"Ups" en "downs" in het Indische leven

Part 22

Chapter 224,153 wordsPublic domain

De dames van de familie deden haar best tante Clara zooveel mogelijk te eclipseeren; zij hadden stoelen en tafeltjes langs den muur geplaatst, en in een dier „zitjes” mevrouw Lugtens in een hoek gezet. Met haar breede figuren zaten mevrouw Uhlstra en de dikke dochters te beproeven het ondeugende familielid aan de blikken der meeste gasten te onttrekken; men sprak tegen haar over al de soesah, die men had met de bedienden; over het gebrek aan toezicht in de achtergalerij op de dranken en de „eterij”, alles in de hoop, dat zij zich dienstvaardig zou betoonen en welwillend zich zou aanbieden voor de taak van asschepoester in het achterhuis.

Maar zij was gekomen om zich te amuseeren, en dat wenschte zij ook; zij had zich, tot ergernis van haar familie en van andere dames, gedecolleteerd, en al kon men aan enkele bekende indices wel zien, dat het geen jonge buste was—die gedeeltelijk werd vertoond,—het was er in elk geval een die veel jonge in de schaduw stelde.

Tante Clara wilde dansen; zij had de steenen gekocht en er waarlijk vijfhonderd gulden meer voor moeten betalen dan mevrouw Uhlstra had opgegeven,—zachts, dat zij ook danste op de huwelijkspartij! Freddy executeerde zich met souvereine kalmte. Wat konden hem al die lui schelen, die er waren? Hij ging met een vriendelijk gezicht op tante Clara af en vroeg haar voor een wals. Zij had, dacht hij, nog aardig wat „duiten”, en hij kon voor zichzelf nog heel wat gebruiken. De gasten, in de volle drukte der partij, deden alsof zij niets bemerkten; daar waren er onder, die van deze „kliek” nooit anders dan kwaad spraken. Maar op de partij waren ze gekomen!

Nu en dan maakte Eddy zich verdienstelijk met het toezicht op de bediening der dames, zekere drukte voorwendend, opdat zijn eigenlijke onthouding van de algemeene pret niet zou worden opgemerkt. Telkens als hij het goedschiks doen kon, ging hij de danszaal uit naar de voorgalerij om aan een der zijkanten een cigarette te rooken. Er werd nu een coquette gedanst en allen waren binnen; die er niet waren om te dansen, waren er uit nieuwsgierigheid en om te lachen over de „koopjes,” die dansgrage cavaliers soms snapten, als de schijnbaar uitnoodigende danseuse zich onttrok aan de poging om aan de invitatie te voldoen.

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

„’N MOOI PAAR, JA?”

Ineens hoorde Eddy lachende stemmen en geschuifel van binnen naar buiten, en zich omkeerend, stond hij voor Lena, die ondeugend en heel koket, op de dansmaat vóór hem cadanseerde. Hij wierp zijn cigarette over de balustrade en danste de volgende seconde met haar naar binnen, tusschen de zwarte rokken door en langs de lachende mannengezichten daarboven.

Tweemaal dansten zij de groote vierkante binnengalerij rond. Toen liet Lena hem los, boog al dansende en wendde zich tot een ander.

Stil en nog niet goed wetend wat hem eigenlijk was overkomen, ging Eddy terug naar de plaats, waar hij in de voorgalerij had gestaan, alsof hij dáár behoorde en nergens anders; de versche cigarette, die hij opstak, beefde tusschen zijn vingers.

’t Was, vond hij, zoo onaangenaam als verrukkelijk.

Maar deed zij het met opzet; begreep zij, wat hem noopte zich terug te houden, dan was het gemeen. Tenzij... nu ja, dat hoopte hij eigenlijk! Hij probeerde wel zich de onmogelijkheid aan te denken en aan te redeneeren, maar feitelijk heerschte boven alles uit het stille idee, dat hij haar niet onverschillig was, dat zij veel te goed en te fatsoenlijk was om met iemand den spot te drijven, hem als het ware aan te moedigen met de wetenschap, dat hij doodelijk van haar was en met het plan hem ’n blauwtje te laten loopen.

Al was het zoo, wat dan nog? Vragen zou hij haar toch niet, dat had hij zich vast voorgenomen. De heele wereld zei, dat Freddy Roos trouwde om haar geld, en dat was waar. Men zou van hem zeggen, dat hij Lena vroeg om dezelfde reden; zijn broer zou zelfs het volste recht hebben het te bevestigen. Was het niet de afspraak geweest? Als zij hem aannam, hoe stond hij dan daar, tegenover haarzelf en de heele wereld, als man?

En hij had, sedert hij werkte voor zijn brood, een groot gevoel voor het mannelijke in dien zin gekregen; het had zijn ijdelheid en pedanterie van vroeger in een ontwakend besef van eigenwaarde omgezet. Het zou dus, hoe ook, toch altijd zijn alsof hij slechts op ’t geld van Lena speculeerde; voor hemzelf zou ’t zoo schijnen, want als ze trouwden, zou hij immers van dat geld moeten eten en leven!

Van zijn tractementje kon men dat moeilijk doen.

Hij moest haar nu gaan „aanspreken”; zonder onbeleefd te zijn kon hij het niet laten. De stroom van dansers en danseressen kwam door de deuropeningen naar buiten, lachend en pratend, de jongelui hun best doende aardig te zijn, de meisjes bereid om te lachen zelfs over de grootste flauwiteit,—allen in feestelijke stemming, vast van plan daarin te blijven.

Zachtjes drong Eddy, als tegenlegger, door de drukte naar binnen, met een gemompel van excuses en vriendelijke woorden tegen de dames, die hij kende. En, middenin, stond hij vlak voor Lena, die ook wat frissche lucht kwam scheppen aan den arm van een donkeren jongen man, dien men het dadelijk kon aanzien, dat hij tot over de ooren verliefd was.

„Ik kwam juist om je te bedanken.”

„Dat mag ook wel!” riep ze lachend en luid genoeg om ook door anderen gehoord te worden. „Het is niets aardig van je hier den kluizenaar te spelen.”

„Zoo erg is het nu niet.”

Hij had zich omgekeerd, en liep aan haar rechterkant mede terug naar buiten.

„’t Scheelt maar weinig. Je hebt zeker zooveel in Europa gedanst, dat je het moê bent.”

„Toch niet,” zeide hij ernstig. „Ik deed het daar ook niet veel. Dat is het niet!”

Zij vroeg niet wat het was; ze waren vóór aan de balustrade en de zachte avondwind, verkoelend aanwaaiend, bracht zuchten van verlichting en uitroepen van „Hoe heerlijk!” bij dozijnen over de lippen der warmgedansten.

„Als je nu nog een dans voor me hadt...”

„Ik weet het niet,” zei ze onverschillig hem haar boekje gevend. „Kijk zelf maar.”

Hij ging onder een der lampen staan, zonder kans, denkend, dat ze hem fopte. Maar er was nog één plaats, en daarin krabbelde hij haastig zijn voornaam met een sierlijk potloodje, maar zoo hard als steen.

„Het is een mazurka!” zei hij.

„Da’s jammer. Waarom heb je niet behoorlijk op tijd een wals gevraagd.”

Haar cavalier stond zich dood te ergeren.

„U hebt met mij nog een wals,” zei hij met een van kwaadheid onvaste stem. „Als het u spijt en u wilt er nog over beschikken...?”

„U schijnt er dus niet veel prijs op te stellen.”

„Als mijnheer zoo vriendelijk zou willen zijn....” nam Eddy het dadelijk op. Een van „de ondeugende jongens Markens” werd weêr bij hem wakker. Hij boog tegen den ander en sprak op een vriendelijken, beleefden toon, waar doorheen de ironie klonk, gelijk een ondergrond schijnt door een tintje.

„Ik dacht dat het u speet,” zei het jongmensch, ’n beetje uit het veld geslagen, tegen Lena.

„Volstrekt niet. U walst net zoo goed als meneer Markens, eer beter! Maar nu neem ik voor uw straf het aanbod aan.”

„Het is hard,” klaagde Eddy.

„Als meneer soms de mazurka...” Lena kon zich niet goed houden; het was wreed, dat moest ze berekenen,—maar het was in elk geval nog dwazer dan wreed. Zij lachte luid op.

„Dan zult u mij permitteeren,” zei de jaloersche aanbidder groetend.

„Je bent toch niet boos?”

„Op u.... onmogelijk!”

Toen hij Eddy groette, keken zij elkander schuin aan, met kwaadaardige gezichten, de ruggen stijf, de koppen hoog, als booze honden in zekeren tijd van het jaar.

„Zou hij werkelijk beleedigd zijn?” vroeg Lena, die ineens dacht aan het duel met dien jongen ingenieur.

„Het komt er niet op aan. Wil je ook iets verfrisschends?”

Zij wilde ijs, maar heel hard, en daarom gingen zij naar achter, waar ’t buffet was. Aan zijn arm wandelde zij de danszaal door, waar de oudere dames, die het niet zoo warm hadden, rustig waren blijven zitten, met „stroop en ijs” meest. En toen die twee binnenkwamen, keken ze allemaal verwonderd en bewonderend op, met den meer geoefenden smaak voor het mooie in menschen, van menschen, die al wat lang geleefd en wat veel gezien hebben.

„Waarachtig,” zei mevrouw Uhlstra tegen Twissels, terwijl ze vriendelijk en druk knikte tegen haar petekind, „het is of die twee voor elkaar zijn geknipt. ’n Mooi paar, ja?”

Een oogenblik keek hij aandachtig en ernstig door zijn groote glinsterende brilleglazen, langzaam met het hoofd op en neer om haar al vast gelijk te geven.

„Ze doen me altijd denken,” antwoordde hij, „aan tempo doeloe. Er zijn zoo van die menschen, die als het ware bij elkaar hooren. Je hadt dat zelf indertijd met Uhlstra.”

„Soedah, Twissels!.... Je moest zoo iets niet zeggen op ’n partij....”

Hij schrikte van haar zenuwachtigheid, ziende hoe ze bleek werd en tranen kreeg in haar oogen.

„Wie het vooral hadden, meer dan anderen, maar precies als die twee dáár.”

„Ik weet het wel.... ik dacht er ook aan.”

En Mevrouw Uhlstra, diep zuchtend, zei wat Twissels dien avond al gezegd had tegen Markens.

„Och God, ja! We worden oud.”

„Waarom ook niet?” vroeg hij om haar te troosten. „Die niet oud willen worden, moeten maar doen zooals Geber gedaan heeft. Als ’t goed gaat, moet ’n mensch ’t langste leven met grijze haren op z’n hoofd.”

„Hoe bevalt het je tegenwoordig?” vroeg Lena onder het gaan aan Eddy.

Hij wist wat ze bedoelde.

„Bijzonder goed. Ik heb het druk. Het is natuurlijk vreemd voor iemand, die altijd een lui en nutteloos leven heeft geleid... Als ik thuis kom ’s avonds dan ben ik moe.”

„Ik geloof nu niet, dat dit de ware ambitie is.”

„Waarom niet! Ik begin ook van het werk te houden om het werk. ’t Gaat natuurlijk niet zoo ineens.... Als afleiding is het uitstekend.”

„O, het is natuurlijk heel goed. Ik bedoel slechts: wanneer men het enkel beschouwt als ’n middel om den tijd te dooden....”

„Neen.... het is niet zóó absoluut. Er bestonden redenen, die met elkaar beslissend waren.”

„Zijn die erg geheim?”

„Geheim? Ja en neen.”

„Dat is geen antwoord, maar de uitvlucht van iemand, die niets wil zeggen.... je draait met je woorden, alsof je bang bent je te verspreken.”

„Volkomen juist.... dat ben ik ook.”

Lena had nu wel willen zwijgen; zij wist, als ze verder doorsprak met hem, dat er iets heel gewichtigs komen zou; zij wenschte het ook. Maar het was zoo’n vreemd en moeilijk geval, juist nu en met hem.

En bovendien stond het bij haar als vanzelf vast, dat het nu ’t oogenblik was; het oogenblik! Dat, na die groote partij, hij, voortgaande zooals hij in den laatsten tijd begonnen was, al heel gauw geheel zou vervreemden van elke gelegenheid waar zij hem kon spreken.

„Weet je wel, dat je me verschrikkelijk nieuwsgierig maakt.”

„Niet zoo erg.”

„Wezenlijk. Het is ook geen kleinigheid! Ik hoef je wel niet te zeggen, hoe er in het begin over jullie werd gedacht.”

„Neen, dat weet ik. De menschen hadden groot gelijk; dat zie ik hoe langer hoe meer in.”

„Nu, het stond vast, dat jullie ten slotte in de kampong zoudt terechtkomen.... Je neemt het me niet kwalijk, ja?”

Hij schudde het hoofd ontkennend, met een glimlach om den mond naar haar kijkend, zooals zij daar stond, terzij van het buffet, met het glinsterend zilveren lepeltje langzaam stukjes afrissend van het rose vruchtenijs, dat iederen keer een nieuw sneeuwig oppervlaktetje toonde.

„Iedereen zei het.... En ineens is Freddy met Roos geëngageerd.”

„Wat net zoo goed is als de kampong in ’t verschiet....”

„Sst,” zei Lena verschrikt. „Ben je mal! Moet je hier zoo iets zeggen!”

Eddy was bleek van drift.

„Het kan me niet schelen. Ik heb er nu genoeg van. Veel kan ik van allerlei lui aanhooren, maar ik kan niet uit uw mond Fred’s huwelijk als van zoo’n beteekenis hooren roemen.”

„Zeg dan, wat het is. Mijn hemel, ik spreek openhartig met je, en je bent daarentegen de geheimzinnigheid zelf. Waarom zou dit huwelijk zoo slecht wezen! Zij is veel ouder dan hij...”

„Dat is het niet.”

„Als het dat niet is....”

Met ’n bleek gezicht keek hij rond, als zocht hij een plaats, een gelegenheid.

„Durf je even met me buiten op het erf te gaan?”

„Waarom niet?”

Hij bood haar den arm, en ze gingen, niet onopgemerkt en ook niet onbesproken, de drie treden naar beneden, afdeinend uit den grooten lichtkring naar het halfduister op het erf.

„Het beste is,” zei hij met veel zelfbeheersching, schoon ’t hem was of zijn hart stilstond en zijn keel werd toegeknepen, „dat ik je de heele waarheid zeg; het is niet aangenaam voor me, maar het lijkt mij onvermijdelijk. Toen Fred en ik hier kwamen, besloten we elk een vrouw met geld te trouwen. We kozen er twee: je nicht Roos...”

„En?”

Maar hij kon het niet zeggen.

„Nicht Roos en mij.”

„Ja. En om uit te maken, wie haar zou vragen en wie u, hebben wij met dobbelsteenen geworpen...”

„’t Is schandelijk!”

Driftig trok zij haar arm uit den zijnen weg.

„Ik weet het wel,” gaf hij toe, „het is ook niet gemakkelijk voor me, je dat alles te zeggen; je hebt het zelf gewild.”

En toen zij dat niet ontkende, ging hij voort, zonder emphase of stemmodulatie, maar in een berustenden toon van vergevorderde en chronische landerigheid:

„Zooals je nu wel weet, trok Freddy Roos. Ik gooide de hoogste oogen. Enfin... toen heb ik je gezien en gesproken, en toen... je zult me niet uitlachen, niet waar, en er ook niet over spreken met anderen?”

„Ga maar voort,” zei Lena zacht maar dringend, als ongeduldig, wijl ’t hem zoo moeilijk afging.

„Ik ben op u verliefd geraakt, Lena; precies zooals ik had gedacht, dat het me nooit zou overkomen.”

„Wat bedoel je daarmee?”

„Wie wij altijd geweest zijn, Fred en ik, is hier bij iedereen bekend; en als je het nog niet weten mocht, zouden ze het toch wel vertellen. Wij hebben het leven meegeleefd. Toen we nog kwajongens waren, was ons niets vreemd meer. Hoe ongelukkig dat is, begrijp ik nu, maar ik wil het je zelf zeggen... Of het mijn liefde voor je is geweest, weet ik niet; ik geloof het wel, ik hoop het! maar sinds dien ben ik een ander mensch geworden, ’n beter durf ik wel zeggen.”

„Daar ben ik blij om.”

„Sedert zie ik het leven anders in. Niet, dat ik er ook maar aan denk je te vragen... Al zou je het willen, dan deed ik het niet.”

Zij zweeg daarop, zenuwachtig haar blond krullend haar naar achter strijkend.

„Het is een onmogelijkheid geworden,” ging hij voort, „dat begrijp ik. Alleen: ik wil hebben, dat je het weet, Lena; als ik zedelijk en maatschappelijk terechtkom, en daar reken ik vast op, heb ik het aan jou te danken. Ik ben daar zeer erkentelijk voor, Lena... Als je naderhand eens ’n gelukkig huwelijk hebt gedaan, denk dan aan me met vriendschap en zonder rancune.—Nu vraag ik het niet; ik weet, dat ik je beleedigd heb. Het kon niet anders.”

„’t Is mijn eigen schuld,” zei ze, zoo rustig zij kon. „Ik heb het uitgelokt.”

„O ja, dàt wel.”

„Dus te beklagen heb ik me niet.”

„In zoover....”

„Ik beklaag me ook niet en ik heb geen rancune; ik dank je voor ’t vertrouwen.”

En toen hij daar niets op zei, onrustig drentelend van het eene been op het ander:

„Wat gebeurd is, kan niet ongedaan gemaakt worden. Wat Freddy aangaat, kan het me in ’t geheel niet schelen.”

Maar hij vroeg niet: „En mij?” Hij had wezenlijk geen hoop genoeg daarvoor. Nu ja, zij vond, dat hij eerlijk en openhartig met haar had gesproken; dat was nu òf een aanbeveling, òf een verontschuldiging. Wat hij had verlangd was geheel iets anders, en.... van dat andere was geen sprake zelfs. Hij wou ook niet, hij had geen liefde willen aannemen als een belooning voor „de naarstigheid, die kinderdeugd.”

„Ik zal er dus met hem of Roos nooit over spreken; zelfs niet laten blijken, dat ik van iets weet.”

„’t Kan me metterdaad weinig schelen.”

„Het zou onaangenaamheden geven. Die zijn er toch al te veel.”

„Die zullen niet uitblijven; ook niet zonder dat zij weten hoe ik je alles heb verteld.”

Lena lachte. In haar hart had het al gejuicht of er iemand ’t hoogste lied in zat te zingen. Zij voelde zich zoo heerlijk gelukkig, dat ze de grootste moeite had het niet te verraden. Als ze er nog aan getwijfeld had, dan wist ze nu, dat ze van hem hield, en hoeveel.

„Je moet niet zoo pessimistisch wezen, Eddy! Mijn God, je hebt voorshands nog maar gedaan, wat ieder man behoort te doen; je bent gaan werken voor je brood.”

„Ik zeg immers niet....”

„Neen, maar je vindt het toch eigenlijk iets heel bijzonders; het is niemendal, hoor! dat moet je niet denken.”

„Maar beste Lena, ik beweer niet....”

„Ik weet het wel, je zegt niets en je beweert niets,—maar je heele opvatting is er toch naar. Daar krijg ik toch zoo den indruk van.”

„Het doet me leed.”

„Mij ook Eddy. Men moet vooral niet denken, dat het iets bijzonders is, als men eenvoudig zijn plicht doet, gelijk iedereen behoort. Ik heb ditzelfde wel eens ondervonden van dames, die zich zoo bitter beklaagden over haar werk, alsof ze dat uit pure genade deden.”

„Dank je voor je lesje, je wilt zeggen, het is pedanterie.”

„Precies! Wees niet pedant! Ga maar voort zooals je begonnen bent. ’t Kan nog wel wat lang duren.....”

„Hoe.... lang duren?”

„Voordat je.... genoeg verdient om heelemaal vrij te zijn van verdenking.”

„Je hadt beloofd,” zei hij verwijtend, „dat je me niet zoudt uitlachen.”

„Daar heb ik ook geen plan op, maar ik voel ook geen lust om te huilen. Zal ik je eens wat zeggen?”

„En dat is?”

„Ik wil je iets beloven.... maar dan moet je het heel, heel vriendelijk verzoeken.”

„Laat ons maar naar binnen gaan. Als je plagen wilt, doe het dan dáár en over iets anders.”

Hij zei het zuchtend, boos, vast overtuigd, dat ze nu bezig was hem gloeiend voor den gek te houden. Lena lei haar arm weer in den zijnen, en zich zoo dicht naar hem toebuigend, dat haar weerbarstige krulletjes zijn gezicht raakten, zei ze zacht aan zijn oor:

„Ik zal vóór dien tijd geen ander nemen, ja?”

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

HET FAILLISSEMENT.

Onder het dansen, wandelen, praten en lachen, liepen door het feest geruchten als geheimzinnige, onzichtbare slingertjes. Eddy Markens en Lena Lugtens hadden op het erf gewandeld aan den niet verlichten kant van het huis, en hij had haar gezoend! De gezichten waren zoo vol verontwaardiging alsof geen der aanwezige jongelieden ooit ’n zoen gekregen of ontvangen had; hier sprak de afgunst bij de meisjes, die volstrekt zoo afkeerig niet waren van Eddy, vooral niet nu hij een betrekking had; daar bij de jongelui, die Lena ieder ander dan hunzelven misgunden. Het was, vonden zij allen, een schandaal; de meisjes, omdat die Lena, altijd zoo geroemd en anderen voorgehouden als toonbeeld van fatsoen en betamelijkheid, op zoo’n lage manier de kat in ’t donker kneep; de jongelui, omdat men in het belagen der deugd van een meisje als Lena, weer het door en door gemeene van de „jongens Markens” herkende.

Er was nog ’n ander schandaal, waarover minder hard werd geoordeeld: Piet Uhlstra hield zich den heelen avond bezig met zijn schoonzuster Lize. Men had al veel gehoord van hun ongeoorloofde verhouding, en terwijl Henri in de achtergalerij zat te homberen, scheen het alsof Piet en Lize er zich in het publiek op toelegden de juistheid der praatjes over hen te bevestigen. Het was waar; zóó waar, dat toen Roos, die het vreeselijk druk had met de zorg voor haar gasten, een oogenblik in haar slaapkamer kwam, omdat ze op was van vermoeienis en zij haast stikte in haar corset,—ze daar, achter een sempiran, haar jongsten broer vond en haar schoonzuster, in meer dan vertrouwelijk gesprek. Het vergalde al de vreugde van Roos dien avond. Piet had, overvallen, stotterend gezegd, dat ze een zakdoek zochten, dien Lize meende daar te hebben verloren; ze waren daarop beiden weggegaan, Roos had niets geantwoord. Wat daar gezocht was, wist ze wel!

„Men” had daarover wel gepraat, maar niemand ging het feit persoonlijk aan. De meisjes haalden den neus op voor den onooglijken Piet, dien zij, onder elkaar, den „hottentot” noemden; de jongelieden vonden Lize niet mooi, niet jong, getrouwd en met reeds groote kinderen; volstrekt geen benijdenswaardige relatie.—In die omstandigheden schoot nog de persoon van Henri over, en om hem werd eenvoudig gelachen! Was het niet een kluchtspel. Dat Lena zich, zooals verteld werd, door Eddy Markens een zoen had laten geven, dat was een schandaal, maar het andere gevalletje—precies ’n fransche vaudeville: le mari, l’amant et la femme! Aardig, ja?

Doch het schandaal had geen gevolgen. De eene maand na het huwelijk verliep, en de andere kwam, maar van Lena en Eddy hoorde men niets. Alles was teruggekeerd tot zijn gewone indische eentonigheid, zijn effen en onberoerd huiselijk sleurgangetje.

Van de bekende namen werd op de plaats, in den laatsten tijd, minder gehoord dan ooit. Het was of alles was ingezonken, na het hooghouden op het groote feest; een wezenlijke reactie. Men zag haast niemand meer als er „iets te doen was”; zelfs de weduwe Lugtens bleef een heelen tijd volmaakt onbesproken. In de stilte werkte Twissels; in het openbaar Henri en Piet Uhlstra; de een had voor zijn speculaties al wat de familie beschikbaar had ingepalmd; de anderen hadden de rest in hun landen gestoken gekregen. En zoo broeide het door, zoetjes aan, op hoop, en zonder dat de meesten er veel over tobden of zich zorgen maakten voor hun geld en goed, anders dan in de enkele oogenblikken, dat ze eens wezenlijk doordachten. Dan brak er wel eens een ’t klamme zweet uit, maar dan haastte men zich zulke nare gedachten te verwerpen.

De slag viel geheel onverwacht. Alsof het met bliksemstralen door de straten en langs de wegen voortvloog, ging het gerucht van het faillissement van Twissels. Eddy hoorde het op zijn kantoor en vroeg verlof dien dag. Zijn chef gaf het hem dadelijk, wetend hoe zwaar zijn familie in de zaak was betrokken. Het eerst reed hij naar zijn broer en zijn gemoed schoot vol, toen hij het mooie huis binnentrad, zoo keurig ingericht. Roos en Freddy zaten in de achtergalerij, zij met een glas stroop en reeds ’n heel eind „in positie”, hij in een luierstoel met ’n halfje champagne naast zich en ’n parijsche courant in de hand. Zij leefden er voortreffelijk van en konden wel met elkaar overweg, niet meer van elkaar en van de wereld vergend dan die geven konde en daarmede rustig en tevreden.

„Wel?” riep Roos verbaasd. „Eddy, hoe kom jij zoo hier en op dit uur?”

Haar man sprong verschrikt op. Hij kende zijn broer zoo door en door; zij hadden samen zoo menigmaal in den „piepzak” gezeten, dat hij waarlijk wel aan diens gezicht kon zien, hoe helder overigens en rustig, of er goed of kwaad nieuws te wachten stond.

„Heb je me iets te zeggen?” vroeg hij met een schielijken wenk. Hij dacht aan een sterfgeval in de familie en vreesde een onvoorzichtigheid in verband met de „positie” van zijn vrouw.

„Ja, ik heb iets te zeggen. Als een bepaalde ramp beschouw ik het niet; maar het is toch hoogst onaangenaam.”

Roos werd doodsbleek.

„Dan is het kantoor van Twissels over den kop,” zei ze met ’n bevende, toonlooze stem.

Eddy knikte bevestigend.

Jammerend en scheldend begon Freddy in groote opgewondenheid, stampend nu en dan met z’n bloote voeten op de marmeren steenen, heen en weer te loopen, als een tijger in z’n hok. Hij zou het er niet bij laten! Twissels was een dief, een oplichter, een zwendelaar en al wat er meer was; maar hij, Freddy, zou hem vermoorden; al moest hij ervoor aan de galg komen, het kon hem niet schelen. Twee ton hadden ze er in zitten! „En die zijn nu weg, meneer!” zei hij tegen zijn broer met de vuist op de mahoniehouten etenstafel slaande, dat de stroop van Roos over den rand van het glas vloog; „die zijn nu weg, meneer! Totaal naar den bliksem!”

En terwijl hij, dol van wanhoop, om het geld, dat hij zoo liefhad, tekeer ging als een bezetene, sloop Roos met moeite heen. De schrik had haar „positie” vernietigd, maar haar man lette daar nu niet op.

„Ik begrijp niet,” zei Eddy, „waarom je zoo op Twissels scheldt.”