"Ups" en "downs" in het Indische leven
Part 23
Met wijd geopende oogen keek zijn broer hem aan, stil, met zijn woede omvergeworpen, door het overweldigend idee, dat er iemand was, die niet begreep, waarom hij schold op den man, die ’n groot deel der fortuin zijner vrouw naar de maan deed verhuizen.
„Neen,” ging Eddy voort, „dat begrijp ik niet. Het was bekend genoeg.”
„Wat was bekend genoeg?”
„Wel, dat Twissels speculeerde in producten. Dat heb jij net zoo goed geweten als ieder ander.”
„Ik?” riep Freddy, terwijl al zijn boosheid zich keerde tegen zijn jongeren broer. „Heb ik dat geweten?”
„Wel waarachtig! Nog geen maand geleden heb ik ’t je zelf gezegd.”
„Dat lieg je.”
Eddy was opgestaan, en de muilpeer, die hij zijn broer toedacht, zou er reeds hebben opgezeten, als hij zich niet, denkend aan de financieele ramp, met geweld had bedwongen.
„Het is de waarheid, ik heb het je zelf verteld; ik zou den dag en het uur kunnen opgeven.”
Maar Freddy wond zich hoe langer hoe meer op.
„Je liegt het, zeg ik. Je bent net zoo’n smeerlap als Twissels. Jullie hebt zeker onder één deken gelegen. Zoo is al dat schuim van den handel! Dieven en oplichters, anders niet. Jij zal ook je deel wel hebben gekregen van onze duiten.”
De stoel, waarop Eddy Markens had gezeten, zweefde hoog en snel door de lucht, gelijk een batonneerstok zoo handig bewogen, en een seconde later kwam hij neer met een zijstuk boven op ’t hoofd van Freddy, die een oogenblik wankelde, als duizelig, en met beide handen in z’n haar greep, waar tusschenuit het bloed vloeide over zijn voorhoofd, hem de oogen verblindend; toen zonk hij ineen op den vloer, het bloed zijn goed vuilmakend, sterk donker vervloeiend over het wit van zijn kabaja en dat van den marmeren vloer.
Eddy ging regelrecht naar achter.
„Ga meneer helpen,” zei hij barsch en zoo bevelend als een in Indië geboren mensch kan spreken tegen bedienden. „Er is een ongeluk gebeurd.”
In zijn boosheid nog onontroerd, stapte hij met groote schreden naar voren, het erf af, bij zichzelven herhalend, dat het hem niet schelen kon, al had hij den ander doodgeslagen.
Tot zijn geluk was het zoo erg niet, en kwam Freddy met behulp van koud water heel gauw tot zijn bezinning, zonder ander lichamelijk letsel dan een hoofdwond, die hem leelijk pijn deed, maar met een zoo fellen haat tegen zijn broer in z’n hart, dat alleen de diepe overtuiging ’t hem betaald te zullen zetten eenige bevrediging schenken kon.
„Heb jij niks gehoord?” vroeg hij, de slaapkamer binnenkomend.
Maar plotseling verstomde hij; de lijfmeid van Roos was stil maar druk in de weer. Freddy begreep wat er gaande was; hij zag Roos in bed liggen, haar kussens nat huilend. Ook dat had die lage kwajongen, dacht-ie, hem geleverd. ’t Was wel het ergste niet... toch!
„Wat heb je?” vroeg Roos opkijkend naar den doek om z’n hoofd.
„Hij heeft me verraderlijk geslagen met een stoel.”
„Wie!”
„Wel... wat ’n gekke vraag! Wie anders, dan die gemeene rakker, die Eddy, die dief.”
„Maar, wat was er dan!”
„Wat er was? Begrijp je dat niet? Al dat vuile volk van den handel spant met elkaar samen. En die Twissels en Eddy... nou! Geloof maar dat die wel weten waar ons arme geld is gebleven.”
Roos richtte zich verstomd op, den rechterelleboog in het kussen, de hand onder het hoofd, in al haar verdriet verwonderd en verrast boven alles.
„Zou je het denken, Fred?”
„Twijfel je er nog aan? ’t Is diefje en diefjesmaat!”
Zij twijfelde niet; zij geloofde het. ’t Was immers een door zoovelen erkende omstandigheid, dat ieder, die zijn tractement niet put uit een schatkist of geen fortuin bezit van zichzelven, op ’n min of meer oneerlijke manier aan den kost moet komen! Buiten eigen privaatvermogen en ’s lands kas bestond er niets dan twee soorten van dieven, de openbare, die in de gevangenis gingen, en de geheime, die, al rijk wordend, het er goed van namen in de wereld. Zoon van een hoofdambtenaar, man van een gefortuneerde vrouw, leeglooper van beroep, en van roeping parasiet van gefortuneerden, hadden omgeving, afgunst, luiheid en roofzucht zijn karakter gevormd en de stof geleverd voor een meening, met een stoel door Eddy hem, nu definitief, in het hoofd geslagen. Zij geloofde het met groote graagte, en zij spraken er nog over, toen haar moeder kwam. Het was een aanstommelend rumoer, als van een heel ver opkomend onweer; het sloeg als het ware de kamer in, maar toen was ook de kracht gebroken, en mevrouw Uhlstra had nog juist den tijd een divan te bereiken om een zenuwtoeval te krijgen, zonder zich, al vallend, te beschadigen. Henri, die achter haar aankwam, suf en soezerig van uiterlijk, bleef in de post van de deur staan. Tot zijn groote woede zag Freddy, dat zijn oudste zwager weêr meer had gedronken dan hij kon verdragen; sedert Henri, terug uit Europa, zooveel huiselijk leed had te verduren, zocht hij troost bij den drank.
Een oogenblik trof Roos de ellende van het geheel; zij, met het aanhoudend gevoel van ziek zijn en blauw van toenemende uitputting; haar moeder in overprikkelden zenuwtoestand gillend op den divan, haar man met den doek om het hoofd, niet eens naar haar persoonlijke omstandigheden vragend, en Henri, ’n glas water schenkend nu voor mama in onvasten stand, met een gemompel van slechts half verstaanbare woorden.
Maar wat haar meer verbaasde en trof, was dat mama ook zooveel geld had verloren; die maakte haar nog wel zoo’n standje, omdat ze haar geld aan Twissels had toevertrouwd!
„Ik dacht niet, dat u er iets mee te maken had!”
Midden in haar zenuwtoeval hield mevrouw Uhlstra ineens op met gillen, overgaande in een jammertoon.
„Het is jouw schuld, Roos.”
„Wees toch niet zoo dwaas, ma! Ik heb al genoeg aan mijn eigen ongeluk. Als u hier bent gekomen om malle standjes te maken....”
„Ik dacht dat jij pinter was.... Dáárom heb ik mij met dien schelm weêr verzoend.... heb ik hem van ’t mijne ook gegeven.”
„Veel?” vroeg Freddy in grooten angst.
„Alles!” jammerde de oude vrouw. „Alles wat ik bezat.... Ik ben zoo naakt als een pas geboren kind.”
Henri begon te grinniken, wat hem de hik deed krijgen en zijn familie in volle verontwaardiging bracht.
„Mijn God!” zei Roos nu weêr huilend. „Wat ’n kerel! Hij lacht erom!”
En mama Uhlstra, die haar oudsten zoon een stomp gaf tegen zijn schouder:
„Schaam je toch.... leelijke dronkaard.”
Freddy nam hem bij den arm en trok hem meê naar buiten. ’t Was een „goedaardige dronk,” dien Henri Uhlstra over zich had.
„Wat heb je aan je kop?” vroeg hij.
„Gestooten.”
„Hm! Zeg, dat is gek, hè? Watte? Die Twissels is ook ’n rare.”
In zenuwachtig nadenken zat Freddy nu eens op een stoel, stond dan weer op, liep ’n paar passen, ging weer zitten....
„Zooals met mij,” ging Henri voort, „is ’t nog maar het beste.... Ik sta debet, en leelijk ook.... Met mijn geld kan geen mensch meer strijken gaan.... Het land blijft wel op z’n plaats liggen!”
’s Avonds, toen men van den eersten grooten schrik was bekomen, werd er ’n soort familieraad belegd; mevrouw Lugtens, die ook veel verloren had, was er nog ’t kalmste onder. Daar Roos niet op mocht staan, zaten ze bij haar in de kamer. Als men alles wat overbleef meêrekende, had ieder nog wel genoeg om te leven, maar er moest zeer verminderd worden; kleiner huizen van bescheiden huurprijs, geen equipages, weinig bedienden,—het was alles heel ongelukkig, doch, daar troostte men elkaar mee, het zou gedeeltelijk kunnen terechtkomen, uit de landen.
Henri, nu nuchter, bezwoer dat dit wel zou gaan; al die narigheid verveelde hem, en schoon hij heel goed wist, hoe weinig kans er bestond op ’t behoud van Tji-Ori en Koeningan, blufte hij er lustig op los, sprak als in een droombeeld van de vermoedelijk prachtige resultaten zijner aanplantingen, de rijzing der marktprijzen, de mooie houtverkoopingen, die hij zou houden,—tot aller hart weer lichter werd.
Onder die omstandigheden werd hij een ander man, fleurde hij zelf ook op, liegend tot hij zelf geloofde dat ’t waar was.
De namen der families waren weer eens algemeen op de tong, besproken met medelijden. Enkele oude vrienden toonden belangstelling. Uit den boedel van Twissels kwam hoegenaamd niets. En de metamorphose volgde in stilte. De groote huizen werden gemeubeld verhuurd, het overvloedige, met voor een groot bedrag aan juweelen, onderhands verkocht. Twissels vertoonde zich aan niemand, ging met zijn huishoudster naar „boven” ergens in ’t gebergte, om tot verademing te komen. Hij was blij, hij dankte nu den hemel, dat ’t gedaan was; aan zorgen en angsten had hij veel geleden; de laatste slag, hoe doodelijk, was een bevrijding geweest. En toen de nieuwe toestand was ingetreden, leek ’t hen allen een droom.
„Ik kan ’t me nog niet voorstellen,” zei Roos, die, gauw hersteld, zich rustig schikte in het kleine huisje, met een gemengd meubilair van nieuw eenvoudig goed voor dagelijksch gebruik en daartusschen enkele stukken, waaraan zij gehecht was, en waarvan één meer gekost had, dan het nieuw aangekochte samen; met op heel gewone étagèretjes bibelots van vroeger; kostbaar, maar niet te verkoopen.
„Ik zit te pikeren,” zei Freddy, die nog ’n pleistertje droeg op zij van z’n hoofd, over de genezende wond. „We zullen toch moeilijk rondkomen.”
„Neen, we moeten wat doen, en dat is gemakkelijk genoeg.”
Zij ontwikkelde haar plannen, en die bevielen hem voor zoover het werk der uitvoering op haar zou neêrkomen, want de enkele gedachte aan werk hinderde hem nog altijd. Koeien houden en melk verkoopen deed mama reeds; een karrenverhuurderij was hem te veel soesah; er was één goed idee: Roos moest geld leenen tegen veel rente aan vrouwen, die het noodig hadden, en die er pand voor konden geven. Dat plan druk besprekend, verbleekte Freddy plotseling, kijkend naar het groene hekje, dat den toegang van het kleine erf afsloot.
„Fred, ik kom je excuus vragen,” zei Eddy binnenstappend. „Het spijt me erg, dat ik het gedaan heb; je moet het me vergeven.”
Hij stak hem de hand toe, en Freddy, na een oogenblik van aarzeling, gaf hem de zijne, met een vreemd lachje.
„Soedah,” zei hij, „het was er anders een om lang te onthouden.”
„En het was gemeen van je,” viel Roos uit. „In zulke omstandigheden en terwijl jij met dien gemeenen kerel ons geld hebt opgestoken.”
Zij geloofde het nog altijd vast, en toen hij haar vertelde, dat hij met zaken als die van Twissels niets te maken had en ook niet kon hebben, er slechts in het algemeen van gehoord had als iedereen, maar er nooit van wist, en als eenvoudige employé op ’n ander kantoor van zulke dingen ook niet weten kon, toen moest ze hem wel gelooven, maar ze deed het zonder overtuiging.
Freddy zat de explicatie aan te hooren; hij begreep het wel, en vervolgde in stilte het idee, dat hij met Roos had besproken.
„Je begrijpt,” zei hij tegen zijn broer, „dat het ’n heele soesah is voor ons. Wij hadden er in ’t geheel niet op gerekend. Henri en Piet kunnen hun rente niet betalen vóór ze over hun producten hebben afgerekend.... Heb jij misschien....?”
„Nog acht mille.”
Eddy Markens kreeg tot zijn eigen verbazing en ergernis een kleur als vuur.
„Geef mij die,” zei Freddy onverstaanbaar. „Ik zal je er vijf percent over vergoeden.”
„Dat is niet noodig.”
„Nu, ook goed.... onder familie....”
„Het is eigenlijk geld van jou, Fred. Ik ben blij, dat ik je er mee van dienst kan zijn; voorgoed; om het te houden. Ik ga het dadelijk halen.”
„Heel aardig van je, dat moet ik zeggen.... Heel flink!”
„Maar.... zóó is het nu niet,” zei Roos, met de uiterste verbazing. „Wij zijn er niet zoo erg aan toe, dat wij op die manier en door jou geholpen moeten worden.”
„Maak je daar geen zorgen over.”
„Neen,” zei ze beslist, „ik wil het niet hebben.”
Maar Freddy beet haar knorrig toe, dat het een zaak betrof tusschen hem en zijn broer, waarvan zij niets wist en waarmee zij zich niet had te bemoeien.
„Je hadt,” zei hij later, toen Eddy weg was om het te halen, „je mond er buiten moeten houden.”
„Het is terlaboe!” antwoordde Roos met een heel ontevreden en verdrietig gezicht; „we behoeven Goddank nog niet afhankelijk te zijn van onze familie.”
Over zijn bleek gezicht, dat magerder was dan vroeger, waardoor zijn scherpe kromme en bleeke neus boven ’n puntig baardje, dat hij liet staan, grooter uitkwam, gleed een kwaadaardige grijns.
„Afhankelijk! ’t Mocht wat!”
„Wel als men hun geld aanneemt....”
„Zijn geld? We hebben indertijd samen een zaakje gedaan.... koop en verkoop, weet je.... Ik deed het werk, maar gaf hem toch de helft van de winst.”
„Hé!” zei Roos verwonderd. „Daar heb je me nooit iets van verteld!”
„Nou, je begrijpt, dat hij het heel goed inziet.... Het is eigenlijk mijn geld, dat hij me teruggeeft.”
Roos was het dáármee wel niet eens, maar het leek haar nu toch veel minder bezwaarlijk, en ten slotte keek ze met genoegen naar het aardig stapeltje bankpapier, dat Eddy ’n half uur later op de tafel uittelde. Het ging hem aan het hart, dat moest hij zichzelven eerlijk bekennen. Maar het moest. Den rechtmatigen eigenaar kon hij het niet teruggeven, zelfs niet anoniem terugzenden; dan moest de onrechtmatige het maar hebben; hij wilde het niet houden; dàt in geen geval!
Niettemin deed hij met hartzeer afstand van de acht mooie pakjes; het was alles wat hij bezat, want, dat was zeker: papa Markens, die bovendien ook al niet vrij van schade in den laatsten tijd was gebleven, zou, zooals men het noemt: zich niet ontkleeden vóór hij naar bed ging.
Hoofdschuddend keek Freddy z’n broer na, toen die het erfje af en den weg op liep. ’t Was ’n knappe jongen van uiterlijk en er zat ’n heldere kop op; in stilte erkende Freddy, dat, wat kennis betrof, zijn jongere broer veel meer beteekende dan hij. Maar welk een ezel in zaken! dacht hij. Wat moest er in den handel en zoo terechtkomen van zulk een individu? Hij voelde in z’n zijzak het dikke pak bankpapier. Wat ’n aangename sensatie! Welk een genot zoo iets te voelen! En dat schaapshoofd dat daar ging, en niets in de wereld bezat, gooide zoo’n kostelijk sommetje moedwillig weg. ’t Was waarachtig een feit voor Freddy zoo ongehoord, dat, naar zijn meening, menigeen voor minder dan dat in ’t gekkenhuis zat.
VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.
GELDZAKEN.
Tusschen Twissels en zijn huishoudster waren in zoover de rollen omgekeerd, dat zij hem onderhield in plaats hij ’t haar deed. Het behoefde strikt genomen niet, want hij had zooveel en zoo groote zaken gedaan, en er waren zooveel lieden, die daarmeê aanzienlijke sommen hadden verdiend, dat hij, voor zoover zijn bestaan betrof, grif zou geholpen zijn. Doch dat wilde hij niet. Men had hem die hulp aangeboden: kort en onaangenaam had hij ervoor bedankt, en was met Louisa naar een binnenplaatsje vertrokken, zoo te zeggen met de Noorderzon, en alles latend à l’abandon. Zij had de teugels van het bewind heelemaal in handen genomen, zonder van haar macht misbruik te maken. Hij was oud, en afgeleefd en arm nu; maar toen hij, vroeger, nog krachtig was en rijker dan eenig ander, had hij zich niet geschaamd over haar, al was zij slechts zijn huishoudster: nu zou zij hem ook niet in den steek laten, voor alles ter wereld niet.
Maar toen het gelukkig gevoel van verlichting had uitgewerkt, kwamen de naweeën van het zenuwoverprikkelend leven met geweldige kracht. In de koelte van het bergklimaat, bij de verpletterende rust van een kampong, in een klein plaatsje in ’t binnenland, en de slaperige stilte onder het dichte loover, waardoorheen den ganschen dag zachte lichtbolletjes speelden van den weinigen doorvallenden zonneschijn, hield de oude koopman, die meer dan veertig jaren aan de kust een druk zakenleven had geleid, bezig van ’s ochtends tot ’s avonds, het niet uit. Het was een net planken huisje, hoog uit den grond, proper en fatsoenlijk gemeubeld, als van een gepensionneerd ambtenaartje; de houten vloer der voorgalerij was met ’n mat bedekt; nieuwe goedkoope medaillonstoeltjes vormden zooveel etappen langs den wand, met van bruin politoer glimmende knaapjes in de hoeken.
En aan den eenen kant in een singapoorschen rotanstoel lag, stil, bewegingloos, wat er over was gebleven van den man wiens handen millioenen aan geld hadden bestuurd, wiens woord zooveel jaren honderden in beweging had gezet. Louisa zat naast hem op een gewonen stoel druk bezig met het borduren van een kabaja-strook. Zij spraken geen woord. Zijn nu geraamteachtige figuur zonk heelemaal weg; ’t was of daar een groote wijde kabaai lag en een bijzonder lange slaapbroek met niets erin; aan den eenen kant als toevallig twee verschrompelde vel-over-been-voeten eruit stekend; aan den anderen een oud witgrijs en met diepe rimpels doorwerkt kinderkopje, met doffe, wezenlooze oogen en door ’t krachteloos neêrhangen van de onderkaak een half-open mummelmond.
Enkel zijn spichtige vingers, rustend op de stoelarmen, trommelden slap en zwakjes op het randje van de glasopening, eraf glijdend nu en dan, zonder dat hij ’t voelde, machinaal doorbewegend in het leege gat.
„Hij gaat uit als een nachtkaars,” had de dokter tegen Louisa gezegd; dàt had zij wel zien aankomen; hij lag zachtjes aan weg te sterven, zwakker en benevelder van geest heden dan hij gister was; sterker en helderder vandaag dan hij morgen wezen zou; daar hielp geen kaldoe voor, of ’n glaasje spaansche wijn; daar waren geen melk en een zacht eitje tegen opgewasschen! Trouw gaf ze het hem op de bepaalde tijden; zij hielp hem in alles. In het begin had hij nogal gepraat met haar en rondgekuierd tusschen de bloemperkjes op het erfje; later had hij zich bepaald tot het huisje, want de zes treden op en af vermoeiden hem zóó; nu moest zij hem helpen van den stoel op het bed en omgekeerd, tot hij heelemaal te zwak werd om er uit te komen.
Nooit had hij een woord tegen haar gesproken over zijne zaken. Of hij er nog veel aan gedacht had in het eerst wist niemand. Soms kwamen er brieven, altijd met den gedrukten naam van den afzender boven op het couvert; Twissels opende ze niet, maar zond ze terug, met een briefje van Louisa, dat zijn toestand hem niet veroorloofde zich met zaken te bemoeien; hij onderteekende het met een onvaste hand en beverige letters.
Maar hoe hij ook achteruitging, het leven scheen in het lange magere lichaam als vastgeroest. Maanden „ging hij uit,” zooals de dokter had gezegd, en verpleegde Louisa hem, zonder ooit één woord van ongeduld of één oogenblik van opzien tegen de moeite of de kosten.
Tot hij op een ochtend dood was.
Zij had er niets van gemerkt; toen zij hem moeilijk met een lepeltje voor de laatste maal zijn medicijn had ingegeven, leefde hij nog, en zij zag bij het schijnsel van de nachtlamp, dat hij haar bedankte door zachtjes te knippen met zijn oogleden en z’n vingers te bewegen. Toen was ze rustig ingeslapen op haar bed tegenover het zijne, en ze dacht, ontwakend, dat hij sliep, zoo stil lag hij, de oogen gesloten. Maar hij was dood en koud! En de tranen welden nu volop in haar groote zwarte oogen. Ze was bedroefd om het sterven van dat overschotje van een ouden heer, van een egoïstischen man, die haar vrouwenleven had bedorven.
Het stond haar nog zoo goed voor, dat hij haar letterlijk kocht van haar ouders, en welk een haat en afkeer zij tegen en van hem voelde.
Zij had zich verzet tegen zijn eerste pogingen; doch toen men haar letterlijk aan hem had „geleverd”, voor veel geld, gaf zij, als plichtmatig, toe, en eenmaal over ’n zekere grens heen en uit gewoonte, was het zoo voortgegaan; ’t had haar hoe langer hoe minder gehinderd. En dan: hij was goed en royaal geweest; ook, wat zijn leven buiten zaken aanging, met weinig tevreden; meestal gelijkmatig van humeur.
Het jammerlijke was, dat zij nooit liefde had gekend; dat de groote levensvreugd van eerlijk en met wederzijdsche neiging gedeeld genot haar vreemd was gebleven; dat haar geen maatschappelijke positie was ten deel gevallen; zij was geen wettige vrouw geweest en had geen moeder van onwettige kinderen willen zijn;—maar een goed leven had zij bij hem gehad, in den gewonen zin; en het was zijn schuld zoozeer niet geweest, ten minste zij rekende het hem niet aan als zoodanig, wanneer hij niet meer had kunnen geven dan dat.
Neen, zij was hem toch dankbaar! Hij had haar niet verstooten toen ze niet jong meer was, niet frisch en niet mooi meer; hij had haar nooit vernederd of mishandeld, gelijk er zooveel doen; hij had haar zelfs nooit verborgen voor de oogen van andere menschen, zooals men zijn schande verbergt. Met zijn eigenaardige onverschilligheid voor het oordeel van anderen over hem, wortelend in zijn vreemdsoortig karakter en in de macht van zijn positie en zijn vermogen, had hij zich harer niet geschaamd toen alle hoeden nog voor hem werden gelicht waar hij zich ook vertoonde, en er op de plaats niemand was of hij had Twissels voor dit of dat noodig.
Aan dat alles dacht Louisa, kijkend naar het kleine oude hoofd, stijf en strak op het kussen, en ze huilde, haar gezicht in de donker getinte handen, lang en bedroefd.
De enkele Europeanen, die in de kampong woonden, kwamen mampir uit nieuwsgierigheid. Was dat nu die voorname meneer, die „bankroet” was gegaan? Wel, wel! Maar als ze het lijk hadden gezien, trokken zij stilletjes af. Waarmee zou men zich bemoeien? Louisa had enkel maar hulp van het inlandsche kamponghoofd; dat zag wel, met de opmerkzaamheid inlanders eigen, dat hij te doen had met gevallen grootheid, en ’t lag in zijn volksaard daarvoor sympathie te voelen en kasian. Men had haar aangeraden te telegrafeeren, maar dat wou ze niet. De mooiste lijkkoets, die men had op ’t plaatsje, kwam voor de kampong weg en ’n fraaie djati-houten kist, meer dan twee meter lang, met blinkend beslag, werd erin gezet. De heele kampong liep uit om te kijken naar die eerste klasse begrafenis. Mannen, vrouwen, kinderen, Europeanen, inlanders,—ze stonden in een dichte groep erom heen, vooral bij de paarden met de pluimen.
Langzaam ging de wagen voort, over den grooten weg, in het over de lengte wegschietend licht der opkomende zon; de gehuurde dragers erachter; anders niemand. Enkel ’n heel eind verder aan den kant van den weg, in een huurkarretje en in sarong en kabaai, volgde Louisa; op haar schoot had ze een presenteerblad met bloemen en rozeblaadjes, die ze strooien zou op het graf, en haar gezicht droeg de vaste, besliste naar voren trekkende uitdrukking van iemand die zich heeft voorgenomen een plicht te vervullen tot in zijn laatste consequenties.
Het gaf een oogenblik van algemeene ontroering toen men het overlijden las van Twissels; het ging door de huizen en de kantoren als een schrik, met „och!” en meêlijdende hoofdbewegingen; met ’n zucht en ’n „wel, wel!” Maar het duurde niet lang.
De tijden waren slecht, en werden er niet beter op. Iedereen had genoeg aan zijn eigen moeiten en zorgen. Wat kon men zich nog inlaten met dooden, die hun tijd hadden gehad!
Er was tegenwoordig ook altijd en overal iets in het familieleven. Nu waren de andere kinderen van Lugtens uit Europa gekomen, en wat moest men daarmeê aanvangen? Ook twee jongens en totaal mislukt. Dolle, opgewonden geëuropeaniseerde oosterlingen waren het, met groote drukte en beweging, enkel tuk op pret maken, en die van niets wisten, wat de zaken en den meer en meer nijpenden toestand betrof. Zij meenden, dat ze rijk waren. En mevrouw Lugtens moedigde dat aan; gaf de jongens geld als water, of zij het had voor ’t opscheppen. Het hield mevrouw Uhlstra, die het verdriet zag van Lena,—nu wel degelijk heelemaal op de hoogte—in een staat van voortdurende opgewondenheid.
„Er moeten maatregelen genomen worden,” zei ze tegen haar petekind. „Dat gaat zoo langer niet.”
„Toch niets ergs tegen Mama?”
„Dat weet ik niet. Ik zal naar een advocaat gaan.”
„Zou er niet buiten vreemden om iets te doen zijn?”
Eigenlijk vond mevrouw Uhlstra dat ook verkieslijk.
„Och,” zei ze, „iedereen weet er toch alles van. Maar je hebt gelijk. Schendt men zijn neus.....”
„Als er ten minste iets anders op is te vinden.....”
„Weet je wat. Ik zal den ouden Markens raadplegen. Hij kan die dingen net zoo goed als iemand anders. Hij moet me helpen.”