"Ups" en "downs" in het Indische leven
Part 9
„Ik? Wel, wat ik elken ochtend doe vóór vijven. Ik zal probeeren een lekkeren kop koffie te zetten.”
„Dat is een idee. Krijg ik er dan ook een?”
„Als je wilt.... Maar ik zou het je niet aanraden. Het is geen goed middel als men in slaap wil raken.”
„In ’s hemels naam.... ik heb er zoo’n behoefte aan.... veel meer nog dan aan slapen.”
Langzaam ontkleedde hij zich in z’n kamer, nog bezig in gedachten met dat dwaze zoo plotseling opgekomen idee van zelfmoord. Het was al te gek! Iemand in zijn omstandigheden moest zulke malligheid niet in ’t hoofd kunnen krijgen. Het zou, meende hij, wel veroorzaakt zijn door een geringe storing in z’n bloedsomloop, ’n tikje malaria, gevatte kou, onregelmatige werking van de gal of zoo! Hoe zou iemand, normaal gezond van lichaam en geest, zulke krankzinnige visioenen kunnen hebben en die dan als heel gewone zaken opnemen en in gedachten beschouwen? Het zou hem niet weêr overkomen, dat was zeker, en al frisscher en helderder wordend in z’n hoofd, stak hij een cigarette op en wierp, nu in nachtbroek en kabaai gekleed, zich op een divan bij het opengestooten venster.
Zacht hoorde hij tikken aan de kamerdeur. Dat zou zijn koffie wezen, die de jongen bracht; daarom antwoordde hij in ’t maleisch. Doch Clara was het zelf met een grooten porseleinen kop in de hand.
„Er is geen bediende present.”
„Dat begrijp ik,” antwoordde hij.
„Neen, ze hebben óók niet stilgezeten, gister en vannacht.”
Hij nam den kop koffie van haar aan en dronk die met wellust, sterk en warm als ze was, en toen gaf hij den leegen kop haar niet terug, schoon ze daarop wachtte, maar hij zette dien op de tafel, sloeg zijn arm om haar heen, haar zacht meêtrekkend naar den divan bij het venster. En het was weêr juist als voor jaren geleden, zonder voorbedachten rade, zonder voorafgegane bedoeling of gemaakt plan, maar als iets, dat heelemaal vanzelf kwam en vanzelf sprak; er volgde ook nu van haar kant geen tegenstand; zelfs geen poging daartoe.
Toen zij samen Geber’s kamer verlieten, was er nog altijd niemand wakker van de huisgenooten en de gasten. Clara ging naar achter bij de koffie; hij stapte langzaam de trap af der voorgalerij, schrikbarend uit zijn humeur, hoogst ontevreden met en over zichzelven, ook al net als voorheen.
Hij liep een landweg op met groote schreden, zonder ergens heen te moeten, zonder haast zich spoedend, louter uit onbekenden aandrang tot heftige beweging, als moest die reageeren op zijn stemming.
Er kwam tint aan den horizon, licht rose. Hij volgde denzelfden weg, dien Jozef had geloopen, den avond voor de ketjoe-partij.
De weg liep tusschen de velden door, haast een uur lang, ombuigend door de sawahs den anderen kant weêr terug naar het landhuis. ’t Daglicht brak zachtjes door, lichtgrijs over de velden, rood aan de lucht, tot de kleurverschillen in één toon smolten en de boomtoppen verguldden in den zonneschijn.
Toen hij weêr thuis kwam, door en door warm van den geforceerden marsch, met een kleur op z’n gezicht, was het heelemaal dag en zat de galerij vol, terwijl werd storm geloopen op de badkamers.
„Jij bent in ’t geheel niet naar bed geweest, hè?” vroeg Lugtens hem, toen hij, opkomend, zijn gasten een vroolijken morgengroet toeriep.
„Neen. Ik heb nog geprobeerd ’n oogenblik in ’n stoel te slapen, maar het lukte niet.”
„Je hebt al koffie gehad van tante,” zei Roos, toen zij haar man bemerkte, met de bedoeling te informeeren of hij misschien nog meer verlangde. Even keek hij terzijde naar mevrouw Lugtens, maar die was in gesprek met andere dames en lette niet op hem.
„Ja,” antwoordde hij. „Maar ik lust nog wel wat. Ik heb een flinke wandeling gedaan: den heelen binnenweg om.”
„Is dat lang?” vroeg Markens, genietend van een boterham met gerookten zalm.
„Een goed uur als men aanstapt,” antwoordde Geber. „En hebben al de dames en heeren goed geslapen?” vroeg hij in het rond ziend.
De stroom van antwoorden was zeer verschillend.
Over het algemeen heerschte er dadelijk weêr de vroolijke feesttoon bij. Er waren jongelui die haast met geweld bedwongen moesten worden, want ze wilden maar dadelijk weêr aan den dans op het plancher. Toen stelde er een voor en corps in de kali te gaan baden, en dit vond zelfs bij hen, die al in de badkamer waren geweest, grooten bijval.
Haast allen gingen meê, velen enkel om te zien wat er te zien viel, al zwommen ze niet zelf.
Natuurlijk bleef Lugtens thuis en Geber ook; de eerste bij deze gelegenheid bijzonder vroolijk voor zijn doen en spraakzaam, gaf een betuiging van tevredenheid over het aangenaam festijn; de andere, verstrooid, luisterde eigenlijk maar half naar den commandotoon, en hoorde eerst wat Lugtens zei, toen hij begon te begrijpen, dat er iets te verdienen viel.
„Je weet,” verzekerde Lugtens, „dat ik jullie graag mag. Maar je moet je niet terugtrekken. Dat gaat niet. Ik heb nu een mooi houtcontract op het oog. Wel, dat kunnen we weêr met ons vieren doen. Als we het spoor door het bosch kunnen krijgen, zijn we heelemaal klaar. Doch één ding, en dat weet je wel. Ik houd niet van menschen die... die... zoo eigenzinnig een anderen weg willen gaan. Men moet veel menschen ontvangen en bij menschen gaan. Ik ben je genegen, en met deze royale partij heb je ’t weêr eenigszins in orde gemaakt. Het is alles heel goed hier. Nogeens, ik ben daarover tevreden.”
Ofschoon de meesterachtige toon hem hinderde, en hij te gelijk moest lachen om het gek geval, dat hij juist thans en van dezen man pluimpjes moest krijgen,—hield toch een gevoel van schaamte de overhand. Het was en bleef altijd een gemeene streek;—nu hijzelf getrouwd was, besefte hij dat beter dan ooit. Maar van een vriend en gastheer te gelijk!....
Geber beproefde over zijn eigen gevoel heen te praten, groote belangstelling toonend in het houtcontract en informeerend of en hoe het mogelijk zou zijn later een spoor te krijgen door de te exploiteeren djattibosschen.
’t Bracht hem er heelemaal bovenop bij Lugtens. Iemand die van een of andere zaak niets begreep, waarvan hij heelemaal op de hoogte was, en die dan gepaste belangstelling aan den dag lei, zoodat hij, in ’t volle gevoel zijner meerderheid, hem kon inlichten,—dat was juist een kolfje naar zijn hand.
„Het moet niet van hier uitgaan.”
„Moet dan niet door de Regeering hier het ontwerp worden goedgekeurd?”
„Dat beteekent niets. Het is de Tweede Kamer die beslist hoe dat spoor zal gelegd worden.”
„Het zal geen kleinigheid....”
Lugtens zag hem aan.
„Het is ook geen kleinigheid, meneer! Daarmee houd ik me nooit op. Ik heb in Holland er alles voorgespannen, wat ik kon en,... we zullen zien.”
Gelukkig kwamen zij in een stroom van gasten; er waren er die stilhielden en tegen Lugtens praatten. Geber ontsnapte; het werd hem, nu de warmte toenam, te machtig; hij zou stil naar zijn kamer gaan, en ondanks het met de temperatuur stijgend rumoer trachten te slapen.
Een paar uur later werd hij gewekt door Roos; hij sliep zoo schrikkelijk vast, dat het haar veel moeite kostte hem wakker te krijgen, en toen het haar gelukte, keek hij haar aan, suf, met oogen rood van vermoeienis, en in een onaangename stemming.
„Ga toch heen,” bromde hij en ging, vastbesloten, op z’n andere zijde liggen.
Maar zij hield aan met haar zachte, goedige stem, net als tegen een kind. „Wim, Wim, Willem! Sta nou op, Wim! We gaan zóó rijsttafelen; daarna kan je immers nog slapen gaan. Wim, Willem, Wim!....”
„Gévédé!” vloekte hij. „Schei nu asjeblieft uit. Daar word ik gek van!”
Zij moest erom lachen, want hot doel was bereikt; hij stond op en verfrischte zijn gezicht en polsen met koud water.
Roos had wel gelijk; hij moest immers aan tafel zijn, zoo goed als zij; ten slotte had de slaap hem toch aardig, verkwikt en toen hij in een wit pakje te midden der gasten kwam, stond hij eenigszins als ’n kat in een vreemd pakhuis, als iemand die heelemaal niet in de heerschende stemming was; hij had niet meêgedronken van de Champagne, die van tien uren af duchtig was aangesproken, en ook niet van de twaalf-uur-bittertjes, die de heeren reeds klokke-elf waren aangevangen te verschalken. Zelfs aan tafel onder een glas wijn kon hij het peil der heeren-omgeving niet bereiken. Voor de tweede maal was ook Lugtens de invloed van buiten te sterk geweest en had hij zich laten verleiden in het warme ochtenduur. En net als de eerste maal, speelde het hem parten; nu danste hij niet, maar oreerde, trachtend geestig te zijn, wat hem niet gelukte.
Men lachte niettemin om zijn platte aardigheden, velen uit respect voor zijn positie, anderen uit plezier, dat de altijd zoo quasi deftige kerel eens met z’n waren aard voor het front kwam; de jongelui omdat ze er „lol” in hadden in alle beteekenissen.
„Zoo dadelijk gaat hij weêr aan den zevensprong,” zei er een.
„Hij is er al aan,” fluisterde een ander, „maar met z’n tong.”
„Daar zal je ’m nog ’n kuitflikker meê zien slaan,” gaf een derde terug met ’n basstem, die haast iedereen verstaan kon.
Ze stikten bijna van ’t lachen; de laatste aardigheid deed de ronde aan tafel en had het succes dat er in deze omstandigheden natuurlijk van te verwachten viel. Geber kon hieraan niet meêdoen, flauwtjes, gedwongen glimlachte hij, omdat hij nu eenmaal gastheer was; hij zag Roos, die haast niet eten kon van de pret en zich tranen lachte; hij zag Clara donkere minachtende blikken werpend naar haar man: het was alles naar, vond hij; heel naar.
Maar hij ontkwam er niet aan. Lugtens sprak door, over het feest, den gastheer, de gastvrouw.
De jongelui aan het ander eind van de tafel mopperden nu.
„Hij maait ons al het gras weg voor de voeten.”
„Er blijft niets voor ons over.”
„Net zoo’n haai als hij is in zaken.”
Lugtens hoorde er niets van; glimmend en met onduidelijke oogen, trachtend vastheid bij te zetten aan z’n stem, zich inspannend om zinnen te zeggen, die niet over elkaar den hals braken, stoomde hij door, tot het einde, dat voor iedereen ’n verlichting was.
De gasten juichten; er waren nog jongelui die zich nu eenmaal hadden voorgesteld een woordje meê te spreken en zich door niets ter wereld van dit plan lieten afbrengen.
Toen ze gereed waren, dankte Geber, volkomen normaal en nuchter, met een enkel vriendelijk woord zoo goed, zoo eenvoudig, zoo volstrekt niet riekend naar wijn of spiritualiën, dat hij twee knikjes kreeg en twee glimlachen: van Roos en Clara. De eene vond dat haar man toch iets geheel anders was dan de rest: de andere vond dat ook.
Er volgde weêr een dansavond, met partijtjes; weêr schetterde den heelen nacht de muziek; maar ditmaal was alles in een zoo opgewonden stemming, dat er in het geheel niet naar bed werd gegaan, noch door de dansende paren, noch door de spelende partners. Het was den volgenden dag Zondag. Iedereen had daarop gerekend. Men zou thuis wel uitslapen.
Eindelijk kwam er een eind aan!
Het was mooi geweest; plezierig, allerprettigst, jolig, royaal, joviaal,—al-wat-je-maar-wil, maar legio was het aantal „Goddanks” dat in stilte opsteeg bij huisgenooten en genoodigden, toen de lange, lange reeks rijtuigen de laan van Koeningan afreed, den grooten weg op, terug naar de stad.
Alleen Geber en Clara verheugden zich niet. Het eigen groot rijtuig van Lugtens was een der eerste dat voorkwam. Zij had zich in een hoek als geworpen, verdrietig en ontstemd, met geforceerde vriendelijke lachjes tegen haar zuster Lena, tegen Uhlstra, Roos en de andere neefjes en nichtjes; met haar oogen had zij hem gegroet, tweemaal uit het open deel achter in de kap van ’t rijtuig; toen waren ze weggereden.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
HOE DE „KINDEREN” ZICH AMUSEERDEN.
Het werd er onder het rijden niet vroolijker op. De file van rijtuigen joeg aanhoudend hooge stofwolken op, die voor de hoeven der paarden omhoog schietend, de menschen letterlijk poeierden.
Toen Markens en z’n vrouw thuis kwamen, bevreemdde het hem en verontrustte het haar, dat zij niets van de kinderen zagen of hoorden.
„Ze slapen,” zei een der bedienden.
Dat was nu juist het gekke: ze sliepen anders nooit op zulk een tijd van den dag.
Zij gingen nu even de slaapkamer binnen, en werkelijk de jongens snorkten achter de klamboe, dat het een lust was.
„Zijn ze dan gisteravond laat naar bed gegaan?” vroeg mevrouw.
„Neen.”
„Zijn ze van ochtend al op geweest?”
„Neen.”
„Maar, mijn God! dan zijn ze ziek,” riep zij uit. „O, zulk gemeen, harteloos inlandsch volk! Ze zouden mijn arme kinderen zich nog liever dood laten slapen, dan om den dokter gaan!”
Markens volgde haar terug naar de slaapkamer, waar ze de klamboe openden.
Een stank van sterken drank en tabaksrook sloeg hen tegen. De jongens lagen daar met roode gezichten en opgezette oogleden in een zwaren slaap, gekleed, met hun schoenen aan, en vuil, vuil! Fred had een schram over zijn voorhoofd, en Ed, die uit zijn neus had gebloed, zag er ontoonbaar uit.
De ouders keken een oogenblik stil toe, verslagen.
Daarna jammerde zij, huilend, dat het zóó geen leven was; dat zij zóó geen oogenblik van huis kon! dat het geheele bediendenpersoneel weg moest; zij wilde de meiden roepen, haar „standjes” geven en wegjagen; zij wilde de „kinderen” laten afwasschen en uitkleeden,—maar daar was Markens tegen.
„Laat hen maar uitslapen,” zei hij onverschillig.
En eigenlijk deed zij dat het liefste; nu, zoo vermoeid, weêr dadelijk soesah te hebben, was te erg!
Zij was, meende zij, eigenlijk ook niet sterk genoeg van gestel voor de zorgen van een huisgezin; iemand van haar délicate constitutie moest zich met al die onaangename dingen nooit behoeven te bemoeien.
Hij liet haar uitspreken, gewoon aan dat lied; hij had het al zooveel jaren gehoord!
Zij ging gaarne uit; zij kon ’n goed glas wijn verdragen, meer en beter dan een der andere dames; zij dronk zelfs somtijds meer dan zij verdragen kon, thuis, in haar kamer alleen! Als hij naging wat er met zijn weten werd verbruikt in zijn huis aan Port en Madera, en hij vergeleek dat, bij de daarvoor op de rekeningen geschreven hoeveelheden... Bovendien maakte zij graag een partijtje whist, en hoe laat het dan werd in den nacht was haar geheel onverschillig.
Dat alles kon zij doen, voor dat alles was zij sterk genoeg van gestel; robuust genoeg van constitutie, maar voor de zorgen van een huishouden met ’n paar kinderen was zij altijd te zwak geweest, en klagend daarover, had zij het zoover gebracht, dat er verscheidene dames waren, die beweerden het te gelooven.
Het maakte hem koud noch warm, geleerd als hij had het stilletjes aan te hooren; zich bewust, dat tegenspraak of berisping tot niets leidde.
„Wat zouden ze hebben uitgevoerd?” vroeg zij eindelijk, uitgeklaagd over haarzelve.
Daarover dacht hij reeds al dien tijd.
„Dat weet God!” antwoordde hij met een zucht.
„Geld heb ik hun niet gegeven, en alles is achter slot.”
„We zullen er wel meer van hooren. Nu is er niets aan te doen.”
Zij was ook dat volkomen met hem eens; zij ging naar bed en sliep dadelijk in; hij, schoon ook heelemaal op, kon niet slapen; het gezicht op de jeugdige beschonkenen, die zijn kinderen waren, maatschappelijke drenkelingen in de lange kleeren, vervolgde hem.
Had hij schuld? Hij beproefde zijn verdediging tegen zichzelf. Het hielp niet. Zijn zwakheid.... die was geen verontschuldiging. Dat vulgaire woord van Jan-en-alleman voor elk schuldig zijn aan al wat leelijk was, mocht hij niet in het midden brengen; dáár was hij te verstandig voor.
Er was al tamoe.
Markens, pas in slaap, werd er boos om, maar toen hij hoorde, dat het een politie-ambtenaar was, dacht hij met schrik aan zijn jongens. Daar zou je het hebben!
Net toen hij in de voorgalerij kwam, reed ook Uhlstra het erf op, met een sprong uit z’n wagen en in ’n zetje de galerij binnen.
Toen hij de politie zag, zeide hij niets, en de ambtenaar keek vragend Markens aan, die daar stond in de hoogheid zijner ambtelijke betrekking.
„Zeg maar op, wat u te zeggen hebt.”
„De assistent-resident heeft mij opgedragen u mede te deelen, wat ik hem van ochtend heb gerapporteerd.”
„’t Is goed. Ga uw gang; ik luister.”
„Vannacht werd mijn hulp ingeroepen, omdat eenige jongeheeren, aangevoerd door een paar volwassenen en geholpen door inlandsche soldaten, bij een tokohouder in het chineesche kamp alles stuksloegen.”
„Daar waren mijn zoontjes zeker ook bij.”
„Twee rakkers van mij ook,” zuchtte Uhlstra.
Het deed Markens goed, dat hij een lotgenoot had onder de notabelen, en wel een man als Uhlstra, die niet zwak was voor zijn kroost, althans niet erg.
„En verder.”
„Ze hebben een Chinees geslagen.”
„Nu ja, dat is mogelijk,” zei Markens met een voornaam gezicht de schouders ophalend. „Dat zal zoo’n vaart wel niet geloopen hebben.”
„Om de dit-en-dat wel!” riep Uhlstra zenuwachtig. „Ze hebben hem doodgeslagen!”
Verwezen en bleek keek Markens hem aan.
Daar kwamen zijn twee schuldigen aan uit de badkamer, proper nu, met schoone baadjes aan: hun knappe jonge gezichten met een uitdrukking erop van vroegrijpe gemeenheid, stonden heel leuk; ze kwamen kalmpjes naderbij geloopen, naast elkaar, en keken te gelijk op, de menschen brutaal in het gezicht.
„Wat heb je vannacht uitgevoerd?” vroeg hun vader met een boos gezicht.
„Ik weet het niet,” zei Freddy.
„Ik weet het ook niet,” zei Eddy.
„Hoe ben je uitgegaan?”
„We zijn in den vooravond wat gaan wandelen met eenige vrindjes; met de jongens Uhlstra en Lugtens en anderen.”
„Vervolgens?”
„Toen zijn we voorbij de sociëteit gekomen. Er waren daar maar weinig menschen door de groote partij op Koeningan.”
„En toen?”
„Daar zaten Cesar Jansen en andere jongelui. Ze hebben ons brendy gegeven met klontjes suiker; toen zijn ze met ons gaan wandelen.”
„Waarheen?”
Uhlstra zat bij die vraag van Markens in spanning; ’t was hetzelfde verhoor, dat hij zijn twee jongste kinderen had afgenomen en tot nog toe waren dat dezelfde antwoorden, die ze hadden gegeven, juist alsof het afgesproken werk was.
„Ik weet het niet, pa,” zei Freddy.
„Ik herinner me er ook niks van,” verzekerde Eddy. „Heusch pa, heelemaal niks.”
De mannen keken elkaar aan. Mevrouw Markens, in angst over wat zij hoorde, was dichtbij gekomen, zonder iets te zeggen.
„Het is duidelijk,” zei ze nu koel en uit de hoogte.—„De kinderen zijn door een paar volwassen deugnieten dronken gemaakt. Het is een schande.”
Tot haar groote vreugde deelde de politie-ambtenaar haar meening.
„Dat geloof ik ook, mevrouw.”
Uhlstra en Markens knikten; het was, vonden ze, de eenige manier om tot een niet oneervolle oplossing te komen voor hun eigen kinderen.
De jongens van Markens, nu gluiperig de blikken naar den grond, met arme-zondaarsgezichten, toonbeelden der vermoorde onnoozelheid, schuinoogden ongemerkt tegen elkaar, inwendig juichend, dat het zoo goed ging.
Men beproefde maar niet er verder nog iets uit te krijgen.
„Het is goed,” zei Markens. „Je kunt naar je kamer gaan.”
En Eddy en Freddy, hun ondeugende gezichten als ervaren tooneelspelers rustig in bedwang, stapten naast elkaar naar binnen, als goed gedresseerde soldaten te gelijk, met de les in het hoofd, precies zooals ze dat met elkaar en Cesar hadden afgesproken.
Maar toen ze binnen waren, buiten het gezicht en het gehoor, vlogen ze als dollemannen de trap op, gierend van pret, en boven op de galerij naar hun kamer, duikelden zij over hun kop, pakten een jonge baboe beet, die met schoon waschgoed beladen liep, trokken haar, vol baldadigheid het baadje haast van het lijf en rolden met haar over de vloermat, zonder iets te ontzien.
„Het beste is, dat wij maar dadelijk aan het werk gaan,” meende Uhlstra. „Hoe gauwer er een eind aan het gezanik is, hoe beter.”
„Die Cesar wordt toch ’n gemeen sujet,” meende Markens.
„We moeten hem van de plaats zien te krijgen.”
„Ik wil er graag meê mijn best toe doen. Zoo’n jongen zou onze kinderen geheel bederven.”
Hij wist wel, dat aan de zijnen niet veel meer te bederven viel, en tal van volwassenen gevangen zaten om minder dan deze knapen reeds op hun geweten hadden,—maar wat kon hij, als vader, doen?
„Gemakkelijk zal het evenwel niet gaan. Mevrouw Jansen....”
Nu mengde zich de vrouw des huizes met verontwaardiging in het gesprek.
„Mevrouw Jansen moet de keus maar gelaten worden tusschen de gevangenis voor dien gemeenen jongen of zijn verwijdering van de plaats. Zij is een oude vrouw, dat is waar, maar medelijden heb ik niet met haar, want dat die Cesar zoo geworden is, is haar schuld; zij heeft hem heelemaal bedorven.”
Markens was geen wijsgeer, maar hij dacht op dat moment toch heel wijsgeerig over het tegenstrijdige in een mensch, dat volkomen blind voor eigen schuld en gebreken, onbarmhartig oordeelt over geheel gelijke schuld en overeenkomstige gebreken bij anderen.
Uhlstra keerde zich af om z’n gezicht niet te laten zien, dat zeer boos stond.
Hij zweeg maar, want zijn neiging om mevrouw Markens eens op dit punt de waarheid te zeggen, was zoo groot, dat hij ertoe zou gekomen zijn als hij ’n woord had gesproken.
Het was een heel praatje op de plaats. Iedereen had er een bijzonder verhaal over, dat aanvankelijk altijd nog weêr erg overdreven was.
Lugtens was begonnen zijn twee zonen—van hem waren het de oudsten—met een hondenzweep te slaan, tot ze het uitgilden en ampon vroegen; daarna sloot hij hen voorloopig in de wagenkamer.
Toen ze de familie van den vermoorden Chinees door hun invloed en hun geld er toe hadden gebracht de zaak te laten voor wat die was, en ook de politie er zich verder niet mee zou inlaten, werden met vereende krachten contra-berichten verspreid; alle fatsoenlijke menschen colporteerden die in het openbaar. Er was in ’t geheel geen doode Chinees. De jongelui en de kinderen, die genoemd waren, hadden niets gedaan, dan staan kijken, toen eenige van die in garnizoen altijd zoo rampassende boegineesche soldaten een tokotje hadden geplunderd.
Er waren er, die zelfs dat contra-verhaal hielpen verspreiden, verontwaardigd de vroegere leugenachtige en lasterlijke praatjes tegensprekend, en die toch zeer wel de waarheid wisten; de eenige, die onder deze wetenschap vreeselijk leed was Markens.
Freddy had den Chinees met een stuk ijzer op het hoofd geslagen; hij was de moordenaar.
Dat was Markens te machtig. Al was hij van huis uit een proletariër, in zijn gezin en tegenover zijn vrouw van goeden huize altijd slechts le mari geweest de sa femme,—hij had reeds eenmaal—te laat! getoond te kunnen optreden.
Nu deed hij het, en het verwonderde hem, dat dit eigenlijk weinig meer bleek te zijn dan een goed doorgezette durf.
„De jongens gaan naar Holland,” zei hij, nadat hij haar alles verteld had.
„Dat is onmogelijk,” had zij geantwoord, volstrekt niet geïmpressionneerd door de mededeeling. „Ze kunnen niet alleen naar Holland gaan.”
„Ik vraag niet, wat ge denkt, dat ze alleen kunnen doen of niet. Wat ze doen, alleen en hier, weet ik!”
„Maar ik vond.... Mijn God, ik heb....”
„Het is niet de quaestie, wat je vindt en wat je hebt. De jongens gaan met de eerste boot weg; ik heb mijn maatregelen genomen, en daar is niets hoegenaamd aan te veranderen.”
„Dus dat heb je alles beschikt zonder mij.”
„Ja, dat heb ik zonder jou gedaan, en ik zal, zonder jou, nog veel meer beschikken. Veel te lang ben ik zoo dom en eigenlijk zoo slecht geweest om dingen aan jou over te laten, die ik zelf had moeten doen... Hoe je hierover denkt, doet er dus niet toe; het gebeurt! En wat je „hebt” geldt alleen in zoover het ’t uitzet betreft van de jongens, die in elk geval niet zonder kleeren op reis kunnen gaan.”
Zij voelde waar het terrein onherroepelijk was verloren, maar te gelijk, waar zij het onder de voeten had, begrijpend hoe daarmee nog voordeel was te doen.
Dienzelfden dag nog reed zij de toko’s af en kocht, kocht! Het was volmaakt of Freddy en Eddy voor vele jaren naar een onbewoond eiland gingen, met zoo ontzaglijk veel, deels in Europa geheel onbruikbaar goed, werden koffers en kisten volgepakt.
De jongens waren blij.