"Ups" en "downs" in het Indische leven

Part 21

Chapter 214,032 wordsPublic domain

„Mijn God,” zei ze, „het kan waarachtig niet. Zij is mijn bloedeigen zuster, maar Roos, wat zullen de menschen zeggen?”

„Ja, ma, dat vraag ik ook.”

„Men behoeft haar niet op den voorgrond te stellen,” zei Freddy zoekend naar een modus vivendi, om het mooie cadeau, dat tante Clara ongetwijfeld zou geven, mits ze werd geïnviteerd als familielid.

„Wat dunkt u ervan?” vroeg Freddy zijn vader.

„Er is veel over mevrouw Lugtens gesproken,” zei Markens, zijn breede kin in de witte das trekkend, die hij deftigheidshalve altijd droeg, „er is veel over haar gesproken, maar wat weet men van haar?”

„God almachtig,” barstte mevrouw Uhlstra uit. „Vraag dat maar niet!”

„Ik vraag het u niet, maar in het algemeen.”

Het verschil ontging de dames. Zij wisten wat zij wisten, en welk onderscheid dáártusschen bestond en tusschen ’t geen men weten kan.... in het algemeen, ging haar begrip te boven.

„Heeft iemand haar ooit betrapt op.... ik zal maar zeggen: heeterdaad?”

Henri Uhlstra stond op het punt te zeggen: „ik”; maar hij bedacht, dat het verkeerd zou zijn geweest, te meer omdat hij in zijn hart er niet voor was tante Clara nu heelemaal en in het openbaar te verstooten.

Mevrouw Uhlstra ergerde zich aan den meesterachtigen, overbluffenden toon van den ouden heer Markens; Roos ook.

„Gewoonlijk,” zei ze ’n beetje schamper, „wordt men bij zulke dingen niet geroepen.”

„Neen,” zei Freddy hardop lachend, samen met Henri, „dat zal wel waar wezen.”

„Er is niemand,” ging de oude heer voort, zonder zich in ’t minst aan de opmerkingen te storen, „die eenig bewijs kan leveren.”

„Nou,” riep mevrouw Uhlstra zenuwachtig en opgewonden, „ze heeft me dan dezer dagen weêr een mooi stukje uitgehaald! Zoo’n vent, daar ze meê knoeide, heeft ze een stel diamanten gegeven om voor haar te verkoopen, en de smeerlap....”

„Maar ma!” zei Roos vermanend.

„Hoe weet u dat?” vroeg Markens, ook de hand opheffend, kalm en waardig, als om den heftigen woordenstroom tegen te houden.

„Wel, van Piet.”

„Nou ja,” zei deze met ’n erg katterig gezicht van het pierewaaien, verlegen zijn hoofd krabbend. „Ik ben er ook niet bij geweest.... ik heb het óók maar van hooren zeggen.”

„Door wie?” vroeg Markens op zijn ouden inspecteurstoon.

„Ik heb het van.... m’n jongen; die heeft het gehoord van de baboe van tante.”

„Dus: bediendenpraatjes,” constateerde Markens, zich triomfantelijk met zijn wipstoel achterover latend, vol minachting in zijn rimpelig grijs gezicht.

’t Was waar en ze zaten er verlegen mee; mevrouw Uhlstra vooral was woedend over haar nederlaag; ofschoon zij metterdaad haar zuster graag op de partij zag, hinderde het haar gruwelijk, dat zij en Piet er zóó inliepen.

„Pa heeft gelijk,” verklaarde Freddy. „Wij moeten haar vragen, Roos.”

„Ik vind het ook,” zei Henri.

Roos keek eens rond en toen ze allemaal knikten, haar moeder ook, schreef zij de invitatie.

„Geef maar hier,” zei mevrouw Uhlstra. „Ik zal het ding wel zelf brengen. Ik zal het haar dan nog eens goed vertellen.”

Daar zei niemand verder iets op, en ’s middags reed mevrouw Uhlstra met opzet bijzonder vroeg naar haar zuster. Het ging haar, zooals ’t haar oudsten zoon vroeger was gegaan; maar zij bleef niet bescheidenlijk zitten wachten in de binnengalerij; zij stoof de slaapkamer binnen, en zonder zich te storen aan den „derden persoon” en diens „omstandigheden” voer zij vreeselijk uit tegen haar zuster, in een verward Hollandsch en Maleisch.

Al wat zij in haar jeugd had gehoord aan leelijke woorden van de bedienden en de inlanders op straat, aangevuld met de haar bekende scheldwoorden van Europeanen, kwam haar met een spoed in de gedachten en over de lippen, als moest het eene woord het andere inhalen.

Clara trok met zachte, korte keellachjes telkens de schouders op, de mooie, ronde en gladde schouders van eene jonge vrouw, die ze had behouden op leeftijd, zelfs nu ermee coquetteerend in het halfduister, tegen de zwijgende figuur, die een donkeren baard liet doorschijnen achter de klamboe, welke hij stijf dichthield.

Het kon haar niets schelen, dat haar zuster Lena zag, wat zij zag; dat zij haar uitmaakte voor alles wat leelijk was en nog wat!

De invitatie kwam, dat was het voornaamste! Lena zou haar immers zoo woest niet overvallen, als men geen plan had haar te vragen voor het groote feest!

Langzaam deed de weduwe Lugtens haar kort met veel doorschijnende kant versierd kabaatje aan, de diamanten knoopjes vastmakend op haar gemak; zij schudde het hoofd naar achteren, haar zwaren haarwrong los uit de condé over haar rug, blijkbaar om het enkele genoegen die met beide handen weêr op te draaien, de buigzame armen omhoog voor den spiegel.

„Nou,” zei ze daarna zich omkeerend, en haar verontwaardigde zuster zachtjes de kamer uitdringend, „nou, Leen, maak zoo’n kabaal niet, ja! Het beteekent immers niets.”

Het was mevrouw Uhlstra een al te machtig cynisme, dat dit „niets” beteekende. Zij begon te huilen. Zelf was ze een oude vrouw en Clara, schoon ruim tien jaren jonger, was het toch eigenlijk ook, al zag ze er wel twintig jaar jeugdiger uit. Altijd had zij haar liefgehad, al sprak ze dikwijls veel kwaad van haar; altijd had ze haar standjes gemaakt in vroeger jaren over haar onzedelijk gedrag, doch in ’t vertrouwen, dat het met den leeftijd wel zou overgaan. In plaats van te verminderen was het kwaad erger geworden met den leeftijd, veel erger, en terwijl zij Clara daar betrapte op de „heeterdaad”, waarvan Markens had gesproken en haar, met het volle recht van een oudste zuster, daarover kapittelde, kwam er geen excuus, geen woord van spijt of verlegenheid, geen traan van berouw... niets! niets! Integendeel, had Clara in haar tegenwoordigheid nog eerst gecoquetteerd tegen haar medeplichtige, en daarna leukweg gezegd, dat het alles niets beteekende.

Doch die uitbarsting van droefheid roerde Clara diep; zij huilde ook, nu, groote tranen; zij zoende haar zuster, die, in haar smart, zoo erg oud en leelijk was, en die snikkend en hokkend niets zeggen kon, dan telkens: „Je bent zoo’n beest, Clara! Zoo’n gemeen beest!”

Mevrouw Lugtens bracht haar, den arm om haar heen geslagen, in kleine slenterpasjes, net of ’t een reconvalescente was, naar de achtergalerij, intusschen het verhaal beginnend van de bevalling eener inlandsche vrouw op haar erf, die drielingen had gekregen. Het wekte de belangstelling van mevrouw Uhlstra in zoo hooge mate, dat zij alles vergat om de bijzonderheden te hooren, want haar zuster kende die natuurlijk tot in de kleinste kleinigheden. In druk gesprek erover, naast elkander, de hoofden dicht bijeen, met blikken en knikjes van verstandhouding en wederzijdsch bewijs van juiste opvatting, vergaten zij zoowel het aanstaande huwelijk van Roos als den medeplichtige binnen. Het was toch ook zóó belangwekkend!

„En het laki?” vroeg mevrouw Uhlstra.

„Dáár,” zei Clara met haar duim naar een klapperboom wijzend, waarin een kebon klom met handen en voeten, net als een aap.

„Weet je,” bracht mevrouw Uhlstra in het midden, na een oogenblik aandachtig den dader te hebben bekeken, „dat volk heeft het bij jou veel te goed. Weinig werken.... lekker eten.... nou?”

Clara trok haar gemarkeerde wenkbrauwen hoog op, keek haar zuster een oogenblik aan met ’n mal verwonderd gezicht, en proestte het toen uit van het lachen, zóó van harte en zóó gek, dat mevrouw Uhlstra er heelemaal door overwonnen werd. En zoo zaten ze nu tegenover elkaar, haast stikkend in een onweerstaanbaren, overweldigenden zenuwlach over deze nieuwe theorie der drielingen.

Met diepe ademhalingen, zuchten gelijk, kwamen ze tot bedaren.

„Och, jij ook!” zei verwijtend mevrouw Lugtens, haar zakdoek over ’t gezicht strijkend.

„Nou, geloof me, hoor! Het is betoel waar. Toen we vroeger niet zoo waren als tegenwoordig, en de kerels met de rotan voor de broek kregen, als ze iets deden, toen gebeurden zulke grappen niet. Da’s waar ook. Hier heb ik een brief voor van je Roos.”

Aandachtig bekeek mevrouw Lugtens de invitatie; ze was eigenhandig door haar nicht geschreven en vriendelijk van inhoud. Haar gezicht vroolijkte op.

„Ik vind het heel lief van Roos,” zei ze.

En toen haar zuster daarop zweeg, vervolgde zij:

„Och ja, ik weet het wel: men heeft veel op mij te zeggen. Ik doe niemand kwaad; ik benadeel geen mensch, en laat iedereen ongemoeid; ik verteer mijn eigen geld, en raak aan geen cent van een ander. Wat ik doe, is mijn zaak; heelemaal mijn eigen zaak.”

„Zwijg toch, jij! Je hebt geen hart, anders zou je mij en de familie geen schande aandoen met die smeerlappen.”

„Ik verveel me.”

„Dat is ook wat!”

„Ik heb me altijd verveeld, Leen; met Lugtens en met de kinderen ook; Willem was de eenige, die me amuseerde, en nog niet eens altijd. Nu ik alleen ben, de jongens weg en Leentje bij jou, nou verveel ik me letterlijk dood.”

„Je kon bij familie en kennissen gaan.”

„Bij wie? Jullie en anderen vervelen mij ook op den duur met al dat praten over andere menschen. Er is ten slotte nog slechts een....”

„Soedah! Begin je weer? Denk-je dat ik hier ben gekomen om vuile praatjes aan te hooren? Ik ga maar weg; anders verveel ik je, hè!”

„Neen, Leen, zóó bedoel ik het niet.”

Maar zij drong toch niet erg aan op blijven, gedachtig aan den medeplichtige, die niet zoo geduldig scheen als een zijner voorgangers tijdens ’t bezoek van Henri, maar die door hemmen en kuchen vrij hoorbaar te kennen gaf, dat ook hij zich verveelde in zijn isolement.

„Wat zal het zijn voor Roos?” vroeg mevrouw Lugtens, toen ze haar zuster naar het rijtuig bracht.

„Claar!” riep mevrouw Uhlstra plotseling in een soort verrukking de oogen ten hemel slaand. „Ik heb laatst van Abdul Karim twee steenen gezien voor kraboe... Ah!”

’t Was of zij zou bezwijmen van verrukking.

„Berapa?” vroeg mevrouw Lugtens ernstig.

„Neen, dat zeg ik niet. Bonjour, hoor! Tot ziens?”

„Zij zal ze hebben, Leen!”

Een paar klinkende zoenen, een handdruk,—en de coupé reed met luid gekraak over de grind naar buiten. Door de raampjes keek mevrouw Uhlstra over het erf. Wat werd het verwaarloosd! Dat was me ’n boeltje! De vrouwen der tuinjongens kregen drielingen of het niets was, maar de bloemen en crotonperken leken wel wildernissen!

„Njonja ketjil!” riep zij door het venstertje vóórin den koetsier toe. Dàt had ze geen uur kunnen uithouden! Twee duizend gulden en geen cent minder het paar! Steenen als bruine boonen! Zij had erop getaward voor de aardigheid, maar Abdul Karim was tot niet minder te krijgen dan duizend gulden het stuk. Roos moest het dadelijk weten, en toen Roos het hoorde, was ze zoo blij als ’n kind, al liep ook haar juweelenkistje letterlijk over.

„Wat zeg je ervan?” vroeg ze opgetogen haar bruigom.

„Prachtig!”

„Ze is toch zoo goed!” zei Roos meewarig en met een stem vol zachte genegenheid.

„Och, wel ja! Ik heb altijd wel gezegd, dat ze ’n beste vrouw is, en als ze nu eens ’n dwaasheid doet,—het hindert of benadeelt immers niemand!”

„Jij spreekt er net over als zij,” bracht mevrouw Uhlstra wantrouwend in het midden. Zij vond het niets aangenaam zulke bijzondere beginselen te hooren belijden door den aanstaanden schoonzoon, en Freddy, die dit begreep, voegde er dadelijk bij:

„Natuurlijk moet men die dingen van haar standpunt beschouwen.”

De zaak van het huwelijksgeschenk beschouwde hij meer van zijn eigen standpunt.

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

HOE FREDDY DRIEHONDERD GULDEN VERDIENT.

Toen Freddy een uurtje later huiswaarts ging, sloeg hij een zijwegje in, keek aan het eind eens voorzichtig rond, loerend tusschen en over de groene paggers of hem ook iemand zag, en stapte de kampong binnen.

Voor een klein huis, van binnen met houten wanden en enkel de buitenmuren van wit gekalkte steen, onder een overstekend dak van verweerde roode pannen, hield hij stil.

Op den houten vloer met ongelijke kieren tusschen de grauwe nooit geschrobde planken, lag in het midden een oud stuk rotanmat, en daarop in ’t midden stond een rond houten tafeltje van wildhout, op één poot, slecht afgewerkt, het wit van het hout schijnend door het dunne roodachtig bruin van ’t politoer; een te klein ordinair flodderkleedje, zwart met helrood, lag erover, de puntjes even over den rand. Twee oude wipstoelen flankeerden het, de lange randen der rugleuningen, eens palembangsch gelakt, waren thans dof en met een laag aanklevend vuil bedekt; wellicht voor jaren gekocht op vendutie, en zóó daar neergezet, met de kleine geborduurde antimakassertjes tegen de binnenruggen, eens zindelijk en kleurrijk, thans met pikzwarte vetvlekken van de klapperolie in de haardossen, die er achtereenvolgens tegen gerust hadden.

Op een der stoelen zat een bejaarde hadji, met, onder een dopvormig kleurloos mutsje, dat zijn geschoren kruin dekte, een bruin, van vorm typisch joodsch gezicht, scherp maar fijn van trekken, met onder tegen de kin aan een geitensik van grof grijs haar, als een valsch tooneelbaardje dat eraan was geplakt.

Toen Freddy Markens door de pagger het kleine erfje, tusschen twee klapperboomen links en rechts, optrad, streek de hadji, die op zijn gemak ’n strootje had zitten rooken, hiel op knie, zijn dunne versleten kain omlaag over zijn magere bruingele beenen vol lange zwarte haren, en buigend met een vriendelijk gezicht, den stijven sik vooruit, stapte hij de eene houten trede af, die het huisje uit den grond was gebouwd.

„Zoo, Abdul Karim!” riep Freddy welgemoed, zijn wandelstokje latende draaien tusschen duim en vinger. „Ada baai?”

Wel, Abdul Karim, de diamantenhandelaar, maakte het heel goed; hij hoopte, dat mijnheer het ook goed maakte en,—dit zei hij met den grootsten eerbied en nederigheid—ook de „groote heer,” mijnheers vader.

Voorzichtig nam Freddy plaats op ’t randje van den anderen wipstoel naast het tafeltje en hij bedankte, met de verzekering, dat hij nooit rookte op dat uur, voor een der beschimmelde manilla’s, die in een gewoon bierglas op de tafel stonden.

Abdul Karim kende hem maar al te goed. Toen Freddy en Eddy nog jongens waren, kwam Abdul Karim met zijn koopwaar enkel bij mevrouw Markens, als de kinderen naar school waren, zoo bang was hij, dat ze hem bestelen zouden! Al die europeesche heeren en dames op en nabij de plaats geboren, en er wonend, kende hij als zijn portemonnaie. Hij hoorde nu van Freddy, dat mevrouw Lugtens de twee steenen zou koopen, waarop mevrouw Uhlstra had geboden, en dat die steenen bestemd waren tot geschenk aan mevrouw Geber, als deze mevrouw Markens werd.

„Je hebt ze aan mijn aanstaande stiefmoeder willen geven voor twee duizend ’t pasang.”

„Ja, betoel,” stemde de hadji toe.

„Dan moet je bij mevrouw Lugtens vasthouden op vijfhonderd meer.”

„Zij heeft er verstand van.”

„Zijn er op ’t oogenblik meer zóó te krijgen op de plaats?”

„Neen, dat niet.”

„Dan zal ze ook vijf en twintig honderd geven, en die vijfhonderd zijn voor mij.”

„Dat kan niet,” zei Abdul Karim lachend. „Dan zou ik er zelf niets aan hebben. Driehonderd voor u en twee voor mij.”

Freddy zat reeds lang op z’n gemak ’n kop thee te drinken in een luien stoel, toen Eddy dien middag vermoeid van ’t kantoor kwam. Stil lachend zag hij hem naar zijn kamer gaan.

„Driehonderd pop vandaag verdiend!” zei hij bij zichzelven. „Zoo’n lammeling moet daar anderhalve maand voor werken als een slaaf.”

Inderdaad werd van Eddy veel gevergd in zijn betrekking. Hij was niet ondergeschikt genoeg,—waar wou hij ’t ook hebben geleerd? Hij had ’n zeker air over zich,—de familiekwaal van vader en moederskant, en hij zag er altijd zoo bijzonder net gekleed uit. Daarom „donderden” hem de even boven hem geplaatsten zoo’n beetje en liet men hem werken, dat ’t hem soms voor de oogen schemerde. Hij voelde en begreep het waarom, hield er zich kalm bij, at de onvermijdelijke standjes op met een effen gezicht en deed zijn werk zoo goed hij kon. Maar het viel hem zwaar. Hij was zijn heele leven gewoon zoo goed als niets uit te voeren, en nu moest hij zoo ruw door het dichte kreupelhout. Als hij zich—hij wist zelf niet op welken grond—niet zoo vast had voorgenomen te slagen met den arbeid, hij zou het vertikt hebben. Maar naarmate ’t hem moeilijker viel, zette het idee zich vaster in zijn hoofd. En nu zat het er zoo onuitroeibaar in, dat, dacht hij, als hem onverwacht een ton gouds was ten deel gevallen, dit hem niet zou hebben bewogen ontslag te nemen uit zijn betrekking.

Toch, als hij laat in den namiddag moe thuis kwam, terwijl de bedienden al bezig waren de lampen aan te steken, voelde hij, dat er ook niets hoegenaamd in zijn leven meer was dan het kantoor. Hij had geen lust meer, na zulke werkdagen, ’s avonds uit te gaan of een boek ter hand te nemen.

Zijn moeder maakte zich erg ongerust.

„Men moet,” meende ze, „van de hem geschonkene gaven geen misbruik maken.”

En papa, die als ambtenaar nooit tot langer dan ’s middags twee uren op z’n bureau had gezeten, schudde verontwaardigd het hoofd, als hij Eddy tegen halfzeven zag thuis komen.

Het was ’n maildag toen de groote jongelui’s-partij voor het huwelijk van Roos en Freddy zou gegeven worden.

Bij al de drukte kwam Freddy tegen halfacht even thuis om iets te vragen; hij moest zich nog kleeden ook, maar men was zoo in de weer met de preparatieven, en nu kwam hij zijn broer halen om ’n beetje de leiding op zich te nemen, zooveel te zijn als ceremoniemeester.

„Hij is nog niet thuis,” klaagde mevrouw Markens. „Dat laat op ’t kantoor blijven is ook zoo naar.”

„Zij mailen alweêr,” zei Markens met verachting. Hij herinnerde zich nog hoe men in zijn jeugd eens in de maand brieven naar Europa zond, en hoe het toen even goed in Indië ging als tegenwoordig, beter zelfs.

„Ik vind het vervloekt onhartelijk van Eddy, dat hij me zoo in den steek laat,” riep Freddy boos.

„Maar zijn kantoor....”

„Och wat, dat misselijke kantoor met de fooi tractement in de maand en een huis vol noten op den zang... Hij wist hoe druk we het vandaag hebben, en dan had hij maar moeten vragen om ’n paar uren vroeger naar huis te gaan.”

„Daar heb je hem,” zei de oude heer, die in zijn hart Freddy niet zoo heelemaal ongelijk gaf. Een huur-dos-à-dos was het erf opgereden en stilgehouden voor de kamer van Eddy.

„Nou, je bent ook ’n goeie?” riep Freddy hem tegemoet. „Hadt je nou niet wat vroeger kunnen komen?”

„Wij hadden het te druk.”

„Och wat.... als je het maar hadt gevraagd.”

„Ik vraag op ’n maildag geen vrijaf voor ’n pretje.”

De toon waarop Eddy sprak klonk scherp en kort, als van iemand, die besloten is in niets toe te geven, met een meesterschap, dat zijn evenwicht reeds op den andere deed gevoelen.

„Kom-je even mee?” vroeg Freddy erg verzoekend. „Roos en ik kunnen het niet heelemaal eens worden over de schikking. Verdomd, Eddy, het is zoo lastig. En die moeder Uhlstra.... ik wou dat ze ineenzakte.”

„Dan ging je partij niet door.”

Al pratend liepen ze naar het rijtuig van Roos, dat voor ’t huis wachtte, en vriendschappelijker dan in langen tijd, kwamen ze ’n uur later terug om zich te kleeden.

Eddy deed het op z’n gemak en netjes, als ’n jongmensch gewoon in de wereld te komen in groot tenue; en terwijl hij zijn witte das omdeed voor z’n scheerspiegeltje, geeuwde hij, dat z’n kaken er pijn van deden.

Hij zag op tegen die partij als tegen een berg. ’t Was onmogelijk geweest te weigeren; hij zou in de voorgalerij Freddy bijstaan in het de dames uit de rijtuigen helpen en binnenbrengen. Dat kon nu eenmaal niet anders!

Het zag er splendid uit! Zoo feestelijk als een mooi, ruim indisch huis met groen en bloemen te maken is.

Zelfs was er meer, want om de gewone planken zoldering te bedekken, had Roos er rose tulle tegen laten timmeren, gebouillonneerd, en met zeer kleurige kunstbloemen in de kuiltjes. Het was naar westersche begrippen niet buitengewoon smaakvol, maar in een indisch huis en bij een oostersche omgeving stond het niet kwaad.

Rechtop als een kaars had Eddy post gevat op het schabelletje, de rijtuigen wachtend, met zijn zwarte bekleeding, scherp uitkomend tegen het wit der gekalkte pilaren en op den marmeren vloer; hij was precies gekleed als andere jongelui, ook reeds present, maar het was alsof de anderen, stijfjes, ook wel voor een begrafenis gekomen konden zijn, terwijl hij alleen met zijn onberispelijk fijn linnen en breed uitgesneden balvest, een feest kwam bezoeken.

Ratelend sloegen de rijtuigen, van den grooten weg, met breede zwaaiingen der buitenlantarens, het erf op, en de broers Markens met nog ’n paar heeren waren maar ijverig in de weer met buigingen en strijkages, altijd gereeden gebogen rechterarm, lachend, pratend en informeerend naar gezondheidjes en zoo meer. Met ’n zeker sérieux kwam Eddy de treden af naar het rijtuig van de ongetrouwde jonge dames Uhlstra, waarin ook Lena zat. Zij kwam het eerste eruit, en Eddy, een stap terugdoende, liet haar over aan zijn broer met een stijve buiging voor haar vriendelijken groet. Hij bood den arm aan een der nichtjes, nu ook al breed en zwaar, als Roos de oudste, en zwijgend bracht hij die binnen met een ernstig gezicht.

Twissels wiens klein hoofd boven alle andere hoofden uitstak, keek aandachtig de zaal rond. Het was een groote en royale partij; niets was verzuimd om het zoo schitterend en goed te maken als mogelijk was, er was geen geld gespaard. En niettemin lag er een onmiskenbaar verschil tusschen dat feest, en de oude indische festijnen toen hij, Lugtens en Uhlstra nog waren in de volle kracht hunner opkomst. Het cachet was eraf. Hier waren menschen, die men vroeger niet had genoodigd; hier ontbraken gasten, die destijds nooit mankeerden, hier miste men een zekere vrijheid, die vroeger gebruikelijk was, terwijl er van den anderen kant werd geloopen en gesproken op een manier, die men toen ongepast zou genoemd hebben.

Hij zag, dat terwijl hij met Markens stond te praten, zij de eenig overgebleven mannen uit den „goeden ouden tijd,” waren, die nog zoo betrekkelijk kort was geleden!

„Wij worden oud,” zei Twissels met een diepen zucht.

„Ja, dat worden we,” antwoordde Markens ook zuchtend. „Als alles nog maar goed gaat....”

„Je hebt reden tot tevredenheid.”

„Over het huwelijk van mijn zoon.... zeker.... zeker!”

„Daarover ook.... maar ik had meer het oog op Eddy.”

„Ah zoo! Hm! Ja.”

„Wat bliksem,” zei Twissels met een hoog maar kwaadaardig stemmetje. „Je moest God danken, dat er werklust in den jongen zit. Jullie hebt ze waarachtig niet opgevoed om het te mogen verwachten.”

Sedert hij zijn speculatieve handelsoperaties dreef, was Twissels prikkelbaar en brutaal, en Markens, die hem in de laatste jaren maar zelden had ontmoet, keek van dien uitval verbaasd en verontwaardigd op. Een oogenblik zagen ze elkaar vijandig aan. Toen boog Markens zich terzij voor een jonge dame en sprak die aan, daarmee verdere conversatie met Twissels afbrekend, die zich eerst recht in postuur had gezet om te twisten en nu, door deze wending verbluft, zich omdraaide. Eigenlijk voelde hij dat hij altijd ’t land aan Markens had gehad en begreep hij niet hoe hij met zoo’n kerel in vroeger tijd vriendschappelijk had kunnen omgaan. En Markens, al pratend bitjara-kosong met een dame, schold hem in z’n for intérieur voor een onbeschoften ploert, er in gedachten bijvoegend dat die Twissels toch, wèl beschouwd, nooit iets anders was geweest.

Twissels, met opzet, slingerde en draaide zijn lang mager lijf tusschen de wandelende paren door naar Eddy Markens, dien hij zag staan praten met eenige jongelui, en hem terzij nemend, vroeg hij:

„Wel, hoe gaat het met je?”

„Dank u, vrijwel. ’n Beetje druk, en ’s avonds wat laat thuis; maar dat hindert niet.”

„Nou, dat doet me plezier! Ik heb nog eens over je gesproken.... ze zijn tevreden, en dat zegt veel, want je begint pas.”

Zoo praatte hij voort over kantoorwerk, kantoorbeheer en kantoorvooruitzichten; het verveelde Eddy Markens niet; wat hem verveelde was die partij. Hij zag dadelijk dat Lena Lugtens omringd werd door jongelui, en dat haar balboekje van hand tot hand ging; hij had precies gezien dat het vol was; hij zag haar lachen en vriendelijk zijn tegen anderen, en hij had het land, geweldig!