wenden, draaien of buigen; zij stooten diepe en schorre tonen uit, die nu eens aan het dof gerommel van den donder, dan weder aan het gebrul van den leeuw doen denken, kijken elkaar strak aan, laten zich op den voetwortel neêr en bewegen in deze houding hals en vleugels nog schielijker en aanhoudender dan straks, springen weder op, rennen nogmaals op elkander los; eindelijk, terwijl zij elkaar voorbijsnellen, tracht ieder zijn mededinger door een forschen slag met den poot te kwetsen, om als de aanval gelukte, met den scherpkantigen nagel van den eenen teen diepe en lange wonden in lijf en pooten te slaan. De overwinnaar handelt met het in den strijd verkregen wijfje of met de wijfjes niet veel beter; hij mishandelt deze gewoonlijk op het erbarmelijkst, zoowel door zijn tyrannie als door lichamelijke tuchtiging. Of het mannetje één of meer wijfjes houdt is nog niet uitgemaakt; wel mag men voor waar aannemen, dat vele wijfjes vaak haar eieren in een en hetzelfde nest leggen, en men heeft ook opgemerkt, dat niet het wijfje, maar voornamelijk het mannetje de eieren bebroedt, alsmede de verzorging en opvoeding op zich neemt van de na 8 weken uitgekomen jongen. Zoowel in ’t een als ’t ander wordt het daarbij gewis door het wijfje geholpen, maar de hoofdarbeid valt den man ten deel, en bij de verzorging der jongen legt deze dan ook de meeste vlijt en angst aan den dag. De struisvogelkuikens, die bij het uitkomen reeds zoo groot zijn als een matige kip, verschijnen in een bijzonder gewaad op deze wereld, een gewaad, dat eer doet denken aan de stijve haren van een zoogdier dan aan het donskleed van de vogels. Daar zij reeds den eersten levensdag de vraatzucht, aan hun geslacht eigen, openbaren, groeien zij zeer snel, wisselen na 2 à 3 maanden van veêren, om nu een gewaad aan te trekken, dat het meest gelijkt op dat der wijfjes; maar er moeten nog ten minste drie jaren verloopen alvorens zij volwassen zijn en geschikt geworden ter voortplanting.

Dit is, zeer beknopt weêrgegeven, het voornaamste uit de levensgeschiedenis van den reuzenvogel der steppe; alle daarmede in strijd zijnde verhalen noem ik fabelen.