"Ups" en "downs" in het Indische leven
Part 10
Het kon hun niets schelen, waarheen zij gingen; het was tegenwoordig overal plezieriger dan in Indië. Zij waren aan alle moeilijkheden en gevaren ontsnapt,—maar de eenige, die hen strafte en onbarmhartig ook, die geen kasian had, volmaakt onomkoopbaar was en zich door niets liet vermurwen,—was de schooljeugd, waren de jongens uit de hoogste klasse, die de heele geschiedenis kenden, precies zooals zij was voorgevallen, en die, bovendien volkomen op de hoogte van ’t verdere zondenregister van Freddy en Eddy, nu tot de slotsom waren gekomen, dat het te erg was. En die conclusie, neêrgelegd in meer dan één pak slaag, in een dagelijksche bejegening, bestaande uit ’n variant van geheimzinnige „opstoppers” en onaangename woorden, was veel erger dan wat ter wereld ook voor een jongen erg kan zijn.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
KOMEN EN GAAN.
Toen dit eigenaardig staartje van het feest op Koeningan gelukkig achter den rug was, ging voorloopig alles weêr zijn gewonen gang. Maar toch anders dan vroeger, drukker en gewichtiger.
Uhlstra was voor langen tijd op reis naar de buitenbezittingen; Lugtens was op een inspectiereis langs de kust.
Geber zat elders op Java om voor de belangen van het tot stand gekomen houtcontract te zorgen, terwijl zijn land zoolang beheerd werd door zijn zwager van Tji-Ori, die de brug over de kali weêr in orde had laten maken, maar slechts van bamboe en tijdelijk.
Alleen Twissels ging dag aan dag, als een machine, naar zijn kantoor, tot laat, heel laat in den namiddag, en dan snakte hij ’s avonds naar een partijtje; hij had nu drie „vaste” en een Zaterdag-’s avonds in de Sociëteit, maar wat moest hij nu met die drie ongelukkige avonden beginnen, die er bovendien nog waren in een heele week?
Roos was naar beneden gekomen, hoezeer haar toenemende omvang het zeer bezwaarlijk maakte. Mama tjang zou nu bepaald dood gaan, en het zou, vond zij, toch „te erg” wezen, als zij daar niet bij kon zijn.
Zij waren weêr allen in de kamer, net als vroeger, en de oude vrouw, meer verschrompeld nog en ingevallen, lag onbeweeglijk op haar baleh-baleh met mooie klamboes, nieuwsgierig aangegaapt door de kinderen, en nu enkel met kleine Lena, haar kind, zooals zij altijd zei, vlak bij haar. Het oude mensch ademde moeielijk; zij stierf toch nog met een zwaren strijd om het bestaan blijven: en ze was volkomen bij haar kennis. Nu en dan zei ze iets.
„Ik zie hen gaan; allemaal gaan!”
„Wat zegt ze, Clara?” vroeg mevrouw Uhlstra.
„Zij ziet ons gaan, kasian!”
„Ik zie hen allen gaan naar den grooten put.... een.... twee.... drie.... vier....”
„Zij ziet ons naar een put gaan,” expliceerde mevrouw Lugtens, en ofschoon dat nu op zichzelf niets had te beduiden, rilden zij allen van de akeligheid, met koude vingertoppen, zoo zenuwachtig. Het sterfbed en het gepraat van mama tjang maakten haar angstig, maar ze wilden het nu nog niet voor elkaar weten.
„Wat telt ze toch?” vroeg fluisterend Roos, die een ander leven voelde in het hare, en nog veel banger was voor den dood, dan een der anderen, even bijgeloovig bevreesd als zij, voor wat zoo’n stervend mensch nog zegt.
„Wat zeg-je ma?” vroeg kleine Lena om nicht Roos genoegen te doen. „Wat reken-je uit?”
„Allen.... allen.... Ze gaan erin.... twee.... Lugtens nu.... dat is goed.... zeven.... mijn kind niet.... zij gaat er over.... God houdt haar vast.”
Verschrikt keken zij elkaar aan; ze konden het elkaar niet meer verzwijgen, dat ze nu vreeselijk bang begonnen te worden.
Het was donker in de kamer. Er brandde een klein flikkerend lichtje, dat de schaduwen fantastisch liet dansen op de witte muren en de klamboe.
Roos, anders zoo kalm, kon het niet langer uithouden; zij sloop stil weg, ze kon niet langer aanhooren die akelige woorden over hen allen in dien put.
Langzamerhand kwamen de anderen ook, en de kinderen liepen onverschillig meê, onder elkaar fluisterend en gekheid makend over het heelemaal in een put gaan, met hoofd en handen gichelend aanwijzend hoe ze daar zouden inschieten, den kop vooruit.
Enkel bleef de kleine Lena achter, met haar groote oogen kijkend naar het leelijke oude masque, waarmeê ze altijd zoo vertrouwd was, en dat ze niet leelijk vond, in het geheel niet; met groote belangstelling luisterend naar de woord-herhalingen, tot vervelens toe, uit den tandeloozen mond, die bij het krampachtig ademen, half samengetrokken, als ’t ware uit- en inging als een zuignap, die telkens pakt en weêr loslaat. Eens nog gingen de nu doffe zwarte oogen open; zij keek naar haar kind, met een poging haar hand te leggen op het blonde krullende haar, wat Lena deed, toen ze zag wat mama tjang woû, en dat ze het zelf niet meer kon.
Buiten in den helderen zonneschijn op het gezellig achtererf, waar in de volières de glatiks en andere vogeltjes vlug op en neêr wipten, de badjings krijgertje speelden door het glinsterend groen der klappers, de perkoetoets de tien of twaalf volle tonen van hun roep zacht en droomerig lieten wegvloeien, was de vrees der dames gauw geweken; ze griezelden nog een oogenblik, maar waren toen direct in druk gepraat over wat er in den laatsten tijd gebeurd was en niet gebeurd, over de toko’s en den goedang.
De kinderen waren weggeloopen naar de paarden, die trappelden in den stal; naar de apen, die, verschrikt en bang, krijschend in de stijlen vlogen, met opgetrokken wenkbrauwen, en bij het zenuwachtig telkens opkijken de witte tanden toonend. ’t Was het leven van elken dag. Kleine Lena kwam uit de kamer, misschien tien minuten later, met ’n bleek bedroefd gezichtje, tranen in haar groote blauwe oogen en ’n bevende onderlip, die weêr op schreien stond.
Mevrouw Lugtens zag het; ze zagen het dadelijk allemaal, opschrikkend uit het onverschillige gerammel van hun dagelijksch praatje, met korte uitroepen van schrik. Nu drongen ze de kamer binnen, naar de baleh-baleh met de mooie klamboes, waar mama tjang lag, zoo droog, zoo beenig en dor, zoo strak en stijf als een reeds bij het leven gemummificeerde, pas gestorvene. Een oogenblik volgde ’n luidruchtig vertoon van droefheid, in eens overslaand op twee baboes, die tegen den muur gingen leunen, het gezicht op een omhoog gestoken arm, luid huilend, jammerend onverstaanbare woorden, waartusschen enkel duidelijk nu en dan „mati”, met langgerekte i’s in eentonige cadence drie-, viermaal.
Er kwam gauw een eind aan. Eigenlijk was er geen smart om het verlies. Het oude inlandsche mensch, dat al zoo dikwijls den schijn van te zullen sterven had aangenomen, was alleen dáárdoor reeds „afgeschreven.”
Lugtens was er blij om. Toen zijn vrouw hem ’n week of wat later bij zijn terugkomst vertelde, dat mama tjang dood was en begraven, zei hij ronduit:
„Des te beter! dan zijn we eindelijk van dat gezanik af.”
Hij had, toen hij het zei, de hand van kleine Lena in de zijne, alleen verheugd, dat hij er weêr was om het kind, het eenige in huis, dat hij graag zag. Zij trok zich kwaad los, hem aankijkend met een gezicht vol verwijt. Het ging hem nu ineens door het hoofd: dat was waar ook! En te gelijk vreesde hij, dat zij weêr iets zoo onaangenaams mocht zeggen, als een vorige maal, toen ze sprak over zijn eigen moeder.
„Nu ja, ik wil maar zeggen,” ging hij voort, schijnbaar onverschillig het hoofd achteruit trekkend, „dat het voor ’t mensch beter is.”
„Ja,” stemde zijn vrouw toe, „ze was altijd ziek.”
„Maar ze had toch ook wel plezier,” zei kleine Lena, denkend aan de tevredenheid der oude vrouw bij haar verhaaltjes in ’t maleisch.
Lugtens en Clara zwegen.
Het was geen onderwerp om op terug te komen, als het kind erbij was; dat kind oefende al een invloed uit grooter dan zij beseften. Ze hadden van alles gedurfd waar de andere kinderen bij waren; die telden in zoover niet mee! Het aanwezig zijn van Leentje deed dat wel.
„Roos heeft een meisje,” vertelde mevrouw Lugtens verder.
„Dat heb ik gehoord.”
„Alles is heel goed gegaan. Geber is op Koeningan.”
„Ik heb bericht van hem. De zaken komen flink in orde. Verder niets?”
„Lena zegt dat hij er slecht uitziet. Een dag of wat geleden ben ik er geweest, toen was hij nog niet thuis.”
Lugtens haalde de robuste schouders op.
„’t Zal wel weêr over gaan,” antwoordde hij onverschillig naar zijn kamer gaande.
Het kind van Roos droeg het onverwoestbaar cachet van mama tjang; de jonge moeder vond dat niets aangenaam. Dat het geen jongen was, viel haar al geweldig tegen; zij had daar vast op gerekend, want alle doekoens, die zij had geraadpleegd in de laatste drie maanden, hadden bij hoog en laag verzekerd, dat het een jongen wezen zou, nu was het toch slechts een meisje! ’t Was om er in ’t geheel niets meer van te begrijpen! Had het nu nog maar een blanke huid gehad of ten minste ’n beetje blank, met blond haar, zooals de kinderen van tante Clara, dan had ze zich over de teleurstelling kunnen troosten. De kleine Lena,—ook dit kind moest heeten naar mevrouw Uhlstra,—was al vrij donker bij de geboorte en donkerde als ’t ware met den dag op! Roos had daarover gepikerd, mismoedig! Zij was zoo dol niet op Willem,—heer neen!—maar tante Clara hield zeer zeker nog veel, veel minder van Lugtens.
Dàt was dus alles maar gekheid. Dááraan kon het niet liggen, en aan een verschil in vatbaarheid, samenstelling of gevoeligheid voor indrukken tusschen haar en haar moeders zuster, een verschil in haar nadeel dus,—wel, zij kon er niet aan denken.
Het moest zijn, Gebers, schuld wezen, meende zij; hij was geen krachtige persoonlijkheid genoeg, geen man, die zijn nakomelingschap tjapte. Dat zou het wezen!
Zij was als ’t ware weêr kant en klaar toen Geber terugkeerde.
Hij zag er wezenlijk vermagerd en bleek uit, maar daar lette zij minder op. Wat haar meer trof was zijn grootere opgewektheid en vroolijkheid. Die troffen ook zijn schoonmoeder, tijdelijk op Koeningan om het huishouden te doen. Hij sprak over de zaken met veel levendigheid; alles ging uitstekend! Hij legde een groot en plichtmatig vertoon van vaderliefde aan den dag; nam zijn kind in de armen, kuste het, vond het mooi en flink, zoende Roos bij wijze van bedank-je voor het levend geschenk,—gedroeg zich naar de gevoelens van mevrouw Uhlstra volmaakt zooals het behoorde en rees in haar schatting.
Misschien lette zij daarom meer in het bijzonder op hem en zag, dat hij veranderd was in z’n gezicht.
„Weet-je,” zei ze ’s avonds bij het naar bed gaan tegen Roos, assisteerend bij het „helpen” van de kleine. „Ik vind dat Willem er niet goed uitziet.”
Roos antwoordde er niet op, bezig met haar kind, dat onrustig worstelde met de moeielijkheid, om de beste methode te pakken, voor het tot zich nemen van z’n eerste middel van bestaan; zij knikte bevestigend tegen haar moeder, maar zonder groote belangstelling of overtuiging, ook in haar gedachten met het kind bezig en niet willende spreken, omdat de kleine zich dan verslikte.
En mevrouw Uhlstra, van die laatste omstandigheid, door veelvuldige persoonlijke ervaring, geheel op de hoogte, gaf maar zelf het antwoord:
„Hij zal vermoeid zijn van de reis.”
Maar den volgenden morgen zag Geber er niet uit als iemand, die van de vermoeienis is uitgerust; het teekende nu scherper op zijn gezicht en Roos had wel blind moeten zijn om ’t niet zelf te zien. Zij vroeg hem of hij zich ongesteld gevoelde, en hij antwoordde heel gewoon:
„’n Beetje koortsig soms. Overigens scheelt me niks.”
„Het is toch beter ’n dokter te raadplegen,” meende mevrouw Uhlstra.
„Misschien wel. Ik slaap slecht.”
„Daar moet je bepaald den dokter over spreken. Het is een lastig iets.”
’t Was weêr mevrouw Uhlstra, die het zei, maar zonder overtuiging, zoo losjesweg als om het gesprek aan de ontbijttafel aan den gang te houden. In haar verstand van getrouwde vrouw met een man als Uhlstra, bracht ze bijzonder veel in het leven terug tot een algemeene oorzaak.
„Willem ziet er betoel slecht uit,” zei nu ook Roos, toen Geber weg was naar zijn werk. „Ik weet niet wat slecht slapen is, want ik slaap altijd kostelijk. Het is toch niet erg, ma?”
„Wel neen,” zei mevrouw Uhlstra met een geheimzinnigen lach. „Het is volstrekt niks! Dat heeft je pa ook wel eens gehad in vroeger tijd.”
En Roos in haar eenvoud:
„Hé ma! daar heb ik nooit iets van gehoord.”
Haar moeder amuseerde zich ermeê; zij lachte, dat zij er zacht van schudde, zoo grappig vond zij het.
„Wacht maar,” zei ze, „tot je heelemaal beter bent; dan zal je zien, dat hij weêr goed zal kunnen slapen.”
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
ZELFMOORD-PHANTASIEËN.
Een paar dagen later ging Geber naar de stad voor zaken. Twissels ontving hem op z’n kantoor. Hij zat in een kamer alleen, afgeschoten van een groote zaalruimte door schutsels, en met nog drie overoude lessenaars in zijn naaste omgeving, blijvende herinneringen aan zijn voorgangers, die niemand gebruikte en ook niemand mocht wegnemen; die daar verlaten stonden te vervallen en te vergaan, zooals ook de zijne eens zou staan, als hij zich uit de zaken der firma voorgoed terugtrok.
De landheer, gewoon aan zijn leven in de frissche lucht, vond dat het er stonk, naar stof en oud papier, naar vocht en vagebondeerende katten, naar alles wat vies was.
Twissels vond dat niet; hij voelde zich in die atmosfeer eerst recht lekker. Dáár had hij jarenlang de meeste uren van den dag doorgebracht; dáár was hij begonnen als gewoon employé en opgeklommen tot chef; dáár was hij van een armen drommel een rijk man geworden. Hij zat er met genoegen, met wellust, en als hij ’s morgens binnenkwam, dan rook hij met meer welgevallen de stankmixtuur, dan een ander het bij mogelijkheid de fijnste geuren zou kunnen doen.
„Ga zitten,” zei hij tegen Geber, hem een stoel wijzend naast zijn lessenaar. „Ik ben dadelijk klaar.”
En met zijn neus op het papier, zijn bril haast over de regels en langs de cijferkolommen schuivend, keek hij een rekening-courant door, nu en dan ’n aanteekening makend op ’n stukje papier of met ’n hooge stem een employé roepend, die aan den anderen kant der schutsels zat, om een inlichting.
„Hoe gaat het thuis?” was, toen hij met zijn stuk gereed was, welstaanshalve zijn eerste vraag.
„Heel goed! Je kunt best eens voor ’n paar dagen overkomen.”
„Te druk!” piepte Twissels, zijn kuifje opstrijkend en met twee handen zijn bril rechtzettend. „Veel te druk tegenwoordig. Blijf jij vandaag hier, dan maken we samen van avond ’n partijtje.”
Maar Geber had beloofd thuis te komen, en toen er dus geen mogelijkheid was op het gaan van den een en het blijven van den ander, bespraken zij de zaken, waarvoor Geber gekomen was. Al de paperassen kwamen daarbij voor den dag, met een heen en weêr rekenen van belang.
Het eene uur verliep na het andere; en al voortwerkend rees en rees het cijfer hunner winsten door de samenvoeging der resultaten, deels werkelijk, deels geraamd, der gecombineerde zaken, landbouwcontracten, transporten, productenverkoop, en al wat ze al zoo deden in kongsi, hier en daar en waar ze samen belang bij hadden.
„Mooi, hè?” zei Twissels met z’n zachten meisjeslach, zijn lange droge handen tusschen de knokkige hooge knieën wrijvend. „Verdomd mooi, hè?”
„Ja,” zei Geber ervan zuchtend. „’t Is prachtig, dat moet ik zeggen.”
„Blijf hier bij mij rijsttafelen op ’t kantoor.”
„Ik heb nog zaken.”
Voor geen geld had hij het gedaan!
In die onmogelijke atmosfeer had hij niet kunnen eten, nu reeds misselijk van het erin vertoeven.
Inderdaad ging Geber naar den dokter, dien hij thuis vond op het etensuur.
„Hebt u er vroeger last van gehad?” werd hem gevraagd.
„Neen, eerst in den laatsten tijd.”
„Is er iets, dat u bijzonder bezighoudt?”
„Er is niets, dokter.”
Dat was een onwaarheid, en hij was er zich van bewust, dat nu ook de dokter hem niet kon helpen. Waarom zei hij niet de waarheid? Waarom vertelde hij niet, dat telkens hem dat ellendige denkbeeld aan zelfmoord vervolgde? Het was op reis voor het eerst weêr bij hem opgekomen, op een avond, dat hij aan boord zat van de kustboot. De omgeving kon het niet geweest zijn, want bij den zilverblanken maneschijn en zachte, verfrisschende bries, was het verrukkelijk op zee. Hij, landman, vond het bijzonder mooi, en zoo ineens, zonder transitie, overviel hem dat vervloekte idee weêr, met als ’t ware zijn voor- en achterrijders van pessimistische opvattingen en verdwaasde gemoedelijkheid.
Dat dit denkbeeld zoo onverwacht terugkwam, had hem diep getroffen.
De verdere dagen van zijn reis dacht hij daar telkens aan.
Wat kon van zoo’n redelooze herhaling de oorzaak zijn? Hij had veel te doen; den heelen dag was hij op de been geweest in de bosschen om den boel op te nemen, te schatten en zoo; ’s namiddags was hij zeer vermoeid naar de stad gereden, dertig paal in een reiswagen! Hij had er ’n biefstuk gegeten en ’n glas grog gedronken; ’t was toen tien uren en zeer stil in het logement, want er werd in den schouwburg een concert gegeven. Geber vond, dat hij nog wel ’n oogenblik kon gaan luisteren, kleedde zich en ging naar de komedie; hij trof er vrienden en kennissen aan; hij ging in de loges hun dames groeten en een praatje maken; in de pauze werd hij als ’t ware omringd, niet enkel wijl hij rijk was, maar men mocht hem graag, vond hem een goede, sympathieke persoonlijkheid. Heel oude sobats van twintig jaren en meer geleden, kwamen met vriendschappelijk glimlachende herkennings-gezichten en toegestoken handen op hem af, met „Zoo!”’s en „Wel kerel!”’s en amicale „Gévédé”’s, maar allen met vertoon van gemeende hartelijkheid.
„Kom,” zei de plaatselijke commandant, die als tweede luitenant Geber gekend had, „ga nog ’n uurtje na het concert met me mee naar m’n huis.”
Als altijd licht te „lijmen”, deed hij het.
En twee anderen gingen ook mee, omdat, zeiden ze, Geber ging, en zoo raakten ze weêr aan ’t homber-partijtje, tot te twee uren Geber in zijn wagen stapte, zóó totaal op, dat hij al sliep vóór het rijtuig stil stond. Hij sliep om zoo te zeggen door naar zijn kamer gaande, zich ontkleedende met het gevoel, de zekerheid, waaraan hij nog dacht voor hij heelemaal insliep, dat hij wel tegen alle gewoonte in niet vroeg zou opstaan den volgenden dag.
Het was alsof iemand hem wakker had gemaakt; ineens klaar wakker, zonder eenig overblijfsel van slaperig zijn of soesen; vrij helder van oog en hoofd; en werktuigelijk keek hij rond in het vreemde logementsbed, als met aandrift om te onderzoeken wie of wat hem zóó had doen ontwaken midden in zijn slaap. Er was niets te zien; aan de eene zijde het beeld van het kamerscherm tusschen hem en het flauw schijnend nachtlichtje, aan de andere de lichte doorschijnende schaduw van de klamboe op den witten muur. Op straat sloeg de gardoe vier slagen; alles was stil en rustig.
Gek vond hij het, dat hij nu uit zichzelven wakker werd, na zoo’n zwaren dag en terwijl hij daareven zoo’n geweldigen slaap had.
’t Beste was maar te beproeven weêr in te slapen; hij sloot de oogen, doch deed ze snel weêr open... Daar had je weêr dat idee! Het toonde zich nu belichaamd; hij zag zichzelven en de oude plek en het pistool, dat hij in de hand hield, en te gelijk zag hij zijn lichaam, den arm uitgestrekt, dood. Toen hij de oogen sloot, doemde het ineens op, als een mooie geïdealiseerde schilderij, vol licht en kleur, maar met buitengewone, phantastische, scherpe tinten, tot hem komend gelijk de monsterachtige mannetjes en de vreemdsoortige dieren voor de ongeregelde verbeelding van kinderen, als ze de oogen sluiten voor ze inslapen.
Hij was waarlijk geen kind, en het was ook niet, dat hij voor zulke kleinigheden bevreesd was of uit bijgeloovigheid; alleen vond hij die herhaling vreemd en onrustwekkend.
Waarom kwam dat denkbeeld aan zelfmoord zoo herhaaldelijk bij hem op?
Hij was het toch niet van plan! In vollen ernst: hij dacht er niet aan. Als erover werd gesproken in gezelschap, keurde hij het altijd af. Vooral menschen die vrouw en kinderen hadden, zei hij dan, waren schuldig als zij zoo iets deden; zij kwamen dan hun verplichtingen niet na. Maar zelfs al hadden zij geen gezin, dan was en bleef het nog een onverantwoordelijke daad.
Nu deed hij de oogen weêr dicht, zag het weêr, keek ernaar en glimlachte ertegen; want het was mooi; zoo artistiek van teekening, zoo fijn en diep van zacht wijkend perspectief, en vooral zóó schitterend rijk van toon...... zoo iets was haast ondenkbaar; had hij nooit gezien in de werkelijkheid; ’t nam al het nare weg van de voorgestelde handeling en van de uitgevoerde, in een omtrek samen opgenomen; de vorm won het op ’t wezen. En al wat om die voorstelling heen scheen te liggen, zonk weg in een vage droefgeestige tint, vuilgrijs en dofgeel. Was dat het leven, was het andere de dood? Het ging in zijn hoofd weêr den ouden weg op. Wat had hij aan het leven? Daar tobde hij nu zijn lichaam af in moerassige, stinkende en benauwde bosschen, om... wat meer geld dan hij bezat. En waartoe dat geld? Wat had hij eraan? Thuis een machinaal onverschillig leven; een vrouw, die hem altijd vreemd zou blijven als mensch, al kreeg ze ook nog twintig kinderen bij hem. Hij kon zoo’n leven doorsjokken als een ander soort van koelie, beschaafd en welgesteld! Net als vroegere keeren en heelemaal in strijd met zijn oude denkbeelden, kwam hij weêr terug tot de theorie, het leven te beschouwen als een huis, dat men verlaat, als het niet langer bevalt. En het beviel hem niet, nu niet! Zooals hij het zag was het een gruwel van vervelende overbodigheid, van noodelooze en onnutte ellende. Hij had Roos willen ruilen voor Clara, maar of het dat was wat hem ontbrak? ’t Scheen hem onwaarschijnlijk.
Want dan zou hij ook van dezelfde conditie zijn als nu, misschien met wat meer opgewektheid als man, maar anders ook niet.
Overigens dezelfde misère; de mierenarbeid van menschen! Hij keek weêr naar de voorstelling van het beeld, dat als iets wezenlijks voor zijn geest was blijven staan, stralend van mooiheid en licht, nu zacht vervloeiend.
Het kanonschot van vijven, dadelijk gevolgd door de slagen der gardoes op hun blokken, deed hem opspringen. Het was nu ineens alles weg; maar toen hij de hand over ’t voorhoofd streek en over zijn kaal hoofd, voelde hij dat ’t klamme zweet erop parelde. Dat was weer een nacht geweest! dacht hij geeuwend en de vensters opengooiend.
Op den weg en het erf van het logement ving in het donker de bedrijvigheid aan; hij leunde op het vensterkozijn en keek ernaar, telkens geeuwend dat hij ervan rilde. Nog geen twee uren geslapen, na zulk een dag!
Het zou hem in vroeger tijd nooit zijn gebeurd. Wat scheelde hem dan? Waren zijn zenuwen in de war? Ontbrak hem een normale digestie? Het denken aan zelfmoord en het niet kunnen slapen zou wel een en dezelfde oorzaak hebben. Het was niet anders te verklaren, dacht hij, want de menschen spraken wel van erfelijkheid en zijn moeders-broer had zich vele jaren geleden voor ’t hoofd geschoten, maar dat vond hij toch te gek om van te spreken.
Hij had van den onaangenamen nacht geen last, was integendeel opgewekter en vroolijker dan anders, met neiging om een goed glas wijn te drinken en een stevig bittertje.
Toch vroeg men hem overal of hij ziek was, waarop hij dan lachend antwoordde, dat bij hem vergeleken, een vischje in het water een teringlijder was. Maar hij had de overtuiging van ziekte, van een vreemde, onverklaarbare ongesteldheid, waaruit alles voortkwam wat hij onderging in den laatsten tijd, tot zelfs zijn bijzondere opgewondenheid en het extra spraakzame in vreemd gezelschap, hem anders niet eigen.
Daar zat hij nu ook over te denken, teruggekeerd van zijn zakenbezoek aan Twissels. Hij kon dien dokter toch niet alles vertellen over de aanvechtingen tot zelfmoord!
Dan zou hem misschien ook nooit een geneesheer kunnen helpen.
In godsnaam! zuchtte hij. Er moest maar van komen wat er wilde.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
GEBER EN CLARA.
Een maand of wat later hield men bij de Uhlstra’s grooten familieraad.