"Ups" en "downs" in het Indische leven

Part 1

Chapter 13,819 wordsPublic domain

„UPS” EN „DOWNS” IN HET INDISCHE LEVEN

DOOR MAURITS

GOEDKOOPE UITGAVE BATAVIA—G. KOLFF & Co. AMSTERDAM—LOMAN & FUNKE. 1893

INHOUD.

HOOFDSTUK. BLADZ.

I. „VOOR VIJF TON IS HET JOU!” 1 II. JOZEF EN ZIJNE VIJANDEN 7 III. NA HET OPROER 15 IV. MAMA TJANG 22 V. „WEL, DIE TANTE CLARA!” 30 VI. STEKEN ONDER WATER 40 VII. LIEVE JONGENS! 48 VIII. MEVROUW UHLSTRA NAAR KOENINGAN 53 IX. TANTE JANSEN 59 X. PESSIMISTISCHE OVERDENKINGEN 66 XI. HET FEEST 70 XII. DE TWEEDE DAG 78 XIII. HOE DE „KINDEREN” ZICH AMUSEERDEN 84 XIV. KOMEN EN GAAN 90 XV. ZELFMOORD-PHANTASIEËN 95 XVI. GEBER EN CLARA 99 XVII. WAT DE MENSCHEN ERVAN ZEIDEN 104 XVIII. CLARA WEER THUIS 111 XIX. BIJ DEN CHINEES 114 XX. ROOS GEWAARSCHUWD 117 XXI. EEN TRAGISCH EINDE 124 XXII. DE PSEUDO-PRINS VAN JAVA 132 XXIII. MIJNHEER HUNZMAN 139 XXIV. „’N COMPLETE JONGE DAME!” 145 XXV. SPECULEEREN 151 XXVI. ROOS DOET ZAKEN 162 XXVII. EEN SOLLICITANT-ECHTGENOOT 172 XXVIII. VERLIEFD 178 XXIX. DE SOLLICITANT IS GESLAAGD 189 XXX. FREDDY EN EDDY 196 XXXI. DE INVITATIE 201 XXXII. HOE FREDDY DRIEHONDERD GULDEN VERDIENT! 207 XXXIII. „’N MOOI PAAR, JA?” 214 XXXIV. HET FAILLISSEMENT 221 XXXV. GELDZAKEN 230 XXXVI. OP WEG NAAR HUIS 238 XXXVII. DE VERLOVING 243 XXXVIII. VERSCHILLENDE BEZOEKEN 250 XXXIX. NIEUWE MISÈRES 256 XL. DE BENGAALSCHE KOE 263 XLI. ACHTERUITGANG 276 XLII. SLOT 286

EERSTE HOOFDSTUK.

„VOOR VIJF TON IS HET JOU.”

Nu er dien vooravond toch geen visite werd verwacht en geen bezoek werd gebracht, was mevrouw Uhlstra met haar dochters gaan toeren in den helderen maneschijn.

Ze waren het uitgaan en het ontvangen van „menschen” zoo gewoon in den laatsten tijd, dat het haar toescheen alsof er een ziek was van de familie, wanneer ze rustig bij elkaar bleven zitten zoo’n heelen avond. De oude heer ging niet meê: hij hield z’n logé gezelschap. Veel spraken die twee samen niet. Ze kenden elkaar al zooveel jaren!

Hun landgoederen werden slechts gescheiden door een smalle rivier, die ze indertijd overbrugd hadden om gemakkelijk bij elkaar te kunnen komen, voor een praatje of een partijtje. Zóó hadden ze op het land geleefd, vele jaren, als goede buren; nu en dan in heftigen twist over kleinigheden, waarop al heel gauw de hartelijkste verzoening volgde,—met ’n groote fuif; dat was usance! Maar Uhlstra had er ten slotte den brui van gegeven. Ofschoon flink en krachtig en kerngezond, had hij op z’n vijftigsten verjaardag gezegd, dat het nu wèl was. Zijn halve leven had hij gesleten op zijn land; zijn oudste zoon was meerderjarig en kon hem thans goed vervangen in het beheer; geld hadden ze genoeg en de meisjes, die groot waren geworden, meenden ook dat het veel prettiger zou zijn in de stad te leven.

Toen had hij zich het mooie huis laten bouwen, dat hij nu bewoonde; een open huis, in alle beteekenissen, want hij logeerde er niet enkel z’n vrienden, maar ook hun vrienden, en menigmaal herbergde hij met de grootste jovialiteit jonge menschen, die hij nooit had gezien, enkel op een briefje van een ouden sobat uit Europa of uit de binnenlanden; een „inkwartieringsbiljet”, zooals hij dat luid lachende noemde.

Daareven had hij een langen brief gekregen van Henri, z’n zoon, den administrateur; een brief, die van A tot Z liep over zaken; over den padioogst, die juist binnen was, over de prijzen en hoeveelheden van hun koffie, over de paarden, de koeien, den toestand van loodsen en gebouwen.

Hij had z’n bril er voor opgezet, en keek aandachtig door de groote ronde glazen naar de met zwaar schrift bedekte vellen papier, in een gevoel van rustige tevredenheid en de overtuiging, dat het alles in zoo goede handen was, als stond hij zelf nog aan het hoofd.

Met een enkel woord schreef Henri over het land van Geber, die nu de gast was der familie en aan den anderen kant van de tafel zat, in nachtbroek en kabaai, op een langen stoel, bladerend in een tijdschrift, achteloos de prentjes bekijkend.

Uhlstra bergde den brief eerst weg in z’n kantoor, zorgvuldig achter slot; toen hij terugkwam, lei hij zijn armen op de tafel, leunend met zijn bovenlijf op het marmeren blad, wrijvend met z’n stompe vingers in den grijzenden stoppelbaard, terwijl hij met een zekeren ernst op z’n donker gezicht naar Geber keek, als iemand die wel iets zou willen zeggen, maar aarzelt ermeê voor den dag te komen.

„Wat kijk je me aan?” vroeg de ander, het tijdschrift met een smak op het tafelblad werpend.

„Ik heb een brief van Henri.”

„Zoo,” zei Geber, zonder belangstelling, terwijl hij een ander tijdschrift uit de volle leestrommel vischte, die naast hem op een stoel stond. „En hoe gaat het?”

Uhlstra knikte, wachtte een oogenblik, alsof hij in twijfel stond.

„Goed,” zei hij toen. „Alles marcheert uitstekend.”

„En is hij nog eens bij mij gaan kijken?”

Uhlstra nam een sigaar uit het open kistje, dat op tafel stond. Hij stak haar aan, langzaam om tijd te winnen, zich bezinnend alvorens iets te zeggen dat minder aangenaam was, en opstaande, liep hij een paar keer, met de groote stappen van een man, gewoon zoo spoedig mogelijk verre afstanden te voet af te leggen, over het marmer van den vloer der achtergalerij, zwaar trekkend aan zijn sigaar en met breeden armzwaai, telkens als hij die uit den mond nam.

„Nou?” vroeg Geber verwonderd, maar op spottenden toon en al kijkend over het blad, dat hij in de hand hield. „Er is toch niets aan den knikker?”

„Dat zal ik niet zeggen; maar ik geloof toch, dat het tijd voor je wordt zelfs eens te gaan kijken.”

Geber liet het blad op z’n knieën zakken, leunde z’n hoofd achterover tegen den rug van den stoel, met een trek van verveling en landerigheid op zijn gezicht.

Geen oogenblik kwam het bij hem op, dat hij, als gast, bij Uhlstra te veel was. Een paar maanden te voren, toen hij nog op z’n land woonde, raakte hij aan het sukkelen; hij was aanhoudend koortsig, met een onaangenaam gevoel van onwel zijn, zooals Europeanen in Indië dat hebben kunnen; daarom was hij naar de stad gegaan, had bij Uhlstra zijn intrek genomen en zich onder dokter’s behandeling gesteld. Men had hem al heel gauw zoowat „opgeknapt,” en het vroolijke leven dáár aan huis, de vele partijtjes en de gezellige omgang met tal van oude en nieuwe vrienden, hadden hem heelemaal „ingepakt”. Hij zag er dan schrikkelijk tegen op, terug te gaan naar z’n landhuis; het was mooi; het was comfortabel; hij kon zich alles verschaffen wat hij maar wou,—maar hij zat er als ongetrouwd man erg eenzaam. En met de jongere editie der Uhlstra’s, zijn naaste buren, kon hij zoo niet opschieten. De brug over de kali was door een bandjir weggeslagen; niemand sprak ervan een nieuwe te laten bouwen. „Kijk ’reis,” zei Uhlstra, zijn breede figuur in rust zettend vlak voor den stoel van zijn ouden sobat. „Je begrijpt, hoop ik, dat het niet is om je weg te hebben...”

Geber haalde de schouders op, alsof hij wou zeggen dat dit nu al te gek was. „Nou,” vervolgde Uhlstra, „dan moet ik je zeggen, dat wat Henri schrijft me in het geheel niet aanstaat. Die Joop......” Maar Geber viel hem in de rede. „Ja,” zei hij, „och, dáár hoef je me eigenlijk niks van te vertellen; daar weet ik alles van! Henri kan hem niet uitstaan; het hindert hem, dat Jozef bij mij den baas speelt, en net gelijk is aan een administrateur. Voilà! Het is een beste jongen, je zoon Henri, dat is zeker, maar als hij van Joop begint....”

„’t Is mogelijk,” zei Uhlstra. „Eigenlijk schrijft hij niets over hem, ten minste niet rechtstreeks. Hij heeft alleen gehoord, dat de bevolking niet tevreden is en daarvoor meen ik je te moeten waarschuwen.”

„Tevreden, tevreden! Dat zijn die kerels toch nooit. Nu, ik zal bij gelegenheid eens gaan kijken. Bij mij hebben ze anders nooit gemopperd.”

„Dat weet ik, en daarom is het juist een leelijk ding... Als het hek van den dam is.....”

Geber lachte een beetje kwaad.

„Daar heb je ’t al! Jij bent in dat opzicht net als je zoon. Al is Joop geen Europeaan—hij is een vent, die den boel door en door kent en van alles zoo goed op de hoogte is als iemand maar wezen kan. Het hek is dan ook in ’t geheel niet van den dam.”

„Soedah,” zei Uhlstra, „het zijn je eigen zaken, kerel.”

Terwijl hij voor beiden een bittertje klaarmaakte, brak hij het gesprek af, en het op wat anders gooiend, vroeg hij luchtig weg:

„Is er wat nieuws in de trommel?”

Ze bekeken nu samen de illustraties, pratende over onverschillige dingen, voorstellingen van gebouwen, afbeeldingen van staatslieden, reproducties van schilderstukken, en wat er al zoo meer voorkwam, tot de dames terugkwamen en een luid vroolijk gesprek over allerlei voorvalletjes op de plaats, verloopend in onbeduidendheden, zich ontspon tot na tafel, juist als bij andere gewone menschen, zonder bijzondere neigingen of groote ontwikkeling, maar die het goed en royaal hebben en buiten materieele zorgen door het leven gaan. Intusschen was Geber maar weer blij, dat het eten vrij spoedig afliep en de dames vroeg naar bed gingen. Hij had in den laatsten tijd meenen op te merken, dat mama Uhlstra en haar oudste dochter Roos hem niet meer behandelden gelijk vroeger, en zooals hij, een oud huisvriend, het gewoon was.

Het scheen dat ze een nieuwe hoedanigheid in hem ontdekt hadden, en voor z’n persoon was hij met die ontdekking verre van ingenomen. Ze waren begonnen, ineens en als door een wederzijdsche ingeving, met allerlei kleine opmerkingen, vragen en plagerijen, die altijd hetzelfde onderwerp tot doel hadden: trouwen. Dat geen haar op z’n hoofd eraan dacht, kon hij niet zeggen, want hij bezat nog slechts hoofdhaar aan de kanten, doch dat hij zou sterven zoo ongetrouwd mogelijk, stond bij hem als een paal boven water. Maar of hij dit al te kennen gaf openlijk en in bedekte termen tot vervelens,—de dames bleven onverstoorbaar aan haar idee vasthouden. Het werd met den dag duidelijker, dat ze een huwelijks-candidaat in hem zagen voor de donkere oudste dochter. Hoe onpleizierig hij het ook vond, schertste hij aan tafel maar dapper meê, met een spotzieker gezicht dan ooit, van tijd tot tijd zijn fletse blauwe oogen eens latende rusten op Roos, bij zichzelve met de gedachte, dat als hij er dan toch een zou willen nemen zóó donker, die veel gemakkelijker en minder kostbaar onder de inlandsche bevolking was te vinden.

Toen hij en Uhlstra dien avond voor de digestie nog wat op en neêr wandelden voor het erf, dachten ze allebei aan hetzelfde: hun kort gesprek in den vooravond, en het vervolgde altijd door op dezelfde manier en zonder dat een hunner afkwam van zijn eerste denkbeeld.

„Weet je wat,” zei Geber ten slotte, „ik verlang naar Europa, en ik wou, dat ik van den heelen boel af was!”

„Me dunkt dat is zoo moeilijk niet.”

„Je meent dat ik het land kan verkoopen.”

„Natuurlijk zou je dat kunnen.”

Geber stond plotseling stil, als iemand, die een nieuw denkbeeld krijgt.

„Wat geef jij er voor,” vroeg hij.

Maar Uhlstra schudde het hoofd, harder dan ooit in z’n baard wrijvend.

„Ik heb genoeg aan m’n eigen gedoe, eigenlijk al te veel.”

„Wel, denk er nog eens over; het was misschien zoo’n kwaad ding niet voor een van je jongens. Ze kunnen toch niet allemaal administrateurs worden van Tji-Ori.”

Dat laatste zei Geber weêr op den spottenden toon dien men van hem gewoon was. Het was waar, dat de jonge Uhlstra’s in Europa niet hard vorderden; ze waren, dat bleek uit hun brieven en uit die van anderen, erg vroolijk, gezond en levenslustig, en ze deden van alles, met opoffering van veel tijd en geld, doch studeeren, juist het eenige waarvoor ze gekomen waren, viel niet in hun smaak.

En Uhlstra, die den spot voelde, maar de onmiskenbare waarheid ook, antwoordde openhartig:

„Ja, dáár kon je wel eens gelijk in hebben. Ik zal er nog eens over denken.”

Zwijgende, de brandende sigaren in den mond, stapten ze terug naar het huis, naast elkander, met gelijken tred, de korte, breede gestalte van Uhlstra met het zware grijze haar, naast de slanke, eenigszins ingezonken figuur van Geber, op wiens schedel het lamplicht uit de voorgalerij in een blinkend plekje zich als concentreerde en weerkaatste. Weer stond Geber even stil, juist voor de trappen der voorgalerij.

„Voor vijf ton is het jou,” zei hij, de hand uitstekend gelijk een veeboer, die een koe verkoopt op handslag.

Een oogenblik stond Uhlstra in beraad; hij scheen werkelijk te denken aan een bod; toen schudde hij met dezelfde onverzettelijkheid van daareven het hoofd.

„Neen,” zei hij, „daar moet ik eerst nog eens over denken.”

„Dan niet te lang, want ’k heb plan er gauw een eind aan te maken, en er van door te gaan!”

Hij had wel gevoeld, dat Uhlstra den aankoop van zijn land, Koeningan, niet verwerpelijk vond, en terwijl ze hun grog dronken, vervolgde hij, erop terugkomend:

„Ik zal er eens met dezen en genen over spreken: maar als je bij geval voor een korten tijd de preferentie wilt.....”

„Hm!” zei Uhlstra, „twee dagen; langer is niet noodig.”

Het was zoo’n gewichtige zaak voor hun beiden, dat zij een tijdlang bij elkaar zaten zonder te spreken, ieder bezig met z’n eigen gedachten.

Het was ook iets waarin ze elkaar niet konden foppen.

Uhlstra wist tamelijk wel wat Koeningan opbracht, en in hoever dus het land een half millioen waard was, en Geber begreep heel goed dat zijn oude vriend alleen tijd van beraad nam, omdat hij den toestand van het oogenblik wantrouwde en eerst Henri wou raadplegen.

Eigenlijk speet het hem nu, dat hij die preferentie had toegestaan. ’t Was al te gek. Koeningan was in de laatste jaren eer voor- dan achteruitgegaan en een half millioen waard, zoo goed als een duit een duit.

Doch nu hij eenmaal zijn woord gegeven had, kon hij het niet terugnemen.

„Zie je,” ging hij voort, „het moet een zaak blijven tusschen ons tweeën, want als je decideert en je neemt het land niet, dan zou dat voor mij nadeelig kunnen zijn.”

Dáárover werden ze het eens, en nu eenmaal het groote idee van dien koop en verkoop in hun hersens doorwerkte en hun allebei heelemaal in beslag nam, wou het gesprek over onverschillige dingen niet vlotten en stonden ze op het punt naar bed te gaan, toen een rijtuig ’t erf opreed.

„Wie drommel,” zei Uhlstra, „kan dàt nog wezen, ’t is al halfelf.”

Uit het rijtuig stapte, met voorzichtigen tred, als iemand die bang is mis te treden en niet op de soliditeit van z’n beenen vertrouwt, een lang mager man, naar z’n uiterlijk diep in de vijftig, met een witte jas en broek en een groot zwart lakensch vest eronder.

Hij bleef staan voor de trede van z’n rijtuig, zette een lorgnet op en boog zich voorover, onderzoekend het huis binnenkijkend.

„Zoo Twissels!” riep Uhlstra op zijn luiden, vroolijken toon. „Kom binnen.” Maar de ander naderde niet, lachte zachtjes terug en stak enkel z’n langen arm uit naar de toegestoken hand van Uhlstra.

„Als jullie,” zei hij met een fijne vrouwenstem, „een derden man kunt gebruiken voor een partijtje, dan staat hij hier voor je. Zoo niet, dan ga ik weer weg.”

Ze vonden hem alle twee even uniek en aardig.

Die Twissels was toch een echte dobbelaar! Dat zat den heelen dag hard te werken op z’n druk koopmanskantoor, dat had een lang, mager, schijnbaar zwak lichaam en een altijd eenigszins ziekelijk uiterlijk en dat was niettemin nooit ziek, schoon er zeker geen twee avonden in de week waren, waarop niet tot halfdrie, drie uren ’s nachts aan de hombertafel werd gezeten.

Geber en Uhlstra trokken hem naar binnen, nu opgewekt en verheugd over deze onverwachte afleiding, want eigenlijk waren ze alleen van plan op te breken omdat die zaak van Koeningan hun voor ’t oogenblik in den weg zat. Ze waren ook niet gewoon, in den laatsten tijd, aan zoo’n stil verloop van een avond als deze. Twissels, die heel goed zag, hoe welkom hij hier was, wreef zich vergenoegd de smalle, magere handen.

„Ik heb zoo’n idee,” zei hij, toen ze aan het speeltafeltje zaten en Uhlstra de fiches afdeelde, „dat ik jullie van avond eens lekker zal afzetten.”

TWEEDE HOOFDSTUK.

JOZEF EN ZIJNE VIJANDEN.

De rijstoogst op Koeningan was al binnen, en bij het dalend licht van den ondergaanden dag zagen de nu dorre en stoppelige velden, zich ver uitstrekkend naar alle zijden, er somber en eentonig uit. Slechts van den kant der groote weiden, waar een mooie kudde bengaalsche koeien haar avondmaal deed in ’t welig gras, was het een frisch en levendig gezicht: het lichtvale der opkomende schemering, gebroken door de roodbonte en zwart-wit gevlekte robes van het zacht bewegend vee, tegen den groenen achtergrond van hellend boschterrein.

Op een der smalle wegjes, die het land doorkruisten, wandelde Geber’s factotum, de hoofdmandoor, Jozef, een dikken koffiestok over de schouders, de beide handen over de einden bengelend, rustig zijn strootje rookend. Hij had het vèr gebracht. Wie hij eigenlijk was en waar hij vandaan kwam, toen hij voor jaren in dienst van Geber trad, kon niemand zeggen. Zijn europeesche voornaam, die hem tevens tot geslachtsnaam diende, mocht doen denken aan een christen, maar daarvan was nooit iets gebleken.

Zijn kloeke, vierkante gestalte, zijn vrije houding, zijn knappe kop met gitzwarte knevel en kort geknipt baardje boven langs de ooren, wezen wel uit dat hij geen maleier of javaan was, zelfs niet iemand van inlandsche herkomst, maar meer ook niet; hij kon even goed afkomstig zijn uit Arabië als uit Bengalen.

Nu Geber er niet was, berustte het beheer van het land geheel in zijn handen en hij gaf daarbij, althans op het papier, blijk van een administratieve geschiktheid, die voor zulk een man, wat werken betrof in alle opzichten een self-made-man, zeer bijzonder was.

Ja, hij had het ver gebracht; niemand was meer overtuigd van zijn verdiensten dan hij zelf. Nu en dan stond hij eens stil en liet zijn groote blinkende, zwarte oogen over den omtrek gaan met het air van een heer en meester.

Hij zou het nog wel verder brengen, dacht hij; om daartoe te komen, was hij naar zijn oordeel op den goeden weg.

Reeds toen Geber nog zelf het land bestuurde, en hij metterdaad niet veel meer was dan mandoor, had hij zich bijverdiensten weten te bezorgen. Nooit ten nadeele van den heer Geber, dáár zou hij zich niet aan gewaagd hebben; die kreeg altijd wat hem toekwam; maar ten koste der bevolking, die hem vreesde, meer dan den eigenaar van het land. Nu hij in de laatste maanden haast onbeperkte vrijheid van handelen had gehad, was zijn spaarpot buitengewoon zwaar geworden.

Hij had op zijn wijze de duimschroeven eens aangezet, met de diepste minachting voor de inlandsche bevolking en haar wel en wee; zonder zich in het minst te bekommeren om de milde wijze, waarop Geber steeds tegenover den kleinen man liet handelen, of om hetgeen, in dat opzicht, bij de wet was bepaald. Hij hield er huis onder op zijn manier, nu inderdaad het „hek van den dam” was, en in zijn hevigen lust zooveel geld bijeen te brengen tot hij zelf een landje kon koopen, en toewan tanah worden, deinsde hij voor niets terug.

Geber en de Uhlstra’s minachtte hij in stilte om hun gemoedelijkheid tegenover het volk, en hun goedheid en royaliteit, die hen lang niet zooveel deden heffen, als waarop zij het striktste recht hadden, ja, die hen tot de dwaasheid brachten belangstelling te toonen voor dat leugenachtig en kruipend slavenvolk, dat ze met geld en vee bijsprongen en zelfs gratis dokterden, als er ziekte heerschte.

Zoo het volk van Koeningan Jozef haatte als de pest, omdat hij het afzette en onbeschaamd bestal op zijn producten, op zijn arbeid en op zijn geld,—dat alles was nog het ergste niet. Het volk was al zooveel eeuwen lang door parasieten, inlandsche of anderen, geperst en geknepen, dat wat meer of minder wel een groot verschil maakte, maar ieder toch zijn lot in stilte droeg. En waren er soms, die mopperden en tegenstribbelden, dan maakte al heel gauw de dikke stok van Jozef kennis met hun schouderbladen, en voelden ze nog dagen lang, dat het maar beter was te zwijgen.

Eén ding echter verdroegen ze niet, en dat ééne had hun haat opgevoerd tot wraakzucht. Sedert Jozef naar willekeur op het land den baas speelde, vierde hij zijn lusten den teugel. Vroeger kneep hij wel de kat in het donker en haalde stukjes uit, die minder te pas kwamen, maar hij deed dat, uit vrees voor Geber, met groote omzichtigheid en in alle stilte. Tegenwoordig kon hij in de kampongs en op ’t veld letterlijk geen vrouw met rust laten.

Openlijk permitteerde hij zich allerlei vrijheden en valsche handgrepen, en om ze naar zijn wil te krijgen beproefde hij van alles, list en geweld.

Door die middelen kreeg hij haast altijd gedaan wat hij verlangde; zijn gunstig uiterlijk van mooien oosterling deed het overige. Dàt was zijn onvergeeflijke misdaad in de oogen van veel jonge mannen onder ’t volk, die er achterkwamen door welke handen hun vrouwen gepasseerd waren; van vaders, die hun aankomende dochtertjes thuis kregen op erbarmlijke manier.

Het broeide en broeide al weken achtereen. Stilletjes kwamen ze ’s avonds hier of daar ver van het landhuis bij elkaar, quasi om een strootje te rooken en een praatje te houden, feitelijk om elkaar op te hitsen tegen den bruinen geweldenaar, die niets ontzag. En Jozef, die anders zoo goed wist, wat er gebeurde op ’t land, was dáármee geheel onbekend gebleven. Zijn ijdelheid, als over ’t paard getilde knecht, en zijn diepe minachting voor ’t „slavenvolk” maakten het hem onmogelijk zich zoo iets voor te stellen; zoo iets als verzet tegen hem.

Hij wandelde terug naar huis, terwijl hij zag, dat de koehoeders het vee uit de weide terugdreven naar de kralen; en toen de duisternis geheel was gevallen, alles in orde was gerapporteerd door den inlander, die onder hem als djoeragan diende, sloot hij het voorgedeelte zijner woning, een afzonderlijk houten gebouwtje, half overdekt met klimplanten, waartusschen groote trossen bruidstranen hingen, zoo schilderachtig en lief, dat het overdag in ’t zonlicht een landelijke idylle was.

Daarbinnen, bij zijn nu brandende koperen lamp, heel ouderwetsch van vorm, afkomstig nog van landheeren uit tempo doeloe, ging Jozef rustig aan z’n administratie, aandachtig, voor elke letter die hij schreef, elk cijfer dat hij zette: eerst de boeken van z’n baas, daarna het bescheiden notitieboekje van hemzelf. Toen hij ermee klaar was en de trommel zou krijgen uit een kleine brandkast, om het geld te tellen, zond hij zijn jongen weg naar de kampong en sloot z’n huis ook achter; niet uit vrees, maar uit wantrouwen.