"Ups" en "downs" in het Indische leven
Part 11
Het leed geen twijfel, daarover waren zij het eens, of Geber „had iets.” De zaken gingen prachtig. De winsten van de kongsi waren fabelachtig. De prijzen der bij contract opgekochte specerijoogsten waren aanzienlijk gestegen op de europeesche markt, terwijl de oogsten in Indië meevielen; daarentegen daalden in Indië de prijzen der producten die zij tot hooge vaste cijfers moesten leveren aan het Gouvernement; de beslissing in Holland was gevallen ten gunste van den spoorweg door hun bosschen. Het was een goudregen van alle kanten, en het droppelde royaal bij Markens, wien men zooveel verschuldigd was en nog altijd hoopte meer verschuldigd te zullen worden.
„Het beste is,” zei Lugtens, die mee in den familieraad zat, „dat jullie voor een maand of wat naar boven gaat.”
„Ik heb ’t hem al zoo dikwijls gezegd,” verzekerde Uhlstra, „maar hij wil niet. Hij heeft het te volhandig, zeit-ie, met de zaken.”
„Het is waar; hij heeft hard gewerkt; nu is echter het ergste achter den rug.”
„Maar ik kan niet meêgaan,” verzekerde Roos; zij was alweêr een paar maanden in de family-way, en haar moeder, denkend dat ze daarop doelde, zei:
„Nu nog wel.”
„Dat niet, ma, maar ik kan heusch niet van het land af; als Willem er niet is, loopt de boel in het honderd.”
„Maar Henri kan je toch helpen.”
De jonge Uhlstra, erbij zittend, keek zijn vader eens aan, die in zijn korten grauwen baard de harde stoppels heen en weêr wreef. Hij had gedaan wat hij kon; elken dag was hij gedurende Geber’s afwezigheid van Tji-Ori naar Koeningan gekomen om den boel daar na te gaan; maar altijd was alles al gedaan door Roos, die, dat wist hij wel, van alles verstand had en wier lust en leven het was, baasje te spelen op een land.
Een paar maal had Henri zijn oudste zuster gewezen op wat hij meende, dat anders moest zijn, maar zij was niet te spreken op dit punt, en ze kregen er geweldige ruzie om, net als ze vroeger dikwijls samen hadden, thuis bij de oude lui; de gebruikelijke onlusten tusschen een oudste zuster en een oudsten broer, zonder verdere gevolgen of afbreuk aan de genegenheid.
„Ieder heeft zoo zijn eigen inzichten,” was het advies van Uhlstra, „Roos heeft de hare.”
„Het zijn niet de mijne, pa; het zijn de inzichten van mijn man.”
Daaraan zou ze nooit hebben te kort gedaan. Zij had daar haar algemeen geldige indische begrippen over; de man was de toekang, de baas; in zaken stond hij als onbeperkt gebieder aan het hoofd, en zooals hij het wilde en zei zou het ook gebeuren. Overigens was zij de meesteres, en haar broer moest zich maar liever met niets bemoeien; dat was veel beter!
„Wat Geber aangaat,” zei Lugtens op een toon van gezag, die Roos hinderde, „ik zal hem wel aan het verstand brengen, dat hij gaan moet.”
En mevrouw Uhlstra, aan Roos ziende dat zij op het punt stond iets onaangenaams daarop te zeggen, coupeerde het.
„Wel zeker,” zei ze, „het is in het belang van zijn huisgezin ook. Als hij nu spoedig naar Europa moet, wat dan? Nah!” vroeg ze typisch indo-europeesch en een leelijk gezicht er bij trekkend, „nah, Roos, wat dan?”
Dat was werkelijk een teer punt, en Roos zweeg. Neen, naar Europa wilde ze niet; liever alles dan dat.
„Het is toch beter, dat hij iemand bij zich heeft,” meende Lugtens.
Allen zwegen er op. Zij beaamden het geheel. In zijn toestand van zenuwachtige overspanning was het, ofschoon hij niet bedlegerig was en directe hulp behoefde, bepaald noodzakelijk, dat iemand meêging om hem gezelschap te houden.
„Het is,” ging Lugtens voort, „juist tegen den vacantietijd. Mijn kinderen konden wel eens ’n kouden neus gaan halen in het gebergte.”
„Woudt-u,” vroeg Roos verwonderd, „aan Geber de kinderen meegeven.”
„Je houdt me, hoop ik, niet voor gek,” riposteerde hij ruw.
„Maar wat dan?”
„Wel je tante, natuurlijk! Die gaat met de kinderen.”
Haar lippen trokken in haar mond en haar toch reeds groote oogen werden grooter, een oogenblik had ze willen zeggen, dat zoo iets onmogelijk was.
Maar dat kon niet! En wat deed het er ook eigenlijk toe! Zij geloofde volstrekt niet dat Willem nog knoeide met tante Clara, maar al deed hij het.... van alles van dien aard was het immers nog ’t minst erge!
’s Avonds toen Roos weêr op Koeningan zat bij Geber, wiens gezicht en lichaam erg waren vermagerd, wiens oogen glinsterden, maar die, oogenblikken van distractie daar gelaten, zeer opgeruimd was, kwam er een brief van Lugtens, een zeer uitvoerige, net geschreven brief.
Hij keek een oogenblik droomerig in de vlam der lamp; toen gleed de oude spotlach over zijn gezicht.
„Het schijnt dat jullie me met geweld haar boven wilt hebben.”
„Voor je gezondheid,” antwoordde Roos, doorkijkend op de roodzijden beurs, die ze haakte, tegen haar vaders verjaardag, het vaste cadeau elk jaar.
„Lugtens wil me zijn familie meegeven.”
„Dat zei oom van ochtend.”
Geber begreep nu, dat het afgesproken werk was, en ’t hinderde hem; met de ellebogen op de tafel, de kin in de handholten, keek hij naar zijn vrouw tegenover hem. Van ’t gebogen hoofd zag hij enkel den overvloed grof blauwzwart haar, met glinsterplekken in het licht, en hier en daar korte opgekrulde haartjes, afgebroken bij het opmaken; er omheen ringde een stuk van het dik gezicht, met een opgewipt neusstompje erin en randen van uitstaande ooren; en daaronder, helder wit, de kabaja gespannen over de dikke vleeschmassa van haar schouders, met de huidskleur er doorheen schijnend, het onderlijfje zich wit afteekenend. Was het inderdaad waar, dat ze had toegestemd? Kon het haar nu heelemaal niks schelen, dat hij ergens in het binnenland met Clara ging logeeren? Hij wist wel, dat hij niet van haar hield, niet op die manier.
Maar als zij in vroeger jaren in nauwe betrekking had gestaan tot een anderen man en hij wist dat, zooals zij het wist van hem tot Clara, en als dan voorgesteld werd haar nu met dien man voor ’n maandje naar boven te sturen.... Neen, hij was erg vrij van veroordeelen en allerlei malligheid, maar dáár zou hij toch van z’n leven geen toestemming toe hebben gegeven.
En zij werkte stilletjes door aan de roode beurs, kalm en gemoedelijk, zonder op te zien, priegelend en draaiend met de haakpen; mazen vormend door het gedurig halen van den draad door andere mazen.
„Als je het niet goedvindt,” zei hij eindelijk,.... „het kan mij niet schelen. Ik blijf liever hier!”
Dat deed hij ook. Hij zag er tegen op; hij wist wat er het gevolg van wezen zou, en dat mocht op zichzelf aangenaam zijn,—hij had er toch altijd het land aan gehad. Zoolang de gelegenheid maar ontbrak, was het niets. Doch het scheen wel dat een vreemde samenloop van omstandigheden hem en Clara altijd weêr tot gelegenheden bracht.
„Je moet het maar doen,” zei Roos; „het is voor je gezondheid, zooals ik zeg. Anders moeten we misschien naar Europa.”
Hij wist wat dat beteekende in haar mond. En hijzelf kon ook niet weg voor zoo langen tijd.
„Gekheid! Lugtens schrijft daar ook al over. Het is om iemand ziek te maken.”
„Ze zeggen het allemaal, en het is waar: je ziet er slecht uit.”
’t Had hem zenuwachtig gemaakt en hij spotlachte niet meer; dat deed hij in den laatsten tijd ook maar zelden. Zij keek nu op.
Kasian! dacht ze. Neen ze vond het niet goed! Zij had ook geen groot hart voor hem, maar als hij nu ronduit had gezegd, dat hij niet wilde gaan met de andere, dan had zij het beursje op tafel gegooid, en, met hartzeer over het huishouden en het land, toch dankbaar gezegd, dat ze meêging, morgen aan den dag.
Geber voor zich had dat ook pleizierig gevonden, als zij had gezegd, dat zij liever met hem meêging, dan dat hij met de andere elders alleen was.
Hij zou dienzelfden avond nog Lugtens hebben geschreven, dat hij in zijn omstandigheden liever van de drukte van kindergezelschap wenschte verschoond te zijn, dat hij alleen ging met Roos.
Kasian! dacht ze, zoo zwak zag hij er uit.
En: „Ga gerust,” voegde zij er nu bij. „Ik hoop, dat het je goed mag doen.”
Bij zichzelven haar verwenschend, stond hij op, liep naar zijn kantoor en ging zitten aan den lessenaar.
Zoo’n onverschillig stuk...! Daar was waarachtig niets meê te beginnen! Alles stuitte af op zoo’n gemoedelijkheid, zoo’n effen, onbewogen donker gezicht als van ’n Boedhabeeld! Roos boog het hoofd weêr over haar werk en haakte voort; maar haar mond trok beverig met kleine trekjes in de hoeken, de haakpen was ’n oogenblik in de war, en het werd rood in haar oogen. ’t Zou, meende ze, alles vooraf wel zoo bekonkeld zijn; het was van de andere een lage streek!
Toen Geber en Clara in den familiereiswagen met zes paarden naar boven reden, de wagen vol van hun tweeën, de kinderen en allerlei goed, voorop beladen en achter met vastgesjorde koffers,—toen dachten ze alle twee net als Roos had gedacht; Clara zag in dien zonderlingen tocht, waartoe Lugtens haar letterlijk had gecommandeerd, de uitvoering van een door Geber overlegd plan; hij zag er het resultaat in van welberekende vrouwen list.
Zij hielden zich goed de eerste dagen in het logement; Geber onderging een aangenamen invloed van klimaats-wisseling; hij sliep rustig, en dat kalmeerde hem.
Clara, heel gewoon, vriendelijk in haar manier van doen, vertrouwelijk, zonder de minste terughouding, maar ook zonder eenige provocatie, verwonderde hem. Maar hij vond het heerlijk, dat ze zoo was! en hij kon haar nakijken, als zij zich bezighield met de kinderen, goed gekleed, met taille in haar figuur, vlug als een jong meisje, zonder dat hij iets er bij dacht, den blik latende gaan voor ’t louter genoegen van te zien, zooals men kijkt naar een bloemperk en over de zee, zonder te vragen wat nu eigenlijk te bewonderen valt en wat niet.
Vanzelf kwam op eens het verlangen, stil dringend, bij hem op, zonder dat hij poogde het weg te denken.
De kinderen waren naar een bron gaan baden met de bedienden; zij beiden liepen na het ontbijt langzaam het logementsgebouw uit naar de voorgalerij. Al pratend tegen haar, ging hij zijn kamer in, en al antwoordend volgde zij hem.
Nu had hij er niet zoo het land over als vroeger; slechts voelde hij dezelfde mismoedigheid, ontevredenheid over zichzelven, bezorgdheid voor een onbestemde toekomst,—hij wist niet hoe het te noemen of wat het meest weêr over hem kwam.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
WAT DE MENSCHEN ERVAN ZEIDEN.
Van huis kregen ze allebei goede berichten. Op Koeningan ging het uitmuntend; Roos, die nu tegen zijn terugkomst verschrikkelijk opzag, schreef, dat hij zich vooral niet behoefde te haasten; dat hij blijven moest tot na zijn geheel herstel.
In het logement waren zij de eenige gasten aanvankelijk, maar nu ze langer bleven, kwamen er meer, wat de vrijheid van beweging, die Geber en Clara noodig hadden, belemmerde.
Men kon elk oogenblik tegenover iemand staan, als men een kamer uitkwam; men moest dus voorzichtig zijn, meende dat ook te wezen, en was het niet.
De nieuwe logeergasten fluisterden vermoedens, en op een ochtend, dat de kinderen speelden aan hun kant van het erf, riepen zij kleine Lena bij zich en haalden het kind aan.
„Wie is die meneer, liefje,” werd er gevraagd door een net en hoogst fatsoenlijk jong vrouwtje, „waarmee je daar straks sprak?”
Dat het Geber was, wist zij ook wel, maar daarom was het niet te doen.
„Het is oom Willem,” zei kleine Lena.
„En houdt-je veel van oom Willem?”
„O zeker! Hij is altijd heel lief voor ons en voor mama ook.”
„Och kom! Dat is erg aardig, ja. Nu, dan begrijp ik wel dat je veel van hem houdt.”
„Ja zeker,” bevestigde het kind op den vasten toon, dien ze altijd van Lugtens had gehoord.
„En je maatje houdt stellig ook veel van hem, als hij zoo lief is voor jullie.”
Kleine Lena knikte heel ernstig met haar blonden krullebol, en als om zelfs den schijn te vermijden, dat haar moeder ondankbaar zou zijn voor de liefheid van Geber, voegde ’t kind er argeloos bij:
„Elken middag na het eten gaat mama bij oom in de kamer om met hem te praten en hem gezelschap te houden.”
Twee andere oudere dames, die er ook bij zaten, oplettend luisterend, keken daarop elkaar ineens stijf aan, onderuit blikkend, de kin langzaam op de borst drukkend, de lippen opeen, de heele uitdrukking van met geweld ingehouden losbarstingen van verontwaardiging over andermans schandaal.
„Zoo!” ging de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw voort met een lieve vleiende stem en een allervriendelijkst gezichtje. „Dan zal mama ’s avonds wel moe zijn, als ze den heelen dag niet geslapen heeft.”
„Ze slaapt ook wel ’s middags, soms in ooms kamer.”
„Wil je een chocolaadje, liefje? Hoelang ben je al hier? Waar ben je nu eigenlijk liever, hier of thuis? Wil je eens een album zien met mooie portretten? Of een prentenboek?”....
Kleine Lena werd overstelpt met lekkers en aardige verhalen, die ze bewonderend aanhoorde, alles door en van de nette, zeer fatsoenlijke jonge vrouw, die niet wilde dat het kind zou onthouden wat ze had gezegd; en tegenover de kleine Lena, met haar helder, scherpzinnig maar naïef onschuldig hoofdje trof die maatregel volkomen doel.
Intusschen hadden de hoofden van de twee andere dames zich bij die nieuwe onthulling in halve cirkels bewogen van den eenen kant naar den anderen, met schrikkelijk oogverdraaien, als zochten ze iets om onder weg te kruipen of zich meê te bedekken, van schaamte over een anders schandaal. En toen Lena weer was gaan spelen met de andere kinderen, keken ze elkaar aan, alle drie eerst nog zwijgend met knikjes van: „Het is wat moois” en „Wat-zeg-je-er-van?”—tot ze, de hoofden bijeen, fluisterend los kwamen in schelden en kwaad spreken.
Het steentje rolde dadelijk voort. Heel het kleine plaatsje wist het schandaal, nog op den eigen dag, en de logeergasten namen het dankbaar meê naar hun woonplaatsen, als het liefste en beste dat hun was ten deel gevallen; het nieuwtje reed voort in de reiswagens; ging per post in brieven, draafde te paard over het gebergte en op zijn weg circuleerde het op de ondernemingen, in de woonhuizen der kleine plaatsen en in de sociëteiten als een der vele indische familie-schandaaltjes; een der beste plats-du-jour.
Zij, Geber en Clara, hadden er geen flauw vermoeden van, toen zij hem op een ochtend vond, heel vroeg, in de voorgalerij in een luierstoel. Zij schrikte van zijn gezicht. In de laatste weken was hij heelemaal hersteld; hij was dikker geworden en net zoo rustig en kalm als vroeger; nu scheen het ineens dat al het effect verloren ging, hij zag weer bleek als was; zijn oogen glinsterden weer en over zijn heele gezicht lag het waas van een ziekelijken toestand, gelijk toen ze van huis gingen.
„Wat heb je?” vroeg ze ontsteld over die verandering.
„Ik? Niets.... Weer voor het eerst slecht geslapen.... ’t Zal wel overgaan, hoop ik.”
„Dat hoop ik waarlijk ook. Ik schrikte ervan zoo bleek zie je.”
„Och,” zei hij geruststellend. „Daar moet je niet van schrikken. De eene mensch heeft dat gauwer dan de andere. Ik schijn al heel spoedig op te bleeken.”
„Het is geen gekheid, Wim. Er is iets dat je hindert, maar dat je verzwijgt.”
„Toch niet.”
„Waarom zou je het niet zeggen; mij niet?”
„Och kom?” loog hij, „het is wezenlijk niets. Laat de jongen me maar ’n kop koffie brengen; dan ga ik baden en ben weer heelemaal in orde.”
Zij haalde de koffie zelf, om die beter te kunnen krijgen dan ze anders was; zij verzorgde hem dien dag als een zieke.
Hij nam glimlachend de kleine attenties aan; hij had er geen behoefte aan; als Roos ’t zelfde had gedaan, zou hij zich in stilte boos hebben gemaakt en hardop gezegd hebben, dat ze niet zoo dwaas moest wezen; nu voelde hij een aangename stille erkentelijkheid.
Het was weer zoo; het was zelfs erger; hij was dien nacht weer onverwachts wakker geworden met zijn visioen en de zwaarmoedige onverschillige opvatting van het leven, die er altijd bij kwam, alsof het zoo hoorde. Hij had neêrgelegen in zijn eigen gedachten als in een zwaren droom; niet eenige oogenblikken, maar uren achtereen; uren, die hij duidelijk hoorde slaan; en er was bij gekomen, wat er vroeger niet bij was; een geluid in zijn hoofd als een stem, maar ongeaccentueerd, dat hem scheen aan te sporen; dat naast en met zijn gedachten bleef voortleven, maar een hem duidelijke strekking had: Hij moest het doen,—dat was het.—
Voor haar had hij niet kunnen verbergen, dat hem iets kwelde; zijn ontkenningen had zij niet geloofd, en dàt hij ziek was stond bij haar vast. Zij drong echter niet aan, toen ze zag, dat hij voor het oogenblik niets wou zeggen. Eerst in den namiddag kwam zij erop terug. Het was in een phase van onverschilligheid en zenuwontspanning, gelijk die, waarin hij Roos zijn verhouding tot haar tante had bekend, en achterover op zijn bed liggend, de armen boven het hoofd, den blik met wijd open oogen strak naar de tenda omhoog, vertelde hij haar alles van het vreemde denkbeeld dat hem vervolgde, van zijn nachtelijke kwellingen en toenemende slapeloosheid; de ellende zijner geschokte zenuwen.
„Heb-je het anderen al gezegd?”
„Neen, Clara; jij bent de eerste.”
„Ook niet aan den dokter?”
„Ook niet.”
„Dan zal ik het hem vertellen.”
Hij zweeg, altijd maar omhoog kijkend, als in gedachten verzonken. Zacht begon hij tegen haar te spreken; zijn gemoed verder uit te storten over het onbekende, dat hem vervolgde.
„Begrijp wel,” zei hij, „dat geen gewone redenen voor me bestaan. Ik word niet getroffen door rampen, zit niet in zorgen, heb geen schulden of verdriet. Het is waar, dat wij man en vrouw moesten wezen, maar de omstandigheden zijn, dat weten we bij ondervinding, van dien aard, dat de toestand ons niet overweldigend bedroeft.”
„Neen,” zei Clara diep zuchtend, „dat kan de reden zeker niet zijn; en zou die tegenwoordig in geen geval kunnen wezen.”
„Juist,” stemde hij toe. „Dan een andere, bijvoorbeeld pijn of ziekelijke toestand als oorzaak; daarvan is ook geen quaestie.”
Zij wist weinig af van het lugubere onderwerp, en huivering bij huivering liep haar langs den rug; hij, met het idee al zooveel maanden vertrouwd, sprak er rustig over als iemand, die een zaak van meer dan een kant heeft bekeken.
„Ik ken,” ging hij gelaten voort met eentonige stem, „geen andere redenen. Er is hoegenaamd niets dat een overweldigenden invloed op mijn geest uitoefent; niets, zou ik zeggen, dat mij van mijn vrijheid van handelen zou kunnen berooven.”
„Neen,” stemde Clara alweêr zuchtend toe, zonder dat zij nu juist een helder begrip of duidelijke voorstelling van zijn betoog had.
„Neen, Wim, dat is zoo. Ik vind het verschrikkelijk gek.”
Hij richtte zich plotseling op en wendde zijn bleek gezicht zoo snel naar haar toe, dat zij ervan schrikte en zelf verbleekte.
„Je hebt het woord gezegd! Er is een reden; het zou niet kunnen opkomen, zonder een reden; anders zou het in strijd zijn met mijzelven.”
„Hoe bedoel je dat?”
„Er moet een excuus zijn,” ging hij voort, zich weer achterover latend, het hoofd terug in de holte, die ’t gemaakt had in het kussen. „Een excuus! Na hetgeen ik zei, blijft er nog maar één over..... Je hebt het woord genoemd, Clara, ik zou gek moeten zijn of op weg het te worden.”
„Dat is onzin,” protesteerde zij. „Je redeneert zóó verstandig als iemand maar doen kan, en dan..... neen, dat is nonsens.”
Hij schokschouderde onverschillig.
„’t Is toch zoo!”
„Het is niet waar, Willem,” hield ze vol. „Je bent enkel maar ziek.”
En toen ze den spottenden glimlach een oogenblik zag op zijn gezicht:
„Ik bedoel ziek naar het lichaam. Daarom zal ik het aan den dokter zeggen. Laat die je ernstig onderzoeken. Volg een leefregel.”
Zij sprak driftig, opgewonden, heel ongewoon voor haar doen. Aan alles toch had ze kunnen denken, maar niet aan zoo iets verschrikkelijks. Weêr maakte hij het onverschillig gebaar.
„Als ik het een dokter zeg, weet ik wat hij vragen zal; dat doen ze allen.”
„Juist dat is goed. Hij moet ook....”
„Hij zal vragen of zich in mijn familie wel eens meer gevallen hebben voorgedaan.”
„Toch niet, Wim,” riep ze verschrikt. „Het is toch niet waar?”
Hij knikte langzaam, toestemmend.
Zij zat onbeweeglijk op den rand van het bed; de handen rustend op de knieën, ontsteld tot gedachtenloosheid; met één voorstelling nog voor haar geest: kleine Lena.
„Het is waar. Voor zoover ik kan nagaan zijn er twee: mijn grootvader en het laatst een oom. Nu, je begrijpt, dat is te zot om van te spreken.”
Verwonderd luisterde zij toe. Waarom was dat zoo zot? Was het niet integendeel het eenig natuurlijke en verklaarbare?
„Het is zoo’n dokterspraatje, dat begrijp-je. Wat ter wereld zou het geval van die menschen, ’n halve eeuw en meer geleden, met mij te maken kunnen hebben.”
Clara antwoordde er niet op; ze had willen huilen van verdriet en medelijden om en met hem; ineens herinnerde zij zich dien nacht van het groote feest te Koeningan; en zij sprak ervan.
„Je weet wel,” zei ze, „toen je gekleed in een luierstoel lag en zoo schrikte toen ik je riep.”
Hij had de handen voor het gezicht gelegd, zijn hoofd ging langzaam in het kussen heen en weer.
„Het was de eerste maal.”
Zij herinnerde het zich levendig en zij werd bang; zij keek nu naar hem met vrees en schrik.
Zij kreeg een gevoel van zekerheid, dat er tusschen hen een niet weg te ruimen hindernis was opgekomen: dat er nooit meer iets bestaan zou tusschen Geber als man en haar als vrouw; dat, wat zij ooit voor hem van dien aard had gevoeld, niet weer kon opgewekt worden. De vrees voor den grooten onbekende, den dood, had haar ineens verschrikkelijk aangegrepen, en terwijl hij daar lag, de handen nog altijd op het gezicht, kon zij het niet over haar verkrijgen die zacht weg te nemen en hem te troosten en op te beuren; zij voelde er wel aandrang toe in haar medelijden met hem, maar de vrees en de siddering, die haar beving bij de gedachte aan de vreeselijke dingen, die hij haar zoo ijzingwekkend kalm had verteld, hielden de overhand, en zoo bleven zij minuten lang zwijgend bij elkaar, tot er op de kamerdeur werd geklopt.
Geber stond op en ging opendoen, de deur op een kier, uit vrees dat een bediende naar binnen mocht kijken en zien wie bij hem was. De jongen stak hem twee brieven toe, en daar hij enkel maar het adres, kon zien van den bovenste, het zijne, nam hij ze allebei aan, dadelijk de deur weer sluitend. Maar binnen zag hij, dat de andere voor Clara was; hij kende de hand van mevrouw Uhlstra op het adres.
Het hinderde hem, dat de bediende die twee brieven bij hem had afgegeven op dat uur.
„’t Zal een vergissing zijn,” zei hij, bij wijze van verontschuldiging.
Het kon haar op ’t oogenblik minder schelen. Haar hoofd stond er niet naar zich voor zulke kleinigheden te interesseeren, nu haar al wat hij had verteld zoo schrikkelijk op het lijf was gevallen. Dáár dacht ze over door, met de toenemende overtuiging, dat hij reddeloos was verloren; dat hij ’t avond of morgen de hand zou slaan aan zichzelven.
Zij nam den brief aan en scheurde het enveloppe open, werktuigelijk, vervuld van droefheid en afkeer; zóó vouwde ze ook den brief open, en zag, dat hij van haar zuster Leen was. Het „Clara” zonder meer, schrikte haar op. Wat was dat nu weer?
„Kom dadelijk met uw kinderen hier. Er wordt overal schande gesproken van uw gedrag daarboven met Geber. Het is vreeselijk zich zoo te misdragen, zonder te denken aan de schande voor uw familie en voor uw eigen kinderen. Kom dadelijk terug. Elk oogenblik kan Lugtens het vernemen, en dan gebeuren er rampzalige dingen voor ons allemaal.
Lena.”
Zij keek hem aan, terwijl hij zijn brief las, daarmeê nog bezig; het was er een van Twissels.