Van de Noordpool naar den Aequator: Blikken in het groote rijk der schepping
Part 13
In het begin van den jachttijd laten de eekhoorntjes, en zelfs de edelmarters, terwijl zij zich uitsluitend met de honden bezighouden, den jager tijd om tot op weinige meters afstands te naderen; spoedig evenwel worden zij slimmer en bemoeilijken den schutter het rustig en zeker mikken. Gelukt het dezen toch om den kogel door een der oogen van het dier te jagen, dan is hij zeer tevreden, dewijl hij niet alleen een ongeschonden huid krijgt, maar ook het lood nog eenmaal kan gebruiken. Onmiddellijk nadat hij het gevallen wild in handen heeft gekregen, stroopt hij het af,—bij marters en eekhoorns perst hij de ingewanden door de mondspleet—slaat de hersenpan stuk om den kogel terug te krijgen, en bergt daarna vel en vleesch, van elkaar gescheiden, in zijn rugzak.
In geval de eekhoorntjes overvloedig zijn is deze jacht even voordeelig als amusant. Ieder jager gebruikt den korten dag zooveel zijn krachten hem dit veroorlooven; het eene schot volgt ras op het andere en een nieuwe buit rust naast den eersten. Neemt het laden der geweren veel tijd in beslag, het afstroopen der buitgemaakte dieren gaat des te sneller; ieder jager doet zijn best. Zonder te rusten, zonder te eten of zelfs te rooken, trekt het jachtgezelschap voorwaarts. De speurende honden dwalen nu eens van het gezelschap af, straks zijn zij weer in de nabijheid; de scherpe knal der buksen en het vroolijke geblaf der honden schenkt afwisseling.
De een telt de schoten, een ander benijdt het geluk van zijn makker of heet er hem geluk mee. Is daarentegen de winter arm aan wild, brengt zelfs het onophoudelijk klappen der zweep geen eekhoorntje te voorschijn, laat zich sabel noch edelmarter zien, bespeurt men eland noch rendier; dan trekken jagers en honden zwijgend door het woud, en schraalhans-keukenmeester brengt verder alles in eene nog slechter luim.
Met het aanbreken van den nacht beginnen onze jagers er aan te denken hun nachtverblijf gereed te maken. Ieder hunner graaft onder een ouden, dikken, omgevallen boomstam een kuil in de sneeuw uit, waarin juist een man kan liggen en ontsteekt daarin een groot vuur. Daarop reinigt een ander, zoo mogelijk in ’t midden van alle kuilen en onder bescherming van dichtkronige dennen of sparren, een cirkelvormige ruimte van de sneeuw; een derde sleept brandhout aan; een vierde ontsteekt op die plek een nog grooter vuur; een vijfde maakt het avondeten gereed. Genoeg eekhoorns werden toch geveld om eene krachtige vleeschsoep te maken en er de meelbrij of de snede brood mede te kruiden. Men eet, geeft de honden hun fatsoenlijk aandeel, verkwikt zich aan de thee, steekt het korte pijpje aan en onderhoudt elkander naar jagerswijs over de lotgevallen van den dag. Intusschen heeft het vuur in de kuilen de sneeuw doen smelten, daar boven den boom in brand gestoken en zoo de slaapstede door en door verwarmd. Zorgvuldig schuift iedere jager de in den kuil nog glimmende kolen naar het uiteinde, kruipt er in, terwijl hij zorg draagt zooveel mogelijk de zijdelingsche sneeuwmuren niet te doen instorten, roept zijn honden om met deze het warme leger te deelen, en legt zich te slapen. Wel is waar valt van den steeds voortglimmenden boom gedurende den nacht nu en dan een stuk kool op jager en hond, maar een Siberische jagerspels verdraagt evenveel als een Siberische hondenpels, zulk een brandend blok hout verwarmt beter dan een veel grooter, vrij brandend vuur, warmt den kuil door en door, evenals een Siberische kachel de kamer en maakt in ’t algemeen het overnachten in een bosch mogelijk.
Uitgerust en versterkt staan de jagers bij ’t krieken van den dag op, ontbijten en trekken verder. Bereikt men gunstige jachtvelden, die elken winter bezocht worden, dan toeft men aldaar langer of korter tijd, al naar omstandigheden. Op sommige plaatsen kan men eene uit boomstammen vervaardigde jachthut betrekken, die aldaar in vroegere jaren werd opgericht. Tevens vindt men op zulk een terrein oude en nieuwe slagvallen, die nu weder op vang gesteld worden, en die men elken morgen onderzoekt. Een en ander vordert veel tijd, daar die vallen zeer ver uiteen liggen; ons jachtgezelschap verwijlt dan ook menigmaal eene week en nog langer op zulk eene plaats in het bosch en jaagt haar volledig af, alvorens de reis voort te zetten.
Op deze wijze jagende brengen vele Siberiërs het grootste deel van den winter in het bosch door. Voor het begin dier tochten wordt gewoonlijk met den een of anderen koopman een verdrag aangegaan. De jager verbindt zich, tegen een vooraf bepaalden, gemiddelden prijs, alle huiden aan den koopman af te staan, en de handelaar neemt op zich alle hem geleverde artikelen, zonder uitzondering, in ontvangst te nemen. Is de jager gelukkig, dan brengt de jacht hem nog heden ten dage genoeg op om er van te leven, althans er de behoeften des winters mede te bestrijden; in ’t algemeen echter loont ook dit jachtbedrijf de daarmede verbonden moeite en ontberingen niet, en slechts een zoo weinig eischend mensch als de Siberische jager pleegt te zijn, is in staat daarin nog een bestaan te vinden.
De berenjacht is in de oogen van den West-Siberiër het roemvolste en moeilijkste bedrijf. Vriend Petz is in ons gebied volstrekt niet dat gemoedelijke wezen, gelijk hier en daar nog in Oost-Siberië; veeleer, zooals bijna overal, een lomp, ongemanierd beest, dat wel is waar in den regel voor den mensch de vlucht neemt, maar dat, als hij gewond is of in de engte gedreven wordt, moedig den strijd bestaat en alsdan zeer gevaarlijk kan worden. In weêrwil van de sterke vervolging, waaraan hij bloot staat is de beer nog nergens uitgeroeid; integendeel hij komt nog altijd veel voor. Hij bewandelt steeds zijn eigen weg en vertoont zich weinig op de door menschen bezochte plaatsen. Daarmede wil niet gezegd worden dat bruintje in ’t geheel niet bij menschelijke woningen komt, of dat hij ze zelfs vermijdt; want hij houdt zich niet zelden in de onmiddellijke nabijheid der dorpen op, en overvalt soms de huisdieren voor de oogen der bewoners; maar hij vertoont zich zoo ongeregeld, dat vele Siberiërs er nog nooit een gezien, nog nooit een in het bosch ontmoet hebben. Het schijnt dat hij den ganschen zomer door heen en weêr trekkende is. Hij zwerft door de bosschen, zonder zich hier aan bepaalde wegen te binden; klimt, al naar den vorm der bergen, hierbij meer of minder regelmatig betreden paden volgende, in den nazomer de hoogten op, en keert tegen het begin van den winter naar de laagte terug; houdt ten tijde van het rijpen van het koren zich op aan den buitenkant van het woud, om op zijn gemak in de naburige velden te plunderen, verlaat ook soms geheel en al het bosch om de aangrenzende steppe op te zoeken, ook wel die berghellingen, welke het karakter van steppen dragen, houdt zich langen tijd op bepaalde plaatsen op, of trekt, zonder op ééne plaats te toeven, naar eene andere, immer en overal van de oogenblikkelijke gelegenheid gebruik makende om eene lievelingsspijs machtig te worden.
In de meeste streken is hij bepaald een planteneter; hier en daar wordt hij tot een gevreesd roofdier, op weer andere plaatsen maakt hij jacht op aas. In het voorjaar vreet hij van alles wat hij maar vinden kan, beloert van uit eene hinderlaag listig het vee, dat al grazende de bosschen intrekt, om bliksemsnel op een der dieren aan te vallen, of met ongemeene vlugheid na te rennen; hij grijpt het, werpt het ter aarde, vermoordt het, vreet zich zat en begraaft, ofschoon vrij onhandig, de rest, om later nog een maal te hebben. Tijdens veeziekte spoort hij de mestvaalten op ten einde van de lijken der gestorven huisdieren te smullen; ja, men heeft hem zelfs wel eens op kerkhoven den lijkendief zien spelen. In den zomer plundert hij de korenvelden, berooft de nesten der wilde bijen en de bijenkorven, graaft de wespen- en hommelnesten uit, verwoest de mierenhoopen om de poppen te vermeesteren, wentelt oude, gevallen boomen om, ten einde de daaronder liggende kevers, maden en larven buit te maken, doet zelfs vermolmde boomen omstorten, om zich de daarin levende insectenlarven toe te eigenen. In den herfst voedt hij zich bijna uitsluitend met allerlei bessen, ook die, welke hij eerst van de boomen moet halen, zooals b.v. de vruchten van de vogelkers; wanneer de piniolen rijp zijn, spoort hij deze op; daartoe beklimt hij hooge boomen, wier takken en kruinen hij afbreekt. Uren lang snuffelt hij om de voorraadschuren, waarin de piniolen voorloopig worden bewaard, en blijft niet in gebreke zich met geweld een weg tot derzelver binnenste te banen als hij slechts eenigszins daartoe de kans schoon ziet. Nu en dan gaat hij bij afwisseling visschen, en dit somtijds met gunstigen uitslag. Voor den mensch slaat hij geregeld op de vlucht; toch besluit hij ook eene enkele maal, en dan zonder zich lang te bedenken, tot den aanval, in dit geval zelfs geen overmacht ontziende. Al naar de weêrsgesteldheid betrekt hij nu eens vroeger dan weer iets later zijn winterkwartier om te slapen. Voor leger kiest hij bij voorkeur eene geschikte plaats onder een ouden, reusachtigen, omgevallen boom, graaft hier allereerst een ondiepen kuil uit, welks bodem hij met dennennaalden en eene laag mos ter dikte van 50 centimeter bedekt, bekleedt met dit laatste ook de zijwanden, bedekt alles van buiten met boomtakken, en laat zich insneeuwen. Wordt hij in het gebergte door de eerste sneeuwbui overvallen, dan daalt hij niet altijd naar de laagte, maar bergt zich in eene rotskloof, die zoo goed mogelijk bekleed wordt, of hij verwijdt het nest van de een of andere marmottensoort zooveel als noodig is en brengt daarin dan den winter door. Eenmaal ingeslapen ligt hij zoo vast, dat men hem slechts met groote moeite kan opjagen; hij bijt dan zeer boosaardig in de ijzeren staven, waarmede men hem port, knort en brult en gehoorzaamt dan eerst wanneer men tot vuurpijlen of vuur de toevlucht neemt. Eindelijk stormt hij, zoo hij niet verwond is geworden, als een opgeschrikte ever naar buiten, doet zijn behoefte, en zoekt zijn heil in eene overhaaste vlucht. De berin brengt, volgens de eenstemmige berichten van alle ervaren jagers, slechts om den anderen winter jongen ter wereld, en wel gedurende den diepsten slaap; zij ontwaakt, gelijk men veronderstelt, slechts kort voor de baring, lekt de kleinen schoon en droog, legt ze aan de tepels en slaapt dan met tusschenpoozen weêr voort. Op het einde van Mei of in de maand Juni zoekt zij hare vroeger geboren, dus twee- en zelfs de vierjarige kinderen weer op, en dwingt deze als pestoen of kindermeiden dienst te doen.
Ofschoon men in West-Siberië het anders volstrekt niet onsmakelijk vleesch van den beer weinig op prijs stelt, en berenhammen meer om de aardigheid toebereidt en opdischt dan om zich werkelijk een lekker maal te verschaffen, levert de berenjacht toch goede winsten op.
De pels dient voornamelijk tot het vervaardigen van dekens voor de sleden, is zeer gezocht en wordt duur betaald; de tanden en nagels zijn in de oogen van Ostjaken en Samojeden, zelfs in die van de West-Siberische boeren krachtige talismans; ook de beenderen worden soms gebruikt. De scheurtand van een in eerlijken strijd gevelden beer schenkt den Ostjak, gelijk hij meent, bovennatuurlijke gaven, in ’t bijzonder moed, kracht en sterkte, ook wel eens onkwetsbaarheid; een klauw, vooral de vierde van den rechter voorpoot, die met den ringvinger overeenkomt, dwingt—volgens het geloof van alle minnende jonge meisjes in den Oeral, iederen jongeling, die heimelijk door haar daarmede werd gekrabd, tot vurige liefde; tand en klauw staan dus hoog in prijs en vuren menigen jager nog meer dan geleden schade aan, om dit vreeselijkste aller roofdieren des avonds op te sporen en te bestrijden. Deze jacht is echter alles behalve gemakkelijk of zonder gevaar. Vallen, die een goed resultaat opleveren, kent men niet; men moet dus altijd den beer opzoeken, en met het wapen in de hand, met de hulp van goed gedresseerde honden, den strijd met hem bestaan. In den zomer wordt de jacht bemoeilijkt door de ongedurigheid van den beer; in den winter is het eerder mogelijk een leger op te sporen en daarin of daarvoor den slaper te dooden. De arme boer, die dit leger ontdekt, verkoopt zijn beer aan den een of ander welgestelden jager; deze trekt met den boer en eenige metgezellen op een gunstigen dag ter jacht, omringt het winterverblijf des roofdiers met geoefende schutters, laat door drijvers den beer wekken en onder schot brengen, en schiet op den kortst mogelijken afstand het geweer af. Op deze wijze worden de meeste beren gedood; voor geoefende schutters is deze soort van jacht dan ook het minst gevaarlijk. In den zomer en in den herfst zoekt men den beer, wiens spoor men heeft ontdekt, of dien men zelf heeft gezien, met behulp van kleine honden op, laat hem door deze dieren op eene geschikte plaats voeren en vuurt dan op het juiste oogenblik den kogel af; of wel, men maakt op de wijs der moedige Ostjaken, gebruik van de berenspies en laat het dier daarin rennen; of men omwikkelt den linkerarm goed met berkenbast, houdt dit pantser den aansnellenden beer voor en stoot hem op het oogenblik dat hij in den berkenbast bijt, een breed en lang mes in het hart. Beide wijzen van jagen gaan dikwijls gepaard met ongelukken. Sommige jagers echter krijgen mettertijd zooveel onverschrokkenheid en behendigheid, dat zij boven elk ander wapen aan spies of mes de voorkeur geven. Een boerenmeisje uit het dorp Morschowa in den Oeral, wier roem zich over geheel West-Siberië heeft verbreid, zou met het mes reeds meer dan dertig beren gedood hebben.
Allerlei verhalen zijn in omloop van ongewenschte ontmoetingen met beren. Een, enkel met zijn erwtenbuks gewapend jager ziet in het bosch een grooten beer; hij waagt echter geen schot, omdat hij weet, dat zijn lood voor zulk wild niet zwaar genoeg is. Hij blijft dus rustig staan ten einde den beer niet te vertoornen. De laatste komt naar hem toe, gaat voor hem op de achterpooten staan, beruikt hem het gelaat en geeft hem eindelijk een slag, die den jager bewusteloos ter aarde doet vallen. Hierop verwijdert bruintje zich ijlings, even alsof hij zich bewust is, dat hij een dommen streek heeft uitgevoerd.
Twee Zweden, Aberg en Erland jagen in den Oeral op hazelhoenders; de eerste nadert een braamstruik, waaruit tot zijn niet geringe verbazing een groote beer, in plaats van een hazelhoen opspringt, die hem zonder bedenken gaat aanvallen. Aberg ziet in dat vluchten niet baat en legt onverwijld zijn schrootgeweer aan de wang, mikt op het oog van den beer, geeft vuur, en is zoo gelukkig het ondier een oog uit te schieten. Woedend van pijn dekt de beer het bloedende oog met den poot, brult luid en gaat nogmaals op den onverschrokken jager los. Deze vat koelbloedig het andere oog in ’t vizier en schiet met even goed gevolg als de eerste maal. Nu roept hij zijn makker en beiden vuren afwisselend op den blinden beer, tot zij hem gedood hebben.
De vermakelijkste geschiedenis viel voor op een veld bij het dorp Tomski Sawod in de buurt van Salair. Een boer uit die streek rijdt met een lading piniolen door het woud, zonder te merken dat er zaden uit een der zakken vallen. Een beer, die achter den wagen door het woud wandelt, en dwars over den weg komt, waarop de boer rijdt, vindt eenige dier zaden, zoekt de andere op, en volgt, zonder door den boer gezien te worden, den wagen. De boer verlaat eenigen tijd later paard en wagen, terwijl hij het paard gebiedt stil te blijven staan, en slaat een zijweg in om nog een zak met piniolen te halen, die daar is blijven staan. Voor hij met zijn last terug is gekeerd, heeft de beer den wagen ingehaald, en dien beklommen om zich nu naar hartelust te goed te doen aan zijn lievelingsgerecht. Verschrikt ziet de teruggekeerde voerman dat zulk een passagier zich bij hem heeft opgedrongen; hij waagt echter tegenover dien ongenooden gast niets en laat paard en wagen in den steek. Het paard, dat reeds angstig is geworden, kijkt eindelijk om, herkent den beer en rent met den wagen weg zoo snel het draven kan; de ongewenschte beweging echter verschrikt op zijne beurt den beer zoodanig, dat deze niet van den wagen af durft springen; hij houdt zich zoo goed mogelijk vast en geeft middelerwijl zijn vrees door een luid gebrul te kennen. Natuurlijk lokt dit gebrul een nog snelleren draf van het paard uit, en hoe meer de beer woedt en hoe bevreesder hij wordt des te sneller loopt het paard in de richting naar het dorp. Hier staat men echter reeds verscheidene uren op den bisschop te wachten en heeft in feestgewaad voor de deuren post gevat om het hooge personage terstond bij zijn komst te kunnen begroeten; men heeft zelfs scherpziende jongens boven op den toren geplaatst en hun opgedragen, wanneer zij den gevierden man in ’t oog krijgen, terstond aan alle klokken te trekken.
Daar dwarrelt in de verte een stofwolk op; de knapen trekken aan de klokketouwen, mannen en vrouwen scharen zich in rijen, de pope treedt met het wierookvat voor de kerkdeur, en iedereen maakt zich gereed om den kerkvorst naar waarde te ontvangen. En nader ratelt de wagen; midden door de feestelijk gestemde dorpelingen jagen ros en koetsier, het eerste proestende en met stof en zweet bedekt, de ander brullend en snuivend, en eerst op het erf van den eigenaar eindigt de dolle rit. In plaats van het zoo schoone Russische kerkgezang klinken schrille kreten van schrik uit den mond van half bewustelooze vrouwen door de lucht, in plaats van deemoedig buigende gestalten, ziet men onthutste mannengezichten; alleen de klokken luiden zooals gewoonlijk. Voordat die tonen zijn weggestorven, heeft men de bezinning teruggekregen; men verzamelt en wapent zich, trekt paard en beer na en doodt den laatste, die geheel verbijsterd scheen, op den door hem zelf gekozen troon.
Wie met den berenaard bekend is, moet toestemmen, dat zoo iets wezenlijk gebeuren kan, alhoewel wij eerder geneigd zijn het zoo even geschilderd verhaal eene plaats aan te wijzen onder de verdichte jachtgeschiedenissen. Ook in den mond der ernstige en eerlijke boschbewoners worden waarheid en verdichting wel eens dooreengemengd, wanneer zij verhalen van het woud, het wild en de jacht in Siberië.
V.
DE STEPPE EN DIERENWERELD VAN CENTRAAL-AFRIKA.
Het noorden van Afrika is eene woestijn, moet zulks zijn en zal het eeuwig blijven. Vergeleken met de uitgestrekte, door de gloeiende zon verzengde landmassa’s tusschen de Roode Zee en den Atlantischen Oceaan, verliezen de wateren, die de aarde omgorden, hunne beteekenis; de Roode Zee komt in ’t geheel niet in beschouwing, de Middellandsche Zee blijkt veel te klein en zelfs de invloed van den Atlantischen Oceaan blijft enkel tot een smallen zoom langs de kust beperkt. Boven zulke groote en heete vlakten moeten alle wolken zich oplossen zonder de dorstende aarde te bevochtigen en te bevruchten. Eerst veel verder naar het zuiden, ongeveer bij den evenaar, daar, waar aan de eene zijde de Atlantische Oceaan met een diepe bocht het land binnen dringt, aan de andere zijde de Indische Zee Afrika’s kusten bespoelt, waar, om mij zoo uit te drukken, beide Oceanen elkander over dit werelddeel heen de hand reiken, worden de verhoudingen eenigszins anders. Hier stroomen, op zekere tijden des jaars, vergezeld van storm, bliksem en donder, geregeld zulke ontzaglijke regenmassa’s neder, dat voor deze de woestijn moet wijken om voor de meer levende steppe plaats te maken. Daarom wordt het voorbijsnellend jaar hier in twee, wezenlijk van elkander verschillende jaargetijden verdeeld: in het levenwekkende en in het doodende, dat van regen en een ander van droogte, terwijl daarentegen in de woestijn eenig en alleen door de nu en dan heerschende winden kondschap wordt gebracht van de elders wisselende jaargetijden.
Om de steppe te verklaren dunkt mij eene vluchtige schildering harer jaargetijden noodzakelijk. Want ieder land is eene afspiegeling van het klimaat, dat daar heerscht, en elk gebied is niets anders dan het resultaat der strijdende machten zijner jaargetijden, en kan slechts begrepen worden, wanneer men deze en hun invloed heeft leeren kennen.
Met het ophouden van den regen vangt in Afrika’s binnenlanden de doodende tijd des jaars aan, de lange en vreeselijke winter, die door zijn verzengende gloeihitte hetzelfde uitwerkt, wat de noordsche winter door zijn koû bewerkt. Nog vóór de hemel, die tot nog toe dikwijls bewolkt is geweest, volkomen helder is geworden, werpen sommige boomen, die in het voorjaar zich met groen hebben getooid, hun bladerenpracht af, en met het vallen der bladeren verlaten ook de trekvogels, die er in de lente broedden, het herfstachtig geworden land om in andere streken van het ouderlijk werelddeel een toevluchtsoord te zoeken. De halmen der broodvruchten worden geel, nog vóór de regen heeft opgehouden; de lage grassen verwelken en verdorren. De periodiek stroomende wateren drogen op; eveneens de door den regen gevulde bekkens, zoodat niet alleen de daarin levende reptielen en kikvorschachtigen, maar zelfs de visschen genoodzaakt worden zich in de natte leem te begraven om hier den winter te verblijven. Insecten en planten vertrouwen hun zaden aan de aarde toe.
Hoe meer de zon zich schijnbaar naar het noorden wendt, des te sneller komt de winter opdagen. De herfst duurt maar weinige dagen. Hij bewerkt niet, zooals bij ons, een verwelken en afsterven der bladeren, geen tintelen in geel en rood, maar oefent door gloeiende winden zulk een vernielenden invloed uit, dat zij verdrogen evenals gemaaid gras in de stralen der zon; deels nog groen vallen zij ter aarde, deels worden zij met steel en al afgerukt en weggewaaid, zoodat de boomen, op weinig uitzonderingen na, binnen een onbegrijpelijk korten tijd een winterachtig voorkomen hebben erlangd. Boven de vlakten, die nog voor weinige dagen met hoog, golvend gras begroeid waren, verheffen zich nu dwarrelende stofwolken; in de beddingen der geheel of gedeeltelijk blootgelegde stroomloopen en waterbekkens gapen diepe kloven. Al wat aangenaam was verdwijnt, al wat onaangenaam is treedt dreigend te voorschijn: bladeren en bloesems, vogels en kapellen verwelkten, vlogen weg of stierven; doornen daarentegen, stekels en klissen bleven terug, terwijl slangen, schorpioenen en tarantelspinnen haar hoogtijd vieren. Eene onuitstaanbare hitte des daags, eene onverdragelijke warmte des nachts zijn de plagen van dit seizoen, en noch tegen het een, noch tegen het andere bestaan middelen van tegenweer. Wie zulke dagen niet bij eigen ervaring kent, als wanneer de thermometer in de schaduw 50° C. stijgt, terwijl men voortdurend zweet, wat men echter niet eerder merkt, dan wanneer men op een koele plek is gekomen, omdat de hitte dadelijk al het zweet doet verdampen, wanneer de eene stofwolk na de andere omhoog stijgt en een droge nevel loodzwaar drukt op al wat leeft, zoo iemand heeft geen denkbeeld van dit lijden; hij die zulke nachten, wanneer men zich slapeloos op zijn leger omkeert, daar de warmte steeds toeneemt, niet heeft doorleefd, is buiten staat zich in te denken in het naamloos leed, dat gelijkelijk menschen en dieren pijnigt. Zelfs de hemel verandert zijn kleur, die tot nog toe rein blauw is geweest in een vaal grijs, want de zoo even vermelde nevel omsluiert dikwijls halve dagen lang de zon, zonder deze nochtans van haar gloed te kunnen berooven; integendeel, juist wanneer de horizon door zulke nevels verduisterd wordt, schijnt de hitte nog toe te nemen. Zonder de geringste verkwikking voor geest of lichaam volgt de eene dag op den anderen. Geen koeltje uit het noorden streelt het voorhoofd, geen bloesemgeur, geen vogelengezang, geen in heldere kleuren en donkere schaduwen prijkend landschap, gelijk de in zonnegloed badende tropen somwijlen te voorschijn tooveren, werkt verfrisschend op de ziel; alles wat levendig, kleurig en dichterlijk is, vlood henen, zonk neêr in den doodslaap,—en deze is veel te akelig dan dat hij eenig dichterlijk gevoel kan opwekken.