"Ups" en "downs" in het Indische leven

Part 24

Chapter 244,046 wordsPublic domain

„Zou hij willen?”

„Wat!” riep mevrouw Uhlstra. „Of hij zou willen? Hij? Heeft hij zijn duiten niet te danken aan mijn zaligen man en aan jouw vader en aan Geber? Als hij ons niet had gehad, zat hij nou nog, net als vroeger, tot over z’n ooren in de beren.”

Nu, Markens dacht niet aan het weigeren van zijn tusschenkomst. Hij was er integendeel meê gevleid, en verheugd zooals iemand, die den heelen dag niets te doen heeft, over een opdracht van werk. Hij hoorde het relaas aan met een boven zijn witte, hooge das vooruitgestoken gezicht, de lippen samengetrokken, met korte knikjes van goed begrijpen onder den zenuwachtigen rammelslag van mevrouw Uhlstra, die het zondenregister las van haar zuster Clara, doorspekt met scheldwoorden aan het adres der gezonkene, de namen noemend van een heel troepje te kwader faam bekend staande europeesche jonge mannen die met haar en op haar kosten hadden geleefd; het een zoo ruw als het andere.

Met zijn onverstoorbare kalmte keek Markens in zijn wetboek. Hij kende de bepaling wel, maar het stond goed, en ’t was een bezigheid.

„Zij moet onder curateele gesteld worden,” zei hij na eenige minuten langzaam zoeken, terwijl mevrouw Uhlstra, in spanning, ongeduldig met haar waaier tikte.

„Dat heb ik ook gedacht.”

„Het verzoek moet ingediend worden bij den rechter. Wil u het onderteekenen?”

„Wat moet erin staan?”

„Alles.”

Mevrouw Uhlstra zuchtte diep; tranen stonden haar in de oogen. God, het was zoo hard! Het te zeggen, boos, kwaad, nijdig, dat was niemendal. Maar het te zien geschreven staan op een gezegeld papier en zijn naam eronder te zetten,—’t was of een koude rilling haar langs den rug liep!

„Het is zeer treurig,” zei Markens deftig, „treurig inderdaad. Er is echter niets aan te veranderen. Het moet!”

„In Godsnaam dan, en dank-je voor de hulp.”

„Ik zal de stukken in orde maken, en haar gaan waarschuwen.”

Daar begreep mevrouw Uhlstra niets van.

„Het is billijk,” betoogde hij. „Zij moet toch gehoord worden. Welnu, laat zij zeggen, wat zij wil, maar waarschuw haar..... of, laat het maar aan mij over.”

Wantrouwend keek mevrouw Uhlstra hem aan. Waarom wou hij dat „waarschuwen” zoo bepaald zelf doen? Doch Markens zag er zoo oud, zoo achtbaar en zoo weinig begeerig uit, dat zij om haar eigen dwaas idee moest lachen.

De oude heer had niet kunnen zeggen wat hem dreef tot het aanbod zich zoo ver met deze onaangename zaak in te laten. Hij was er zelf verwonderd over, toen mevrouw Uhlstra weg was. Zij hadden al zooveel vuil linnen onder elkaar gewasschen,—hij had het hun ditmaal ook wel kunnen laten doen!

Nu hij het eenmaal had beloofd, zelfs aangeboden, zou hij het doen, en wetend hoe uitstel het lastige nog lastiger maakt, besloot hij de stukken dadelijk op te stellen en den volgenden dag zijn bezoek af te leggen bij de weduwe van zijn ouden sobat.

Toen hij stijf in zwarte jas met wijde slobberpanden in de achtergalerij kwam, waar zijn vrouw haar hoofdstuk las uit den bijbel, zei hij op een toon van gewicht:

„Ik moet even uit.”

„Waar ga je heen?” vroeg zij, opkijkend.

„Een zeer kiesche en vooralsnog geheime zaak. Ik ga de weduwe Lugtens bezoeken.”

„Wat zeg-je? Die vrouw?”

„Het is op verzoek harer familie. Haar levenswijze is van dien aard, dat er aanleiding bestaat haar onder curateele te stellen.”

„Moet jij haar daarom een bezoek brengen in haar huis?”

„Het is billijker en beter; het bekort het verloop der zaak. Tot straks!”

„Ik hoop,” zei mevrouw Markens met grooten nadruk, „dat de Heer over je zal waken en je schreden zal begeleiden.”

Verrast stond hij stil, omkijkend, de witte wenkbrauwen omhoog getrokken met kluchtige verwondering, en toen zij, ook met groote oogen en lange hoofdknikken, ernstig hem aanzag, liep hij, „Maar....! Maar...!” zeggend en lachend bij zichzelven, naar buiten. Zoo iemand, dan moest zij toch weten, dat hij in dit geval den Heer ontberen kon!

Met zijne zachte, bescheiden stem riep hij bij mevrouw Lugtens in de voorgalerij herhaaldelijk „Sapada,” maar er kwam niemand.

’t Was niet meer het paleis van vroeger, maar toch nog ’n heel net huis, en het zag er alles, merkte hij den boel eens opnemend, fatsoenlijk en comfortabel uit. Hij had in ’t minst geen lust onverrichterzake heen te gaan. Zachtjes draaide hij aan den porseleinen knop van een der deuren en trad in de binnengalerij, waar het er ook net burgerlijk uitzag, met meubelen van goed djati-hout, staalgravures aan den wand. Op z’n gemak nam Markens dat alles waar, langzaam voortschrijdend, voetje voor voetje, bij zichzelf berekenend hoeveel er nog van het groot vermogen door Lugtens nagelaten wel over kon zijn. Al pikerend en rondkijkend was hij, vóór dat hij het wist, in de achtergalerij, en daar stond hij ineens stil als in een onbeweegbare figuur veranderd van schrik. Tegen de kruislatten van het groene buitenhek zat op den grond een jonge inlander, den hoofddoek glad en zorgvuldig om het hoofd, het vrouwelijk gezicht zonder spoor van baard, fijngeel van kleur, met den gebogen neus der Javanen van goede geboorte, zonder verdere kleedij dan de door een gouden gewerkten band om de lenden opgehouden sarong. En naast hem op de mooie palembangsche mat vol kleurige figuren in een crêmekleurige kabaja over haar zijden sarong zat de weduwe Lugtens, lachend en pratend, onder een zorgvuldig aangewende laag blanketsel en rood, met kindermaniertjes kleine stukjes manisan snoepend uit een stopflesch. De flesch viel uit haar hand, zoo schrikte zij ook, toen het heele verleden daar voor haar stond als belichaamd in den deftigen Markens met zijn witte das om en in zijn lange zwarte jas. De inlander, klerk van een ambtenaar, was al verdwenen voor men een woord gesproken had. Hij kende zoo goed als ieder ander den gepensionneerden toean besar; hij greep zijn baadje en slipte als een aal door het hek heen achter hem.

„Men komt anders hier niet zóó maar naar achteren loopen,” zei Clara snibbig, inwendig kokend van woede.

Markens had zijn bedaardheid terug en ging zitten op een stoel tegen den muur.

„Ik kom u spreken over zaken.”

„Dan had u wel behoorlijk kunnen roepen.”

„Dat heb ik gedaan. Doch laat dat zijn. Wat ik u kom meêdeelen is, dat door uw familie, met het oog op uw verkwistende levenswijze, een verzoek is gedaan om u onder curateele te stellen.”

Wezenloos keek zij hem aan, stamelend, geheel uit het veld geslagen.

„Curateele....? mij.....?”

„Ja. U zult wel niet ontkennen, dat daarvoor reden is. Het had reeds vroeger moeten gebeuren.”

Zij barstte in tranen los, onbekommerd om het lot van bedag en rouge, jammerend, tusschen haar snikken; haar familie scheldend voor dieven en afzetters; zich erop beroepend, dat zij niemand iets vroeg; dat zij kon doen en laten wat zij wilde; zich op de borst en voor het hoofd slaande, en, met loshangend haar nu, waartusschenuit blaadjes melati op den grond vielen, eindelijk in een luid huilen ineenzinkend op een divan. Onbewogen zat Markens op den stoel tegen den muur, de kin op den gouden knop van zijn dikken rotting. Scènes deden hem niet aan. Zijn eigen vrouw had hem er op zooveel onthaald vóór zij, oud geworden, haar troost zocht in het overdreven religieuse, dat hij daartegen volkomen bestand was.

„Er is niets tegen te doen,” zei hij, toen het begon te luwen, „met kalmte komt men het verst.”

De weduwe Lugtens antwoordde niet. Met haar zakdoek voor den mond, liep zij haar kamer in en liet hem zitten. Het duurde vijf minuten, alles bleef stil in huis en op het achtererf. Markens, besluiteloos nu, stak een sigaar op, van plan dan maar heen te gaan en de zaak verder op haar beloop te laten. Maar zij kwam terug, wel met het stempel van tranen en aandoening nog in haar oogen en gezicht, maar toch weer netjes opgeknapt.

„Ga nog een oogenblik zitten.... Dus ze zullen me onder curateele zetten.... En dat moet u voor hen in orde maken.”

„Juist.”

„En zult u dat doen?”

„Ja,” knikte hij. „Ongetwijfeld! Zeker zal ik dat doen. Daaraan is niets te veranderen. Ik zal het doen voor uzelf, voor uw kinderen, en uit achting voor de nagedachtenis van uw man.”

Beslist schudde zij het hoofd, de lippen vast opeengeklemd.

„Ik zal het me niet laten welgevallen.”

„Dat is uw zaak.”

„Ik zal me niet laten ringelooren. Markens! Mijn man heeft het me zooveel jaren gedaan, zoo bar als hij wezen kon; van jou en de anderen verdraag ik het niet.... nooit.... in der eeuwigheid niet!”

Zij was uit den vormelijken toon gesprongen, jijjend en jouwend tegen hem, en hij voelde zich daar zeer beleedigd door. Wie gaf deze vrouw het recht zoo brutaal en familiaar te zijn tegen hem, Markens?

„Wind u niet op,” zei hij bedarend, „daar komt men niet verder mee. Ik heb er overigens niets mee te maken; ik handel slechts op verzoek.”

„Maar ik wil niet! Waarom bemoeit men zich met mij? Wat gaat het hun aan! Ik acht mijzelve honderdmaal beter dan een van de heele famielje.”

Dat was Markens, met een schoondochter uit die famielje wel wat kras, en, boos wordend op zijn beurt, zette hij zich schrap en keek haar strak aan:

„Dan verschillen wij van meening, mevrouw Lugtens. Ik zal het woord niet uitspreken, waarmeê vrouwen als u aangeduid moeten worden, en ik zou in een soort huis als het uwe ook niet binnentreden, als het niet was voor uw famielje.”

Het ging haar als emmers water langs den rug; zij had een daad van geweld willen doen; die oude smeerlap, gelijk zij Markens bij zichzelve noemde, dorst haar dat zeggen, in haar eigen huis en met een mal vertoon van deftigheid, als was hijzelf de ongereptste persoon op Gods aardbodem.... Het was of het woei in haar hoofd, zoo kwaad werd ze, en Markens schrikte van haar gezicht, bang nu, omdat hij haar in zijn toorn zoo kras had aangepakt. Maar zij ging niet tot een daad over, zich bedwingend om geen schandaal te maken, dat haar misschien voor den rechter kon brengen.

„Het komt zeker uw fatsoen te na, meneer Markens,” zei ze ineens vervallend in een valschen spottoon. „Wees anders maar niet bang; dieven worden er hier niet slechter op.”

En toen hij, bleek als een doek, zich omkeerde, heen willende gaan, versperde zij hem den weg met de armen uitgestrekt, de handen tegen de deurposten, als bij een spelletje.

„’n Dief ben je!” schold ze hem, hardop, zoodat de bedienden achter het konden hooren. „Jij en de heele troep hebt jarenlang gekonkeld en geknoeid om het gouvernement te bestelen en af te zetten. ’n Deftige dieventroep, anders niet! En de duiten van jou zullen gaan zooals die van de rest.”

„Mensch!” riep Markens met bevende stem, den dikken rotting hoog opgeheven boven zijn grijs hoofd, dreigend haar te slaan. „Ga uit mijn weg, of ik ransel je eruit.”

Zij liet de armen zakken en ging opzij.

„Asjeblieft! De uitgang is vrij. Meneer kan heengaan, en ik zal de galerij laten luchten en opdweilen. Het is vies als in mijn huis zulke nette menschen komen.”

ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

OP WEG NAAR HUIS.

Dadelijk was Markens doorgestapt met groote schreden naar buiten; zij achter hem aan, de woorden nawerpend tegen den breeden ronden rug van de voortschuivende zwarte jas.

Wel, het was hem een opluchting toen hij buiten kwam; zijn hoofd gloeide van de congestie als vuur, met een benauwd gevoel in zijn keel. Van wit, dat hij geweest was, toen Clara hem uitmaakte voor dief en hij voor het eerst zijn ambtelijk verleden, waarop hij zoo trotsch was, in zulk een licht zag gesteld,—was hij nu hevig rood geworden. Hij ademde zwaar, blazend onder het loopen over den heeten, slechts zwak beschaduwden weg, telkens stilstaand, zich met den foulard langs het gezicht wuivend, en terwijl hij trachtte tot bedaren te komen, zich elke minuut meer en meer opwindend. Hij lette niet op den weg en de omgeving. In zijn lange lakensche jas, de hooge witte das tot de kin, het hoofd met het witte baardhaar en het glinsteren van den bril vooruit, liep hij voort met groote stappen, armzwaaiend; rechts, als wijzend met zijn wandelstok op den horizon, nu voor dan achter. In de open schaduwdonkere galerijen aan den eenen kant van den weg zaten om de middeltafels of in hoekzitjes dames in sarong en kabaja, die met nieuwsgierigheid keken naar den ouden heer; aan de andere zijde, waar de zon fel scheen op kreesglimmeringen en zeildoekwit, zag hem niemand.

Waar zou hij vandaan komen? vroegen de bewoonsters van den schaduwkant elkaar of zichzelf nieuwsgierig af. Waar gaat hij heen? Maar dat hij zou komen uit het huis van die vrouw,—dááraan dacht niemand; daar was de oude heer Markens te deftig en te fatsoenlijk voor.

Hij voelde er onweêrstaanbare behoefte aan thuis te komen; ’t was na ’n paar minuten het eenige idee, dat hem bezighield; het suisde hem in de ooren alsof hij ’t zichzelven toeriep met z’n eigen stem; hoe langer hoe warmer werd het en hoe benauwder; zijn gezicht zag niet rood meer, maar blauwachtig, met dikke aderen in den hals, die in donkerviolet opgeloopen koorden leken. Naar huis, naar huis! Van de huizen en de boomen zag hij de omtrekken niet meer, alles zwom voor zijn met bloed beloopen oogen als in een vreemde geelroode zee van licht; hij worstelde seconden, moeite doende om goed te zien, met aanloopend besef van kwaadheid, dat hij ’t niet kon. Hij was toch niet dronken! In onvasten gang, moeielijk maar toch als in een loopje de witte broekspijpen voor elkaar gooiend, ging hij snel door, overgegaan van zijn vasten tred in een waggelgang.

„Mijn God!” zei in een galerij aan den schaduwkant een jong vrouwtje, de handen vouwend, als ging zij bidden, in een grooten toon van verbazing. „Mijn God! daar gaat die knappe ouwe heer Markens en hij is dronken!”

Ineens zag hij niets meer. De roodgele lichtstroom werd zwart; de kracht om z’n voeten op te lichten hield op, en, in de zichzelf voortzettende gangbeweging, struikelde de voet over den beganen grond en viel hij neer met een harden slag, de hoed met een rolletje afgierend van het witte haar, naar het lage zijgedeelte van den weg.

Doodstil, met een zwaar werken van de borst en een rochelend ademgeluid, lag Markens op de grond, op z’n rechterzij, den arm, als ter beveiliging, instinctmatig uitgestoken bij het vallen, onder het hoofd. En met z’n mond dicht bij den bodem, het fijne stof opblazend tegen en op z’n gezicht, waar het vastplakte, zag hij er in een ommezien erg vies en onoogelijk uit.

Er kwamen inlanders bij en Chineezen. Op een afstandje bleven ze eerst staan kijken, net alsof ze bang waren, dat die bejaarde Europeaan dronken was of het er maar om deed, en in hinderlaag lag om hen te bespringen.

Maar langzamerhand kwamen ze dichter bij en vormden een kringetje; de bekende naam werd genoemd door een; ’n ander zei waar hij woonde, ’n derde wat hij was geweest en zoo voort. Sommigen gingen op de hurken zitten, de strootjes rookend, met nieuwsgierigheid kijkend naar het lichaam, dat daar, in den zonneschijn en besloten in een dichtgeknoopte jas, in doodsbenauwdheid lag te zwoegen; de slippen van mooi zwart glimmend laken, door het vallen vuil, hingen van zijn zijden af in het stof, één met ’n winkelhaak. Daar wezen de inlanders elkaar op. Wat zou er een schoonmaken zijn aan die mooie jas! Niemand dacht eraan ’n hand tot helpen uit te steken uit zichzelf; zij zouden zoo gek niet zijn zich perkara’s op den hals te halen! Als er iemand kwam die prentah gaf, was het iets anders, naar eigener initiatief de hand te slaan aan het lichaam van dien ouden heer, om dan naderhand door de politie verhoord en misschien van allerlei verdacht te worden,—geen hunner dacht er aan dit gevaarlijk stuk te onderstaan.

Een baboe, die even was komen kijken, verheugd dat zij een nieuwtje had tegen de doodelijke verveling van haar meesteres, alleen thuis, was het gaan vertellen, en in moeilijken slofjesgang beproevend hard te loopen, met een hand haar sarong en kabaai in één greep onder de borst in bedwang houdend, tegelijk andere op- en neêrbewegingen bedwingend, de andere hand achter aan haar condé, in de houding van iemand, die vreest alles tegelijk te zullen verliezen, kwam de dame naar buiten loopen den weg op.

De inlanders gingen voor haar op zij, het kringetje verbrekend, en zij met veel „Kasians!” en „Ach, Gods!” schold onder de hand het volk, wijl het niet hielp, gelastend den ouden heer op te tillen, dreigend met de politie. Doch de omstanders keken elkaar verlegen aan, en dan weer bang naar den gouden horlogeketting van Markens. Als er eens iets gestolen was, kregen zij de schuld! Tot, op last der dame, haar eigen mannelijke bedienden ’t eerst trachtten het lichaam op te beuren. Toen durfden de anderen ook. Men bracht hem haar huis binnen, legde hem op een bed, maakte zijn das los en zijn vest open; de dokter kwam, onderzocht hem en schreef middelen voor; er ging een boodschap naar mevrouw Markens, die dadelijk kwam aanrijden, en voor het bed op haar knieën hardop ging liggen bidden, inwendig denkend aan het verband tusschen de beroerte die haar man had getroffen, en zijn afgelegd bezoek, met een stil vermoeden, dat niet de Heer maar de duivel zijn schreden had geleid; Freddy en Roos kwamen ook, en Eddy, wien men ’n briefje zond op zijn kantoor, haastte zich naar ’t huis waarheen zijn vader was overgebracht. Het was daar ’n groote drukte, een aanhoudend af- en aanloopen, op- en neerrijden, met een permanente commissie van nieuwsgierige inlanders aan den ingang van het erf, en in de naburige huizen een eenparig gluren door en over de paggers. Het was in ’t eentonig leven een gebeurtenis van belang, een onderwerp van gesprek om te illustreeren. En het deed een reuzensprong in belangrijkheid, toen men hoorde, dat die oude Markens, toen het ongeluk hem trof, juist een visite had gemaakt bij de weduwe Lugtens.

Het was voor hem haast gelukkig, dat zijn grootendeels zielloos en verlamd lichaam reeds naar zijn eigen huis was overgebracht toen dat bekend werd. „Zoo’n ouwe rakker!” zei verontwaardigd de mevrouw, die hem geholpen had. „Als ik dat had geweten, zou ik me wezenlijk niet zooveel moeite voor hem hebben getroost.”

Niemand dacht ook maar ’n oogenblik na; niemand scheen te begrijpen hoe zot men sprak; hoe, als het waar was, wat men veronderstelde van het bezoek bij Clara, dit voor Markens de kans op een beroerte daarna juist tot een minimum zou teruggebracht hebben. Het was zoo’n heerlijk iets, te kunnen denken, dat zoo’n ouwe heer door overmaat van liefdesopgewondenheid zich ’n beroerte op den hals had gehaald! De bejaarde dames, die in haar oogen nog niet ongevaarlijke bejaarde mannen hadden, knikten bij het verhaal, zeer wijs, en zeiden bedreigend: „Ja, ja, dat komt ervan!” En de bejaarde mannen, óók niet nadenkend, maar enkel onder den indruk van het geval, vonden het een veeg teeken, dat de leeftijd ook aan zulke onaangenaamheden blootstelt.

Markens lag nog weken stil in zijn bed te sterven, de verlamde onderkaak opgehouden door een doek; niet meer kunnende kauwen en met vloeibare spijs gevoed; de eene zijde onbeweeglijk, de oogen dof en zonder leven.

Freddy en Eddy handelden, de eerste uit zucht zooveel mogelijk voor zichzelf te rampassen, de andere, het wetend, niet van plan zich te laten bestelen, scherp toekijkend om het te beletten. Mama liet zich alles welgevallen. Zij mocht in vele opzichten zijn veranderd,—haar zwakheid voor haar zoons was niet verminderd. Integendeel, zij triumfeerde in haar hart, overtuigd dat er geen knapper, beter jonge mannen op de wereld waren dan haar zoons.

Den dag nog na de begrafenis barstte de opgekropte woede los in een wilden twist vol doodelijken, onuitroeibaren familiehaat, in zijn diepsten grond erger dan haat tegen vreemden. Freddy had zijn broer kunnen en willen neêrslaan als een hond, toen ze dreigend recht tegenover elkaar stonden; maar de ondervinding had hem voorzichtig gemaakt en doende alsof het smeeken van Roos en de gebeden zijner moeder hem weêrhielden, hield hij zich bedaard; feitelijk herinnerde Eddy’s gezicht hem veel te levendig naar zijn zin aan een contact tusschen zijn hoofd en den poot van een stoel.

„Ik wil niet meer dan mij eerlijk en wettig toekomt,” verklaarde Eddy nadrukkelijk. „Maar ik wil ook geen cent minder.”

Het gebeurde.—Freddy moest zijn rekening en verantwoording overmaken; hij moest de posten veranderen, zooals zijn broer dat eischte; hij moest van het heerlijke geld aan Eddy diens wettig erfdeel geven en zijn gemoed schoot vol toen hij het aftelde en ’t zacht wegschoof uit zijn vingers.

En toen Eddy heenging, keek hij hem na met ’n vies gezicht, hoofdschuddend als over ’n verworpeling, diep zuchtend, en zeggend: „Van je famielje moet je ’t toch maar hebben.”

Over het geheel was de erfenis bitter tegengevallen; zelfs Eddy, die niet geldzuchtig was, kon niet ontkennen, dat hij geheel andere verwachtingen had gehad. Het was zóó onbeduidend, dat de weduwe maar heel weinig inkomen bezat boven haar pensioen.

Freddy tobde erover.

„Ik weet,” zei hij haast elken dag tegen Roos, „dat de oude heer meer moet hebben gehad. In de laatste jaren kreeg hij veel in geld en in aandeelen. Waar zijn die aandeelen dan gebleven?”

„Hij zal ze verkocht hebben.”

„Maar ik vraag je, waarvoor?”

„Wel.... jullie zult in Europa ook wel ’n boel geld zoek hebben gemaakt.”

Maar dàt ontkende Freddy met kracht.

„Papa was gierig. Wat hij ons zond, maakten we wel dadelijk op,—natuurlijk; maar voor de rest niets, hoor! We moesten maar zien, dat we er kwamen! En de lui wisten het wel! ’t Was lang niet gemakkelijk voor Ed en mij ’n fatsoenlijken heer te maken.”

„Verteerd heeft je vader het zelf toch ook niet.”

„Hij? Neen, waarachtig niet!”

„Weet mama er niets van?”

Vol minachting in z’n gezicht schokschouderde hij:

„Ma is gek, of zoo goed als. Die heeft zich eigenlijk nooit met iets bemoeid, dan eerst met haar toiletten en naderhand met haar bijbel. Toch moet ik erachter komen.”

Nog nooit had hij zich zooveel moeite gegeven om tot de kennis van iets te geraken. Hij liet in het huis niets ondoorzocht, geen lokaaltje van de bijgebouwen, geen laatje van een meubelstuk. ’t Was alles vruchteloos. Hij hoorde de bedienden uit, en wat hem toen wezenlijk deed schrikken, was, dat een hunner sprak van mooie met kleuren bedrukte stukken papier, die de oude heer dikwijls had zitten bekijken aan zijn lessenaar in ’t kantoor. Waar konden die papieren zijn?

ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VERLOVING.

Terwijl hij erover zat te pikeren, elken dag, tot hij er hoofdpijn van had, beraamde Eddy andere plannen. In het leven, zooals hij ’t zich had voorgeschreven, voegde hij zich met toenemend gemak; het was stil en eentonig, maar dat was zijn eigen verkiezing; hij had kunnen uitgaan, naar de sociëteit en elders; hij had zich vrienden kunnen maken, heel gemakkelijk, want hij was altijd, zelfs in ’n eenvoudig wit jasje, even elegant en net, en wanneer hij ’t wilde een aardig prater, zijn gezelschap waard; maar hij had zijn ééne idee, en dat hield hem en hij hield het vast. Dáárom leefde hij eenzelvig en zuinig; onthield zich op ’t kantoor van familiaren omgang met zijn confraters.—Geleefd, in den zin van „Wijntje en Trijntje”, had hij; nu onthield hij zich van alles, met een ernst en vastheid van wil, die als het ware op zijn heelen persoon, op zijn houding en bewegingen overgingen. Men vond hem op ’t kantoor een voorbeeldig employé, wiens werk voortdurend in hoedanigheid beter werd; dien men vertrouwen kon, en die bijzonder vlug en pinter was, met een assimilatievermogen en een koopmansgeschiktheid, die bewonderd werden. Hij kon aan Chineezen verkoopen als niemand op ’t kantoor, en zijn chefs hadden geen grooter pleizier dan als zij den anders zoo netten Eddy Markens met singkehs hoorden marchandeeren over een of andere partij import-goederen in een met chineesche getalwoorden doorspekt brabbel-maleisch, waaruit geen sterveling kon wijs worden, dan hij en deze soort afnemers, die graag met hem te doen hadden.