"Ups" en "downs" in het Indische leven

Part 2

Chapter 24,072 wordsPublic domain

Nauwkeurig telde hij alles met welgevallen na en sorteerde het geld in de vakjes van de trommel met zorg en liefde, tot hij het, na lange aanschouwing en stille berekening, weêr wegsloot, zijn eenvoudig maal deed met wat rijst en visch, doorgespoeld met een glas water; zijn lamp uitblies en zóó als hij was, zich met welbehagen uitstrekte in zijn niet zeer frisch en niet zeer zuiver ledikant.

’t Was donkere maan. De wachter tusschen het huis van den landheer en de woning van Jozef sloeg ten naasten bij op tijd met de groote bel onder de loods het geheele en halve uur.

Juist stapte hij, huiverend van de koude nachtlucht, schurkend onder de over z’n naakte schouders geslagen sarong, van de baleh-baleh, waarop hij had zitten soezen, naar den paal waar de bel hing aan een dwarshout,—toen hij ineens lang uit op den grond lag, in een ommezien gekneveld en gebonden, zonder dat hij iets gezien had of iets anders gehoord dan den doffen val van z’n eigen lichaam; maar voelen deed hij het des te beter. Het was een bejaard man. Men had hem overal buiten gelaten; hij wist rechtstreeks van niets en bemoeide zich met niets; maar niettemin begreep hij nu volkomen wat op het land zou gebeuren. Angstig, met wijd geopende oogen, keek hij in den donkeren nacht; hij zag schimmen flauw in het zwart der duisternis heen en weer bewegen; hij hoorde het zachte treden van de bloote voeten over den grond en het schuifelen van voortgaande lichamen tegen elkaar; en hoe weinig aanwijzing dit ook gaf, toch kon hij wel gissen wie het waren en vanwaar ze kwamen. In een dichte groep schoven ze nu, bijna niet hoorbaar, verder tot voor de woning van Jozef.

Minuten en minuten was toen alles doodstil, met de gewone geluiden van den nacht, het kwaken der kikvorschen in de poelen, het geroep van den nachtuil in het hoog geboomte en het suizend gefluister der krekels in het groen.

In eens sprong Jozef uit z’n bed en tegen een stoel aan, die met een harden slag omviel tegen den houten vloer; opgeschrikt, half slapend nog en in ’t minst zich geen rekenschap kunnende geven van wat er gebeurde en wat het doffe bonzen beduidde, dat zijn heele woning deed trillen. Maar ook ineens wist hij het, en begreep of kon zich ten minste voorstellen, wat de juiste toedracht was, en dat de zware djati-houten deur, door twee grendels en een palang pintoe van binnen gesloten, met een boomstam van buiten werd gerammeid. Voor het dreigend doodsgevaar, waarvan hij nu het volle gevoel had, stond Jozef in beraad wat te doen, zijn geladen jachtgeweer, dat hij op den tast van den muur gegrepen had, in de hand.

Met een opwelling van woede en drift wilde hij de voordeur openen en er direct op los schieten; maar glurend door de reten van het vensterluik, zag hij het buiten stikdonker, zonder geluid van stemmen, die eenige aanwijzing gaven; en, die duisternis, onzekerheid en stilte deden zijn toorn weer vallen; angst ervoor in de plaats treden. Hij had lucifers bij de hand, maar durfde geen licht maken, en onder de dof dreunende, regelmatige slagen van den boomstam kraakte en knarste de deur op haar hengsels, op ’t punt te bezwijken. Toen wendde hij zich naar den anderen kant, voelde en greep de palang pintoe van de achterdeur, schoof die zacht weg en de grendels terug, rukte haar met forschen greep ineens wijd open en deed een grooten sprong naar buiten, den vinger aan den trekker van zijn geweer.

Het schot ging af, loos in de lucht, en als een gedolde os sloeg Jozef neêr, zonder een kreet, haast zonder eenig geluid. Een wild geschreeuw en geroep, schor en woest, van dozijnen stemmen klonk brullend, als van wilde dieren, over het veld en langs de boomen omhoog.

De doffe slagen van den boomstam hielden op; de een na de ander ontbrandden de obors in de handen van halfnaakte inlanders met zwart en wit bestreepte onherkenbaar gemaakte gezichten. Zij kwamen allen om het lichaam van Jozef staan, een oogenblik stil. Hij lag plat op den rug tusschen de struiken op het achtererf en uit zijn baadje stak, breed omzoomd door een grooter wordende bloedvlek, het lichtbruin, in het geschemer der toortsen fraai blinkend gevest van een kris, midden door het hart gestoken.

De een, die het gedaan had, wees er op, triomfantelijk, met z’n wijsvinger, dansend van plezier; maar de anderen waren teleurgesteld in hun wraak. Ze hadden ieder hun aandeel willen hebben in zijn dood; elk hunner had zijn stil idee gehad over een toe te brengen slag of stoot. Nu was hij dadelijk gestorven aan den meesterlijken krissteek, in de duisternis toegebracht met de zekerheid en de vastheid van hand van den toréador, die zijn degen plant tusschen de horens van den stier en hem doet knielen. De eens opgekomen moordlust van onderdrukten en lafhartigen nam daarmee geen genoegen. Ze staken met hun lansen, ze hakten met hun ariets en parangs waar ze het doode lichaam slechts konden raken; ze sneden er stukken en ledematen af op de gruwelijkste manier, wel een half uur achtereen, tot ze er zelf bosèn van waren en het vormlooze lijk als ’t ware over den pagger jonasten, naar buiten. Het omwonende volk en het dienstpersoneel van het landhuis, door het rumoer en het aanslaan der honden ontwaakt, was eerst naar buiten geloopen, loerend in de duisternis, maar toen ze zagen, of althans begrepen, wat er voorviel, en dat er geketjoed werd, had ieder zich zoo gauw mogelijk teruggetrokken, z’n huisje gesloten en dat, bevend van angst en zoo goed en zoo kwaad het ging, van binnen gebarricadeerd.

In de woning van Jozef was het nu een plunderen en rampassen, uren lang. Met de grootste moeite en ten koste van veel wapenen, werd de kleine brandkast geforceerd, want de sleutel, dien Jozef altijd op een bepaalde plaats verborg, was niet te vinden.

De trommel werd opengebroken; van het geld greep ieder in de ruwte wat hij machtig kon worden; onder luid en verward geschreeuw en als krankzinnigen sprongen ze rond, alles stukslaande met de grootste woede, tot er niets meer was om te vernielen.

Een hooge vlam, het geboomte der omgeving van onder verlichtend met heldere rozeroode tinten, en mooi goudrood in de toppen, steeg toen op uit een dikke rookwolk, die snel omhoog trok als een grijze zuil; de obors waren gedoofd, de daders van het gruwelstuk links en rechts over de donkere, smalle wegen en in de velden verdwenen, en alsof het afgesproken werk was, had toen een der bedienden van het landhuis in eens den moed naar buiten te komen om het brandsignaal op de tongtong luid en akelig te doen weergalmen door de lucht.

Was het homberpartijtje bij Uhlstra laat begonnen,—het duurde daarom niet minder lang, en Twissels had zijn eigenaardig woord gehouden of het een evangelie was.

Hij speelde groote spellen van allerlei soort, maar of het „ossen” waren dan wel „snippertjes”,—hij haalde ze erdoor, het eene zoo goed als het andere. Toen het drie uur sloeg in den nacht, meende Geber, een beetje uit zijn humeur over zijn aanhoudende déveine, dat men wel den laatsten sans prendre bepalen kon.

Twissels wou er drie in plaats van één, maar zijn partners hadden er geen zin in en stemden als naar gewoonte enkel toe, dat een verloren spel niet meetellen zou.

Geber annonceerde het eerst „een kleintje” dat hij codille verloor.

„Heb je nu ooit zoo’n weerlichtschen Pech gezien?” riep hij kwaad met z’n vuist op de speeltafel slaande. „Dat’s nou de tweede keer in een half uur.”

„Ja, het loopt je niet mee,” troostte Uhlstra, „maar ’t kan verkeeren.”

En Twissels, spottend, met een zacht, fijn dameslachje, terwijl hij de fiches opstreek:

„Alle goede dingen bestaan in drieën.”

Hij had de woorden nauwelijks gesproken of de bediende van Uhlstra, die aan den ingang van het voorerf zat, kwam met een verschrikt gezicht naar binnen, en ging staan aan ’t hoekje van de speeltafel, tusschen Geber en z’n meester.

„Wat is er?” vroeg Uhlstra in ’t maleisch en eenigszins ruw, verstoord over zoo’n ongewone vrijpostigheid.

De huisjongen wees met z’n duim over den rooden kraag van zijn dienstbaadje naar buiten.

„Er is een boedjang van Koeningan.”

„Wat mot hij?” vroeg Geber, z’n nieuwe spel, door Twissels uitgegeven, weer neêrleggend.

„Hij zegt dat er tjilaka is.”

„Wat dan!” riepen Uhlstra en Geber allebei ongeduldig.

„Hij zegt,” ging de Maleier met groote kalmte voort, „dat er geketjoed is bij mijnheer; dat het huis in brand staat en toean Joop al dood is.”

Verwezen keken zij elkaâr aan, alle drie. Geber zeer bleek en ontsteld, Uhlstra met een rooden gloed op z’n bruin gezicht; de eerste sprong driftig op en riep den boedjang, die voor aan ’t erf was blijven staan, met uitgestrekten arm hem wenkend, naar binnen. De arme inlander kwam op zijn doorgeloopen voeten en tot de knieën grijs van ’t stof van den weg, half kruipend, naar de breede marmeren galerij, neêrhurkend op de onderste trede.—Wat hij vertelde was niet meer dan hij had meêgedeeld aan den huisjongen; hij wist er zelf niet meer van.

Het luide spreken, de uitroepen en vloeken der mannen, verward klinkend door de binnengalerij het huis in, hadden mevrouw Uhlstra uit den slaap gewekt. Uit haar kamer liep ze haastig naar voren, de dikke figuur in een wijde slobberkabaai, het haar onder ’t loopen draaiend in een kondé. Toen ze hoorde wat er gebeurd was, ontsteld, vol vrees voor het lot van haar eigen kinderen op hun eigen daaraan grenzend land, trachtte zij in een luiden woordenstroom meer van den boodschapper te weten te komen, den armen drommel dooreen schuddend als kon ze uit hem strooien, wat zij meende dat er in zat. Maar het maakte hem zoo bingoeng, dat hij ten sjotte heelemaal niets wist. Toen waren ook Roos en de andere meisjes verschenen, allen op het noodlottig bericht door vrees en schrik overmand, bleek, met tranen in de oogen, jammerend door elkaar. Het werd erger toen Uhlstra last gaf den koetsier te wekken, om dadelijk z’n américaine te laten voorkomen met z’n beste paarden. Ze wilden hem met geweld terughouden, bevreesd voor zijn veiligheid. In den donkeren nacht namen de ideeën van moord en brandstichting reusachtige verbindingen aan; alleen Twissels, die op zijn winst een extra-grogje had genomen en nu tegen een pilaar leunde, zijn groot zwart vest vooruit als een kolossale inktvlek, onderging dien invloed niet; hij lachte fijntjes en kleintjes, doch niemand keek naar hem onder het zenuwachtig rumoer, en met ’n zoet stemmetje zei hij bij zichzelf, heel hoog: „Die vrouwen, die vrouwen!”

Uhlstra, zoo goedhartig als hij was, viel niet af te brengen van z’n besluit. Hij kende het volk, en zijn geweten was volkomen zuiver. Als er iets aan de hand was, moest hij erbij zijn; er kon van komen wat er wou.

„Ik ga met je mee,” zei Geber aarzelend, als iemand die fatsoenshalve niet anders zeggen kan, maar flauwtjes en zonder enthousiasme. Eigenlijk was hij, schoon voor den vorm nog wat aandringend, blij, dat Uhlstra het beslist weigerde. Het was maar beter dat hij achterbleef; wat gedaan was, was gedaan en viel niet meer te verhelpen.

De paarden vlogen over den weg: toch ging het Uhlstra veel te langzaam. Toen het even begon te dagen, naderde hij de grenzen van z’n land. Alles was stil en rustig als naar gewoonte, wat hij in z’n opgewondenheid haast onbegrijpelijk vond, en toen hij een half uur later in den grijzen schemer de laan opreed naar zijn oude landhuis, en zag hoe reeds enkele lieden er vroeg bij waren om hun gras te pikollen voor het vee in zijn stallen, ontgleed hem een diepe zucht van verlichting. Hier althans was niets gebeurd; dáár had hij nu op durven zweren.

Met een verwonderd maar blij gezicht kwam z’n zoon Henri, volmaakt zijn jongere individualiteit, hem op het erf tegemoet.

„Dag pa, dat is verduiveld vlug!”

„Is het waar?” vroeg Uhlstra, uit het rijtuig springend, blij en ontroerd den zoon de hand drukkend, die zoo gaaf en ongerept nu voor hem stond.

Henri knikte met een gewichtig, bedenkelijk gezicht.

„Akelig waar,” bevestigde hij met kwalijk verborgen Schadenfreude. „Het is voor Geber een leelijk gevalletje.”

„En is Joop dood?”

„Naar ik hoor, zoo dood als een pier; ze moeten hem verschrikkelijk hebben gehavend! Enfin, het is mijnheer Geber’s eigen schuld. Waarom laat hij zoo’n smeerlap heer en meester op het land?”

De vader antwoordde er niet op. Wat gaf het?

„Laat maar even verspannen,” zei hij met een blik op z’n dampende paarden, die werden afgewreven.

Maar daar wou Henri niet van hooren en zijn jonge vrouw evenmin. Ze brachten den vader nu weêr aan ’t verstand, dat het heele geval eigenlijk weinig om het lijf had; dat de vermoorde absoluut niets had dan zijn verdiend loon. Als Europeanen zich niet ontzagen hun zaken door zulk gemeen en laag volk te doen beheeren, was het beneden de waardigheid van een fatsoenlijk landeigenaar of administrateur zich met de gevolgen daarvan in te laten.

Uhlstra, voorloopig gerustgesteld en hongerig na den slapeloozen nacht en den langen rit in de frissche ochtendlucht, liet hen maar praten en ging mee het landhuis binnen, met een geweldigen trek in een kop sterke koffie, die hij ook dadelijk van z’n schoondochter kreeg. Nu het inderdaad niet erger bleek te zijn dan de inlander had geboodschapt, had hij zoo’n groote haast niet, en wilde wel eens vooraf Henri en Lize uithooren.

Dat ging gemakkelijk genoeg; hij had slechts te luisteren naar het relaas der geweldenarijen van den vermoorden hoofdmandoor op Koeningan. Henri kwam daarbij altijd weêr terug op hetzelfde uitgangspunt: het was alles de schuld van Geber. Een europeesch landheer moest fatsoenlijke europeesche jongelui en niet zulke vreemde schooiers in dienst nemen, herhaalde hij voor de zooveelste maal.

Een uur later moest er toch voor Uhlstra worden ingespannen. Hij had Geber beloofd alles te onderzoeken; belofte maakt schuld, en hoewel Henri nu weêr beweerde dat het gevaarlijk en bovendien onnoodig was, wijl men den assistent-resident had kennis gegeven, reed Uhlstra naar Koeningan, en zijn zoon, à fond nieuwsgierig om te zien hoe ze dien smeerlap getjientjangd hadden, ging mee.

DERDE HOOFDSTUK.

NA HET OPROER.

De zenuwen der dames Uhlstra waren tot bedaren gekomen, toen tegen den middag een man te paard een kort briefje van papa had gebracht. Nu spraken ze met uitvoerigheid en een zeker welbehagen over den angst, waarin ze dien ochtend gezeten hadden.

Mevrouw zelf was niet uitgepraat over de aandoeningen van den dag, die ze in even incorrect als vloeiend hollandsch herhaaldelijk vertelde, nu eens de handen gevouwen, dan de rechter tegen ’t hart gedrukt of de linker tegen ’t voorhoofd, uiterst démonstratief. Geber was blij, dat er niets gebeurd was op Tji-Ori, want hij gunde den Uhlstra’s geen kwaad, zelfs den zoons niet, die hij niet best lijden mocht.

Voor hemzelf was het allesbehalve een afgeloopen zaak; hoe meer hij erover nadacht, des te meer kreeg het koortsig gevoel, dat hem naar de stad had gedreven en waarvan hij in den laatsten tijd bevrijd was, de overhand.

„’t Is een eenvoudige geschiedenis,” zei Uhlstra toen hij ’s avonds terugkeerde, „maar het is een beroerd geval voor jou.”

„Hoe was het met de administratie?”

„Dat was het minst erge; tusschen het verbrande boeltje vond ik een stuk van een boek, dat nog vrij wel gespaard was gebleven, met nog een klein boekje erbij. Ik heb ze meegebracht en in je kamer laten neerleggen.”

„En overigens?”

Uhlstra moest het verhaal doen in geuren en kleuren; hoe het lijk mishandeld was en hoe de overblijfselen van het uitgeplunderde en verbrande huis daar lagen.

„Merkte je iets van het volk?” vroeg Geber.

„Wel neen, het was op Koeningan zoo rustig als in m’n achtergalerij. Verbeeld-je dat het Bestuur hier de tijding kreeg van een algemeenen opstand der bevolking; dat er troepen zijn heengezonden en soldaten op het land zijn gebivakkeerd!”

Vol verontwaardiging schudde Geber daar het hoofd over. Hij wist dat men dat gedaan had.

In den loop van den dag waren er kennissen geweest om te hooren wat er toch bij hem gebeurd was; meteen had hij toen vernomen, dat er soldaten naar z’n land waren gezonden. Onder den indruk van dat feit, eenig in de geschiedenis, zwegen allen; ze begrepen, zelfs de meisjes, wat dat beteekende.

Een moord op een opziener, niet eens een Europeaan; een rampas-partij, enfin, een opstootje tijdens de afwezigheid van den landheer, had ten slotte maar weinig om het lijf; dáárdoor werd de reputatie van een land niet erg geschaad; dáárbij bleef de waarde ervan haast intact.

Maar het groote gerucht van oproer onder de bevolking en het uitzenden van troepen door het Gouvernement,—dàt was een nekslag voor den eigenaar, die jaren noodig had om daarvan te herstellen.

„’t Is schande,” zei Roos het eerst. „’t Is net of ze het met opzet hebben gedaan.”

Verrast en vol instemming keek Geber haar aan; dat idee was bij hem ook opgekomen. Hij had nogal eens minder aangename quaesties gehad met het Bestuur en miste, bij verschil van meening, den tact van den schijnbaar veel ruweren Uhlstra, die er zich op beroemen kon, dat hij van alle elkaar opvolgende ambtenaren kon gedaan krijgen wat hij verlangde. Ze hadden allen de stille overtuiging, dat Roos het bij het rechte eind had, maar niemand sprak er verder over. Zwijgend knikten ze elkander toe, tot mevrouw Uhlstra de eerste was die opstond met een lang gerekten zucht, zachtjes zei dat het „vreeselijk en vreeselijk” was, en daarop naar haar kamer ging om zich te kleeden.

Men had daar nog maar juist den tijd voor. De groote voorgalerij was in den vooravond vol bezoekers, als hield men een openbare receptie. Iedereen kwam, door nieuwsgierigheid gedreven.

Men had de troepen zien oprukken; men had iets gehoord van moord en oproer op het land van Geber, en bij de Uhlstra’s kon men zonder twijfel het naadje van de kous te weten komen.

Geber had den hoofdambtenaar Markens, die hem ook een „condoléance-bezoek” bracht, met wien hij zeer wel was en dikwijls een partijtje maakte, ter zijde genomen en zich bitter beklaagd. En de regeeringspersoon, oud-besturend ambtenaar, anti-militair, had hem volkomen gelijk gegeven, met de belofte, z’n best te zullen doen om de soldaten zoo spoedig mogelijk terug te laten roepen en voor een zoo gunstig mogelijk verslag te zorgen in het officieele Nieuwsblad. Geber, die om dit laatste dringend verzocht had, gaf daarbij hoog op van de humane behandeling, die het volk op zijn land genoot, van de bijzondere mildheid in het toepassen van zijn rechten en in het voldoening eischen van zijn verplichtingen.

Maar toen hij in den na-avond lang gekeken had in het groote boek van Koeningan en daarna in het kleine boek van Jozef; toen hij met veel moeite het particuliere gedeelte dezer boekhouding had ontcijferd, en het verband snapte tusschen de kleine administratie en de groote, kwam een gevoel van diepe moedeloosheid over hem.

Hij zag nu in, dat het alles zijn eigen schuld was; dat zekere zorgeloosheid en een koppig vertrouwen in onbetrouwbare menschen de oorzaak waren van zijn halven ondergang. Terwijl hij, bij al zijn eigenaardigheden, zijn leven lang er naar gestreefd had eerlijk en fatsoenlijk te zijn, was er nu maandenlang in zijn naam en op zijn volmacht allerschandelijkst gestolen en geknoeid. Mistroostig zocht hij Uhlstra op en vertelde het hem, zich daarbij opwindend tot een ongewonen graad van woede, vloekend nu en dan, en met z’n vuist op de tafel slaande, maar toch zonder een scheldwoord aan de nagedachtenis van den vermoorde en, ondanks alles wat was voorgevallen, slechts dit eene op den voorgrond stellend: „Het is mijn eigen vervloekte schuld.”

En nu hoorde hij van Uhlstra het overige; vernam hij dat de vrouwen-perkara’s eigenlijk de oorzaak waren van den moord en de rest.

Het was, toen hij alles wist, haarfijn in geuren en kleuren, of alle hoop hem ontzonk.

„’t Is zoo goed als een ruïne,” zuchtte hij.

„Dat zal waarachtig wel waar zijn; we hoeven elkaar niets wijs te maken. Koeningan is op het moment zoo goed als onverkoopbaar. Gisteren sprak je van een half millioen en daar heb ik waarachtig ernstig over gedacht; op het moment, nu die heele perkara zoo is geloopen, zou ik er niet graag een ton in willen steken. Maar wees een man, ga terug, bemoei je met niets, en werk rustig voort tot, na een jaar of wat, de heele rataplan in het vergeetboek is geraakt.”

De raad was goed; ’t was eigenlijk de eenige die kon gegeven worden; Geber was daarvan ten volle overtuigd, en niettemin schudde hij het hoofd met een vies gezicht, als werd hem iets walgelijks aangeboden.

„Ik kan er niet toe besluiten.—Als ik denk dat ik nu weêr voor een jaar of vier, vijf in m’n eentje op Koeningan moet gaan zitten, dan maak ik er bij God liever met een pil nummer elf een eind aan.”

Hij kon er den geheelen nacht niet van slapen. Telkens als hij in z’n kamer heen en weer had geloopen, onrustig, zenuwachtig, zonk hij neer in een stoel, en als hij dan de oogen sloot, trachtend in te sluimeren, zag hij duidelijk de onverstoorbare figuur van Uhlstra tegenover hem zitten, en hoorde hij weêr de verschrikkelijke woorden: „Vandaag zou ik er niet graag een ton in willen steken.” Geen ton in dat mooie, vruchtbare en goed bevolkte land van meer dan vijf duizend bouws, heelemaal onbezwaard; geen ton!!

Dan dacht hij aan de som, waarvoor hij het zelf gekocht had, twintig jaar geleden; aan zijn eentonig en afgezonderd leven als verbannen uit de wereld, verstoken van zooveel dat de groote, beschaafde, europeesche maatschappij opleverde. Dat alles was voor hem verloren gegaan, die lange reeks zijner schoonste levensjaren, en nu hij op het punt stond het door arbeid vrij geworden, dus verworven landgoed te gelde te maken....

Met tranen in de oogen, tranen van medelijden met zichzelf en zijne omstandigheden, stond Geber weêr op, helderder wakker dan hij was gaan zitten; gejaagder en zenuwachtiger dan te voren. Toen het vijf uur sloeg op de groote ouderwetsche hangklok in de achtergalerij, met langzamen, zwaren slag als van een doodsklok, ging hij buiten zitten, naar afleiding zoekend in het schemeren van den dageraad en het stil gescharrel op het erf van de bedienden, die aan den waterput baadden, hun koffie dronken en hun rijst aten, vóór de ontwaakte familie allen in dienstbeweging stelde.

Van de Uhlstra’s verscheen Roos het eerst. Om naar de badkamer te gaan moest ze Geber passeeren, en verwonderd vroeg ze, toen ze hem daar zitten zag:

„Soh, al op?”

„’k Heb den heelen nacht niet geslapen,” zuchtte hij erbarmelijk, en ’t meisje, dat dit volkomen begrijpen kon, zuchtte met hem mee.

„Verschrikkelijk, ja?” gaf ze meêlijdend toe. „Veel soesah vóór alles voorbij is, en zooveel schade, zooveel schade!”

Nu het eerste verdriet bij Geber dien nacht had uitgewerkt, en hij ten slotte tegen een menschelijk wezen had kunnen klagen, kwam weêr de oude natuur bij hem boven, en verscheen, voor het eerst sedert een etmaal, op z’n gezicht de spottende trek, die daarop anders stereotiep was. Hij stond op en zei, leunend met de hand tegen een pilaar, het eene been over het andere slaande:

„Ja, Roos, ik ben nu eigenlijk een arm man. Wat je vader zei, is waar: als ik Koeningan op het oogenblik of zelfs in den eersten tijd wou verkoopen, zou het land geen ton opbrengen. Plezierig, ja?”

„Kasian,” zei ze van harte, want zij, die van kindsbeen over de prijzen der groote landerijen steeds had hooren spreken met heele of halve millioenen, doch overigens van zulke kapitalen slechts een heel vaag begrip had, vond een ton al bitter weinig, in hoofdzaak omdat haar vader en Geber zelf over dat bedrag met minachting spraken. „Kasian,” herhaalde ze. „Maar weet je wat, jij gaat naar Koeningan terug en werkt weêr teroes een jaar of wat.”

„Dat zei je vader ook, Roos, maar het is niet alles voor me, zoo moederziel alleen.”

Het verwonderde Geber, dat zij ineens doorging naar de badkamer. Zij en haar moeder hadden hem in den laatsten tijd voortdurend zoogenaamd zitten plagen met zijn oldbachelorschap, en eigenlijk had hij nu verwacht, dat ze hem zou aanraden te trouwen. Zoo’n antwoord zou hij heel natuurlijk hebben gevonden.