"Ups" en "downs" in het Indische leven
Part 3
Hij ging met zijn rug tegen den paal leunen, de armen gekruist, vlugger en beslister denkend en combineerend dan anders zijn gewoonte was. Werktuigelijk riep hij: „Ja!” toen mevrouw Uhlstra, die intusschen opgestaan en in het halfduister der achtergalerij was, in een roode overkabaja met zwart fluweelen omslagen, hem toeriep, dat zijn kop koffie stond te wachten. Maar hij kwam zoo spoedig niet. Het voor en tegen stond hem duidelijk voor den geest.
„Je koffie wordt koud!” riep nogmaals de vrouw des huizes en weêr antwoordde hij: „Ik kom,” maar hij verroerde geen vin.
Wel zeker, het was de beste oplossing; in alle opzichten de beste, en toen Roos uit de badkamer terugkwam, keerde hij zich om, terwijl ze hem voorbijging, hield haar vast bij den arm en met een poging om grappig te zijn, al lachend:
„Zeg Roos, wil jij m’n administrateur worden?”
„Loop rond,” riep ze, ook lachend, den dikken arm lostrekkend uit zijn magere hand en met een sprongetje de trapjes opwippend naar boven. Geber hield in z’n hand nog ’n oogenblik een gevoel, dat nu juist geen dichterlijke aandoening bij hem opwekte; een koud gevoel, net of hij een visch in de hand had gehouden; doch daar lette hij maar weinig op, geheel bezig met het groote besluit, dat hij daareven eigenlijk heel onverwacht genomen had.
Moeilijk werd het hem niet gemaakt. Roos, die heel goed begreep, dat er meer stak achter het plan om haar tot administrateur te benoemen, had dadelijk aan haar moeder verteld „dat hij beet.” ’t Viel in het oog dien ochtend, dat Geber zich gekleed had, zorgvuldiger dan anders z’n gewoonte was; dat hij zich netjes had geschoren en z’n knevels had opgekruld; dat hij heel bijzonder naar Roos keek, die deed of ze het niet merkte, en dat hij het nu was, die telkens sprak over trouwen, terwijl de dames het onderwerp zorgvuldig vermeden.
Toen Uhlstra na het ontbijt z’n brieven was gaan schrijven, zat Geber op een gegeven moment alleen achter met Roos; den jeune premier te spelen ging boven z’n krachten; hij vond dat, bij hun verhouding en tegenover zijn omstandigheden, ook bespottelijk.
Familiaar ging hij naast haar zitten, terwijl ze ijverig borduurde, nam haar hand en vroeg doodeenvoudig of ze met hem wou trouwen en meê wou gaan naar Koeningan.
Zij ademde wel een oogenblik een beetje dieper dan gewoonlijk, wat men duidelijk zien kon aan de beweging harer zeer ontwikkelde buste, maar ze antwoordde even eenvoudig en leuk als hij gevraagd had, dat zij erin toestemde en hij maar spreken moest met haar vader. Hij vond het zeer natuurlijk, dat hij haar toen een zoen gaf, maar keek ervan op dat hij er een terugkreeg, niet alleen zonder blooheid, maar ’n zoo goed europeesche als hij zich slechts herinnerde ééns gehad te hebben, in de twintig jaren, geheel doorgebracht in het binnenland, waar hij zich voornamelijk had bepaald tot een inlandsche menagère, die hij vermeende, buiten den striktsten en meest onvermijdelijken dienst, op een afstand te moeten houden, zonder liefkoozingen of familiariteiten.
Geber kon niet anders zeggen, of het viel hem erg mee, nu eenmaal de kogel zoover door de kerk was; doch wat hem tegenviel was het gezicht van z’n ouden sobat, die van den prins geen kwaad wist en niets vermoedde toen Geber bij hem kwam met het aanzoek.
Uhlstra zag er van weerskanten een speculatie in, en schoon zelf uiterst practisch, had hij in zulke aangelegenheden daar een hekel aan. Hij trok den breeden mond zeer onvriendelijk samen, keek voor zich op zijn lessenaar, zei kortaf dat het hem hoogst eigenaardig verraste, maar dat hij niet dadelijk kon besluiten en Geber binnen vierentwintig uren een beslist antwoord zou geven.
Toen Geber, tamelijk afgebluft, terugging naar z’n kamer, liep Uhlstra betoel boos naar zijn vrouw om haar rekenschap te vragen. Zij was daar in het geheel niet bang voor en Roos, die geroepen werd en tot haar verbazing zag dat papa het niet zoo dadelijk goedkeurde, steunde haar moeder krachtig. Eigenlijk was er tegen het huwelijk ook niets te zeggen, dan dat Geber twintig jaar ouder was dan zijn aanstaande, en of dit een voordeel was of een nadeel, behoorde tot de onuitgemaakte zaken en zou dat wel altijd blijven, zoolang de opinies er zoo over uiteenliepen.
Bij Uhlstra week het aanvankelijk op den voorgrond gedrongen gevoel al pratend terug, terwijl verstand en berekening zich sterker deden gelden; ten slotte moest hij erkennen, wat dien ochtend vroeg Geber van den anderen kant had bepikerd: dat het nog de beste oplossing was. Het eenige wat hem nu verwonderde, was, dat hij dit niet dadelijk had ingezien. Zonder verwijl zocht hij Geber op en gaf hem lachend een harden stomp op z’n schouder.
„Ik zal er maar geen vierentwintig uur overheen laten gaan,” riep hij met z’n luide stem. „Trouw voor mijn part met Roos, en ik mag lijden dat het jullie goed gaat.”
„Waarom zou het niet gaan? Wij hebben het immers samen ook altijd uitstekend kunnen vinden in en buiten zaken.”
„Dat is waar,” stemde Uhlstra toe, en knippend met zijn slimme, scherpe oogen, voegde hij er bij: „Twee joden weten wat een bril kost.”
Het was een goede zaak, meende men algemeen, voor beide partijen, Koeningan redresseerde zich ineens door dit huwelijk. ’t Had anders heel wat sensatie op de plaats teweeggebracht, dat bericht van den moord! Iedereen sprak de eerste dagen van de „opstandelingen”; het sluitwerk aan deuren en vensters werd overal beter voorzien en er ontstond een levendige vraag naar het artikel revolvers. Maar de „burgerlijke en militaire autoriteiten”, die met de soldaten op het land kwamen, vonden op het „tooneel van den opstand” tot hun groote verwondering alles in de meest volkomen rust.
Intusschen kon men, eenmaal den sterken arm erbij gehaald hebbend, er moeilijk toe overgaan de soldaten onverwijld terug te zenden, al begreep iedereen hoe overbodig ze daar waren. Het gerechtelijk onderzoek had de arrestatie van een half dozijn opgezetenen ten gevolge; Uhlstra en zijn zoon hadden echter voor de nagedachtenis van den vermoorde zoo verpletterende mededeelingen gedaan, en er kwam bovendien nog zooveel misdadigs ten laste van nu wijlen Jozef aan ’t licht, dat zich al heel spoedig een meening en een overtuiging vormden, gunstig voor de van schuld verdachten.
VIERDE HOOFDSTUK.
MAMA TJANG.
Geheel tegen de gewoonte was de verloving zonder feestelijkheden bekend gemaakt. Geber was naar z’n land teruggekeerd om alles in ’t reine te brengen; allen vonden dat de laatste restjes van die leelijke perkara eerst uit de wereld moesten zijn.
En dan, er viel bij de Uhlstra’s dadelijk een geweldige drukte in. Het uitzet van Roos nam haar moeder, haar zelf en haar zusters heelemaal in beslag; er werd gecorrespondeerd met het buitenland, want er moest ook veel uit Parijs bij zijn; elken dag was het tokobezoek; buitengewone naaisters werden aangenomen, en de ruime achtergalerij leek soms zelf een toko, zóó stond het overal vol met witte en blauwe bordpapieren doozen, stapels tafelgoed en allerlei gekleurde en witte goederen, die men meende dat de aanstaande mevrouw Geber hoog noodig had om buiten te wonen, alleen met haar man. Te midden van die drukte, door Uhlstra van harte verwenscht, kwam een briefje, dat allen deed opschrikken en waarboven, dicht tegen elkaar, de zwartgelokte hoofden der dames zich belangstellend vereenigden.
„Wat is het?” vroeg Uhlstra, die op het achtererf z’n planten had verzorgd en op zijn bloote voeten de marmeren galerij binnenkwam.
„Kasian,” riep zijn vrouw, „het is een briefje van Clara; we moeten er dadelijk naar toe.”
„Wat is er dan nu weer?” was de tweede, niet zeer vriendelijke vraag.
„Kasian, vent, de oude vrouw is zoo raar.”
Hij bromde iets binnensmonds, haalde de schouders op en ging naar z’n kamer.
„Je gaat toch zeker ook even kijken!” riep hem z’n vrouw achterna.
„Merci!” riep hij terug. „Ik zal straks van jullie wel hooren of het de moeite waard is.”
„Hé,” zei mevrouw Uhlstra tegen haar dochters, „met landauer, ja! en dan gauw een schoone kabaai aan.”
Zij reden het erf op van een huis, mooier en grooter nog dan het hunne, hoog uit den grond, sierlijk ingericht met europeesche heele en halve ameublementen, keurig onderhouden. Maar ze gingen niet het hoofdgebouw binnen, en reden ineens door naar achter, waar een niet meer jonge, maar slanke en knappe indische dame haar ontving, het bezoek blijkbaar verwachtend.
Men kuste elkaar met groot betoon van hartelijkheid, een zweem van droefgeestigheid op de gezichten.
„Hoe is het met haar?” vroeg mevrouw Uhlstra zacht, als moest er buiten gefluisterd worden om de rust eener doodzieke niet te storen.
„Kom maar eens meê kijken; de dokter heeft gezegd, dat het wel gauw zal afloopen.”
Fluisterend onder elkaâr, liepen ze voort door de lange galerij der bijgebouwen, en gingen eene kamer binnen, waaruit een sterke lucht kwam van indische oliën en medicijnen. De vensters waren gesloten en in ’t schemerdonker teekenden tegen den witten muur zich de vormen af van allerlei voorwerpen, indische en europeesche; een vreemde verzameling goedkoope inheemsche dingen van dagelijksch gebruik, van bamboe en rottan, waartusschen marmeren knaapjes, mooi vergulde vazen en andere artikelen van weelde wonderlijk afstaken. En achter in het fond van het ruime vertrek op een gewone baleh-baleh, die omringd was door een fraai kanten met rood lint opgenomen klamboe, lag op een mat een oude inlandsche vrouw, mama tjang. Mager en gerimpeld, doodstil en met gesloten oogen, de handen op de borst als een mummie, die daar eeuwen had gelegen en geheel was uitgedroogd. Toen zij de stemmen hoorde, gingen hare groote oogen wijd open en haar blik, helder en vast, gaf aan het masque ineens de geheele uitdrukking van leven terug. Mevrouw Uhlstra ging dadelijk naar haar toe en vroeg, zich neerlatend in een lederen armstoel naast het geïmproviseerde ledikant, in het maleisch met groote belangstelling naar de gezondheid van mama tjang, die dadelijk bewees, dat zoo het haar aan goede oogen niet ontbrak, ook haar spraakvermogen haar niet in den steek had gelaten. Op een zachten jammertoon, snel pratend maar telkens afgebroken door diepe ademhalingen, als kostte het haar moeite en kon zij haast niet meer, beklaagde zij zich bitter. Men veronachtzaamde haar: niemand keek meer naar haar om; een arm oud mensch in den kampong had het beter dan zij; ze wou dat ze maar dood was; ze zou ook wel gauw dood gaan, dan was ze niemand meer te veel; dan had niemand meer last van haar; dan kon men haar begraven in de aarde; dan was men van haar af. Mevrouw Uhlstra kende dat lied, zij wist hoe haar zuster Clara, ondanks de donderende protesten van Lugtens, haar man, mama tjang verzorgde en liet oppassen, doch zij sprak maar niet tegen, nu en dan, zachtjes en opbeurend, haar met een enkel woord in de rede vallend. Ook Roos en haar zusters waren bij het bed komen staan en spraken meê in dien trant, alles in het maleisch, de een door de ander, met tranen in de oogen over het lamenteeren der oude vrouw, wier slapen ze met eau de cologne verfrischten, terwijl twee baboe’s als steenen beelden op den grond zaten, zonder een vin te verroeren wanneer het haar niet werd gelast. Toen de dames na een half uur ongeveer weer buiten kwamen, bliezen ze van de benauwdheid in de ziekenkamer.
„Ga even binnen,” zei mevrouw Lugtens, met haar waaier naar het hoofdgebouw wijzend, „Jacques is thuis.”
Fatsoenshalve kon mevrouw Uhlstra niet nalaten haar zwager te gaan groeten; voor haar genoegen deed ze het niet; ze was veel liever naar huis gegaan; ze steeg, gevolgd door de meisjes, met loome schreden de hooge trap open volgde haar zuster, door de prachtige zaal, die het middengedeelte van het huis vormde, in een der kamers, waar Lugtens aan den glimmenden cylinderlessenaar zat te schrijven. Met iets in haar houding, dat deed denken aan een aanstellerig uiterlijk vertoon van beslistheid, trad zij binnen.
„Zoo!” begroette Lugtens haar, stug en uit de hoogte. „Hoe gaat het?”
„O, heel goed; we hebben het erg druk, nu Roos gaat trouwen.”
„Wanneer moet dat gebeuren?”
„Er is nog geen dag bepaald, maar toch binnen een week of zes....”
Hij keerde z’n gezicht naar Roos; haar en de meisjes had hij toen ze binnenkwamen met een rondgaanden hoofdknik begroet. Zijn „zoo” gold voor allen te gelijk.
„Je doet daar een goed huwelijk, Roos!”
Zijn scherpe grijze oogen keken vlak in de hare met iets in z’n trekken dat haar verlegen en zenuwachtig maakte, en dat het haar moeder ook altijd deed; maar evenals deze zette zij zich schrap, haar best doende zich tegenover oom Lugtens niet bingoeng te toonen.
„Vindt u?” vroeg ze glimlachend en vriendelijk.
„Zeker, zeker.... het is een goed land, en Geber is een zeer geschikt man.”
„Ja,” kwam mevrouw Uhlstra er met gedwongen vroolijkheid tusschen, „de heeren, die met elkaar homberen, houden elkaar altijd de hand boven ’t hoofd.”
Haar opmerking kreeg geen ander antwoord dan een schuinen nijdigen blik, en Lugtens vervolgde, alsof ze niets gezegd had, tegen Roos:
„Je weet hoe het op het land gaat, en je kent de taal goed; dat zijn ook twee voorname dingen.”
„Ja, oom.”
Roos wist waarlijk niet wat ze er anders op moest zeggen; zij had haar aanstaand huwelijk nog niet hooren beschouwen dan qua zaak.
„Nu,” zei mevrouw Uhlstra. „We komen je maar even groeten, want we moeten weêr gauw naar huis.”
„En ik heb ook de handen vol. Adieu dus en groet je man van me.”
Weêr knikte hij eens even in het rond, een algemeenen korten groet, en de dames gingen, mevrouw Uhlstra met een kort uitgestooten „Dag!” blij, dat ze het kantoor weêr uit was. Beneden aan de trap der achtergalerij lei ze haar eene hand op haar hart en sloeg haar groote zwarte oogen op naar boven, vol wanhopige ergernis, met de andere hand den pols vattend harer zuster, terwijl ze fluisterend zei als bang door anderen gehoord te worden:
„Wat een nare vent is het toch, Claar! Hoe is het mogelijk, dat je met hem leven kunt? Ik hield het geen vierentwintig uur bij hem uit!”
„En ik heb het al twaalf jaar bij hem uitgehouden,” zei haar zuster met een pijnlijken trek om den mond, „maar het is me nooit zoo moeilijk geweest als in den laatsten tijd, nu met die ziekte van de oude vrouw.”
„Zanikt hij daar nog altijd over!”
„O, Leen, houd-je stil; daar maakt hij me den heelen dag het leven zuur meê.”
Mevrouw Uhlstra keek haar zuster met innig medelijden aan.
„Ik ben er maar niet over begonnen; de mijne is er ook nooit over te spreken, maar zoo’n bullebak als die Jacques....”
De meisjes hadden haar tante al goeden dag gezoend, en riepen uit den landauer haar moeder.
„Nu,” zei deze, van mevrouw Lugtens afscheid nemende, „als er iets is, laat je me maar roepen, ja?”
Lugtens was rustig voortgegaan met zijn correspondentie; regelmatig en netjes, zijn volle aandacht bij het werk, schreef hij met de blijvende barsche uitdrukking op z’n gezicht, het type van een kalm despoot. Zóó kende men hem overal in Indië. Hij stond al veel jaren aan het hoofd eener groote maatschappij, die hij zelf had georganiseerd; die hij bestuurde met ijzeren hand; in wier dienst zijn wil wet was, en die hij door zijn bekwaamheid, tact en toewijding tot grooten bloei had gebracht. Niemand hield van hem. In zijn breeden kop, als met korte, forsche houwen uit één stuk geslagen, lag de grootste onverzettelijkheid uitgedrukt, en schoon hij baard noch knevels droeg, altijd zorgvuldig geschoren, was zijn gezicht met krachtige trekken langs den neus en om den mond, mannelijk en flink, als van een oud romeinsch imperator. Thuis te zijn of in dienst zijner maatschappij maakte voor hem weinig verschil; zijn vrouw, zijn kinderen of zijn ondergeschikten op het kantoor,—ze hadden allen maar één ding te doen: hem te gehoorzamen; en ze vreesden hem hier niet minder dan daar. Toen hij klaar was en zijn correspondentie gesloten had, ging hij naar achteren, rondziende als iemand, die inspectie houdt en zoekt naar een gelegenheid om aanmerkingen te maken. Maar Clara was in den dienst van haar huwelijk volkomen gedresseerd; nu, als altijd, was het stil in huis, stond alles op zijn plaats, netjes en tot in ’t overdrevene zindelijk.
„Ze zijn daar straks zeker allen achter geweest,” zei hij tegen haar.
„Ja, de oude vrouw is erg naar.”
„Zoo, is ze alweêr erg naar? De gewone kunstjes natuurlijk! Je hebt me hier wat op m’n dak gehaald; ditmaal is het voor ’t laatst; zoo gauw ze beter is, is het uit.”
Clara liet hem praten; in dat ééne opzicht weêrstond ze hem, en ofschoon er geen dag omging, zonder dat ze de onaangenaamste dingen daarover hooren moest, had ze toch volgehouden en was ze nu ook vast besloten voor de oude inlandsche moeder in haar eigen huis te blijven zorgen.
Terwijl hij doorsprak op den nurkschen, bevelenden toon, met hatelijkheden en verwijten, reed een klein rijtuig door de poort het achtererf op; voor het nog heelemaal stilstond, sprongen er twee jongens en twee meisjes uit. Het waren de kinderen van Lugtens, die uit school kwamen en vroolijk, rumoerig en luidruchtig de trap opholden. ’t Was of ze verschrikten, toen ze zagen dat hun vader thuis was, zóó stil werden ze ineens, zóó rustig liepen ze, een bezorgden blik op de schoolboeken, die ze in de hand hielden en met de andere de petten rechtzettend en de haren gladstrijkend. Alleen het kleinste meisje ging gewoon door; het scheen niet in die mate den invloed te ondergaan, dien het gezicht van den vader op de anderen maakte, en zij was ook de eenige, die hij eigenlijk teruggroette, blijkbaar zijn best doende uit zijn brusken toon in een meer vriendelijken en zachtzinnigen te vallen.
Er was toch niets bijzonders aan dit kind, blank en blond als de anderen, geheel het Lugtens-type, zonder eenigen schijn der inlandsche herkomst van moederszij.
Wat mevrouw Uhlstra, tante Lena, niet had gedurfd, deed de kleine Lena dadelijk: ze vroeg naar mama tjang, en toen haar moeder, aarzelend en bevreesd voor nieuwe uitvallen van haar man, zei dat ze erg ziek was, weifelde het kind geen oogenblik, maar ging, zonder zich om haar vader te bekreunen, met den vasten tred en de rechte houding, die Lugtens kenmerkten, naar achteren.
De andere kinderen waren dadelijk in de kamers geslopen, liefst buiten een onmiddellijke, minder aangename nabijheid.
Met de oogen wijd open en strak gericht op de deur lag mama tjang te wachten; zij had de kinderen hooren thuiskomen, in de verte, en toen er een naderde en de deur van haar kamer opendeed, wist ze wel dat het kleine Lena was. In haar oud, bruin perkamentachtig gezicht kwam leven en ontspanning; toen het kind op den rand van de baleh-baleh zat, nam ze het witte handje in haar bruine vingers. Zij mopperde nu niet, dat niemand naar haar omzag, en men haar verwaarloosde.
In het maleisch, vlug babbelend met veel gebaren, vertelde het kind van haar school, van de andere meisjes, van de verhaaltjes uit haar leesboeken, al maar door pratend, wel een kwartier lang. Mama tjang zei nu en dan een woord ertusschen of deed een uitroep, maar ze keek maar altijd door naar het kindergezicht, het handje streelend, dat ze niet losliet, en strijkend over het blonde krullende haar. Niemand wist van deze gewone inlandsche vrouw, dat ze daar aan huis het genadebrood bleef eten, eenig en alleen om dat kleinkind. Voor haar zelf had ze veel liever een woninkje gehad in den kampong. Herinneringen had ze op haar ouden dag hoofdzakelijk nog alleen aan haar eerste jeugd, en daarmeê was de kampong één. Een groot verlangen voelde ze naar een stil, rustig erfje, waar de kippetjes rondpikten tusschen de pisang- en de mangaboomen, naar zoo’n bamboezen huisje in de schaduw, met een atappen dak en zoo maar neergezet op de bloote aarde. Zij had het kunnen krijgen, o zoo graag! Zij wist heel goed welk een bron van ongenoegen haar wonen was in het huis van Lugtens, en ze was daar erg boos om; op haar manier verontwaardigd; maar als ze dan dacht aan het ééne kleinkind, dat ze verlaten moest, dan was al het andere weg.
Haar dochters verzorgden haar; als zij dachten de oude met iets genoegen te kunnen doen, brachten ze het mee; de kamer leek wel een uitdragerij van mooie, kleurrijke dingen, die zoowat overal stonden in bonte verwarring; het liet haar koud; ze gaf er niet om; maar de minste kleinigheid, die ze kreeg van dat ééne kleinkind, een oud lintje, een prentje of iets anders zonder de minste waarde, behandelde ze of het een schat was; sloot ze zorgvuldig weg, netjes alles bij elkaar in een bundeltje in een lâ van haar eigen kast.
Het schoot haar nu weêr te binnen, dat Lugtens het Clara zoo moeilijk maakte, en te gelijk dat zij zoo dikwijls het verlangen voelde om terug te gaan naar den kampong, waaruit ze afkomstig was.
„Waarom blijf ik hier,” zei ze als in zichzelf.
„Waarom?” vroeg kleine Lena, die daar dadelijk antwoord op gaf, „wel omdat je hier woont net als wij.”
Maar mama tjang schudde van neen.
„Ik woon hier niet, kind; je vader woont hier en die is boos op me.”
„Dat geloof ik ook,” zei Lena heel wijs, „maar waarom is hij boos op mama tjang?”
De oude kon er geen antwoord op geven; ze wist het wel, maar ’t kind zou het toch niet begrijpen, dacht ze; wat mis was, want Lena dacht er het hare van en sloeg den spijker aardig raak; ze ging naar haar vader, die weêr in z’n kantoor aan ’t werk was. Toen hij even opkeek, vroeg ze met grooten nadruk:
„Papa, waarom bent u toch zoo boos op mama tjang?”
Verwonderd richtte hij zich op. Niemand anders hier in huis dan dat kleine ding zou den moed hebben gehad; schoon hij dikwijls op het punt stond Lena af te snauwen, zoo barsch en uit de hoogte als hij gewoon was, kon hij er nooit toe komen. Daarbij had hij plezier in haar onbeschroomdheid, alsof het voor zijn aard een behoefte was althans op de een of andere wijze over zich den baas te laten spelen. Hij vond er iets grappigs in, dat die kleine blonde krullebol zoo niks bang voor hem was, hem zoo heel gewoon aandurfde.
„Ik ben niet boos,” zei hij en wou weêr aan ’t werk gaan; doch hij zou er zoo gemakkelijk niet afkomen. Ze kwam vlak naast hem staan, haar arm familiaar op z’n schouder.
„U bent wèl boos, pa; u vindt het niet goed dat ze hier woont in de bijgebouwen.”
„Och,” zei hij, de wenkbrauwen fronsend, „je moet niet lastig wezen.”
Hij zei dat heel gemoedelijk voor zijn doen; net alsof hij sprak tot een volwassen mensch, erbij voegende:
„Je weet wel dat papa niet houdt van inlandsche menschen.”
„Ze kan het toch niet helpen, pa; ze is toch mama’s eigen moeder.”
„Jawel, jawel,” knorde hij in ’t nauw gebracht, „maar ik houd er nu eenmaal niet van.”
„Mama moet toch voor haar zorgen? U zoudt immers ook zorgen voor uw eigen moeder?”
Lugtens lei zijn pennehouder neer op den grooten zilveren inktkoker, verschietend van kleur, de lippen vast op elkaar geklemd, rechtuit kijkend in de ruimte zonder te zien. Neen, hij had niet gezorgd voor z’n eigen moeder, die al jaren dood was, gestorven in de diepe armoede van den kleinen stand eener groote stad!