"Ups" en "downs" in het Indische leven

Part 25

Chapter 254,136 wordsPublic domain

Als hij nu in gedachten alles naging, zittend voor ’t paviljoentje, dat hij na den dood zijns vaders bij vreemden had betrokken, vond hij zijn toestand niet onbevredigend. Zijn tractement was verhoogd, en met zijn erfdeel, hoezeer dat ook was tegengevallen, meende hij toch iets te zijn, al was er dan ook geen sprake van de grootheid in het ouderlijk huis toen hij nog een kind was.

Hij had gehoord, dat mevrouw Lugtens inderdaad onder curateele was gesteld; op de hoogte harer omstandigheden was hij niet; hij zag of sprak haar nooit, zich altijd ergerend om wat hij van terzijde hoorde. Zoo langzamerhand was hij heelemaal uit wat er van de oude relaties nog overig was, geraakt.

Eens in de week ging hij vast naar de muziekuitvoering in de open lucht, ontmoette er Lena, sprak vijf minuten met haar, meer, veel meer, zonder dan met woorden, en daar teerde hij dan de heele week op, zonder eene poging andere gelegenheden te zoeken; vast in zijn nadrukkelijken wil, haar naam niet in opspraak te brengen; reageerend zóó met alle macht tegen het vele andere, dat op zijn en haar familie noodlottig drukte.

„Scheelt er iets aan?” vroeg hij haar, toen hij haar weêr op ’n Zondagmiddag ontmoette.

Zij zag er bleek en ontdaan uit; de vriendelijke onbezorgde lach zweefde niet om haar mooien, frisschen mond; lusteloos en verstrooid keek ze rond uit haar rijtuigje, als opschrikkend uit haar gedachten toen zij hem zag aankomen.

Een oogenblik bedacht zij zich, toen zei ze openhartig:

„Ja, er is heel veel, dat me vreeselijk hindert.”

„Kan ik je van dienst zijn?”

En toen zij zweeg, blijkbaar het met haarzelve niet eens over het antwoord, zei hij zonder aanstellerij, maar op een zeer beslisten mannentoon, haar recht in de oogen ziende:

„Er is niets of ik wil het voor je doen. Graag; met vreugde.”

Lena was bleek geworden; haar onderlip trilde en ze beet erop, met een trekken in haar heele gezicht, alsof ze zich bedwong om niet te huilen.

„Ik ben hier gekomen om je iets te vragen, Eddy, zonder een van de anderen meê te nemen. Ik moet je spreken, maar waar en hoe?”

„Waar en hoe je wilt.”

Zij dacht na, haar bedroefde oogen starend in de verte, en met een melankoliek glimlachje zei ze:

„Het lijkt zoo gemakkelijk en toch is het zoo moeilijk.”

„Kom, laat ons eens zien.... Het is wel heel ernstig, dat zie ik. We moeten iets bedenken, en over een kleinigheid heenstappen. Je vertrouwt me misschien niet.”

„Zeker, dat doe ik wel.”

„Nou, dan is het ook zoo moeilijk niet. Ik ben voor de variatie weer eens in onmin met m’n broer en m’n schoonzuster, maar als ik nog van avond naar hem toega....”

„Neen,” viel Lena in de rede. „In geen geval bij nicht Roos.... Kan het bij je ma aan huis?”

Hij stond ook na de erfenisquaestie niet op den besten voet met zijn moeder, die als gewoonlijk in den laatsten tijd de partij koos van Freddy, niet uit eigen voorkeur, maar omdat hij haar letterlijk beheerschte, en zij geen kracht had zich daartegen te verzetten.

„Het is goed,” zei hij. „Wanneer?”

„Zoo gauw mogelijk. Vandaag nog als het kan.”

„Welnu, rijd er heen. Ik volg dadelijk.”

Dan, het was Zondagmiddag, en zij hadden er niet aan gedacht, dat mevrouw Markens naar de kerk ging. „Mevrouw,” zei een bediende, „was er niet,” en de man vond het heel vreemd, dat de jongejuffrouw, toen hij dat had gezegd, niet dadelijk heenging, maar besluiteloos en ’n beetje verlegen eerst heen en weer drentelde, en eindelijk zonder iets te zeggen op ’n wipstoel ging zitten in de voorgalerij. De inlander wachtte stil, er niets van begrijpend, tot van den weg een huurdogcart het erf indraaide en hij „den jongen heer” zag, die erin zat; toen met ’n stil lachje in zijn oogen, meenend het afspraakje te begrijpen, ging hij heen naar achteren.

„Je ma is er niet,” zei Lena zenuwachtig opstaande.

„Dat is niets. Ga zitten. We kunnen hier heel gerust en vrij spreken. Zeg maar gauw het ergste: hoe gauwer hoe beter.”

Hij zelf was zenuwachtiger dan zij, al drong hij zich tot kalmte; hij vreesde het ergste voor hem. Onderweg was hij ineens op de gedachte gekomen, zij zou hem meêdeelen, dat ze ging trouwen met een ander; het kon, meende hij nu zeker, niet anders zijn dan dàt. Het sloeg elke illusie zijner toekomst te pletter; het was in zekeren zin zijn doodvonnis; maar hij zou zich ’n man toonen, en als ’t hem treffen moest, dan ook maar ineens.

„Het is....,” zei ze, en een vuurroode gloed steeg op naar haar hoofd, haar hals overdekkend tot onder de haren..... „Ik moet over mijn moeder spreken.....”

Eddy voelde wat dat was, voor een meisje als Lena, en meêlijdend hielp hij haar.

„Zeg er niet meer van dan het onvermijdelijke; de rest weet ik.”

„Zij heeft al lang telkens in geldverlegenheid verkeerd.”

„Dat laat zich wel begrijpen.”

„Dan schreef ze me, zonder dat tante Uhlstra het wist. Soms wachtte ze me op...”

„Nu, dan heb je het haar gegeven.”

„Neen, dat is het niet. Zóóveel heb ik immers nooit in handen.”

„Waren het zulke sommen?”

„Zij speelde; ze verloor dikwijls veel; ze bad en smeekte me om haar te helpen.”

„Ik begrijp het niet..... Hoe kon je haar daaraan helpen.”

„Zij liet me papieren teekenen, verklaringen, dat ik het geld zou betalen uit het erfdeel van papa, als ik trouwde of meerderjarig werd.”

„’t Is wel! En....?”

„Nu ze onder curateele is gesteld, schijnt dat bekend te zijn geraakt. Er is soesah over, ze zeggen allemaal, Freddy en Roos ook, dat die papieren niet geldig zijn.”

„Dat zijn ze ook niet.”

Lena had zichzelf weêr gevat, haar zenuwachtigheid was geweken; zij keek Eddy vast in ’t gezicht, uitvorschend, als wou ze doordringen tot in z’n gedachten.

„En ze moeten toch betaald worden,” zei ze op den Lugtenstoon, die geen repliek duldde.

„Zeker, dat moeten ze ook,” verklaarde hij eenvoudig, blij in z’n hart, als had hij een lot uit de loterij getrokken; volkomen bedaard nu; verlost van een doodelijke vrees, die hem, toen hij tegenover haar was gaan zitten, had verlamd en neêrgedrukt in een diep gevoel van ellendigheid. De blos kwam weêr terug op haar gezicht; niet helrood van schaamte over schande, maar zacht en liefelijk als lentezonnegloed na een onweêr.

„Is het erg veel, Lena?” vroeg hij vriendelijk met zachte belangstelling.

Zij sloeg de oogen neer.

„Het is,” zeggen ze, „zoo goed als alles wat ik te wachten heb. Ik heb het nooit nagerekend. Het was om haar te helpen.”

„Wil je even met me meêgaan in de binnengalerij?”

Zonder antwoord, stond ze op en volgde hem in het door de gordijnen sterk getemperd licht, en achter hem sloot hij de deur; niemand kon hen zien. Toen nam hij haar handen in de zijne en met zijn gezicht dicht bij het hare, zijne oogen vochtig van eigen groote aandoening, zei hij zacht:

„Je weet, Lena, wat ik zeggen wil.... Hoe lief ik je heb.... Nu meer dan ooit.... Ik zal altijd mijn best doen je waard te zijn.... Wil je?”

Zij maakte haar handen los uit de zijne, en de armen om zijn hals slaande, ’t fijne hoofdje tegen hem aan, snikte ze haar geluk en haar verdriet vrijuit nu:

„O God, Ed, ik ben zoo ongelukkig geweest de laatste dagen!”

Wat hem overkwam, wist hij niet; het was alles mooi en licht om en in hem; ze waren op een bank gaan zitten en hij hield haar in zijn armen, terwijl ze ineens haar heele hart uitstortte, gelukkig nu boven alles, en er niet op lettend, dat de duisternis viel met indische snelheid, praatte zij en luisterde hij, haar telkens kussend, naar het eeuwig schoone verhaal van wat haar meisjeshart voor hem had gevoeld, zoo lang, zoo lang al, van dat ze hem, toen hij terug was uit Europa, voor de eerste maal had gezien.

Ineens stonden zij rechtop. In de schemering, waar, buiten in de verte, al lichtjes melankoliek doorheen keken, trad mevrouw Markens binnen, zachtjes den deurknop draaiend, onhoorbaar op de teenen, als wilde zij hen betrappen.

„Ma,” zei Eddy dadelijk en in ’n paar groote stappen vlak voor haar, „’t is niet noodig zoo stilletjes binnen te komen. Er gebeurt hier niets dat niet iedereen mag zien.”

„Ik kom niet stilletjes binnen; niet gelijk een dief in den nacht.”

„Wij hebben buiten op u zitten wachten.”

„Dat zag ik.... aan de stoelen.”

„Toen had ik Lena iets te vragen; ze heeft, Goddank, daarop geen neen gezegd, en ik twijfel niet of u zult daarop uw toestemming geven.”

Een oogenblik zweeg mevrouw Markens. Het was toch te gek dit zóó te laten afloopen! Zij reikte Lena de hand, sloeg den anderen arm om haar schouders en nu ineens, als viel het gaan haar moeilijk, zei ze:

„Kom meê naar achter, kinderen.... De Heer zal ons kracht geven naar kruis.”

Eddy, mopperend bij zichzelf, dat dit nu weêr niet zonder aanstellerij en comediespel kon afloopen, volgde, zich verstappend telkens van ongeduld, achter den sleep aan zijn moeders japon, telkens met gevaar dien af te trappen.

De lichten werden aangestoken en ze gingen rond de tafel zitten; Lena met iets komieks in haar gezicht, dat Eddy zou hebben opgemerkt, als hij niet zoo bezig was geweest zich te ergeren. Als hij dat liet begaan, zou het „gekwebbel”, zooals hij het noemde, nog wel ’n half uur duren; hij zou er een eind aan maken, als het te erg werd.

„Och, lief kind,” begon mevrouw Markens op den onderworpen toon van iemand, die berust in een zwaar te dragen last, „hij is altijd mijn Benjamin geweest.”

En daar Lena even knikte, om toch een teeken van leven te geven, ging de oude vrouw voort in haar tegenwoordig lievelingsgenre, alsof ze examen deed in de toepassing van bijbelcitaten, al maar pratend tegen Lena, die, zich nog maar weinig herinnerend van wat ze geleerd had voor haar belijdenis, niet wist wat op zulk een buiten-issig gepraat te antwoorden; tot ze eindelijk in het vol-aapachtige dezer vormelijkheid, het meisje, met zalving, Magdalena noemde. Toen stond Eddy op en zei, minder barsch dan hij ’t zou gedaan hebben als Lena er niet bij was geweest:

„Nou ma, het is nu wel, hè! Zij heet Lena, en wil dus asjeblieft zoo vriendelijk zijn haar nooit anders te noemen. We gaan nu even naar haar moeder.”

„Haar moe....”

Zij kon het woord niet uitspreken. Dàt was waar ook! Lena, altijd bij en door mevrouw Uhlstra opgevoed, nooit door iemand samengezien met mevrouw Lugtens, werd reeds als schoolmeisje door velen Lena Uhlstra genoemd; en ze sprak het nooit tegen; zelfs nu kende men in toko’s en daarbuiten haar zoo goed onder dien naam, als onder haar eigen, en nu wist mevrouw Markens er wel alles van, maar ze had er ook zoo gauw niet aan gedacht; zij leefde voor haarzelf altijd in andere sferen; zij bemoeide zich weinig met al die menschen, die naar haar oordeel zoo ver beneden haar stonden. Maar het was waar! Het meisje was de dochter van die vrouw, die zondares! En de oude Markens, die zijn wettige wederhelft nooit lastig viel in de laatste jaren, had een beroerte gekregen en was plotseling uit dit leven weggerukt, in een zondigen staat en toen hij....

Mevrouw Markens werd er bleek van. Het was verschrikkelijk!

„Ik.... ik kan mij nu niet uitspreken,” zei ze. „Ik moet tot mijzelve inkeeren en.... bidden....”

Bij Eddy kwam ’n oogenblik een der in het ouderlijk huis en bandelooze vrijheid gedresseerde „jongens Markens” boven.

„Als dat gezanik nu....”

Maar met een enkelen blik lei Lena hem het zwijgen op.

„Het is heel goed van u, mevrouw.... Ik begrijp, wat u meent. Als ik daaraan had gedacht, zou veel anders zijn geweest. Maar ik voel dat u in den grond gelijk hebt.... Dag mevrouw!”

Tot haar lippen toe zagen wit, en haar gezicht zoo erg, dat het indruk maakte op mevrouw Markens, die zich er anders nooit om bekommerde hoe iemand eruit zag als ’t niet een van haar zoons was.

„Wij zullen wachten, Eddy, tot je mama heeft nagedacht.”

Zulk een onzinnig idee deed den jongen man versteld staan.

„Denk-je dat ik iets geef,” riep hij kwaad, „om het nadenken van mama, die nooit eigenlijk over iets heeft nagedacht? Waarachtig niet. Zij zal hier niemand beleedigen. Dat mankeert er maar aan!”

„Ik wil niet beleedigen,” viel zijn moeder bang in de rede.

„Stil, Eddy, je ma heeft wezenlijk gelijk.”

„Dat heeft ze niet. Ik ben meerderjarig en als ik haar toestemming vraag....”

„Ik zou zonder die toestemming geen engagement openbaar gemaakt willen zien,” zei Lena trotsch en beslist, in haar ziel nu opkomend tegen de vernedering.

„Welnu, zij zal die dadelijk geven en daarmeê uit. En ik vraag u mama, kort en goed: ja of neen?”

Het was de oude dwingelandij van haar jongens, de toon, de manier en het gezicht vooral; het biologeerde haar uit de gewoonte zich door haar kinderen te laten beheerschen.

„Maar Eddy,” zei ze haast smeekend en handenwringend, „ik heb immers niets gezegd. Je moet geen verkeerde uitlegging geven aan mijn woorden. Ik zeg immers: ja; dat weet je wel!”

Nog altijd kokend inwendig van woede, om de beleediging, die hij vond, dat zijn moeder Lena had aangedaan, ging hij met kregelige beslistheid voort:

„Nu, dan ook geen gezanik langer.” En in een heel lieven minnaarstoon voegde hij er tot Lena bij: „Willen we maar niet dadelijk gaan?”

Zij wist niet hoe ze het had, niets begrijpend van zulk een verhouding. Wel had ze nu en dan iets gehoord van het vreemde der oude mevrouw Markens en het meesterschap harer zoons, maar dat dit zóó toeging, kon zij zich niet voorstellen.

Mevrouw Markens zoende haar goeden dag en wenschte haar voor haar verder leven alles wat, zeide zij, haar voor een eeuwige gelukzaligheid kon voorbereiden; Eddy vloekte in zichzelf van ergernis, en Lena vond het wel ongewoon, maar toch ver verkieslijk boven de vlagen van boosheid en opgewondenheid harer tante, of de eindelooze praat harer moeder over de mannen en het dobbelspel.

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

VERSCHILLENDE BEZOEKEN.

Buiten, voor haar wagentje, stonden ze even stil samen en in het afschijnend lamplicht keken ze elkaar aan met komieke verwondering.

„Ik kan me haast niet voorstellen, Ed,” zei Lena half lachend, „dat wij nu betoel geëngageerd zijn.”

Hij zag naar het mooie matblanke van haar hals, en op naar haar gezicht in slagschaduw, waarin haar heldere oogen zacht glansden.

„Het is, Goddank, waar,” antwoordde hij ontroerd.

„’t Is nog vroeg, niet waar?”

Het was pas halfzeven.

„We moesten even naar nicht Roos gaan.”

„Nu, het eerst?” vroeg hij verwonderd; haast verschrikt.

„Ja. Het is zoo’n onaangenaam bezoek, Ed; zoo vreeselijk onaangenaam.”

„Precies, lieve. En moeten we nu dezen eersten heerlijken avond daardoor bederven?”

„Het is maar ’n oogenblik! Wij kunnen immers dadelijk weêr weggaan.”

„Maar waarom ben je er zoo op gesteld?”

„Om het achter den rug te hebben, Ed. Ik moet heelemaal heen zijn over het verhaal, dat je me toen hebt gedaan. Als we niet nu gaan, nu dadelijk, dan vrees ik, dat er nooit iets komen zal van een bezoek aan.... je broer en Roos. Dat zou toch niet goed wezen. Laat ons dus in ’s hemelsnaam maar dadelijk gaan. Dan zijn we eraf.”

Eddy zweeg, hij erkende dat het volkomen juist was, en zij gelijk had, als meest altijd. En tegelijk kwam nu een gevoel van groote oude bekendheid met haar over hem; net of ze al heel lang geëngageerd waren.

„Als ik zoo naast je zit,” zei hij, de ponies, die hij nu mende, omsturend naar den weg waar Freddy woonde, „is het me of het altijd zoo behoord heeft.”

„Wel.... ’t Hoort ook zoo.”

Ze zei het zoo aardig beslist, dat hij zich terzij boog en haar ’n zoen gaf; de ponies, toch al zenuwachtig in vreemde hand, deden een zijwending; het wagentje, met het eene wiel door een hoop grind terzij van den weg, liep scheef, op omslaan af; en de paardjes, tegen de strengen dringend, hard trappelend, trokken niet. De inlandsche groom, in een achterbakje beneden de kap, schrok wakker, sprong eraf, was dadelijk voor de paardenhoofden en trok ze voort, dwars maar door den grindhoop. Allebei schaamden ze zich ’n beetje, zachtjes lachend vol levenslust en geluk om hun dwaasheid.

„Ik neem de teugels weêr, hoor! Jij bent van avond veel te absent.”

En toen hij wilde protesteeren, zei ze meer ernstig:

„Toch niet, Ed. De ponies zijn nu niet te vertrouwen; als ze ’n vreemde hand blijven voelen, gaan ze door en krijgen wij de grootste soesah.”

Toen Freddy en Roos het bekende rijtuigje hun erf op zagen rijden, keken ze elkaar over de tafel aan in groote verwondering.

„Daar begrijp ik niets van,” zei hij; en zij:

„Wat komt die doen?”

Eddy’s gezicht ziende opdoemen uit het duister, naast Lena, terwijl ze beiden opgestaan, vóór bij de bloempotten in hun galerij waren gaan zitten, begrepen zij ineens alles.

Het was geen hartelijke ontvangst; het was er een met ’n flauw schijntje van weerskanten.

„We hoeven niet te vragen,” zei Roos op haar rustige ’n beetje temende manier en met haar klein airtje van indisch geaffecteerd zijn, „we hoeven niet te vragen wat jullie komt doen.”

„Heb je het al geraden?” vroeg Eddy met ’n gemaakten lach.

Maar Freddy was niets in zijn schik.

„Als je mijn raad had gevolgd, waren jullie al lang getrouwd. Dan was alles tienmaal beter geweest dan nu. Verbeeld je dat Ed.... enfin je zult het nou wel weten, al verliefd op je was, toen we pas uit Europa kwamen. Toen heeft hij je niet willen vragen. Ik had ’t hem aangeraden, we hebben er haast twist om gehad, maar hij wou niet, en nu....”

„Nu,” zei Lena, „is het zooveel te beter, hij voelde toen zeker, dat hij nog niet genoeg van me hield.”

„O neen,” zei Eddy, „’t was voor eens en voor goed, zonder meer of min.”

„Ja, maar alle gekheid daargelaten,” meende Roos, „het is niet ernstig gehandeld geweest. Mijn man heeft gelijk; er had dan veel kunnen voorkomen worden.”

„Schei uit!” riep Freddy met een handbeweging voor zijn oogen als verjoeg hij een nachtgezicht. „Het is zoo eeuwig jammer! Zij had een magnifique erfdeel.... waren jullie getrouwd geweest.”

„Je weet het, Fred, ik prefereer haar zonder erfdeel.”

„Het is niet heelemaal weg.”

„Jawel,” verzekerde Lena. „Het is weg.”

„Neen, laat hem toch uitpraten,” zei Roos ertusschen. „Jullie weet er niets van, en Freddy heeft gelijk. Het is niet weg en je moet er van redden wat je kunt.”

„Wel waarachtig! Ik heb,” vulde haar man aan, „er al een advocaat over gesproken. Het is een eenvoudige zaak.”

„Ik weet het wel, Fred!” antwoordde Eddy, „maar al is het ook nog zoo eenvoudig, Lena en ik zullen van het middel geen gebruik maken.”

„Maar kerel, dan is ze haar geld kwijt.”

„Juist. Het is jammer, dat geef ik toe; maar het is niet anders. Wij willen liever samen eerlijk zijn dan samen rijk.”

Het woord sneed erin, en er was ’n oogenblik dat niemand sprak. Lena met ’n blij en gelukkig gezicht, kijkende naar Eddy, die daar zoo eenvoudig, maar zoo precies de heele geschiedenis had geformuleerd; Roos ’n beetje verlegen met haar oogen neergeslagen; Freddy in wanhoop, trekkend omhoog met oogen en schouders, als trachtend in zijn heele figuur gelijk in elken trek van zijn gezicht de uitdrukking te leggen dat z’n broer in een gekkenhuis moest zitten.

Hij beproefde het nog eens met gemoedelijkheid en gedwongen kalmte, feitelijk zonder hoop. Er was niets aan te vangen met Eddy en Lena!

„Och,” zei Roos, heel koel en effen. „Het beste is, dat wij er ons niet meê bemoeien. Als de menschen niet voor redeneering vatbaar zijn, moet men ze maar laten begaan, dat is het beste.”

Die stemming hing nu over alle vier. Eddy had willen redeneeren, maar Lena, de oogen even dicht, schudde zachtjes van neen met haar hoofd, en hij had zich er toen maar toe bepaald, eenvoudig te zeggen, dat zij vast van plan waren alles te betalen.

Onder den druk der stemming gingen ze heen, van beide zijden met een gevoel van weerzin elkaar groetend, in volslagen onvereenigbaarheid van levensopvatting.

„Het baatte niet,” zei Lena toen ze naar tante Uhlstra reden, „tegen hen te redeneeren. Wat jij en ik bedoelen, zullen zij toch nooit begrijpen.”

„Zij niet.... en de anderen?”

„Ik geloof het niet.”

„Ik ook niet; zij kunnen daar niet in komen.”

Tante en de meisjes waren niet verwonderd; dat hadden zij onder elkaar al lang voorspeld; dat hadden zij al jaar en dag zien aankomen; zij begrepen alleen niet, dat het zich zoolang had laten wachten; voor hun gedachten was het een oud uitgemaakte toekomst. En toen dat alles nu gezegd en tot vervelens op allerlei manier herhaald was, kwam dezelfde quaestie op het tapijt, die van het geld van Lena. En schoon de meisjes het gek vonden, zwegen zij met eenig begrip, wellicht, van het goede of met wat jeugdig gevoel daarvoor; maar mevrouw Uhlstra was woedend en wond zich op, in één en al beweging, met oogen schitterend van drift in een vloed van scheldwoorden tegen de dieven, die haar zuster geplunderd en haar petekind straatarm hadden gemaakt.

Dáár zou men nu genereus tegen zijn; het was te erg! Doch toen ze zag, dat er niets aan te doen was, zette zij zich met haar hoe langer hoe wisselvalliger wordend humeur erover heen; ze moesten het ten slotte maar zelf weten; men zou er niet minder goede vrienden om zijn.

„Ik wou nu even alleen naar mevrouw Lugtens gaan,” zei Eddy.

Ze zwegen er eerst allen op, begrijpend, dat het een moeielijke gang was. En mevrouw Uhlstra, bang dat ook de huwelijkscandidaat een der koopjes zou snappen, die een onverwacht bezoeker allicht bij haar zuster te wachten stond, gaf den raad eerst belet te vragen. ’t Was al wel dicht bij achten en haast etenstijd, maar men vond, dat dit er zoo erg niet op aankwam. De europeesche gewoonte werd tegenwoordig zoo nauwgezet niet meer gevolgd. In de periode van achteruitgang, na den dood van de hoofden der gezinnen, was er nog slechts ’n schijntje van die gewoonte overgebleven; men at ’s avonds wat rijst op ongeregelde uren, soms zoo maar van de warong uit een pisangblad op den schoot.

Het antwoord op het boodschappenleitje kwam dadelijk: Wel zeker, mevrouw Lugtens zou hem ontvangen; met heel veel genoegen. Maar het was alles behalve voor zijn pleizier dat Eddy ging. Hij vreesde geen weigering; hij kon alleen zijn afkeer van die vrouw niet overwinnen. Bij zijn groote vereering van Lena met haar goeden, onbesproken en onbaatzuchtigen aard, haar ongerepte kuischheid en lief, edel karakter, haatte en verfoeide hij de moeder, die door haar gedrag den naam der familie zoo schromelijk op straat had gebracht.

En toch, toen zij hem in de voorgalerij ontving, kreeg hij ondanks alles den indruk, dat hij niet stond tegenover een gewoon vulgair schepsel.

Haar overviel een gevoel van angst. Wat moest dat bezoek beteekenen van den jongen man, wiens vaders dood zij op haar geweten had? Toen zij had gehoord, dat de oude Markens een beroerte had gekregen op den weg na de hevige scène bij haar aan huis, waren schrikkelijke angsten over haar gekomen. Dagen achtereen vreesde zij een bezoek der justitie; het was toen of haar hart stilstond, als zij iemand met ’n zwarte jas aan op den weg zag aankomen, min of meer in de richting van haar huis. Het was overgegaan; zij had het thans vergeten; maar het kwam weer op, toen Eddy Markens daar zoo koel en deftig voor haar stond.

Hij hield zich zeer teruggetrokken en officieel, als kwam hij bij een wildvreemde; zij met geweld kalm, heel ongerust over die houding.

„Ga zitten,” zei ze, „wat is er van uw dienst.”

„Ik kwam uw toestemming vragen voor een huwelijk.”

Zij keek hem aan, nu, met de grootste verwondering, als viel hij uit de lucht, en ze herhaalde het:

„Mijn toestemming voor een huwelijk?”

Ineens echter werd ’t haar duidelijk; zij zuchtte diep, ontheven van een groot benauwend gevoel van vrees.

„Met Leentje?”

„Ja, mevrouw.”

Hoe gek toch! dacht ze nu; de heele geschiedenis, de vreemde verhouding, de geldquaestie,—het maalde haar alles door het hoofd, terwijl ze een oogenblik stilzat met neêrgeslagen oogen, werktuigelijk op haar knie de zwarte kant harer over-kabaja glad strijkend.

„Ken-je onze omstandigheden?”

„Ja, mevrouw.”

„Ik bedoel: heelemaal. Ook dat Leentje voor mij....”

„Ook dàt.”

Zij hield weêr een oogenblik op, bevend van ontroering, met een ouden trek om haar mond; een afgeleefde vrouw van gezicht met een onverwoestbaar fijn en slank figuur.